Ministerie van Buitenlandse Zaken

http://www.minbuza.nl/content.asp?Key=409682



De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Binnenhof 4 DEN HAAG Directie Personenverkeer en Consulaire Zaken afdeling Asiel- en Migratiezaken Bezuidenhoutseweg 67 2594 AC Den Haag Nederland

Datum 19 februari 2001 Auteur DPC/AM

Kenmerk DPC/AM-070/01 Telefoon 348.4794

Blad /1 Fax 348.5046

Bijlage(n) 1 E-mail Dpc-am@dpc.minbuza.nl

Betreft Zelfevaluatie individuele ambtsberichten

C.c.

Zeer geachte Voorzitter,

Met het oog op het algemeen overleg van 15 maart met de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken over de consulaire keten doe ik u toekomen een afschrift van mijn brief aan de Nationale ombudsman met betrekking tot de individuele ambtsberichten. In deze brief besteed ik op verzoek van de Nationale ombudsman uitgebreid aandacht aan de ontwikkelingen van de afgelopen twee jaar op het gebied van het individuele ambtsberichtenproces. Tevens ga ik in op de acties die zijn ondernomen naar aanleiding van de aanbevelingen van de Nationale ombudsman uit augustus 1998.

De Minister van Buitenlandse Zaken

De Nationale ombudsman Postbus 93122 2509 AC DEN HAAG Directie Personenverkeer en Consulaire Zaken afdeling Asiel- en Migratiezaken Bezuidenhoutseweg 67 2594 AC Den Haag Nederland

Datum 15 februari 2001 Auteur DPC/AM

Kenmerk DPC/AM-070/01 Telefoon 348.4794

Blad /9 Fax 348.5046

Bijlage(n) 4 E-mail Dpc-am@dpc.minbuza.nl

Betreft Zelfevaluatie individuele ambtsberichten

C.c.

In uw brief van 16 januari 2001 met als kenmerk 2000.02808.008 verzoekt u om informatie over de huidige praktijk van het uitbrengen en gebruik van de individuele ambtsberichten. U bent met name geïnteresseerd in de wijze waarop uitvoering is gegeven aan de aanbevelingen uit uw rapport van 18 augustus 1998.

In de reactie de staatssecretaris van Justitie en mijzelf van 16 november 1998 op uw onderzoeksbevindingen van 18 augustus 1998 is uitgebreid ingegaan op al uw conclusies en aanbevelingen. In uw schrijven van 8 december 1998 plaatste u enkele kanttekeningen bij onze brief. Als reactie daarop deed ik u in mijn brief van 12 januari 1999 de werkinstructie van afdeling DPC/AM toekomen alsmede de vernieuwde Bundel Consulaire Voorschriften en een instructie aan de posten.

In 1999 en 2000 is een aantal maatregelen getroffen om zorg te dragen voor een effectieve uitvoering van uw aanbevelingen. Er is geïnvesteerd in kwaliteit en kwantiteit.

De afdeling Asiel en Migratie van het ministerie van Buitenlandse Zaken is uitgebreid om beter en sneller te kunnen voldoen aan de vraag van de staatssecretaris van Justitie naar individuele en algemene ambtsberichten. Ook het aantal beleidsmedewerkers asiel en migratie op de posten is uitgebreid.

Door conferenties, cursussen en opleidingen voor zowel de medewerkers op de posten als de medewerkers op het departement in Den Haag is een kwaliteitsimpuls gegeven aan de ambtsberichten. Bovendien is op de afdeling Asiel en Migratie een kwaliteitsmedewerker aangesteld, die alle individuele ambtsberichten extra controleert op een zorgvuldige totstandkoming.

Op 8 oktober 1999 is ten behoeve van de vertrouwenspersonen een aantal richtlijnen geformuleerd en in de Engelse en Franse taal aan de posten ter beschikking gesteld voor uitreiking aan de vertrouwenspersonen. In de richtlijnen wordt ingegaan op de Nederlandse rechtspraktijk, de contacten met de autoriteiten en wijze van onderzoek en rapportage. Bijgaand treft u in de Nederlandse taal een kopie van de richtlijnen aan.

