Ministerie van Financien

Titel: Toezending verslag van de Ecofin Raad van 7 mei 2001 te



De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Plein 2

2511 CR DEN HAAG

Datum

Uw brief (Kenmerk)

Ons kenmerk

14 mei 2001

BFB 2001-00380 M

Onderwerp

Toezending verslag van de Ecofin Raad van 7 mei 2001 te Brussel.

Hierbij zend ik u, mede namens de Staatssecretaris, het verslag van de vergadering van de Ecofin Raad van 7 mei 2001 te Brussel.

Dit verslag wordt toegezonden aan de Voorzitters van de Eerste en de Tweede Kamer alsmede de Voorzitters van de Algemene Commissie voor Europese Zaken en de Vaste Commissie voor Financiën van de Tweede Kamer.

DE MINISTER VAN FINANCIEN,

MINISTERIE VAN FINANCIEN

Afdeling Europese Unie

Verslag van de Eurogroep en Ecofin Raad van 7 mei 2001

Op 7 mei 2001 kwam in Brussel de Eurogroep bijeen, gevolgd door een Ecofin Raad. Onderstaand wordt van beide bijeenkomsten verslag gedaan.

Eurogroep

Tijdens de vergadering van de Eurogroep is gesproken over de tour dhorizon, de euro-introductie en de relatie tussen belasting- en uitkeringsstelsels en het arbeidsaanbod. Er is niet gesproken over het onderwerp betalingsbalans van het eurogebied.

Tour d' Horizon

In de Eurogroep is van gedachten gewisseld over de recente economische ontwikkelingen in de VS, het eurogebied en Japan. Tijdens de tour dhorizon deed voorzitter Reynders verslag van de G-7 vergadering van Ministers van Financiën en Centrale-Bank-presidenten, in Washington 29 april jl. Evenals in de vorige bijeenkomsten sprak de Eurogroep over de groeivertraging die momenteel in de VS plaatsvindt en de mogelijke invloed hiervan op Europa. De ontwikkeling van de productiviteit en het consumenten- en producentenvertrouwen werden van groot belang genoemd voor het herstel in de VS. Hoewel het consumenten en producentenvertrouwen in Europa licht gedaald is, blijven de indicatoren op een hoog niveau liggen. De verwachtingen omtrent de economische groei in het eurogebied blijven relatief gunstig voor 2001 en 2002. Er blijft dus sprake van een realistisch optimisme.

Belastings- en uitkeringsstelsels in relatie tot het arbeidsaanbod

Commissaris Solbes introduceerde het onderwerp en wees op de structureel lage participatiegraad in Europa. Om tot een werkgelegenheidsniveau van 70% te komen moeten er nog 11½ miljoen extra banen gecreëerd worden. EFC-voorzitter Draghi sprak over de noodzaak van prikkels die werken aantrekkelijker maken. Er werd gesproken over de ervaringen die verschillende landen hebben bij het verhogen van het arbeidsaanbod. In de discussie kwam naar voren dat landen die een opmerkelijke daling van de werkloosheid hebben laten zien, gebruik hebben gemaakt van belastingmaatregelen om het effectieve arbeidsaanbod te stimuleren. Ook de flexibilisering van de arbeidsmarkt werd aangemerkt als een effectieve beleidsoptie om de participatie te verhogen. Opgemerkt werd dat de laag-productieven en ouderen extra aandacht verdienen. Het verhogen van de participatie is belangrijk met het oog op de vergrijzing. Afgesproken werd dat het EFC hier verder over zal spreken.

Praktische aspecten euro-introductie

Commissaris Solbes gaf aan dat de frontloading voor het midden en kleinbedrijf in sommige landen nog extra aandacht moet krijgen. Vervolgens werd er kort gesproken over de gevolgen van de euro-introductie op de inflatie. Aangegeven werd dat er nog geen signalen van prijsstijgingen vooruitlopend op de fysieke introductie van de euro zijn waargenomen. Afgesproken werd dat de lidstaten de ontwikkeling van de prijzen bij de euroconversie nauwkeurig blijven monitoren.

