Partij van de Arbeid

Den Haag, 3 mei 2001

Vragen van de leden Smits en Van der Hoek (beiden PvdA) aan de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport



1.

Herinnert u zich onze vragen en uw antwoorden (2000105970) over Wouter, een 10-jarige jongen die verbleef in jeugdpsychiatrische instelling Van Krevelenhuis in Oegstgeest?

2.

Herinnert u zich dat u heeft geantwoord dat Wouter volgens ingewonnen informatie door de inspectie niet is gesepareerd in het kader van de Wet BOPZ maar dat het kind enkele malen is afgezonderd in de eigen kamer gedurende tien minuten en dat daarom geen melding bij de inspectie was vereist?

3.

Is het op grond van bijgevoegd verslag van behandeling aan de ouders en de overzichten van afzonderingsmomenten, juist te concluderen dat wel degelijk sprake is geweest van het toepassen van middelen en maatregelen zoals bedoeld in de wet BOPZ, waarbij in ieder geval sprake was van separatie (expliciet genoemd in het verslag en registratieformulieren van middelen en maatregelen), verscheidene malen langer dan 10 minuten, mogelijk afzondering en fixatie (enkele malen expliciet vermeld in registratieformulieren)?

4.

Bent u bekend met het feit dat de ouders van Wouter toestemming hebben geweigerd voor het toepassen van middelen en maatregelen en daar tegen hebben geprotesteerd?

5.

Hoe is de juridische positie van kinderen jonger dan 12 jaar, die als categorie niet staan genoemd in de wet BOPZ? Is de wet BOPZ daardoor wel of niet op hen van toepassing en is daarmee het toepassen van middelen en maatregelen nu wel of niet toegestaan?

6.

Indien het toepassen van middelen en maatregelen zoals bedoeld in de wet BOPZ is toegestaan voor kinderen jonger dan 12 jaar, is dan per incident melding aan inspectie en ouders vereist? Zo ja, waarom was er geen melding aan de inspectie en hoe kunt u bewerksteligen dat dat voortaan wel gebeurt in alle gevallen waarbij jonge kinderen zijn betrokken?

7.

Hanteert het Van Krevelenhuis protocollen voor het toepassen van middelen en maatregelen en zijn die toegepast?

8.

Indien het toepassen van middelen en maatregelen zoals bedoeld in de wet BOPZ niet was toegestaan in dit geval, kunt u dan aangeven hoe u er voor zult zorgen dat instellingen zich op dit punt houden aan de wet?

9.

Bent u bereid te onderzoeken onder welke voorwaarden kan worden gekomen tot een wettelijk verbod in Nederland op het separeren en fixeren van in ieder geval alle kinderen die zijn opgenomen in psychiatrische instellingen en instellingen voor verstandelijk gehandicapten?