Gemeente Enschede

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de heer mr. K.G. de Vries
Postbus 20011
2500 EA DEN HAAG

DatumUw kenmerkUw brief vanOns kenmerkTelefoon
11 januari 2001------CS 01S000155053 4818120
OnderwerpBehandeld door
Rapportages inspecties inzake vuurwerkramp EnschedeB.E. Dop

Geachte heer De Vries,

Bij brief van 21 december 2000 zond het Hoofd van de Inspectie Brandweerzorg en Rampenbestrijding van uw ministerie ons een twaalftal concept-deelrapporten inzake de vuurwerkramp in Enschede toe. Wij hebben deze concepten beoordeeld op feitelijke onjuistheden, zoals het Hoofd van de Inspectie ons vroeg. Daarnaast hebben wij het totale onderzoeksresultaat dat nu op tafel ligt, ook nog eens getoetst aan de uitgangspunten die wij gezamenlijk met u en met het provinciebestuur hebben vastgesteld, toen wij spraken over de noodzaak van een integraal onderzoek naar de oorzaak, de toedracht en de bestrijding van de ramp.

Bij de instelling van de Commissie onderzoek vuurwerkramp hebben wij gezamenlijk de wens uitgesproken, dat er een integraal onderzoek naar de oorzaak, de toedracht en de bestrijding van de ramp wordt verricht, dat de gebeurtenissen voor, tijdens en na de ramp in onderlinge samenhang worden onderzocht en dat daarbij het optreden van alle betrokken overheden wordt bezien. In het instellingsbesluit van de Commissie onderzoek vuurwerkramp is dat ook met zoveel woorden vastgelegd. Weliswaar is dit niet de formele opdracht die aan de onderzoekende inspecties is meegegeven, maar wij vinden het in de rede liggen ook het totale resultaat van de inspectie-onderzoeken - dat toch een opmaat is naar de rapportage van de Commissie onderzoek vuurwerkramp - in dat licht te bezien.

Wij constateren dat door de inspecties heel veel werk is verricht en dat vele feiten en gebeurtenissen zijn onderzocht, geanalyseerd en van conclusies voorzien. Er zijn fouten zijn gemaakt waarvan wij het nodige kunnen leren. Dat was ook al eerder gebleken. Wij hebben daarom inmiddels diverse stappen gezet om uit het gebeurde als gemeente lering te trekken. Deels is dat geschied door intern onderzoek (evaluaties door de eigen diensten en afdelingen), deels door inschakeling van externe adviseurs. Voor wat betreft dat laatste, wijzen wij op de door het COT gemaakte scan van de feiten rondom de vergunningverlening en handhaving, op het onderzoek van de Rotterdamse brandweercommandant naar de organisatie van de rampenbestrijding en het risicomanagment in onze gemeente en op het onderzoek van de Milieudienst Rijnmond (DCMR) naar de processen van vergunningverlening en handhaving in het kader van de Wet milieubeheer. De

inspectierapporten die nu op tafel liggen, bevestigen nog eens de vele belangrijke lessen die uit het gebeurde op 13 mei 2000 en in de weken daarna zijn te leren.

Op 13 mei 2000 heeft in onze gemeente een vreselijke vuurwerkramp plaatsgevonden. Het onderzoek daarnaar richt zich op de feiten en gebeurtenissen die tot die ramp hebben geleid en met de bestrijding van die ramp hebben te maken. Uit veel van de analyses en van de geformuleerde conclusies in de inspectierapporten blijkt evenwel ook, dat de ramp en wat daaruit geleerd moet worden, een impact hebben die veel verder gaat dan het concrete lokale niveau. Tegelijk constateren wij, dat de inspectie-onderzoeken op dit punt nog een zeer onvolledig beeld geven. Wat wij nog missen, zijn onderzoeksresultaten ten aanzien van de volgende aspecten:

a. de lessen die landelijk geleerd zijn uit de ramp in Culemborg en die al of niet met de lokale overheden zijn gecommuniceerd;

b. het tot voor kort ontbreken van een gedegen vuurwerkbeleid, hetgeen resulteerde in inmiddels achterhaald gebleken uitgangspunten met betrekking tot de risico-contouren;

c. het totnutoe, ook landelijk, ontbreken van een relatie tussen externe veiligheid en vuurwerkbeleid;

d. de inmiddels gebleken onduidelijkheid over de classificatie en etikettering van vuurwerk en de gevolgen daarvan bijv. voor het handhavingsbeleid;

e. de rol en de betekenis van inspecties als "tweede-lijnstoezichthouders";

f. de kwaliteit van de vergunningverlening en handhaving in andere, vergelijkbare gemeenten.

Met het oog op de evenwichtigheid van het totale onderzoeksresultaat is inzicht in ook deze aspecten naar ons oordeel een onmisbaar gegeven.

Verder vragen wij nog uw aandacht voor het volgende. Bij de aanbieding van de "reconstructie van de gebeurtenissen van de vuurwerkramp" aan de Voorzitter van de Tweede Kamer schreef u o.a. het volgende: "Er is niet naar gestreefd deze feiten en gebeurtenissen nader te plaatsen in de context van de hectiek, met name in de eerste uren na de ramp. Ik denk daarbij bijvoorbeeld aan het feit, dat het telefoonnet in Enschede en omgeving zeer snel overbelast raakte en niet meer functioneerde. Voorts is de registratie van de gebeurtenissen en handelingen direct na de ramp, vanwege onder de omstandigheden bedrijpelijke redenen, vaak gebrekkig geweest." Wij zijn ervan uitgegaan - net als u blijkbaar -, dat aan deze context de nodige aandacht besteed zou worden in de analyses en conclusies in de inspectierapportages. Wij moeten evenwel constateren, dat in een enkel rapport het geheel wel in de geschetste context is geplaatst en beoordeeld, maar dat in rapporten van andere inspecties dat niet gebeurd is.

Wij constateren dat het totale resultaat van de inspectie-onderzoeken, zoals verwoord in de rapporten, nog niet beschouwd kan worden als de uitkomst van een integraal en volledig onderzoek, zoals wij dat gezamenlijk nodig vonden en vinden. Wij vertrouwen erop, dat het door de Commissie onderzoek vuurwerkramp te presenteren onderzoeksresultaat dat karakter wel zal hebben en aandacht zal besteden aan aspecten als hiervoor genoemd. Een afschrift van deze brief hebben wij dan ook gestuurd aan deze commissie.

Hoogachtend,
Burgemeester en Wethouders van Enschede,
de Secretaris, de Burgemeester, (A.H.P. van Gils) (J.H.H. Mans)