Ecofin Raad

Follow-up ER Stockholm

Voorzitter Ringholm gaf een uiteenzetting van de uitkomsten en opdrachten die de Europese Raad van Stockholm heeft opgeleverd die relevant zijn voor de Ecofin Raad. Zo heeft Stockholm het Key issues paper inzake de Globale richtsnoeren bekrachtigd. Ook zullen de lidstaten voortaan de gevolgen van de vergrijzing meenemen in hun stabiliteits- of convergentieprogrammas. In het bijzonder noemde hij het vraagstuk van de pensioenen en de vergrijzing waarover de Ecofin Raad eind dit jaar een verslag zal aannemen. Verder zullen de Raad en de Commissie aan de Europese Raad van Barcelona (voorjaar 2002) een gezamenlijke rapportage voorleggen over de invloed van belasting en sociale zekerheidssystemen op het aanbod van arbeid. Ten slotte noemde Voorzitter Ringholm het mandaat dat aan de EIB is verleend voor activiteiten op het gebied van milieu-investeringen in Rusland. De Commissie werd uitgenodigd snel met een voorstel hierover te komen.

Vice-voorzitter van het EPC Cotis gaf aan dat Stockholm voor het EPC voor de komende periode drie hoofdaandachtsgebieden heeft opgeleverd: i) de vergrijzing, ii) de arbeidsmarkt, met speciale aandacht voor de aanbodzijde en iii) het stimuleren van onderzoek en ontwikkeling. Over dit laatste onderwerp zal in de herfst een rapport worden afgerond.

Commissaris Solbes voegde daar aan toe dat ook aandacht moet worden gegeven aan de integratie van ouderen op de arbeidsmarkt.

Van de kant van een grote lidstaat kwam de suggestie te bezien in hoeverre het Luxemburgproces (werkgelegenheidsrichtsnoeren) en het Lissabonproces in elkaar kunnen worden geschoven. Daarnaast werd door deze lidstaat aandacht gevraagd voor hervorming van de elektriciteit- en gasmarkt en voor het verbeteren van de kwaliteit van economische statistieken.

Voorzitter Ringholm memoreerde vervolgens de ontwikkelingen sedert Stockhom inzake de resolutie van de Raad over het Lamfalussy-rapport. De Raad leefde in de veronderstelling dat er

in de resolutie voldoende rekening was gehouden met de positie van het Europees Parlement (EP). Het EP heeft evenwel aangegeven vast te houden aan zijn eis dat de Commissie in geval van een negatief oordeel van het EP over voorgestelde uitvoeringsbesluiten de voorstellen aanpast (zogenaamde call back clausule). Een briefwisseling terzake tussen Commissie en EP heeft nog geen resultaat opgeleverd. De Voorzitter gaf aan te hopen dat de Commissie nog voor de Europese Raad van Göteborg voorstellen zal doen volgens de in het Lamfalussy rapport geschetste procedure.

Globale richtsnoeren 2001

Commissaris Solbes gaf een algemene toelichting op de Commissie-aanbeveling voor de Globale richtsnoeren 2001. Hij gaf aan dat de Commissie aanbeveling is gebaseerd op het Key issues paper van de Ecofin en op de uitspraken van de Europese Raad van Stockholm. De economische achtergrond vormt de Voorjaarsraming van de Commissie. Deze raming laat weliswaar een vertraging van het groeitempo in Europa zien, maar de groeiverwachting voor 2001 bevindt zich nog steeds dicht bij de potentiële groei.