Eind vorig jaar zijn de werkprocessen voor de totstandkoming van de individuele ambtsberichten intern geëvalueerd. Daarbij is met name gekeken naar aspecten als bronbescherming, vertrouwelijkheid van methoden van onderzoek, verifieerbaarheid van het onderzoek op de posten - door vertrouwenspersonen en/of ambassademedewerkers - , wijze van rapportage door de posten aan het ministerie en de formulering van ambtsberichten. Dit heeft eind november 2000 geresulteerd in een vernieuwde werkinstructie voor zowel de afdeling Asiel en Migratie als voor de posten. Tevens is een schrijfstandaard voor ambtsberichten ontwikkeld. Van beide documenten doe ik u als bijlagen een kopie toekomen.

Tot slot van dit algemene overzicht verdient nog vermelding dat in de periode van november 1999 tot april 2000 KPMG een doorlichting heeft uitgevoerd van de consulaire functie van dit ministerie en van de asiel- en migratiewerkzaamheden. Hierbij doe ik u die elementen uit het KPMG-onderzoek toekomen die betrekking hebben op de individuele ambtsberichten. KPMG constateert onder meer dat adequaat is ingespeeld op door de Nationale ombudsman gesignaleerde verbetermogelijkheden. KPMG adviseert met betrekking tot de individuele ambtsberichten tot het opzetten van een intern voortgangsbewakingssysteem. Naar verwachting zal dit jaar voldoende ICT-capaciteit beschikbaar komen om deze oude wens te realiseren.

Ook stelt KPMG voor te onderzoeken of de vraagkant gestuurd kan worden door onderwerpen van algemene aard, die steeds weer terugkeren in de vraagstelling van bepaalde asielonderzoeken, te behandelen in algemene thema-ambtsberichten. Daardoor zouden er minder individuele asielonderzoeken gestart behoeven te worden. Dit advies heeft er in geresulteerd dat op verzoek van het ministerie van Justitie meer algemene thema ambtsberichten worden uitgebracht.

Tot zover in enkele brede penseelstreken wat in de afgelopen twee jaar op het vlak van de totstandkoming van individuele ambtsberichten is verricht. U vraagt echter ook aan te geven wat de stand van zaken is met betrekking tot iedere aanbeveling, die u in 1998 geformuleerd heeft. Terzake moge het volgende dienen :

Aanbeveling 1

Het treffen van maatregelen die er toe leiden dat de vragen die worden voorgelegd aan de posten op zodanige wijze worden geformuleerd dat zij steeds ten volle recht doen aan de reikwijdte en strekking van de vraagstelling van de IND.

Deze aanbeveling is overgenomen, is opgenomen in de diverse werkinstructies en wordt uitgevoerd. Het komt nog zelden voor dat van de IND een te algemene vraagstelling wordt ontvangen. Indien het ministerie van Buitenlandse Zaken een bepaalde vraag als moeilijk te onderzoeken beoordeelt of als de relevantie van een bepaalde vraag niet direct wordt ingezien, wordt contact opgenomen met de IND. Het resultaat kan dan zijn dat bepaalde vragen worden geschrapt, nader worden gespecificeerd, danwel worden geherformuleerd. Dit gebeurt echter altijd in goed overleg met de IND en nimmer (meer) eigenstandig door het ministerie van Buitenlandse Zaken.

Aanbeveling 2

Het in een richtlijn vastleggen van het uitgangspunt dat alleen wordt overgegaan tot onderzoek in een individuele asielzaak na overleg en afstemming met de IND.

In de reactie van 16 november 1998 op uw onderzoeksrapport is aangegeven dat het ministerie van Buitenlandse Zaken nog slechts onderzoek zal starten na een verzoek daartoe van de IND of de ACV. Dit uitgangspunt is vastgelegd in de werkinstructies en wordt uitgevoerd. Verzoeken om tot onderzoek in asieldossiers over te gaan afkomstig van instanties zoals de landsadvocaat, de gemachtigden van asielzoekers en de Marechaussee worden slechts in behandeling genomen, indien de IND deze verzoeken aan het ministerie van Buitenlandse Zaken voorlegt. Rechtstreeks aan het ministerie van Buitenlandse Zaken gerichte verzoeken worden niet in behandeling genomen en de afzender wordt geadviseerd in contact te treden met de IND.

