Tweede Kamer der Staten Generaal


26431000.015 lijst van vr.-antw. over proef- en winningsboringen wadde nzee

Gemaakt: 2-2-2000 tijd: 15:17


8


26 431 Planologische Kernbeslissing Derde Nota Waddenzee

Nr. 15 Lijst van vragen en antwoorden Vastgesteld 18 januari 2000 De vaste commissie voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer 1) heeft een aantal vragen aan de regering voorgelegd over de motie Witteveen-Hevinga c.s. (26431, nr. 3) over proef- en winningsboringen. De ministers van Economische Zaken en van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer hebben deze vragen beantwoord bij brief van 18 januari 2000. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt. De voorzitter van commissie, Reitsma De griffier van de commissie, De Gier Inleidende vraag:

Wat is de huidige stand van zaken van de besluitvorming ten aanzien van de pkb-Waddenzee?

De voorbereiding van deze nota vindt thans plaats, mede op basis van het overleg met de Tweede Kamer op 9 december jl. over het kabinetsstandpunt over gaswinning Waddenzee. De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer heeft tijdens dat overleg aangegeven dat hij zich ook nog wil bezinnen op de formulering van het beleid ten aanzien van de scheepvaart, de luchtvaart, de visserij en de defensie-activiteiten.

Vraag 1:

Welke zijn de oorspronkelijke aangetoonde gasreserves in de velden waar tot op dit moment gas wordt gewonnen in het PKB Waddengebied inclusief de nieuwe gebieden die onder de Natuurbeschermingswet zullen vallen?

Kan een specificatie worden gegeven van de velden en locaties, waaronder Blija-Ferwerderadeel, Anjum, uitloop van het Slochterenveld aan de oostzijde van het PKB-gebied in de Eems-Dollardmonding, Zuidwal en Ameland - Oost, Blok N10 waar deze gaswinning plaatsvindt?

Op dit moment wordt er gas gewonnen uit een vijftal velden die zich geheel of gedeeltelijk onder het PKB Waddengebied uitstrekken, inclusief de nieuwe gebieden die onder de Natuurbeschermingswet vallen. Het gaat hierbij om de velden Ameland Noord, -Oost en - Westgat, Anjum, Blija Ferwerderadeel, Zuidwal en het Groningen veld. De totale initiële reserve in deze velden (afgezien van het Groningen veld) bedraagt circa 100 miljard m3 .

Vraag 2:

Vanaf welk tijdstip is er gas gewonnen en in welk veld?

Deze velden zijn als volgt in productie genomen:

Veld Start productie

Groningen 1963

Blija-Ferwerderadeel 1985

Ameland 1986

Zuidwal 1989

Anjum 1995

Vraag 3:

Welke opwaarderingen hebben plaatsgehad, wanneer en met betrekking tot welk veld?

De reserves in deze velden worden regelmatig bijgesteld, zowel positief als negatief. Vooral in de periode vanaf de ontdekking tot de eerste jaren vanaf de productiestart vinden die bijstellingen plaats omdat dan nieuwe informatie wordt verkregen. Het netto resultaat van de bijstellingen in bovengenoemde velden is tot nu toe nagenoeg neutraal.

Vraag 4:

Wat is de huidige stand van zaken met betrekking tot de bodemdaling?

Kan een differentiatie worden gegeven per veld?

Voor alle velden geldt dat een bodemdalingsprognose is gegeven voorafgaand aan de winning en dat na de start van de winning regelmatig waterpasmetingen worden uitgevoerd om de bodemdaling vast te stellen. Het gaat hierbij om de absolute bodemdaling. Voor het PKB gebied wordt deze daling in de diepere ondergrond gemeten en niet aan het oppervlak, omdat daar door sedimentatie nauwelijks sprake is van daling maar in sommige gebieden zelfs van stijging.

De absolute bodemdaling als gevolg van de winning uit het Zuidwalveld bedraagt op dit moment circa twee centimeter in het diepste punt. De verwachting is dat na beindiging van de winning deze daling maximaal
5 centimeter zal zijn. De daling bij de Ameland velden is laatstelijk in januari 1999 gemeten en werd toen vastgesteld op 21,4 centimeter in het diepste punt (zie ook vraag 12).

Het deel van de bodemdalingschotel van het Groningen veld in het Eems gebied bedraagt op dit moment circa 10 centimeter.

Voor de overige velden wordt verwacht dat de daling in het PKB-gebied maximaal enkele centimeters zal bedragen

Vraag 5:

Wanneer zal welk veld uitgeput zijn?