Zoals gebruikelijk heeft de Commissie algemene en landenspecifieke richtsnoeren opgesteld. Voor de korte termijn is de boodschap dat lidstaten zich niet moeten laten verleiden tot procyclisch begrotingsbeleid. Een op stabiele macro-economische verhoudingen gericht beleid vergroot het vertrouwen en is in het belang van duurzame economische ontwikkeling. Voor de middellange termijn dient de inspanning gericht te zijn op het vergroten van potentieel van de economie. Commissaris Solbes noemde hierbij als speerpunten: voortzetting van structurele hervormingen, stimuleren van onderzoek en ontwikkeling en bevordering van ondernemerschap. Voor de lange termijn zou de nadruk moeten liggen bij het inpassen van de gevolgen van de vergrijzing in houdbare overheidsfinanciën.

Alle lidstaten steunden de Commissie-aanbeveling op hoofdlijnen. Veel opmerkingen van lidstaten hadden betrekking op de aanbevelingen die de Commissie voorstelt in het landenspecifieke

gedeelte. Niet in alle gevallen is naar het oordeel van deze lidstaten voldoende rekening gehouden met de actuele situatie in de lidstaten, bijvoorbeeld wanneer beleidsaanbevelingen

betrekking hebben op zaken waartoe reeds in de betrokken lidstaten is besloten maar die nog niet (volledig) zijn geïmplementeerd. Sommige lidstaten vonden dat er teveel aanbevelingen worden gedaan en toonden zich bovendien bezorgd dat er teveel aandacht uitgaat naar onderwerpen waarvoor de lidstaten zelf primair verantwoordelijk zijn. Andere lidstaten bepleitten juist meer ambitie en vroegen aandacht voor onderwerpen die naar hun oordeel nu onderbelicht blijven. In dit verband werden genoemd loonontwikkeling en milieu.

Commissaris Solbes reageerde door te constateren dat de veelheid aan onderwerpen verband houdt met de opdrachten die onder meer door de Europese Raad zijn geformuleerd. Hij gaf aan dat er in

de behandeling in het EFC nog gelegenheid is om onvolkomenheden te corrigeren respectievelijk zaken te actualiseren indien daar aanleiding voor is. De Commissaris meende dat in de aanbeveling

een balans is gevonden tussen de eis een aanbeveling op te stellen die voldoende landenspecifieke elementen omvat enerzijds en de grenzen die daaraan worden gesteld vanuit een oogpunt van

subsidiariteit anderzijds.

Enkele lidstaten achtten de aanbevelingen van de Commissie die betrekking hebben op het niveau of ontwikkeling van overheidsuitgaven en -inkomsten in strijd met het subsidiariteitsbeginsel. De Commissie zou volgens deze lidstaten het vizier gericht moeten houden op het overheidstekort conform het stabiliteits- en groeipact.

Een grote lidstaat verzette zich in krachtige bewoordingen tegen de aanbeveling van de Commissie om de uitgaven te maximeren op een bepaald percentage van het BBP. Deze aanbeveling staat naar het oordeel van deze lidstaat haaks op de eveneens door de Commissie bepleite stimulering van publieke investeringen. Bovendien bood de budgettaire situatie van de desbetreffende lidstaat geen enkele reden tot zorg.

Minister Zalm steunde de desbetreffende lidstaat hierin, ook vanwege subsidiariteitsoverwegingen. Het niveau van overheidsuitgaven uitgedrukt als percentage van het BBP ligt in deze lidstaat aanzienlijk onder het EU-gemiddelde.

Commissaris Solbes bestreed dat alleen naar het overheidstekort gekeken mag worden. De Globale richtsnoeren hebben volgens hem een bredere invalshoek dan het Stabiliteits- en groeipact.

Commissaris Solbes antwoordde de grote lidstaat dat het genoemde cijfer afkomstig is uit de op behoedzame veronderstellingen gebaseerde raming voor de begroting van deze lidstaat zelf. Als de economische ontwikkeling afwijkt van de veronderstelde ontwikkeling dan kan die uitkomst anders uitvallen. Een andere kwestie is volgens de Commissaris of de "golden rule" mag worden toegepast ook wanneer die strijdig is met de vereisten uit het Stabiliteit- en groeipact. Van dat laatste kan geen sprake zijn.