Op dit uitgangspunt moest evenwel in de loop van 2000 een uitzondering worden gemaakt voor de vreemdelingenrechter. Het komt namelijk incidenteel voor dat de vreemdelingenrechter bij het doen van een verzoek tot inzage in de achterliggende stukken van een asielonderzoeksdossier tevens enkele additionele vragen stelt, waardoor een aanvullend onderzoek op een post noodzakelijk is. Ik heb gemeend deze verzoeken te moeten honoreren zonder eerst in overleg te treden met de IND. Wel wordt de IND - en ook de gemachtigde van asielzoeker - in kennis gesteld van de resultaten van het onderzoek.

Aanbeveling 3

Het doen van inspanningen gericht op het aanstellen van meer dan één vertrouwenspersoon per land.

Met u was en ben ik van mening dat er naar gestreefd moet worden dat een post de beschikking heeft over meerdere vertrouwenspersonen. In de afgelopen jaren is het aantal vertrouwenspersonen vergeleken met 1998 verdubbeld. De uitbreiding van het aantal vertrouwenspersonen is voor een belangrijk deel gerealiseerd in landen waar de ambassades voorheen nog geen beschikking hadden over vertrouwenspersonen. De uiteindelijke doelstelling om op iedere voor asielonderzoek relevante post meerdere vertrouwenspersonen aan te stellen is nog niet gehaald. Gezien de hoge eisen die aan een vertrouwenspersoon worden gesteld op gebied van integriteit, betrouwbaarheid, deskundigheid en onafhankelijkheid is het niet eenvoudig personen te vinden die voor een dergelijke functie kwalificeren. Bovendien brengt de aard van de te plegen onderzoeken een zeker veiligheidsrisico met zich mee. De hoogte van dit risico wordt bepaald door de politieke en maatschappelijke omstandigheden waaronder men moet opereren. Dit veiligheidsrisico kan gekwalificeerde personen er van weerhouden om de functie van vertrouwenspersoon te aanvaarden.

Dit neemt niet weg dat het ministerie van Buitenlandse Zaken er naar blijft streven om meerdere vertrouwenspersonen per land aan te stellen.

In dit verband mag evenwel niet onvermeld blijven dat op de voor asielonderzoek meest relevante ambassades het totale aantal in dienst van het ministerie van Buitenlandse Zaken werkende beleidsmedewerkers asiel en migratie de afgelopen twee jaar is verdubbeld. Vaak doen deze immigratiemedewerkers met behulp van hun informantennetwerk het asielonderzoek zelf, waardoor er minder een beroep behoeft te worden gedaan op vertrouwenspersonen. De vertrouwenspersoon krijgt op deze posten daardoor niet meer ieder asielonderzoek te verwerken, maar nog overwegend die onderzoeken waarvoor een specifieke deskundigheid noodzakelijk is.

Door de uitbreiding van het aantal ambassademedewerkers voor asiel en migratie is in nog slechts minder dan de helft van het totaal aantal asielonderzoeken een vertrouwenspersoon ingeschakeld voor de uitvoering van het onderzoek.

Aanbeveling 4

Het aanvullen van de Consulaire Voorschriften met regels over de betrokkenheid van de Chef de Poste bij het inschakelen door een vertrouwenspersoon van derden voor het onderzoek.

De BCV (Bundel Consulaire Voorschriften) is vanwege uw aanbeveling aangepast. Indien een vertrouwenspersoon bij een asielonderzoek 'derden' inschakelt, dient de ambassade met de keuze in te stemmen. Voor alle duidelijkheid: het betreft hier personen die op verzoek van de vertrouwenspersoon het onderzoek uitvoeren en dus niet de door de vertrouwenspersoon geraadpleegde informanten of deskundigen. In de reactie op uw onderzoeksrapport van 16 november 1998 heb ik aangegeven dat onder 'derden' personen worden verstaan werkzaam buiten het kantoor van de vertrouwenspersoon. Wat de medewerkers van de vertrouwenspersoon betreft, die een onderzoek uitvoeren, heb ik u op 12 januari 1999 geschreven dat de Chef de Post of een ambassademedewerker tijdens een gesprek hen moet doordringen van het bijzondere karakter van het onderzoek.