Volgens de standaardcontracten van Gasunie is de gemiddelde productieperiode van de betrokken velden circa 20 jaar. Uitzondering hierop is het Groningen veld, waarvan verwacht wordt dat de productie tot halverwege de volgende eeuw zal lopen.

Vraag 6:

Wat zijn de laatste prognoses van de NITG met betrekking tot de bodemdaling ten aanzien van de verschillende velden?

Het NITG is in staat om met eigen rekenmodellen bodemdalingsprognoses te berekenen. Het NITG heeft alleen voor de velden die gekoppeld zijn aan de winningslocaties Paesens, Moddergat en Lauwersoog de berekeningen van de NAM geverifieerd.

De modelberekeningen van het NITG komen overeen met die van de NAM.

Vraag 7:

Is het juist dat de gevolgen van bodemdaling (ook door winning van andere delfstoffen) eerst na 20 tot 30 jaar zichtbaar worden?

Kan het antwoord worden toegelicht?

Dit is niet het geval. Juist in de eerste fase van de winning, als de druk in het veld relatief snel daalt, zal de bodemdaling ook snel meetbaar zijn. Als de reserves in het veld met de helft tot twee derde gewonnen zijn zal de bodemdaling af gaan vlakken. Naijl-effecten nadat de winning gestopt is, kunnen gedurende een relatief korte periode (ongeveer een half jaar) voorkomen. Deze effecten worden vooral geneutraliseerd omdat de ruimte die het gas heeft achtergelaten ingenomen zal worden door indringend water. Daardoor wordt verwacht dat er niet langdurig verdere bodemdaling plaats zal vinden door kruipgedrag.

Vraag 8:

Wat zijn de aangetoonde reserves in het PKB-gebied Waddenzee en de gebieden die onder de Natuurbeschermingswet zullen vallen die vanaf de locaties Paesens, Moddergat, Lauwersoog, Kollumerpomp en Engwierum opgespoord zijn?

Wat zal de eventuele winningsduur zijn van de hier aan de orde zijnde velden?

Wat zijn per locatie de prognoses voor bodemdaling in het Waddengebied indien tot winning zou worden overgegaan?

De gaswinning vanaf de locaties Kollumerpomp en Engwierum betreft velden die buiten het PKB-gebied liggen. De velden die vanaf de locaties Paesens, Moddergat en Lauwersoog gewonnen kunnen worden hebben een gezamenlijke reserve van ongeveer 20 miljard m3 en zullen gedurende circa 20 jaar gewonnen kunnen worden.

Vraag 9:

Wat zijn de futures van gasvoorraden die volgens de NAM nader onderzocht zouden moeten worden door het doen van proefboringen in de Noordzeekustzone?

Wat zijn de prognoses voor bodemdaling indien tot winning zou worden overgegaan uitgaande van de huidig gegevens over de futures?

Voor wat betreft de futures in het Waddengebied verwijs ik naar de tekst van de nota naar aanleiding van het verslag (behandeling ontwerp Mijnbouwwet) die op 21 juni 1999 naar de Tweede Kamer is gestuurd. In deze nota wordt geen onderscheid gemaakt in Waddenzee en Noordzee-kustzone. De raming van het NITG aan futures in het deel van het Waddengebied dat is gelegen in de concessies «Groningen» en «Noord-Friesland», bedraagt tussen de 48 en 101 miljard m3, met een middenwaarde van 73 miljard m3.

Voor het overige deel van de Waddenzee zijn geen recente ramingen gemaakt door het NITG. De bodemdaling die gekoppeld is aan de mogelijke winning van deze futures is uitgebreid gerapporteerd in het integrale bodemdalingrapport dat in opdracht van de NAM is opgesteld en in maart 1999 naar de Tweede Kamer is gestuurd. Daarin is gesteld dat in het maximale scenario de absolute bodemdaling als gevolg van de winning uit nieuwe velden maximaal 16 tot 18 cm. kan bedragen in het diepste punt van de bodemdalingschotels. In het base case scenario zou die bodemdaling uitkomen op


6 tot 8 cm.

Vraag 10:

Wat zijn de futures van gasvoorraden in de Waddenzee die volgens de Nam onderzocht zouden moeten worden door het doen van proefboringen in de Waddenzee?

Wat zijn de prognoses voor bodemdaling indien tot winning zou worden overgegaan uitgaande van de huidige gegevens over de futures?

Wat zijn de prognoses voor bodemdaling door winning van andere delfstoffen?