Voorzitter Ringholm gaf ter afsluiting van dit onderwerp aan dat de Commissie-aanbeveling in het EFC zal worden behandeld ter voorbereiding van de Ecofin Raad van 5 juni a.s.

Economische dialoog EU-Rusland

Voorzitter Ringholm informeerde de Raad over het bezoek dat het Voorzitterschap zal brengen aan Rusland op 11 mei a.s. De economische dialoog die bij deze gelegenheid zal worden gestart zal hand in hand moeten gaan met het naleven van verplichtingen door Rusland in onder meer de Club van Parijs (groep van crediteurenlanden) en op het gebied van de bestrijding van witwaspraktijken. Boodschap aan de Russische autoriteiten zal ook zijn dat investeringen in Rusland alleen te realiseren zijn indien het institutionele kader in dat land wordt verbeterd.

Voorontwerp begroting 2002

Voorzitter Ringholm memoreerde de belangrijkste conclusies van de Ecofin Raad van 13 maart jl. betreffende de begrotingsprioriteiten voor 2002, te weten: handhaving van de Financiële Perspectieven, respecteren van het Inter Institutioneel Akkoord en naleving van de begrotingsdiscipline.

Commissaris Schreyer wees erop dat het Voorontwerp van de Begroting 2002 (VOB 2002) pas op 8 mei, de dag na de Ecofin Raad, door de Commissie zou worden besproken en vastgesteld. Zij beperkte zich daarom tot een toelichting op hoofdlijnen. De vastleggingskredieten van het VOB 2002 zullen ruim @ 100 miljard bedragen, de betalingskredieten bijna @ 98 miljard, hetgeen een stijging van 3,4%, resp. 4,8% betekent ten opzichte van het de begroting 2001. De betalingskredieten van het VOB 2002 vertegenwoordigen 1,07% van het BNP van de EU.

De sterkste stijging doet zich voor bij categorie 1 (Landbouw), een stijging van 5% ofwel @ 2,2 miljard tot ruim @ 46 miljard die met name voortvloeit uit de afspraken in het kader van Agenda 2000. Met name door een gunstiger euro-dollar verhouding dan ten tijde van de ramingen voor Agenda 2000, alsmede lagere uitgaven als gevolg van de voorgestelde hervormingen van de marktordeningen voor schapenvlees en suiker, is sprake van meevallers in categorie 1a (marktmaatregelen Gemeenschappelijk Landbouwbeleid). De Commissie stelt voor daarvan @ 1 miljard te reserveren voor de voorziene kosten van de BSE- en MKZ-crises, waarna een marge van @ 365 miljoen resteert onder het plafond van deze categorie.

In categorie 2 stijgen de betalingskredieten met 2,8% t.o.v. de begroting 2001 tot ruim @ 32 miljard.

Wat betreft categorie 4 (extern beleid) is sprake van een daling van 2,5% in vastleggingskredieten ten opzichte van 2001, veroorzaakt doordat in 2001 de flexibiliteitsreserve ter waarde van @ 200 miljoen is ingezet in categorie 4. Zonder deze incidentele factor is sprake van een geringe stijging van de betalingskredieten in categorie 4. Doordat het voorziene visserijakkoord met Marokko niet tot stand is gekomen, bestaat binnen categorie 4 een additionele ruimte van @ 125 miljoen. Voor de herstructurering danwel reductie van de Spaanse vloot zullen conform de conclusies van de Europese Raad van Nice middelen moeten worden gevonden, waarbij categorie 2 vanwege de aard van de maatregelen de aangewezen categorie lijkt te zijn, aldus Commissie Schreyer.