Overigens vormt, zoals u in de werkinstructie voor de posten kunt lezen, de verificatie van de door de vertrouwenspersoon gehanteerde onderzoeksmethode en rapportage door de ambassade een belangrijk bestanddeel van de totale controle van de onderzoeksresultaten. De ambassade heeft zodoende achteraf een controlemoment om vast te stellen of zij ook inderdaad door de vertrouwenspersoon vooraf is geconsulteerd over de 'derde'.

Aanbeveling 5

Het er actief op doen toezien dat de vertrouwenspersonen in hun rapportage te allen tijde inzicht geven in hun bronnen en in de door hen gebruikte onderzoeksmethode en -technieken.

Deze aanbeveling is opgenomen in de verschillende instructies, laatstelijk de werkinstructie voor de posten (zie bijlage). Ik heb bovendien besloten uw aanbeveling toe te passen op alle asielonderzoeken; niet allen die uitgevoerd door vertrouwenspersonen, maar ook die uitgevoerd door de ambassade zelf. In alle onderzoeksrapportages in asielzaken, die het ministerie van Buitenlandse Zaken van zijn posten ontvangt, dient vanwege de hieronder geformuleerde redenen helderheid te bestaan ten aanzien van de achtergrond en deskundigheid van de geraadpleegde bronnen en over de gehanteerde onderzoeksmethoden. Mocht daar onvoldoende inzicht in bestaan, dan zal de IND als gevolg van de zogenaamde REK-check het ambtsbericht afkeuren en niet gebruiken bij het maken van een beschikking. De IND moet als gevolg van de uitspraak van de Rechtseenheidskamer Vreemdelingenzaken (REK) van 16 april 1998 de stukken inzien die ten grondslag liggen aan een individueel ambtsbericht Alvorens een individueel ambtsbericht wordt gebruikt bij het opstellen van een beschikking in een individuele asielzaak, wordt het ambtsbericht dus door de IND getoetst. Daarbij wordt door de IND onder meer gekeken naar de gehanteerde methode van onderzoek en naar de geraadpleegde bronnen. Mocht de IND inzake het gehele of delen van het ambtsbericht niet tot goedkeuring komen, dan wordt dit ambtsbericht of worden de afgekeurde delen niet gebruikt bij het maken van de beschikking.

Ook komt het regelmatig voor dat in een beroepszaak de vreemdelingenrechter, op basis van jurisprudentie van de REK, inzage vraagt in de achterliggende stukken van een ambtsbericht teneinde na te gaan wat de gehanteerde methode van onderzoek was en wat de achtergrond was van de geraadpleegde bronnen.

De conclusie mag dan ook getrokken worden dat met betrekking tot de bronvermelding en de methode van onderzoek in asielzaken het ministerie van Buitenlandse Zaken onderworpen is aan een intensieve toetsing door zowel de IND als de Vreemdelingenrechter.

Aanbeveling 6

Het er actief op doen toezien dat alle posten de resultaten van een door een vertrouwenspersoon uitgevoerd onderzoek kritisch bezien, ook indien het gaat om een authenticiteitsonderzoek.

In de BCV, de werkinstructies voor de posten en de richtlijnen voor de vertrouwenspersonen staat nauwgezet omschreven de wijze waarop de verschillende onderzoeken, waaronder authenticiteitsonderzoek, dienen plaats te vinden. Zodoende beschikken de posten over een referentiekader bij het beoordelen van de resultaten van een onderzoek dat is uitgevoerd door een vertrouwenspersoon.
Ook op het ministerie van Buitenlandse Zaken worden de onderzoeksresultaten kritisch bezien en - zoals beschreven onder aanbeveling 5 - ook door de IND-REK-check en de Vreemdelingenrechter getoetst.