Voor het antwoord op het eerste deel van de vraag wordt verwezen naar het antwoord op vraag 9. Voor wat betreft de bodemdaling als gevolg van de winning van andere delfstoffen is op dit moment relevant de winning van zout door FRIMA B.V. in de concessie «Barradeel». De bodemdaling die het gevolg is van deze winning loopt voor een beperkt gedeelte door in de Waddenzee. De prognose is dat de maximale bodemdaling als gevolg van deze zoutwinning in het PKB gebied uitkomt op 10 centimeter over een beperkt areaal.

Vraag 11:

Hoe lang zal het Slochterenveld zijn balansfunctie kunnen uitoefenen bij het continueren van het gemiddelde gasproductieniveau van ongeveer
80 miljard m3 per jaar?

In het Energierapport dat op 15 november 1999 is gepubliceerd door het Ministerie van Economische Zaken wordt aandacht geschonken aan de balansfunctie van het Groningen veld (m.n. pagina 18 en 19). Daaruit blijkt dat nog lange tijd rekening rekening moet worden gehouden met inpassing van productie uit kleine velden. Uitgangspunt hierbij is de aanbod - en afzetraming van de Gasunie in het plan van gasafzet voor de komende 25 jaar. Hierbij moet aangetekend worden dat Gasunie voor wat betreft het aanbod uitgaat van de reserves in aangetoonde velden en de futures zoals die door het NITG worden berekend. In die futures zijn de prospects onder de Waddenzee volledig opgenomen. De conclusie in het Energierapport is dat voor de komende periode van vier jaar een gemiddeld productieniveau van 80 miljard m³ gehandhaafd kan blijven. Op basis van de huidige inzichten is duidelijk dat het Groningenveld niet de volledige periode van 25 jaar de balansfunctie kan vervullen. Nadere studies van de NAM, Gasunie en EBN zullen hierover meer inzicht geven. Zodra de resultaten van deze studies bekend zijn, zal de Tweede Kamer hierover nader geïnformeerd worden.

Vraag 12:

Wat is uw reactie op de constatering van Staatstoezicht op de Mijnen dat bij de gaswinning op Ameland een grotere bodemdaling plaatsvindt dan door de NAM voorspeld?

Is het waar dat het door de NAM voorspelde maximum van 18 centimeter in mei 1998 al bereikt was?

Is het waar dat de bodemdaling in 1997 1,7 centimeter bedroeg?

Wat is uw reactie op de visie van de Mijnraad dat de verwachte afvlakking nog niet optreedt?

Wanneer zal die volgens de huidige verwachtingen van de Mijninspectie wel intreden? (Leeuwarder Courant 13 mei 1998).

Op en rond Ameland worden jaarlijks waterpasmetingen verricht. De gemeten absolute bodemdaling op het diepste meetpunt laat het volgende patroon zien:

Januari 1996: 16,5 cm.

Januari 1997: 18,0 cm.

Januari 1998: 19,9 cm.

Januari 1999: 21,4 cm.

De metingen op het diepste meetpunt worden vermeld in de Jaarverslag van het Staatstoezicht op de Mijnen. Bovenstaande meetwaarden leiden tot een dalingssnelheid van 1,5 a 1,9 cm. per jaar. Over een wat langere termijn bekeken blijkt dat de bodemdaling lineair verloopt met een snelheid van ongeveer 1,7 cm. per jaar.

Naar verwachting zal bij het einde van de gaswinning uit de Ameland velden rond 2020 een bodemdaling bereikt zijn van circa 28 cm. Rond
2005 zal er een afvlakking plaatsvinden.

Voor de goede orde zij nog vermeld dat weliswaar de prognose voor het diepste punt verschillende malen is bijgesteld, maar dat het volume van de bodemdalingskom ongewijzigd is gebleven. De kom is dieper geworden, maar het dalingsgebied kleiner.

Vraag 13:

Wat is uw reactie op de «Integrale bodemdalingsstudie Waddenzee» van de NAM?

In dit rapport is zeer veel kennis en ervaring bijeengebracht over gaswinning en bodemda-ling in en buiten de Waddenzee. De studie is begeleid door een breed samengestelde, externe begeleidingscommissie. Ook heeft een wetenschappelijke audit plaatsgevonden.