Categorie 5, de administratieve uitgaven, kent bijzonder weinig marge onder meer doordat hierbinnen de tweede tranche nieuwe posten (317 voor 2002) als uitvloeisel van de hervormingsvoorstellen van de Commissie moet worden opgevangen. Daarnaast brengt de deconcentratie van het management van externe steun programmas extra kosten met zich mee. Bovendien telt de aanvullende begroting 2001 van het Raadssecretariaat in 2002 voor een volledig jaar mee.

Als blijde boodschap meldde Commissaris Schreyer tenslotte dat het saldo 2000 uiteindelijk @ 7,5 miljard bedraagt. Dit bedrag bevat zowel meevallers aan de inkomstenkant als aan de uitgavenkant van de begroting. Tevens is in dit verband een hogere VK-compensatie verwerkt. Commissaris Schreyer gaf aan dat de onderliggende berekeningen ten aanzien van de consequenties voor de afdrachten van individuele lidstaten zo spoedig mogelijk worden verspreid.

Minister Zalm complimenteerde de Commissaris met het feit dat het VOB 2002 binnen de Financiële Perspectieven blijft en dat er tevens sprake is van marges onder de plafonds van de diverse categorieën. De reservering in categorie 1a voor de BSE- en MKZ-crises is verstandig. Waakzaamheid blijft geboden voor de Commissie om te garanderen dat de landbouwuitgaven binnen de kaders blijven.

Ook enkele grote lidstaten benadrukten in hun bijdragen het belang van het respecteren van de Financiële Perspectieven in de begroting voor 2002. Een van deze lidstaten voegde hieraan toe dat zonodig gekort moet worden op de directe inkomenssteun aan boeren om de uitgaven in categorie 1a binnen de vastgestelde kaders te houden.

Een andere grote lidstaat wees voorts op het belang van een beperkte stijging van de betalingen, om deze meer in lijn te brengen met de stijging van de nationale begrotingen. Bovendien gaf deze lidstaat aan dat de tweede tranche nieuwe posten via herschikking gevonden zou moeten worden.

Een derde grote lidstaat vroeg zich af of de reservering ad @ 1 miljard ten behoeve van de BSE- en MKZ-crises ten koste zal gaan van andere steunmaatregelen voor agrarische bedrijven. Daarnaast meende deze lidstaat dat de herstructurering van haar vissersvloot als gevolg van het mislukken van de onderhandelingen met Marokko over een nieuw visserijakkoord niet uit categorie 2, maar uit categorie 3 (intern beleid) zou moeten worden bekostigd. Een kleine lidstaat gaf aan dat de omvang van de hulp voor 2002 voor de Balkan op het niveau van 2001 dient te blijven.

In haar reactie geeft Commissaris Schreyer aan dat in 2002 voor de Balkan een bedrag van ruim @ 800 miljoen wordt uitgetrokken, waardoor aan de zorg van genoemde kleine lidstaat tegemoet wordt gekomen. Ten aanzien van de herstructurering van de visserijvloot van genoemde grote lidstaat herhaalde zij dat categorie 2 de meest aangewezen categorie is. Voor de financiering denkt de Commissie aan het inzetten van (een gedeelte van) het flexibiliteitsinstrument.

Richtlijnvoorstel pensioenfondsen

Voorzitter Ringholm gaf aan dat de pensioensystemen in de lidstaten erg verschillend zijn. Hij benadrukte dat het van belang is tot politieke sturing te komen, omdat er anders nog veel tijd over heen zal gaan voordat er een Politiek Akkoord wordt bereikt. De richtlijn is een belangrijk onderdeel van het Risk Capital Action Plan, het Financial Services Action Plan en het Lamfalussy rapport. De bedoeling is de richtlijn in 2002 aan te nemen en in de loop van 2003 te implementeren.

Commissaris Bolkestein stelde dat het harmoniseren van de technische voorzieningen op een hoger niveau, zoals sommige lidstaten willen, gelijk staat aan het openen van een doos van Pandora. Daarmee zouden de doelstellingen van de richtlijn (bescherming van deelnemers en handhaven van een veilig en betaalbaar pensioensysteem) in het geding komen. Regels voor de technische voorzieningen moeten van kwalitatieve aard zijn. Voor de beleggingen moet het prudent person principe (geen kwantitatieve beleggingsrestricties) het uitgangspunt zijn. Van de huidige pensioenvermogens wordt reeds 90% volgens dit principe belegd. De returns daarvan waren in de afgelopen 15 jaar tweemaal zo hoog als die van fondsen die beperkt werden door kwantitatieve regels. Recent onderzoek ondersteunt deze conclusies. Kwantitatieve regels bieden absoluut geen grotere zekerheid.

Een aantal lidstaten gaf aan het nog te vroeg te vinden voor het trekken van Raadsconclusies. Een grote lidstaat achtte het beter om aan te geven dat de "Raad en het Voorzitterschap open staan voor verschillende standpunten". Volgens een andere grote lidstaat was het aannemen van de voorgestelde Raadsconclusies strijdig met de institutionele regels.

Een groep van lidstaten, waaronder Nederland, gaf aan een voorkeur te hebben voor een brede reikwijdte van de richtlijn. Minister Zalm gaf aan het raar te vinden dat de richtlijn betrekking heeft op de best geregelde (op kapitaaldekking gebaseerde) pensioensystemen, terwijl ondernemingen die een andersoortige financieringsregeling hebben minder strikte of zelfs geen regels krijgen opgelegd. Dat moet worden voorkomen. Een grote lidstaat was van mening dat door de richtlijn geen Interne Markt wordt gecreëerd, omdat enkele systemen er geen onderdeel van uitmaken. Alle instellingen voor
bedrijfspensioenvoorziening moeten onder de richtlijn vallen.

Ten aanzien van de technische voorzieningen en beleggingsregels toonde een drietal lidstaten, waaronder Nederland, zich voorstander van kwalitatieve regels voor technische voorzieningen en het prudent person principle voor de beleggingsregels. Minister Zalm gaf aan dat het prudent person principle niet overruled mag worden door "archaïsche regelgeving". Aan dat laatste bestaat geen behoefte. Ook stelde minister Zalm dat het beter zou zijn als de lidstaten die kwantitatieve regels willen opleggen eerst pensioenfondsen creëren, voordat door die lidstaten dergelijke verplichtingen aan landen met echte pensioenfondsen worden opgelegd. Volgens een grote lidstaat geven kwantitatieve regels een vals gevoel van veiligheid, terwijl het prudent person principle juist een heel goed track record heeft.

Een grote groep lidstaten gaf echter de voorkeur aan het opnemen van meer kwantitatieve regels onder beide onderdelen. Volgens een van deze lidstaten bestaat het gevaar dat lidstaten met kwantitatieve regels concurrentie ondervinden van lidstaten met "laksere" kwalitatieve regels.

Een grote lidstaat gaf aan dat kwalitatieve regels onvoldoende zekerheid bieden en dat de regels analoog aan die van Instellingen voor Collectieve Beleggingen in Effecten (ICBEs) en levensverzekeraars moeten worden opgesteld. Een kleine lidstaat gaf aan het vreemd te vinden dat het prudent person principle en kwantitatieve regels tegelijkertijd zouden kunnen gelden, terwijl ze strijdig met elkaar zijn.

Voorzitter Ringholm concludeerde dat het een nuttige discussie was, maar dat er nog veel werk is te doen. Het Voorziterschap zal samen met de Commissie bepalen hoe nu verder te gaan. Er zal een rapport worden opgesteld dat via Coreper aan de Ecofin Raad van oktober zal worden voorgelegd.

De Raadsconclusies zijn bijgevoegd.

Commissiemededeling over belasting van pensioenen

Commissaris Bolkestein gaf een kort overzicht van de drie onderdelen waaruit de Commissiemededeling bestaat. Hij benadrukte dat de Commissie de wetgeving van lidstaten zal

onderzoeken op hun verenigbaarheid met het Verdrag. Hij doelde onder andere op de uitsluiting van de fiscale aftrekbaarheid van premies als deze betaald worden aan instellingen gevestigd

buiten de eigen lidstaat. Hij kondigde aan dat de lidstaten hierover een brief van de Commissie zullen ontvangen. Verder riep hij op tot de automatische uitwisseling van inlichtingen voor wat betreft grensoverschrijdende pensioenen om belastingclaims te waarborgen. De modaliteiten voor een

dergelijke automatische uitwisseling zouden dan vastgesteld kunnen worden in het Comité waarin de richtlijn inzake wederzijdse bijstand in belastingzaken voorziet.

Verder riep hij de lidstaten op in samenwerking met de Commissie te zoeken naar oplossingen om dubbele belasting dan wel de afwezigheid van belasting te voorkomen die voortvloeit uit de verschillen tussen de belastingsystemen in de lidstaten op het gebied van de pensioenen.

Er volgde geen discussie. Voorzitter Ringholm concludeerde dat het Coreper en de Groep Fiscale Vraagstukken de Commissiemededeling nader dienen te bestuderen met name op het gebied van de

uitwisseling van inlichtingen.

Elektronische handel en financiële diensten

Voorzitter Ringholm stelde dat enkele lidstaten van mening zijn dat verdere harmonisatie van de consumentenbeschermingsregels nodig is voordat het oorsprongland-beginsel (home country control) zoals opgenomen in de richtlijn elektronische handel volledig kan worden toegepast. Raadsconclusies, waarin onder andere wordt aangegeven dat toepassing van het oorsprongland-beginsel in de richtlijn elektronische handel de onderhandelingen over de ontwerp-richtlijn verkoop op afstand onverlet laat, konden door alle lidstaten worden geaccepteerd. De Raadsconclusies zijn bijgevoegd.

Commissaris Bolkestein gaf aan verheugd te zijn over deze uitkomst. Er dient nu snel vooruitgang te worden geboekt aan de hand van de Road Map voor het bereiken van een interne markt voor financiële diensten in 2005 (conform politieke beslissing tijdens de Europese Raad van Lissabon, april 2000).

Frankrijk, gesteund door België, Spanje, Griekenland en Portugal, heeft een verklaring bij deze Raadsconclusies opgesteld waarin wordt aangegeven dat eerst moet worden gestreefd naar een zo hoog mogelijk niveau van consumentenbescherming op het gebied van de marketing van financiele diensten. Zolang dat nog niet is bereikt zouden overgangsperiodes met betrekking tot het oorsprongland-beginsel moeten worden overwogen. Daarnaast moet de pre-contractuele reflectieperiode die in bepaalde lidstaten bestaat gerespecteerd worden. Ook dient de transparantie voor consumenten ten aanzien van de pre-contractuele verplichtingen, groter te worden. De verklaring is bijgevoegd.

Overig: Macro-economische dialoog

Na afloop van de Ecofin Raad vond voor de vierde maal een macro-economische dialoog op politiek niveau plaats. Vertegenwoordigers van de Raad, de Commissie en de sociale partners bespraken de Voorjaarsraming van de Commissie en haar aanbeveling voor de Globale richtsnoeren 2002. Verder werd ingegaan op de invloed van mondiale economische ontwikkelingen op de Europese economie, en op loonontwikkelingen.


-o-

Bijlagen:


- Raadsconclusies richtlijn pensioenfondsen

- Raadsconclusies e-commerce en financiële diensten

- Verklaring van Frankrijk, België, Spanje, Griekenland en Portugal bij

Raadsconclusies e-commerce en financiële diensten