Aanbeveling 7

Het vastleggen in een richtlijn van het uitgangspunt dat informatie die afkomstig is van slechts één bron en die afwijkt van de door de betrokken asielzoeker verstrekte informatie, niet tot stellige conclusies behoort te leiden en het erop doen toezien dat in de praktijk overeenkomstig dit uitgangspunt wordt gehandeld.

In mijn reactie op deze aanbeveling heb ik aangegeven dat de hoeveelheid te raadplegen bronnen afhangt van de betrouwbaarheid ervan. Indien één bron voldoende betrouwbaar is om tot een zorgvuldige oordeelsvorming te komen, zoals een betrouwbaar register, kan met één bron worden volstaan. In uw brief van 8 december 1998 schrijft u eveneens van mening te zijn dat de vraag of genoegen kan worden genomen met één bron afhangt van de aard en van de 'hardheid' van de bron. Langs deze lijn wordt dan ook gewerkt. Vaststelling of een bepaalde bron voldoende hard is, geschiedt door de posten en op het ministerie van Buitenlandse Zaken en uiteindelijk natuurlijk ook door de IND-REK-check en de Vreemdelingenrechter (zie onder aanbeveling 5).

Aanbeveling 8

Het er actief op doen toezien dat in een individueel ambtsbericht alleen dan relevante informatie wordt weggelaten wanneer daarvoor een dringende en toereikende reden bestaat.

Deze aanbeveling betreft de openbaarheid van onderzoek of anders geformuleerd de vertrouwelijkheid van bronnen en onderzoeksmethoden.

Deze aanbeveling is enigszins achterhaald door twee REK-uitspraken uit 1998 en 1999.

Als gevolg van de uitspraak van de Rechtseenheidskamer Vreemdelingenzaken (REK) van 16 april 1998 moet de IND de stukken, die ten grondslag liggen aan een individueel ambtsbericht, inzien ten behoeve van een zorgvuldige voorbereiding in de zin van artikel 3:2 Awb. Alvorens een individueel ambtsbericht wordt gebruikt bij het opstellen van een individuele beschikking, wordt het ambtsbericht dus door de IND getoetst. Dit is een verplichte controle door de IND bij het ministerie van Buitenlandse Zaken of de inhoud van het uitgebrachte individuele ambtsbericht wel gedragen wordt door de onderliggende stukken. Deze controle, de zogenaamde vergewisplicht van de Awb, houdt ook een zorgvuldigheidstoets in.

De tweede REK-uitspraak schrijft voor dat en hoe die onderliggende stukken van een individueel ambtsbericht moeten worden overgelegd aan de Vreemdelingenrechter, conform art 8:29 Awb, als deze daar in het kader van een asielberoepszaak om vraagt. Gezien het uitgangspunt dat de achterliggende stukken eveneens aan de procespartijen dienen te worden overhandigd, moet automatisch ook bepaald worden welke onderdelen daarvan vertrouwelijk kunnen blijven. De procedure van het al genoemde art 8:29 Awb dwingt het ministerie van Buitenlandse Zaken elke vorm van vertrouwelijkheid deugdelijk te onderbouwen en te motiveren en dwingt de bestuursrechter in een tussenprocedure te bepalen of de gevraagde vertrouwelijkheid toelaatbaar is.

Het "weglaten van relevante informatie", zonder dringende en toereikende reden als bedoeld in Aanbeveling 8, is door deze procedure onmogelijk gemaakt. De Vreemdelingenrechter acht zich gehouden de onderliggende stukken bij het ministerie van Buitenlandse Zaken op te vragen in alle gevallen dat de vreemdeling de juistheid e.d. van het ambtsbericht met of zonder motivering betwist. Hij neemt alleen kennis van de elementen die vertrouwelijk moeten blijven na instemming van procespartijen.

In het verleden - en ook thans nog wel - werd voorafgaand aan de beroepsfase met een beroep op de WOB gevraagd om de onderliggende stukken van een individueel ambtsbericht. In de praktijk werd daarom al naar aanleiding van het WOB-verzoek datgene openbaar gemaakt wat later in de beroepsfase van de asielzaak zou moeten worden verstrekt

Aanbeveling 9

Het bevorderen van de communicatie in de vorm van een goede terugkoppeling tussen de betrokken medewerkers, ook die bij de IND, in de verschillende fasen van de asielprocedure.

Het overleg tussen de IND en het ministerie van Buitenlandse Zaken is de afgelopen jaren sterk geïntensiveerd.

Bij de eerste aanbeveling ben ik reeds ingegaan op het punt van de vraagstelling.

Door middel van ontvangstbevestigingen en voortgangsbrieven wordt de IND zo goed mogelijk op de hoogte gehouden van de stand van zaken van het onderzoek. Bovendien wordt de IND geïnformeerd over de gemiddelde doorlooptijd van de asielonderzoeken in de verschillende landen van onderzoek.

Het punt van de terugkoppeling door de IND naar het ministerie van Buitenlandse Zaken van de uiteindelijke resultaten van het verrichte onderzoek is door de IND neergelegd in een werkinstructie voor de regionale districtskantoren.

Tot zover de stand van zaken met betrekking tot uw aanbevelingen.

In uw brief refereert u aan bij u ingebrachte kritiek van een drietal advocaten over de kwaliteit van de individuele ambtsberichten. Met name die uit Teheran en Kinshasa zouden aantoonbaar fouten bevatten, dan wel onjuistheden. De ingeschakelde vertrouwenspersonen dan wel derden zouden, aldus de betrokken asieladvocaten, niet deskundig, niet betrouwbaar en evenmin politiek onpartijdig zijn. Tenslotte zou de IND niet openstaan voor informatie ingebracht tegen de inhoud van de ambtsberichten. Tegen dergelijke algemene, ongesubstantieerde kritiek kan men zich moeilijk weren.

Op de posten en in Den Haag zijn de asielmedewerkers zich zeer wel bewust van de soms doorslaggevende betekenis van een ambtsbericht voor de inhoud van de op te stellen beschikking. Zoals u in de diverse werkinstructies en richtlijnen kunt lezen wordt dan ook de allerhoogste zorg besteed aan de totstandkoming van de individuele ambtsberichten. Juist omdat alle aanbevelingen met veel inspanning en de inzet van veel extra middelen en mankracht zijn opgevolgd en gegeven, wat ik maar gemakshalve noem, het ontbreken van indicaties die anders doen vermoeden, heb ik gegronde reden in te kunnen staan voor de kwaliteit van de resultaten.

Mijn eerste toetsingsinstrument vormen de REK-checks (zie o.a. onder aanbeveling 8). Komen de individuele ambtsberichten ongeschonden door die check, dan is dat een indicatie voor de deugdelijkheid van het ambtsbericht.

Mijn tweede toetsingsinstrument zijn de rechterlijke beslissingen in asielzaken. Daarbij kijkt ook de rechter naar de deugdelijkheid van de uitgebrachte ambtsberichten en wel aan de hand van de onderliggende stukken (conform de U bekende procedure hierboven aangeduid bij aanbeveling 8).

De resultaten van REK-check en rechterlijke uitspraken geven mij geen aanleiding tot bezorgdheid. Gegeven deze resultaten ben ik van oordeel dat er gedurende de afgelopen twee jaar aanzienlijke verbeteringen zijn gerealiseerd en dat de kwaliteit van het geleverde werk goed is.

Gelet op uw verzoek tot zelfevaluatie, waardoor u de klachten van de drie advocaten in verband brengt met de uitvoering van uw aanbevelingen uit 1998, mag ik concluderen dat de verwijten betrekking hebben op asielonderzoeken van de afgelopen twee jaar. Mocht dat zo zijn, dan ben ik zeer geïnteresseerd in de feiten en de bewijzen waarop de drie asieladvocaten hun kritiek baseren.

Ik vertrouw er op u hiermee voldoende te hebben ingelicht.

Met het oog op een Algemeen Overleg met de vaste commissie Buitenlandse Zaken van de Tweede Kamer op 15 maart as. over onder meer de ambtsberichten, doe ik een afschrift van deze brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer toekomen.

De Minister van Buitenlandse Zaken

(de overige bijlagen zijn niet electronisch beschikbaar)

Kenmerk
Blad /1

===