De voorspellingen van de bodemdaling en de gevolgen hiervan voor het wad en de eilanden zijn gedaan met de op dat moment best beschikbare modellen. De verantwoording in het rapport van de gebruikte voorspellingsmethoden maakt duidelijk dat hieraan enkele beperkte wetenschappelijke onzekerheden kleven. Dit betreft ondermeer de onzekerheid of het gebruikte model voor de bodemdaling als gevolg van gaswinning voldoende geldigheid bezit voor alle gasvelden onder de Waddenzee. Dit model is dankzij de vele validaties voor gemeten bodemdalingen in Nederland en in het buitenland goed in staat om de meest waarschijnlijke bodemdaling te voorspellen. Voorspellingen zijn minder betrouwbaar voor velden met een ongebruikelijke geologische opbouw die nog niet met behulp van proefboringen zijn verkend.

De bodemdalingstudie Waddenzee toont aan dat het Wadden-ecosysteem een gunstige herstelreactie vertoont op de bodemdaling. Hierbij moet worden aangetekend dat een voorspellingsmodel voor dit soort opslibbing op dit moment niet voorhanden is. Het binnenkort te verschijnen Alterra rapport wil ik graag beoordelen op nieuwe inzichten. De herstelreactie van het Wadden-ecosysteem is in ieder geval sterk afhankelijk van de hoeveelheid zand die via kustsuppleties beschikbaar is.

Deze kanttekeningen zijn echter niet zozeer een tekortkoming van de integrale bodemdalingsstudie als wel van de beschikbare kennis over bodemdaling in het algemeen.

Voor een kanttekening bij de actuele betekenis van de Integrale bodemdalingsstudie wordt nog verwezen naar het antwoord op vraag 15.

Vraag 14:

Wat is uw reactie op het rapport «De schaduwkant van Waddengas»? Deelt u de visie dat het rapport goede aanknopingspunten bevat voor een kosten/baten-analyse? Bent u bereid een dergelijke analyse aan de Kamer te doen toekomen ten behoeve van de bespreking van de herziene pkb inzake gasborin-gen?

Dit rapport maakt duidelijk dat in een worst-case-scenario de gevolgen van gaswinning voor de Waddenzee zeer aanzienlijk kunnen zijn. Het bevat, mede door de poging tot berekening van de immateriële waarde van het gebied, goede aanknopingspunten voor een kosten-baten-analyse.

Ik acht het niet zinvol om uw Kamer een dergelijke kosten/baten-analyse aan te bieden over de gaswinningen die in discussie waren. Het kabinet heeft immers besloten om geen proefboringen in de Waddenzee toe te staan, hetgeen een geheel andere situatie schept dan die waarover het rapport van Greenpeace gaat.

Vraag 15:

Op welke wijze zal de toezegging dat de door de NAM te maken integrale bodemdalingsstudie een op de mer-procedure gelijkend traject zou doorlopen, gestalte krijgen?

Omdat het kabinet heeft besloten geen proefboringen in de Waddenzee toe te staan, terwijl de Integrale bodemdalingsstudie op de eerste plaats tot doel had om de gevolgen van de winning in 6 (5) gasvelden in de Waddenzee in kaart te brengen die van die soort proefboringen afhanke-lijk zijn, is de ratio van de toezegging in het verleden om een mer-achtige procedure te volgen komen te vervallen.


1) Samenstelling:

Leden

Reitsma (CDA), voorzitter

Van Middelkoop (GPV)

Witteveen-Hevinga(PvdA)

Feenstra (PvdA)

Verbugt (VVD)

Poppe (SP)

Duivesteijn (PvdA)

Crone (PvdA)

Augusteijn-Esser (D66)

Klein Molekamp (VVD)

Hofstra (VVD), ondervoorzitter

Eisses-Timmerman (CDA)

Th.A.M. Meijer (CDA)

Luchtenveld (VVD)

Van Wijmen (CDA)

Kortram (PvdA)

Van der Knaap (CDA)

Ravestein (D66)

Van der Steenhoven (GL)

Van Gent (GL)

Oplaat (VVD)

Van der Staaij (SGP)

Schoenmakers (PvdA)

Waalkens (PvdA)

Udo (VVD)

Plv. leden

Leers (CDA)

Stellingwerf (RPF)

Dijksma (PvdA)

Valk (PvdA)

Essers (VVD)

De Wit (SP)

Van Heemst (PvdA)

De Boer (PvdA)

Scheltema-de Nie (D66)

Van Beek (VVD)

Geluk (VVD)

Visser-van Doorn (CDA)

Schreijer-Pierik (CDA)

Blok (VVD)

Biesheuvel (CDA)

Bos (PvdA)

Van den Akker (CDA)

Giskes (D66)

M.B. Vos (GL)

Halsema (GL)

Niederer (VVD)

Van 't Riet (D66)

Spoelman (PvdA)

Hindriks (PvdA)

Snijder-Hazelhoff (VVD)

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal