Ministerie van Buitenlandse Zaken

http://www.minbuza.nl/content.asp?Key=416413




1 Inleiding

2 Landeninformatie
2.1 Land en volk
2.2 Geschiedenis
2.3 Staatsinrichting
2.4 Militaire ontwikkelingen
2.5 Politieke ontwikkelingen
2.6 Veiligheidssituatie
2.7 Sociaal-economische situatie
2.8 Samenvatting

3 Mensenrechten
3.1 Waarborgen
3.1.1 Grondwet
3.1.2 Verdragen
3.2 Toezicht
3.3 Naleving en schendingen
3.3.1 Vrijheid van meningsuiting
3.3.2 Vrijheid van vereniging en vergadering
3.3.3 Vrijheid van godsdienst
3.3.4 Bewegingsvrijheid
3.3.5 Rechtsgang
3.3.6 Arrestaties en detenties
3.3.7 Mishandeling en foltering
3.3.8 Verdwijningen
3.3.9 Buitengerechtelijke executies en moorden
3.3.10 Doodstraf
3.4 Positie van specifieke groepen
3.4.1 Vrouwen
3.4.2 Kinderen
3.4.3 Dienstplicht en gedwongen rekrutering
3.5 Samenvatting

4 Vluchtelingen en ontheemden
4.1 Motieven
4.2 Binnenlands vestigingsalternatief
4.3 Beleid andere westerse landen
4.4 UNHCR-beleid

5 Samenvatting
ANGOLA Situatie in verband met asielprocedures

Bijlage 1 Kaart van Angola

Bijlage 2 Lijst van wijken van Luanda

Bijlage 3 Literatuurlijst


1 Inleiding

In het ambtsbericht van 2 juni 1999, kenmerk DPC/AM-568360 werd de situatie in Angola beschreven voor zover van belang voor de beoordeling van asielverzoeken. Vervolgens werden de algemene situatie in Angola en de situatie in Luanda beschreven in de brieven van respectievelijk 25 augustus 1999 en 6 december 1999, beide met kenmerk DPC/AM-568360 aan de Staatssecretaris van Justitie.

Dit ambtsbericht bevat een beschrijving van de situatie in Angola vanaf juni 1999 tot eind april 2000 voor zover van belang voor de beoordeling van asielverzoeken en besluitvorming over de mogelijke terugkeer van afgewezen asielzoekers.

Voor zover nog relevant zijn de inhoud van het vorige ambtsbericht en bovengenoemde brieven in dit nieuwe ambtsbericht verwerkt.

In hoofdstuk 2 worden de militaire en politieke ontwikkelingen en de veiligheidsituatie behandeld, evenals de economische ontwikkelingen.

Hoofdstuk 3 beschrijft de mensenrechtensituatie en de situatie van vrouwen, kinderen en dienstplichtigen en in hoofdstuk 4 wordt op de vluchtelingen- en ontheemdensituatie ingegaan evenals op het beleid van andere landen en de UNHCR.

Ten slotte bevat hoofdstuk 5 een samenvatting.

Aan de totstandkoming van dit ambtsbericht liggen vertrouwelijke rapportages van de Nederlandse Ambassade te Luanda ten grondslag. Bovendien is gebruik gemaakt van rapportages van andere EU-landen, VN-organisaties en niet-gouvernementele organisaties (ngo's) en berichtgeving in de media. Ten slotte zijn de bevindingen van een medewerker van het ministerie van Buitenlandse Zaken tijdens zijn dienstreis naar Angola in maart 2000 verwerkt.

Voor een overzicht van de openbare bronnen wordt verwezen naar de literatuurlijst.


2
Landeninformatie


2.1 Land en volk

1

Angola is het grootste Portugees sprekende land in Afrika. Het is gelegen in het zuidwesten van dit continent en grenst aan de Atlantische Oceaan, de Democratische Republiek Congo (DR Congo), Zambia en Namibië. De bevolking, die in 1999 geschat werd op slechts 12 miljoen inwoners, bestaat voor 45% uit kinderen onder de 15 jaar. Slechts 5% is ouder dan 60 jaar. De Ovimbundu (37%), de Kimbundu (25%) en de Bakongo (13%) zijn de belangrijkste bevolkingsgroepen. De officiële taal is Portugees, andere talen die gesproken worden zijn Umbundu, Kimbundu, Kikongo en Bantu talen.

Het land is verdeeld in 18 provincies: Bengo, Benguela, Bié, Cabinda (een enclave in de DR Congo), Cuando Cubango, Cuanza Norte, Cuanza Sul, Cunene, Huambo, Huila, Luanda, Lunda Norte, Lunda Sul, Malanje, Moxico, Namibe, Uige en Zaïre.

Geografisch kunnen een centraal hoogland, een overgangszone en een kustvlakte worden onderscheiden. De rivieren zijn grotendeels onbevaarbaar. Het klimaat is tropisch en vochtig in het noorden en subtropisch met minder regen in het zuiden. Op het centraal hoogland is het koeler en valt meer regen dan in de kustvlakte. Het regenseizoen loopt van oktober tot april.

De hoofdstad Luanda is onderverdeeld in 20 'deelgemeenten', Bairro's
genaamd
.

De Angolese munteenheid is sinds 1 december 1999 de Kwanza
. Deze kwam in de plaats voor de
Kwanza Readjustado
in de verhouding 1 : 1.000.000.


1 USD was in maart 2000 ongeveer 6 Kwanza.



2.2 Geschiedenis

3


Koloniale tijd en dekolonisatie

De Angolese hoofdstad Luanda werd in 1575 door Portugal gesticht. De stad werd een belangrijke schakel in de slavenhandel. Het duurde tot het begin van de 20ste eeuw voordat het binnenland onder koloniaal bestuur kwam. Tot 1974 hadden zich ongeveer 330.000 blanken in Angola gevestigd.

Vanaf het midden van de jaren zestig bevochten drie onafhankelijkheidsbewegingen de Portugezen: Movimento Popular de Libertaçao de Angola (MPLA), Frente Nacional de Libertaçao de Angola (FNLA) en Uniao Nacional para a Indepençia Total de Angola (UNITA), opgericht door Jonas Savimbi in 1966. Het kleinere Frente de Libertaçao do Enclave de Cabinda (FLEC) beijverde zich voor onafhankelijkheid van de aparte Portugese kolonie Cabinda.

Na een coup in Lissabon in 1974 probeerde Portugal zo snel mogelijk van zijn koloniën af te komen. In januari 1975 bereikten MPLA, UNITA en FNLA overeenstemming met de Portugese autoriteiten over de datum van onafhankelijkheid: 11 november 1975. Overeengekomen werd dat Angola tot die datum geregeerd zou worden door een overgangsregering met vertegenwoordigers van de drie onafhankelijkheidsbewegingen en Portugal. Deze regering kwam echter al spoedig ten val en Angola verviel in een burgeroorlog aan de vooravond van de onafhankelijkheid.

In die strijd had de MPLA met Cubaanse steun Luanda in handen, terwijl een UNITA-FNLA-verbond zijn hoofdkwartier had in Huambo in het centrale hoogland. Het Zuid-Afrikaanse leger steunde UNITA vanuit het zuiden. Belangrijke nederlagen leidden ertoe dat het FNLA als beweging aan belang inboette.

De periode 1975-1991: de eenpartijstaat, de burgeroorlog tot de vredesakkoorden van Bicesse.

Agostinho Neto, de leider van de MPLA, vestigde een op de Sovjet-Unie geënte eenpartij staat, de Volksrepubliek Angola. In 1977 werd het marxistisch-leninisme de officiële ideologie en daarmee was het land verzekerd van de langdurige aanwezigheid van duizenden Cubaanse troepen. Na de dood van

Agostinho Neto in 1979 kwam José Eduardo dos Santos aan de macht. Van het marxistisch-leninisme werd in 1991 afstand gedaan en in datzelfde jaar werd een meerpartijensysteem geïntroduceerd.

In 1976 vestigde Savimbi (UNITA) een nieuw hoofdkwartier in Jamba, in het zuidoosten. Met steun van Zuid-Afrika en Zaïre (via welk land wapens en brandstof uit de Verenigde Staten werden ingevoerd) breidde hij zijn territorium naar het noorden uit in een uitputtingsoorlog, waarin geen van beide zijden een doorslaggevende overwinning kon behalen. Uiteindelijk behield de MPLA de controle over de belangrijkste steden, terwijl UNITA grote delen van het platteland in bezit had.

In 1990 verlieten de Cubanen Angola en in mei 1991 tekenden de MPLA en UNITA de vredesakkoorden van Bicesse. In de aanloop naar deze akkoorden had de MPLA besloten dat de eenpartijstaat werd opgeheven en dat politieke partijen (met name UNITA) werden toegestaan.

De periode 1992-1998: meerpartijenbewind, akkoorden van Lusaka

In 1992 volgden algemene presidents- en parlementaire verkiezingen. President Jose Eduardo Dos Santos won de presidentsverkiezingen nipt met 49,6% van de stemmen tegen Savimbi met 40,1%.

Ook de parlementsverkiezingen werden een overwinning voor de MPLA. De zetelverdeling werd als volgt: MPLA 129, UNITA 70, Partido Renovador Social (PRS) 6, FNLA 5, Partido Liberal Democrata (PLD) 3. Zeven splinterpartijen kregen ieder één zetel.

Hoewel de verkiezingen volgens de Verenigde Naties (VN) vrij en eerlijk waren verlopen, verwierp UNITA de uitkomst en hervatte de burgeroorlog.

In 1994 tekenden de regering en UNITA, in een poging de burgeroorlog te beëindigen, de akkoorden van Lusaka na een jaar lang bemiddelen door de speciale vertegenwoordiger van de VN, de Malinees Alioune Blondin Beye.

In de akkoorden van Lusaka werd onder meer bepaald dat:


- UNITA zijn wapens zou inleveren;


- er een nationaal leger gevormd zou worden, waarin een gedeelte van de UNITA-troepen opgenomen zou worden;


- een regering van nationale eenheid en verzoening gevormd zou worden

- het overheidsgezag uitgebreid zou worden naar gebieden die op dat moment onder UNITA controle stonden;


- er een grote VN-vredesmacht zou komen.

In de daaropvolgende periode is in het algemeen de regering zijn verplichtingen nagekomen, hoewel het optreden van de politie en in mindere mate van het leger in voormalige UNITA-gebieden veel kritiek opriep.

De in de akkoorden voorziene regering van nationale eenheid en verzoening werd uiteindelijk in april 1997 gevormd. Vier UNITA-ministers maakten er deel van uit.

UNITA voldeed daarentegen niet aan zijn verplichtingen. Het handhaafde een belangrijke militaire capaciteit en weigerde gebieden over te dragen aan de regering. Medio 1998 bleek steeds duidelijker dat Savimbi weigerde de verplichtingen, voorvloeiend uit de Lusaka-akkoorden, zoals de overdracht van gebieden aan de centrale regering en de demobilisatie van zijn troepen, na te komen.

Op 1 september 1998 werden de vier UNITA-ministers en de 70 UNITA-parlementsleden geschorst wegens het niet nakomen van de Lusaka-akkoorden door UNITA.

Op 2 september 1998 publiceerde een comité van vijf seniore UNITA-leden een manifest waarin scherpe kritiek op de leiding van UNITA werd geuit wegens het niet nakomen van de Lusaka-akkoorden. Dit comité splitste zich af van UNITA en werd later UNITA-Renovada genoemd.

Vrijwel direct erkende de Angolese regering de afgescheiden UNITA-leden als de enige vertegenwoordiger van UNITA. De geschorste ministers en parlementariërs werden, op enkelen na, in hun functies hersteld (ook zij die niet de UNITA-Renovada aanhingen, maar wel de bombardementen op de burgerbevolking door UNITA veroordeelden)
.

UNITA-Renovada werd in het begin geleid door Jorge Valentim, minister van Toerisme. Op 13 januari 1999 werd tijdens een congres in Luanda, Eugénio Manuvakola, voormalig secretaris-generaal van UNITA en namens Savimbi ondertekenaar van de Lusaka-akkoorden, tot voorzitter van UNITA-Renovada gekozen. Deze vernieuwers beschouwen zichzelf als de enige echte UNITA, omdat zij de structuren van de partij in door de regering beheerst gebied via een vreedzaam en open politiek congres hebben overgenomen. In het parlement zitten echter nog zeer vele (een grote meerderheid) UNITA-leden, die deze overname van de partij niet of maar gedeeltelijk willen erkennen.

De periode na december 1998: hervatting van de burgeroorlog .

De militaire afspraken in de akkoorden van Lusaka verloren uiteindelijk in december 1998 hun waarde toen het Angolese leger een offensief begon tegen de UNITA-bolwerken Andulo en Bailundo in het centrale hoogland. UNITA, dat veel sterker bleek dan verwacht, sloeg de aanval af en opende tegenaanvallen op de steden Huambo en Kuito. Het offensief breidde zich uit en in augustus 1999 had UNITA in de provincies Zaïre, Uige, Malanje, Cuanza Norte, Huambo en Bié het regeringsleger (FAA) in het defensief gedrongen .

Op 30 januari 1999 installeerde president Dos Santos in verband met de veranderde politieke situatie een nieuwe regering. De president leidt deze regering persoonlijk, waartoe de functie van eerste minister werd opgeschort. De nieuwe regering beoogde een harder optreden tegen Savimbi en het doorvoeren van economische hervormingen. Men zegt democratische verhoudingen en nationale verzoening voor te staan. UNITA-strijders die de wapens neerleggen kunnen volgens de regering in het regeringsleger worden opgenomen of mogen hun strijd met vreedzame politieke middelen voortzetten.


2.3 Staatsinrichting
7


De Angolese grondwet dateert van 11 november 1975 en is een aantal malen, laatstelijk op 26 augustus 1992, herzien. De laatste herziening betrof de invoering van het meerpartijensysteem.

De Republiek Angola (tot augustus 1992 de Volksrepubliek Angola) is in naam een parlementaire meerpartijendemocratie, in feite echter een republiek met een sterk presidentieel systeem. De president is tevens opperbevelhebber van de strijdkrachten. Hij benoemt (en ontslaat) de overige leden van het kabinet, hij benoemt de rechters van het Hooggerechtshof en schrijft verkiezingen uit.

De volksvertegenwoordiging bestaat uit één kamer, de Assembléia Nacional, en heeft 220 zetels. De leden worden volgens het systeem van evenredige vertegenwoordiging gekozen, in principe voor een termijn van vier jaar. Op 29-30 september 1992 werden echter de laatste verkiezingen gehouden, zowel voor het parlement als voor de president, die tevens de eerste meerpartijenverkiezingen waren. Sindsdien zijn nieuwe verkiezingen steeds uitgesteld in verband met de situatie van de burgeroorlog.

In Angola zijn ruim 120 politieke partijen geregistreerd.

Aan het hoofd van de provincies staat een gouverneur, bijgestaan door een vice-gouverneur, die beiden door de president benoemd worden.

Het rechtssysteem is gebaseerd op Portugees burgerlijk recht en op gewoonterecht. De onafhankelijkheid van de rechtspraak is in de grondwet vastgelegd.

De wettelijke leeftijd voor meerderjarigheid is 18 jaar.


2.4 Militaire ontwikkelingen
8


Samenvattend heeft het Angolese leger (Forcas Armadas Angolanas - FAA) sinds oktober 1999 grote gebieden op UNITA heroverd. Sindsdien heeft het leger zijn conventionele militaire overwicht in die gebieden geconsolideerd. UNITA is daarop noodgedwongen overgegaan op guerilla-tactieken. Al heeft de regering duidelijk de overhand, zij lijkt toch niet in staat voor het einde van het regenseizoen (eind mei) een einde te maken aan deze guerilla-activiteiten en UNITA beslissend te verslaan. Wel denkt zij binnen afzienbare tijd de UNITA-guerilla's te kunnen terugdringen tot meer marginale en afgelegen gebieden.

Na de overwinningen van UNITA in de zomer van 1999 herbewapende het Angolese leger zich en startte het in september 1999 de operatie 'Restauro'. Vanaf dit moment werden grote successen geboekt in de strijd tegen UNITA. In oktober 1999 werden Bailundo en Andulo heroverd en ook elders in het land werden grote gebieden op UNITA heroverd. Vervolgens richtte het regeringsleger, tegen het eind van het jaar, zijn aandacht op het zuiden, waar UNITA in de provincie Cuando-Cubango grote gebieden beheerste. Na aanvallen vanuit Noord-Namibië, mogelijk gemaakt door een overeenkomst met president Nujoma van Namibië, nam het regeringsleger op 10 december 1999 als eerste de stad Calai in, gevolgd door andere steden en ten slotte, op 26 december 1999, Jamba. Jamba was in de jaren tachtig UNITA's belangrijkste hoofdkwartier geweest.

Na het zuiden verschoof de militaire activiteit naar de provincie Moxico in het oosten, aan de grens met Zambia. Gevechten tussen UNITA en het Angolese leger leidden in januari 2000 tot de uittocht van ongeveer 20.000 vluchtelingen naar Zambia. Ondanks besprekingen op hoog niveau tussen Zambiaanse en Angolese delegaties, weigerde Zambia het Angolese leger toegang tot zijn grondgebied te verlenen voor het uitvoeren van aanvallen op UNITA. In mei 2000 slaagde het leger erin Cazombo (in de provincie Moxico) te bezetten.

In het noorden heeft het regeringsleger vanuit de DR Congo aanvallen op UNITA uitgevoerd, in de diamantrijke provincie Lunda-Norte heeft het zijn posities verstevigd.

Waar voor de operatie 'Restauro' een min of meer heldere scheiding bestond tussen door UNITA beheerst gebied en door de regering beheerst gebied, heeft het regeringsleger nu in principe overal toegang en, met uitzondering van de grensstreken, een conventioneel militair overwicht. Doordat de regeringstroepen nu een groter gebied moeten verdedigen dan voorheen blijken zij echter niet in staat de heroverde gebieden afdoende te beschermen tegen guerilla-aanvallen van UNITA.

UNITA heeft gevoelige verliezen geleden, waaronder een aantal steden, militaire bases en vliegvelden. Deze laatste waren essentieel voor de bevoorrading. Ook staan, onder meer door verlies van controle over bepaalde gebieden, UNITA's inkomsten uit diamanten onder druk. De conventionele strijdkrachten van UNITA worden niet langer in staat geacht, zonder grondige herbewapening, doorslaggevende conventionele operaties uit te voeren. Maar Savimbi is nog niet verslagen en heeft zijn resterende troepen opdracht gegeven guerilla-tactieken toe te passen. Deze guerilla-activiteiten vinden voornamelijk plaats in de door het regeringsleger heroverde gebieden (zie ook hoofdstuk 2.6). De UNITA-strijders missen echter de voor guerilla-tactieken noodzakelijke centrale coördinatie, zodat rondzwervende gewapende groepen, onder het mom van politiek geïnspireerde guerrilla-activiteiten, vervallen in grootschalig banditisme (hinderlagen; aanvallen op vrachtwagens, hulptransporten, brandstofstations, gehuchten of dorpen; plunderingen; leggen van mijnen; veelal met dodelijke slachtoffers onder de burgerbevolking). Verwacht wordt dat het regeringsleger het einde van de regentijd (eind mei) afwacht, alvorens zijn offensief voort te zetten.

Betrokkenheid regionale mogendheden

Angola heeft troepen gelegerd in drie van de vier buurlanden (Congo-Brazzaville, de DR Congo en Namibië) op grond van overeenkomsten met die buurlanden die het Angolese leger toestaan op hun grondgebied te opereren. Zambia is door Angola onder sterke druk gezet volledige medewerking te verlenen bij de bestrijding van UNITA, maar doet zijn uiterste best niet meegetrokken te worden in het Angolese conflict. In verband met de vele contacten tussen UNITA en Zambia - waaronder economische, etnische en familierelaties - zijn de betrekkingen tussen Angola en Zambia gespannen.

Op Angolees grondgebied zijn geen vreemde mogendheden betrokken bij de strijd tegen UNITA.

2.5 Politieke ontwikkelingen
9

Samenvattend kwam, met de hervatting van de strijd eind 1998, formeel het politieke vredesproces tot stilstand. Thans is er sprake van weinig politieke vooruitgang. De regering maakt pas op de plaats in afwachting van verdere verzwakking van Savimbi's positie. Wel heeft men inmiddels de intentie geuit om eind 2001 nieuwe verkiezingen te houden. De internationale gemeenschap voert de druk op om tot effectieve sancties tegen UNITA te komen.

Binnenlandse politieke ontwikkelingen

In de afgelopen periode werden de politieke ontwikkelingen beheerst door het verloop van de militaire strijd. Het optimisme van oktober 1999 dat de oorlog bijna gewonnen was, is sindsdien enigszins getemperd. Beide zijden lijken zich neer te leggen bij een periode van relatieve politieke pas op de plaats. Voor Savimbi is het in de eerste plaats van belang te overleven en tijd te winnen. Het leiderschap van de MPLA lijkt in de huidige situatie de voorkeur te geven aan handhaving van de status-quo boven nieuwe onderhandelingen met Savimbi, die zich immers niet gehouden heeft aan twee eerdere vredesovereenkomsten. De regering is van mening dat Savimbi geen betrouwbare gesprekspartner meer is en is voornemens zelf de orde en rust in het land te herstellen. UNITA- (of Savimbi-)aanhangers die de gewapende strijd willen opgeven worden uitgenodigd met politieke middelen hun doelstellingen verder na te streven, bijvoorbeeld in de verkiezingen van eind 2001. De regering is bereid in voorkomend geval met individuele UNITA-commandanten te velde te onderhandelen over militaire overgave.

De door de MPLA gedomineerde regering van nationale eenheid weet zich ook meer en meer gesteund door de internationale gemeenschap, die steeds meer begrip opbrengt voor de weigering van de regering om - in de huidige situatie - nog weer met Savimbi te gaan onderhandelen, die immers bij herhaling heeft getoond zich niet aan vredesafspraken te houden en steeds maar weigert de wapens neer te leggen. Met het oogmerk de bewapening van UNITA terug te dringen wordt de druk op landen om de VN-sancties tegen UNITA toe te passen opgevoerd (zie verder). Tegelijkertijd wordt de internationale druk op de Angolese regering opgevoerd om wantoestanden op het gebied van bestuur (corruptie) en economisch beleid recht te zetten. Het vermoeden dat de olie-inkomsten en grootschalige corruptie een elite, gelieerd aan de MPLA, ten goede komen ten koste van de bevolking, trekt toenemende internationale aandacht. Alhoewel de regering zich volledig bewust lijkt van deze misstanden, gaat zij een echt maatschappelijk debat daarover nog uit de weg. Wel wordt corruptie in officiële redevoeringen veroordeeld en wordt in enkele gevallen ad hoc opgetreden tegen personen die zich geld of goederen van de gemeenschap toe-eigenen. De wijdverbreide corruptie heeft naast het aspect van persoonlijke verrijking ook een functie in de overlevingsstrategie van niet of zeer slecht betaalde ambtenaren en gezagsdragers. Van deze personen in posities van invloed wordt door hun zeer omvangrijke families, streekgenoten en aanhangers veel verwacht in de vorm van materiële steun. Aldus is de kring van personen die afhankelijk zijn van de herverdeling van illegaal verkregen neveninkomsten zeer groot, hetgeen effectieve bestrijding ervan weer bemoeilijkt.

Er zijn echter diverse pogingen het financiële overheidsbeheer te verbeteren en doorzichtiger te maken. Het recent met het Internationale Monetaire Fonds (IMF) bereikte akkoord (zie hoofdstuk 2.7) en de druk van de donorgemeenschap, de banken en de oliemaatschappijen maken dat ook meer en meer noodzakelijk.

Een rapport van een internationale ngo
over deze materie leidde tot een felle regeringsreactie (dreiging met wettelijke actie, verbod op publicatie). De regering stelt dat de opbrengst van de natuurlijke rijkdommen grotendeels dient om - direct of indirect - de oorlogsvoering te bekostigen. Men vreest dat het internationaal onder curatele stellen van de natuurlijke rijkdommen bedoeld is om de oorlogsvoering tegen Savimbi te bemoeilijken. Verder stelt men in regeringskring dat er wel veel beschuldigingen geuit worden, maar dat de bewijsvoering uitblijft.

De regering staat wantrouwend tegenover de vredesinitiatieven van de kerken omdat men vreest dat de oproepen tot dialoog bedoeld zijn als hervatting van de onderhandelingen met Savimbi. Wat met dialoog bedoeld wordt, is ook niet altijd even duidelijk. Soms wordt dat bewust in het midden gelaten omdat verschillende deelnemers aan de vredesinitiatieven verschillende achtergrondgedachten hebben.

In een recente vredesoproep van de Angolese bisschoppen wordt opgeroepen tot het beëindigen van de oorlog en het aangaan van een dialoog. President Dos Santos heeft herhaald bereid te zijn tot een interne Angolese dialoog, doch niet met de gewapende tegenstanders (Savimbi).

Eind 1999 maakte president Dos Santos bekend te streven naar algemene parlements- en presidentsverkiezingen in 2001, mits de situatie dat toelaat.

In maart 2000 nam Eugénio Manuvakola, president van UNITA-Renovada, zitting in het parlement. Hij nam de zetel over van Albertina Hamukwaya die benoemd was tot minister van gezondheid.

De Veiligheidsraad

Na afloop van het mandaat van de VN-monitoringmissie in Angola (MONUA) in februari 1999 besloot de VN tot behoud van een VN-aanwezigheid in de vorm van UNOA (United Nations Office in Angola).

In mei 1999 besteedde de Veiligheidsraad aandacht aan de humanitaire situatie van dat moment in Angola.

De nadruk van de VN-bemoeienis lag in toenemende mate bij pogingen om het VN-sanctieregime tegen UNITA effectief te maken. De sancties omvatten onder meer een verbod op leverantie van wapens en olieproducten aan UNITA en een verbod op de handel in diamanten afkomstig van UNITA. Dit sanctieregime werd in de verslagperiode op grote schaal ontdoken. Op 15 maart 2000 werd een rapport van het Angola Sanctie Comité, onder leiding van de Canadese VN-ambassadeur Robert Fowler, aangeboden aan de Veiligheidsraad. De inhoud van dit rapport heeft veel stof doen opwaaien, omdat landen (Burkina Faso, Togo) en personen die beschuldigd worden mee te werken aan de ontduiking van het sanctieregime met naam worden genoemd. Burkina Faso en Togo worden ervan beschuldigd wapens en brandstof aan UNITA te leveren in ruil voor diamanten. België wordt ervan beschuldigd te weinig toezicht op de diamantbeurs in Antwerpen te houden, waardoor er illegale UNITA-diamanten verhandeld kunnen worden.

In een unaniem aangenomen resolutie op 18 april jl. wordt landen die ervan beschuldigd worden de sancties tegen UNITA te ontduiken, zes maanden gegeven om de sancties alsnog na te leven.

2.6 Veiligheidssituatie


De veiligheidssituatie in Angola, die in grote delen nog slecht is, is zich langzamerhand aan het verbeteren, sinds het regeringsleger vanaf het najaar 1999 opmerkelijke successen boekt in de strijd tegen UNITA. Grote delen van het land zijn op UNITA heroverd, maar doordat UNITA op guerilla-activiteiten is overgegaan kunnen deze nog niet als veilig worden beschouwd. Waar vóór september 1999 een min of meer heldere scheiding bestond tussen door UNITA beheerst gebied en door de regering beheerst gebied, heeft het regeringsleger nu in principe overal toegang.

Op grond van de veiligheidssituatie van mei 2000 kan het grondgebied van Angola worden ingedeeld in:


1. De relatief veilige gebieden: de kustprovincies Luanda, Bengo, Benguela en Namibe en alle provinciale hoofdsteden (onder meer Luanda, Benguela en Lubango). In deze gebieden is de bevolking veilig voor oorlogshandelingen en komen slechts incidenteel guerilla-acties van beperkte omvang van UNITA voor, en dan met name aan de randen van de stedelijke gebieden (10 tot 50 km van de stad) en op de secundaire wegen buiten de steden.


2. De relatief onveilige overgangsgebieden: de provincies Zaire, Uige, Malanje, Cuanza Norte en Sul, Huila, Lunda Norte en Sul, Huambo, Bié, Moxico, Cuanda Cubango en Cunene met uitzondering van de gebieden langs de grens met de DR Congo, Zambia en Namibië. Deze overgangsgebieden zijn recentelijk door het regeringsleger op UNITA heroverd, in de zin dat het regeringsleger er thans een conventioneel militair overwicht heeft. Het regeringsleger kan de bevolking echter geen afdoende bescherming bieden tegen de guerilla-activiteiten die UNITA sinds zijn nederlagen ontplooit, mede doordat het leger nu een groter gebied dan voorheen bestrijkt. Rondzwervende UNITA-eenheden en bandieten zorgen voor ernstige problemen. Het gevaar dat UNITA mogelijk een of meer grote steden onder de voet zou lopen is echter vrijwel definitief geweken. Ook de provincie Cabinda kan worden gerekend tot de overgangsgebieden (zie verder).


3. De conflictgebieden: de grensgebieden met de DR Congo in het noordoosten, met Zambia in het oosten en met Namibië in het zuiden. Deze gebieden zijn nog toneel van gevechten of schermutselingen tussen regeringsleger en UNITA en daardoor onveilig. Zo heeft UNITA in de provincies Cuando-Cubango en Moxico nog belangrijke steun.

De guerrilla-activiteiten van UNITA, die met name in de overgangsgebieden plaatsvinden, zijn een gevolg van onder meer het wegvallen van het eigen bevoorradingssysteem. Daardoor is de beweging aangewezen op periodieke overvallen op dorpen en gehuchten om aan voedsel en goederen te komen. De acties zijn dan ook met name gericht op voorraden voedsel en goederen, waar die zich maar bevinden. Daarnaast maken mijnen, die op wegen of voetpaden worden gelegd, vele willekeurige slachtoffers. Uit de overgangsgebieden komt bijna dagelijks een (onbevestigde) melding van een UNITA-actie, variërend van kleine acties als de beroving van een individu tot grote acties als een aanval op een heel dorp waarbij dodelijke slachtoffers vallen.

De meer verspreide aanwezigheid van het regeringsleger geeft UNITA de gelegenheid, meer dan voorheen, dichter bij de steden kleine overvallen of aanvallen te plegen of mijnen te leggen op wegen.

Onlangs zijn bijvoorbeeld dertig personen gedood en zeventien gewond geraakt in de provincie Uige toen hun voertuigen op antitankmijnen reden .

Ook komt het voor dat op doorgaande wegen hinderlagen gelegd worden en transporten geplunderd worden. Zo is op 30 april 2000 een voedseltransport van vier vrachtwagens van het WFP (Wereldvoedselprogramma) vlak buiten Cubal, op 85 kilometer van de kustplaats Lobito, in een hinderlaag van vermoedelijk UNITA rebellen gereden. Hierbij vielen een dode en een zwaargewonde. Drie vrachtwagens werden buitgemaakt .

Luanda

De veiligheidssituatie in Luanda is stabiel. In de stad hebben sinds 1992 geen gevechtshandelingen plaatsgevonden en de stad is de laatste jaren niet militair bedreigd geweest. In de wijde omtrek van de stad (60 tot 100 kilometer) zijn sterke legereenheden aanwezig. In het afgelopen jaar is het een paar maal voorgekomen, dat kleinere UNITA-eenheden door het veiligheidskordon van sterke legereenheden rond de stad drongen en aanvallen uitvoerden op 50 tot 80 kilometer van Luanda. Onlangs vond een aanval plaats op Zenza do Itombe, op 100 kilometer van Luanda.

Cabinda

De enclave Cabinda moet worden gerekend tot het relatief onveilige gebied. De Angolese regering beheerst slechts de kuststrook en de grotere provinciehoofdsteden, al vindt er zeer weinig militaire activiteit plaats.

In de enclave, waar het grootste deel van de Angolese olieproductie vandaan komt, zijn verscheidene onafhankelijkheidsbewegingen actief. Cabinda had voorheen een aparte koloniale status, maar is na de onafhankelijkheid van Portugal een provincie van Angola geworden. Diverse afsplitsingen van de onafhankelijkheidsbeweging FLEC (Frente de Libertaçao do Enclave de Cabinda), waaronder de FLEC-FAC (Forcas Armadas de Cabinda) en de FLEC-RENOVADA, alsmede de FDC (Frente Democrática de Cabinda) genieten brede steun van de bevolking en controleren het grootste deel van de provincie. De regering heeft de kuststrook en de grotere provinciesteden in haar macht. De regering onderhoudt contacten met de FLEC, in het bijzonder met de FLEC-RENOVADA, de politieke arm, maar tot onderhandelingen is het nog niet gekomen. Anderzijds tracht de regering niet actief de FLEC uit zijn gebied te verdrijven. Er vindt zeer weinig militaire activiteit in Cabinda plaats. Wel maken diverse FLEC-groepen zich schuldig aan ontvoeringen van rijke personen met als doel losgeld te ontvangen.

Voor zover de aanhangers van de diverse FLEC groeperingen niet militair actief zijn maar alleen politiek, worden zij niet vervolgd. Niet kan worden uitgesloten dat zij door de veiligheidsdiensten in de gaten worden gehouden.

De FLEC-bewegingen - anders dan UNITA - laten zich erop voorstaan bij hun strijd geen vernielingen aan te brengen. De FLEC-aanhangers zijn onderling zeer verdeeld en behoren nu eens tot de ene vleugel en dan weer tot de andere. Ook komt het voor dat zij naar regeringszijde overlopen, soms met voordelen gelokt, om dan vervolgens weer terug te keren naar de FLEC. De regering poogt de situatie politiek en sociaal te stabiliseren. Gewapend verzet wordt bestreden. Ondertussen poogt men met zo nu en dan royale financiële of andere gestes (bijvoorbeeld het houden van sportevenementen of congressen) de gemoederen rustig te houden.

Over meer autonomie wil de regering wel met de FLEC spreken, maar niet over onafhankelijkheid. Bij discussies in het parlement over de toekomstige Angolese grondwet speelt het thema Cabinda op de achtergrond een rol, wanneer het gaat om de mate van wenselijke regionale autonomie. Zoals in vele Afrikaanse staten is nationale eenheid een gevoelig thema. Ook wordt zeer verschillend gedacht over de vraag hoe de opbrengsten van natuurlijke rijkdommen verdeeld moeten worden tussen de regio's waar zij voorkomen en de regio's die er niet over beschikken.

2.7 Sociaal-economische situatie


Angola beschikt over grote natuurlijke rijkdommen en bevindt zich in een periode van economische groei. De groei vindt echter voornamelijk in de oliesector plaats en heeft weinig effect op werkgelegenheid of inkomens van het grootste deel van de bevolking. Het vermoeden bestaat dat de olie-inkomsten (en de grootschalige corruptie) ten goede komen aan een elite, gelieerd aan de MPLA. Het economische beleid van de regering heeft weinig aandacht besteed aan armoedebestrijding. De sociaal-economische situatie van de bevolking is als gevolg van dit beleid, en mede door de nu reeds zo vele jaren durende oorlog en het slechte economisch beheer, in het algemeen slecht. Sinds begin 1999 heeft de regering een aantal economische hervormingen doorgevoerd die op termijn de armoede en werkloosheid zouden moeten terugdringen. Het nieuwe beleid heeft geleid tot lichte macro-economische verbetering. Onlangs is een eerste akkoord met het IMF gesloten en sinds kort breidt de Wereldbank weer voorzichtig zijn programma in Angola uit. Het IMF verlangt van de regering een zgn. Poverty Reduction Growth Strategy
, hetgeen de regering dwingt een beleid voor armoedebestrijding uit te stippelen.

Economische structuur

Angola beschikt over de natuurlijke hulpbronnen voor een gediversifieerde economie en kende die ook toen het in 1975 onafhankelijk werd (landbouw voor export en voedselvoorziening, diamanten, industrie). Na de onafhankelijkheid kromp de economie in, onder meer door het gevoerde economische beleid (planeconomie naar Sovjet-voorbeeld) en door de oorlog. De oliesector bloeide daarentegen op, en Angola is nu de tweede olieproducent van sub-Sahara Afrika, na Nigeria.

Sinds de onafhankelijkheid heeft de formele economie zich geconcentreerd in de kustgebieden en grote steden, die onder regeringscontrole zijn gebleven. Luanda nam in 1994 al 65% van het elektriciteitsverbruik voor zijn rekening. Het beschikte over vrijwel alle 600-700 artsen van het land. De olieproductie vindt vrijwel geheel plaats in de wateren voor Cabinda en voor de provincie Zaïre in het noordwesten, hoewel nieuwe vondsten wat zuidelijker liggen.

Veel van de infrastructuur is vernietigd en het grootste deel van het platteland is voor bedrijven onaantrekkelijk vanwege onveiligheid en landmijnen.

Sociaal-economische situatie

Ondanks de natuurlijke rijkdommen van het land staat Angola op de 160e plaats van de 174 landen op de Human Development Index van de UNDP , de internationaal aanvaarde index voor de mate van sociaal-economische ontwikkeling. Minder dan de helft van de bevolking heeft toegang tot basisvoorzieningen op het gebied van gezondheidszorg en onderwijs. Deze voorzieningen zijn veelal van lage kwaliteit. De sociale indicatoren, met name de kindersterfte die tot de hoogste in Afrika behoort, weerspiegelen de wijdverbreide armoede. Het grootste deel van de bevolking leeft onder de armoedegrens. Het land kent een groot aantal binnenlands ontheemden als gevolg van de oorlog (naar schatting ruim twee miljoen, of éénzesde van de bevolking
). Een groot gedeelte van de bevolking, vooral deze ontheemden, is afhankelijk van voedselverstrekking door ngo's en internationale organisaties zoals het Wereldvoedselprogramma (WFP). In verband met het gevaar voor landmijnen en hinderlagen van UNITA-eenheden vinden de meeste voedseltransporten door de lucht plaats. Dit maakt deze operaties extra kostbaar en limiteert de hoeveelheid te transporteren voedsel. Ook raken lokale vliegvelden overbelast en daardoor in sommige gevallen beschadigd. In sommige streken (in de overgangs- en conflictgebieden) komt dan ook hongersnood voor.

In Angola zijn meer dan 150 internationale en nationale ngo's werkzaam, waaronder diverse Nederlandse ngo's en medefinancieringsorganisaties zoals ICCO, Mensen in Nood/Caritas, NOVIB, AZG (Artsen Zonder Grenzen), DRA (Disaster Relief Agency) en SNV.

De in Angola werkzame VN-organisaties zijn UNDP (United Nations Development Programme), UNHCR, OCHA (Office of the Coordinator for Human Assistance), WFP (Wereldvoedselprogramma), UNICEF, WHO (Wereld Gezondheids-Organisatie), UNESCO, UNFPA (United Nations Fund for Population Activities), FAO (Voedsel- en Landbouw-Organisatie) en UNOA (United Nations Office in Angola).

Het International Rode Kruis (ICRC) heeft een belangrijke aanwezigheid met beduidende noodhulpprogramma's met name in en rond Huambo en Kuito.

Ambtenaren en daarmee gelijkgestelden zoals rechters, hoogleraren en politiefunctionarissen werden zeer slecht betaald. Het hoogste salaris, bijvoorbeeld voor een gouverneur van een provincie, bedroeg $90 per maand. Inmiddels zijn, met ingang van maart 2000, alle salarissen in de publieke sector tussen de 300% en 400% verhoogd. Het laagste salaris is nu KZ 81(+ $14) en het hoogste KZ 21.089 (+ $3636).

Luanda

In Luanda zijn volgens de laatste opgave ruim 3,4 miljoen inwoners woonachtig
. Tachtig procent van de stad bestaat uit volkswijken met gebrekkige voorzieningen. Een groot deel van de bevolking wordt gevormd door binnenlandse vluchtelingen. In 1999 hebben zich naar schatting nog weer tussen de 200.000 en 350.000 binnenlandse vluchtelingen in en rond Luanda gevestigd. Deze zijn ondergebracht in grote tentenkampen aan de rand van de stad. Degenen die reeds langer in de stad verblijven, wonen in kleine hutjes of huisjes. Grote delen van de bevolking trachten in hun onderhoud te voorzien door middel van veelal kleinschalige handel. De informele economie is sterk ontwikkeld. Het gemiddeld inkomen is laag en de inflatie hoog. Precieze cijfers over de sociaal-economische omstandigheden zijn echter niet beschikbaar.

De meeste overheidsdiensten en -voorzieningen in de stad functioneren gebrekkig. In de vluchtelingenkampen en volkswijken worden, dankzij ngo's en ontwikkelingsprogramma's, zeer basale sociale voorzieningen (voedsel, huisvesting, drinkwatervoorziening, gezondheidszorg, onderwijs) in stand gehouden. Deze faciliteiten zijn echter ontoereikend om in alle basisbehoeften van de bevolking te voorzien. Zo meldt het UN Office for the Coordination of Humanitarian Affairs (OCHA) in het Viana-kamp in de omgeving van Luanda een tekort aan onderdak (mensen wonen in overbevolkte tenten), een tekort aan essentiële medicijnen en medische staf, een tekort aan latrines, onvoldoende kwaliteit van het drinkwater en een tekort aan goederen als dekens en kleding.

Voor de beter gesitueerden zijn in de stad betere voorzieningen tegen betaling toegankelijk, zoals privé-klinieken en -scholen.

Economisch beleid en hervormingen

Door de hervatting van de oorlog in december 1998 stortte Angola in een financiële crisis zodat zelfs de strijdkrachten niet volledig betaald konden worden. Begin 1999 werd echter een nieuw economisch team benoemd en in mei 1999 stemde de regering in met de voorwaarden van het Internationale Monetaire Fonds (IMF) voor aanpassing van het wisselkoersbeleid en handelsliberalisering. Bij gebrek aan uitzicht op een politieke of militaire oplossing voor het Angolese conflict, dringt ook de internationale gemeenschap aan op beter economisch beheer als middel om de slechte humanitaire situatie in het land te verbeteren. In april 2000 werd een akkoord met het IMF bereikt.

Sinds januari 2000 voert de regering voorzichtige economische hervormingen door, mede op advies van het IMF en de Amerikaanse regering. Ondanks een sterke binnenlandse lobby tegen deze economische hervormingen, vooral uit kringen die een groot belang hebben bij de huidige situatie, heeft de regering enige bemoedigende verklaringen afgelegd met betrekking tot de begroting voor 2000, die op 28 januari jl. door het parlement is goedgekeurd. Zo stelt de regering onder meer, dat zij een niet-inflatoire economische structuur nastreeft en de transacties die gerelateerd zijn aan de olieopbrengsten doorzichtiger wil maken.

In 1999 bedroeg de inflatie nog ruim 300%. Voor het einde van 2000 streeft de regering naar een inflatie van 87%, hetgeen overigens door waarnemers als te optimistisch wordt beschouwd.

De subsidie op de brandstofprijzen werd afgeschaft, wat tot gevolg had dat op 3 februari jl. de benzineprijzen met meer dan 1400% verhoogd werden (thans Kz 4 = $ 0.68 per liter).

Begin februari 2000 kondigde de regering maatregelen aan om het vastgelopen privatiseringsprogramma weer op gang te helpen. In dit programma behoudt de staat in eerste instantie een belang van 30% in de geprivatiseerde bedrijven. Stap-voor-stap hervormingen zijn aangekondigd om de belastingen voor het bedrijfsleven te verminderen. Eind 1999 werd de verbruiksbelasting op grondstoffen afgeschaft en de industriebelasting van 40 tot 5% verlaagd. In februari kondigde de regering een halvering van de havengelden aan .

Met al deze maatregelen, die er op gericht zijn de inflatie te beteugelen en de economie nieuw leven in te blazen, hoopte de regering te voldoen aan de IMF voorwaarden, om zodoende in aanmerking te komen voor financiële hulp en schuldenvermindering.

Eind maart 2000 bracht een IMF-delegatie een bezoek van twee weken aan Luanda. Dit resulteerde op 3 april 2000 in een akkoord tussen de Angolese regering en het IMF. Het overeengekomen programma loopt tot en met december van dit jaar en omvat onder meer een reductie van de overheidsuitgaven, uitbreiding van investeringen in de infrastructuur en gezondheidszorg, liberalisering van de buitenlandse handel en het versneld doorvoeren van privatiseringen
. Volgens de Angolese minister van Financiën, Joaquim David, beogen de hervormingen zowel het terugdringen van armoede en werkloosheid als het zoveel mogelijk integreren van Angola in de wereldeconomie.

Inmiddels is duidelijk sprake van een lichte macro-economische verbetering: de inflatie zwakt af, de munt is stabieler, de begrotingsdiscipline neemt toe en de overheidssalarissen zijn verhoogd. Ook in de provincies tonen de gouverneurs meer zelfvertrouwen en ambitie om verbetering in de situatie door te voeren.

2.8 Samenvatting


Het Angolese leger heeft sinds najaar 1999 grote gebieden op UNITA heroverd en sindsdien zijn conventionele militaire overwicht in die gebieden geconsolideerd. UNITA is daarop overgegaan op guerilla-tactieken. Het regeringsleger wacht naar verwachting het einde van de regentijd af om zijn offensief te hervatten

.

Op grond van de veiligheidssituatie van mei 2000 kan het grondgebied van Angola worden ingedeeld in:


1. De relatief veilige gebieden: de kustprovincies Luanda, Bengo, Benguela en Namibe en alle provinciale hoofdsteden (onder meer Luanda, Benguela en Lubango); deze gebieden zijn in handen van het regeringsleger en slechts guerilla-activiteiten van beperkte omvang door UNITA komen incidenteel voor;


2. De relatief onveilige overgangsgebieden: de provincies Zaire, Uige, Malanje, Cuanza Norte en Sul, Huila, Lunda Norte en Sul, Huambo, Bié, Moxico, Cuanda Cubango en Cunene met uitzondering van de gebieden langs de grens met de DR Congo, Zambia en Namibië; hoewel het regeringsleger in deze overgangsgebieden een conventioneel militair overwicht heeft kan het onvoldoende bescherming bieden tegen de guerilla-acties van UNITA. Ook de provincie Cabinda kan worden gerekend tot de overgangsgebieden (zie verder).


3. De conflictgebieden: de grensgebieden met de DR Congo in het noordoosten, met Zambia in het oosten en met Namibië in het zuiden, waar het door gevechten tussen regeringsleger en UNITA nog onveilig is.

Met de hervatting van de strijd eind 1998 kwam het politieke vredesproces tot stilstand. De regering laat een afwachtende houding zien. De internationale gemeenschap voert de druk op om tot effectieve sancties tegen UNITA te komen.

De sociaal-economische situatie is voor het grootste deel van de bevolking nog steeds zeer slecht, maar de regering heeft een begin gemaakt met economische hervormingen, mede onder druk van de internationale gemeenschap en het IMF. Het nieuwe economische beleid heeft inmiddels geleid tot een lichte macro-economische verbetering.


3 Mensenrechten



Er vindt door de regering geen vervolging plaats op grond van ras, religie, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep. Er zijn voor zover bekend geen politieke gevangenen. Er zijn wel gevallen bekend waarbij politieke tegenstanders van de regering zijn lastiggevallen, overigens zonder dat dit gerelateerd kon worden aan een specifiek partijlidmaatschap.

Ook houden veiligheidsdiensten bepaalde groepen in de gaten, zoals politieke leiders en journalisten. In het kader van de burgeroorlog tegen UNITA lopen (vermeende) UNITA-bestuurders, -leden en -aanhangers slechts in de gebieden waar gevochten wordt of die recentelijk op UNITA zijn heroverd (de relatief onveilige overgangsgebieden), risico slachtoffer te worden van detentie, verdwijning of buitengerechtelijke executie. In de relatief veilige gebieden lopen zij deze risico's niet.

Schendingen van mensenrechten komen regelmatig voor, soms in zeer ernstige vorm (zie de volgende paragrafen) Structurele problemen die in de weg staan aan de ontwikkeling van een cultuur van respect voor de mensenrechten, zoals het gebrek aan opleiding en ontwikkeling bij gezagshandhavers, gebrek aan middelen voor de rechterlijke macht, slechte detentie-omstandigheden en de slechte betaling van politie- en veiligheidsdiensten, zijn nog onvoldoende opgelost mede doordat middelen besteed werden aan de oorlogsinspanningen. De regering toont zich steeds meer bewust van deze problemen en besteedt er met enige schroom openbaar aandacht aan. Vele gezagsdragers, waaronder de minister van Justitie en de procureur-generaal, staan open voor VN-mensenrechtentrainingen voor hun personeel. Men wijt een groot deel van de mensenrechtenschendingen aan het gebrek aan ontwikkeling en kennis van militairen en politie op uitvoeringsniveau.

De gesignaleerde mensenrechtenschendingen hebben dan ook veelal te maken met enerzijds deze problemen en anderzijds de oorlog en het daaruit voortvloeiend beroep dat de overheid doet op de bescherming van de staatsveiligheid.

Uit voormalige UNITA-gebieden werden, in de tijd dat UNITA er nog de macht had, door verscheidene onafhankelijke bronnen talrijke mensenrechtenschendingen gemeld, waaronder buitengerechtelijke executies, gedwongen rekrutering (inclusief minderjarigen) en dwangarbeid, beperking van vrijheid van meningsuiting en informatie, gedwongen verplaatsingen van bevolkingsgroepen, lukraak mijnen leggen en aanvallen op plattelands- gemeenschappen.


3.1 Waarborgen

De grondwet is laatstelijk op 26 augustus 1992 herzien. De grondwetswijziging betrof de invoering van het meerpartijensysteem.

Thans is een grondwetsherziening in voorbereiding
. Op 16 februari 2000 nam het parlement 27 wijzigingsvoorstellen aan. Deze houden in dat Angola officieel een democratische meerpartijenstaat wordt met een gemengde economie en een scheiding tussen de wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht. De president en het parlement worden direct gekozen. Ook aangenomen werden voorstellen betreffende de administratieve en financiële decentralisatie binnen de eenheidsstaat en de verplichting dat het staatshoofd Angolees van geboorte is. Een voorstel van de oppositie dat de rol van het staatshoofd gescheiden moet zijn van diens partijpolitieke functies was (nog) niet acceptabel voor de regering en de behandeling van het voorstel is uitgesteld met het oog op nader politiek beraad in het parlement.

De regering dient nu de nieuwe grondwet te ontwerpen. Volgens de planning hoopt het parlement deze nieuwe grondwet in 2001 aan te nemen.

De huidige Angolese grondwet en het rechtssysteem voorzien in de bescherming van fundamentele rechten en vrijheden. Zo zijn volgens de artikelen 20, 22 en 23 van de grondwet het leven en de lichamelijke integriteit beschermd en is iedere vorm van foltering of onmenselijke behandeling verboden. De lagere wetgeving behoeft veelal hervorming, om de naleving van de mensenrechten te waarborgen. Zo dateert het wetboek van strafrecht uit 1886 .

Angola heeft de belangrijkste internationale verdragen op het terrein van de mensenrechten geratificeerd, waaronder het Internationale Convenant over Burgerlijke en Politieke Rechten, het Internationale Convenant over Economische, Sociale en Culturele Rechten, het Verdrag over Uitbanning van Alle Vormen van Discriminatie tegen Vrouwen, het Verdrag over de Rechten van het Kind, het Optional Protocol to the International Covenant on Civil and Political Rights (dit geeft Angolezen het recht om een individueel verzoek tot het Human Rights Committee te richten) en de vier Geneefse Verdragen van 1949.

In 1997 heeft Angola het Verdrag tegen het gebruik van landmijnen getekend.

De Angolese autoriteiten hebben echter niet voldaan aan hun verplichtingen te rapporteren aan desbetreffende organen van toezicht op de verdragen.

3.2 Toezicht


Na lange onderhandelingen tussen Angola en de VN werd overeenstemming bereikt voor het vestigen van een United Nations Office in Angola (UNOA) per 15 oktober 1999. Dit betreft een multidisciplinaire eenheid met een professionele staf van dertig personen. Een onderdeel van UNOA bestaat uit de voortzetting van de Human Rights Division van MONUA, welke tijdens de afbouwperiode van MONUA met toestemming van de Angolese regering steeds was blijven functioneren. Ondanks een aanzienlijk beperktere staf (in de MONUA tijd waren er circa vijftig internationale mensenrechtenmedewerkers, thans nog slechts twaalf internationale en drie Angolese medewerkers) is het UNOA onderdeel dat zich belast met mensenrechten in staat op beperkte schaal werk te verrichten op het terrein van promotie en bescherming van mensenrechten, waarbij veel aandacht wordt besteed aan capaciteitsopbouw bij lokale instituties. Projecten op dit terrein worden door diverse donoren, waaronder Nederland, gefinancierd. De mensenrechtenmissie van UNOA werkt samen met onder andere de overheid, beroepsorganisaties, de Orde van Advocaten en ngo's.

In een afscheidsinterview met het weekblad 'Agora' gaf de vorige vertegenwoordiger van de Human Rights Division van MONUA het volgende voorbeeld van samenwerking met de overheid. De Human Rights Division van MONUA heeft een database gemaakt om de wettigheid van arrestaties en detenties te kunnen volgen, als reactie op de instructies die de procureur-generaal van de Republiek in 1999 heeft uitgevaardigd om de termijnen van voorarrest in acht te nemen. Tegelijkertijd worden door de Human Rights Division trainingsprogramma's voor gevangenismedewerkers uitgevoerd en schrijfmachines beschikbaar gesteld om processen te kunnen versnellen.

De secretaris-generaal van de Verenigde Naties noemde in april 2000 in zijn kwartaalrapport aan de Veiligheidsraad drie door UNOA gesignaleerde kwesties die speciale aandacht behoeven, namelijk:


- de noodzaak om het respect voor de mensenrechten veilig te stellen voor de grote groepen binnenlandse ontheemden;


- het gebrek aan overheidsinstellingen om de mensenrechten te verzekeren in gebieden die recent op UNITA zijn heroverd;


- de voortdurende achteruitgang van de sociaal-economische situatie voor grote delen van de bevolking.

Op 14 april 2000 heeft de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties een resolutie aangenomen waarbij het mandaat van UNOA met zes maanden werd verlengd.

Ook diverse ngo's, kerken en beroepsorganisaties spelen een rol in het bewust maken van mensenrechtenvraagstukken en krijgen hiervoor ook publiciteit in bepaalde media. Aan internationale organisaties, zoals Human Rights Watch, wordt toegestaan dat zij onderzoek doen in het land, maar zij krijgen geen toegang tot de conflictgebieden. Dankzij de behaalde militaire successen is het optreden van de overheid iets meer ontspannen geworden, hetgeen zich onder andere uit in een betere samenwerking met mensenrechtenorganisaties.

3.3 Naleving en schendingen

In de grondwet wordt vrijheid van meningsuiting en persvrijheid gegarandeerd en bepaald dat de media niet onderworpen kunnen worden aan ideologische, artistieke of politieke censuur. In de praktijk houdt de regering (c.q. aan de regering verbonden diensten of personen) zich hier niet altijd aan. Door intimidatie en bedreigingen dwingt zij journalisten tot zelfcensuur met als doel kritiek op de regering te matigen of tot zwijgen te brengen. Hoewel ook in de verslagperiode weer een aantal Angolese journalisten gearresteerd is (zie verder voor details), zijn waarnemers van mening dat de vrije pers en zelfs de officiële pers zich steeds meer vrijheden kan permitteren en dat een bescheiden begin ontstaat van een maatschappelijke discussie over politieke onderwerpen.

De overheid toont voorzichtig meer begrip voor de noodzaak van meer vrijheid van meningsuiting. Over de processen tegen de journalisten wordt in de media bericht. In artikelen wordt uitgelegd hoe in andere landen wordt omgegaan met belediging van het staatshoofd. Op bepaalde particuliere radiozenders worden discussieprogramma's uitgezonden waarin vrijwel alles gezegd kan worden. Iedere week komt een drietal commercieel gefinancierde weekbladen uit, dat zich als vrije pers heeft bestempeld en weinig of geen blad voor de mond neemt. Beschuldigingen van corruptie, illegale arrestatie of politieke hypocrisie strijden om voorrang in deze bladen. Alle vormen van misstanden, inclusief sociaal-economische, worden breed aan de kaak gesteld. In het tot de officiële pers gerekende
Jornal de Angola
wordt zo nu en dan gereageerd op discussies of beweringen in de vrije media.

Eind januari 2000 vond in het parlement voor het eerst een tweedaags debat plaats over het onderwerp persvrijheid, op verzoek van de oppositie (inclusief UNITA). De MPLA benutte haar meerderheid in het parlement om de moties van de oppositie, waarin deze meer persvrijheid voorstelde, om te buigen in aanbevelingen aan de regering om beter en objectief te formuleren waar de grens ligt tussen wat bericht mag worden en wat als militaire zaken met risico's voor de staatsveiligheid beschouwd dient te worden. Ook werd de bevestiging van de fundamentele persvrijheid in Angola verbonden met een oproep aan de media zich meer 'verantwoordelijk' te gedragen. De onafhankelijke pers vervalt immers, mede als gevolg van tekorten aan middelen en deskundigheid, nogal eens in sensatieberichtgeving over gevoelige zaken, zoals militaire zaken.

De meeste meer welvarende Angolezen beschikken over TV-satellietschotels waarmee zenders als de BBC en CNN ontvangen kunnen worden. Minder welgestelde personen kunnen luisteren naar kortegolfradio-uitzendingen van bijvoorbeeld de
Voice of America, Radio France International
of vergelijkbare buitenlandse zenders.

Volgens Amnesty International
zijn sinds januari 1999 ongeveer 20 journalisten, waarvan de meesten werkzaam zijn voor particuliere radiostations en kranten, voor korte tijd gedetineerd geweest. Zij werden door de politie ondervraagd over aanklachten wegens smaad of misdrijven tegen de veiligheid van de staat. Veel publiciteit wekte de arrestatie op 9 augustus 1999 van drie journalisten van Rádio Ecclesia, nadat deze zender een gedeelte van een BBC-programma dat een interview met de UNITA-leider Jonas Savimbi bevatte, had overgenomen. De drie werden vier uur ondervraagd en 's nachts vrijgelaten. Toen de volgende dag het tweede deel van het interview werd uitgezonden, werden de drie wederom gearresteerd en negen uur vastgehouden. Volgens de politie konden betrokkenen vervolgd worden op grond van de artikelen 8 en 24 van de wet betreffende misdrijven tegen de veiligheid van de staat. Ook werden drie journalisten, die in het veertiendaagse blad 'Folha 8' bericht hadden over de arrestatie van de Rádio Ecclesia journalisten, door de politie ondervraagd.

In oktober 1999 werd de freelance journalist Rafael Marques, op beschuldiging van belediging van het staatshoofd, gearresteerd naar aanleiding van een tweetal artikelen van zijn hand in het blad 'Folha 8'. In deze artikelen noemde hij president Dos Santos onder meer een dictator die verantwoordelijk is voor de vernietiging van het land en voor het verval van politieke en sociale waarden. De arrestatie lokte vele protesten uit, waaronder van de Europese Unie. Eind november werd Marques in voorlopige vrijheid gesteld in afwachting van zijn proces. Dit proces vond in maart 2000 plaats voor de rechtbank in Luanda, tezamen met processen tegen Aguiar dos Santos, hoofdredacteur van het weekblad Agora en Antonio Freitas, journalist bij dit blad, op grond van soortgelijke aanklachten .

Rafael Marques werd veroordeeld tot zes maanden gevangenis, het betalen van een schadevergoeding van 100.000 Kz aan President dos Santos en een boete van 200.000 Kz. Aguiar dos Santos werd veroordeeld tot twee maanden gevangenis en een boete van 36.000 Kz en Antonio Freitas werd vrijgesproken .

In de gebieden die tot voor kort onder UNITA-controle stonden heerste destijds geen vrijheid van meningsuiting.

De vrijheid van vergadering wordt beperkt door de wet die bepaalt dat een openbare of besloten vergadering uiterlijk drie dagen van tevoren moet worden aangemeld. De deelnemers aan vergaderingen kunnen vervolgd worden op grond van misdrijven tegen de eer en de waardigheid van personen of staatsinstellingen.

Aanvragen voor regeringsgezinde bijeenkomsten worden doorgaans onverwijld ingewilligd. Protestbijeenkomsten werden in elk geval tot voor kort meestal geweigerd.

Kennelijk is onlangs een beleidswijziging ingezet met het toestaan van een demonstratie tegen de verhoging van de benzineprijzen. Zo werd een protestdemonstratie op 11 februari jl. tegen de drastische verhoging van de benzineprijzen door de politie nog met gebruik van enig geweld uiteen geslagen. De politie moest achteraf wel haar verontschuldigingen aanbieden.

Een zelfde type protest kon echter met overheidstoestemming half maart wel plaatsvinden. De (ditmaal weinige) demonstranten werden nu door de politie beschermd.

Een verdere oproep van een kleine politieke partij om een bepaalde dag uit protest thuis te blijven en winkels gesloten te houden werd zelfs door de Jornal de Angola gepubliceerd. De oproep vond weinig gehoor.

Aan verenigingen kan registratie onthouden worden op veiligheidsgronden. De regering houdt veelal georganiseerde activiteiten tegen die zij tegen haar belangen acht.

In de gebieden die tot voor kort onder UNITA-controle stonden heerste destijds geen vrijheid van vereniging of vergadering.

In Angola heerst vrijheid van godsdienst. Ook in de tot voor kort door UNITA beheerste gebieden respecteerde UNITA destijds de vrijheid van gosdienst. In Angola bestaat met name in de grotere steden een grote variatie aan godsdienstige groeperingen en kerken. Terwijl politieke partijen of bijeenkomsten veelal weinig belangstelling trekken, worden de diverse kerkelijke bijeenkomsten en diensten over het algemeen zeer goed bezocht. Het is met name in deze kaders dat de bevolking bredere sociale contacten onderhoudt en elkaar tot steun is.

De grondwet voorziet in vrijheid van reizen en vestiging, evenals in de vrijheid om het land te verlaten en er in terug te keren. Talrijke checkpoints langs de wegen beperken de bewegingsvrijheid echter. Deze checkpoints dienen, behalve als controle op eventuele UNITA-infiltranten, voornamelijk als bron van inkomsten voor het betrokken politie- en veiligheidspersoneel. Wegen die door de overheid als onveilig worden beschouwd worden afgesloten
.

Tussen de provinciehoofdsteden, die alle in regeringshanden zijn, en Luanda zijn geregelde vliegverbindingen (enkele malen per week). Vanuit de provincies Cuanda Cubango, Bié, Huambo en Malanje is Luanda niet over de weg bereikbaar in verband met mijnen, guerilla-activiteiten en banditisme.

Voor reizen vanuit de relatief veilige gebieden naar de relatief onveilige overgangsgebieden of vice versa, of binnen de relatief onveilige overgangsgebieden, kan men tegen betrekkelijk lage prijzen per militair of commercieel vrachtvliegtuig reizen. Wie in die gebieden over de weg reist, gaat veelal met een bus of met een vrachtauto mee. Deze transporten zijn op gevaarlijke stukken van de route vaak door leger- of politie-eenheden beschermd. Reizen over land in de relatief onveilige overgangsgebieden brengt echter altijd risico's met zich mee (overvallen, mijnen).

In de relatief onveilige overgangsgebieden en in de conflictgebieden zijn sommige landbouwgebieden door UNITA onbruikbaar gemaakt door het leggen van landmijnen. Langs wegen worden regelmatig mijnen gelegd om de bewegingsvrijheid in te perken.

Het gebruik van landmijnen door het regeringsleger is meestal beperkt tot bescherming van defensieve posities en in de afgelopen periode bescherming van steden die onder UNITA-aanval lagen. Schattingen over het aantal landmijnen in Angola lopen in de miljoenen. Het aantal doden door landmijnen is onbekend, maar er zijn thans ruim 80.000 gewonden als gevolg van landmijnexplosies
.

Aan het reizen naar het buitenland en terugkeer in Angola zijn door de regering geen beperkingen opgelegd. Reizigers die via het vliegveld van Luanda vertrekken, dienen over een geldig paspoort, een visum en een ticket te beschikken. Met ingang van 19 april 2000 is het nieuwe Angolese paspoort in circulatie. Alle veiligheidskenmerken zoals aanbevolen door de Internationale Organisatie voor de Burger Luchtvaart, zijn hierin verwerkt . Het nieuwe paspoort voor personen onder de 30 jaar is vijf jaar geldig, voor personen ouder dan 30 jaar is de geldigheidstermijn tien jaar. De documenten die benodigd zijn voor de aanvraag van het nieuwe paspoort zijn: een geldige identiteitskaart, drie pasfoto's, het oude paspoort (indien aanwezig) en een actueel bewijs van inschrijving in de woongemeente. De aanvraag moet in persoon gedaan worden. Vanaf 19 april 2001 zijn de oude paspoorten ongeldig
.

Binnenkomende reizigers, ook Angolezen, dienen over geldige reisdocumenten te beschikken.

De controle bij de uitreis is streng, zowel door de overheid als door de luchtvaartmaatschappijen. De immigratiedienst, die de beschikking heeft over een computersysteem, controleert de paspoorten en visa zeer zorgvuldig. Op voorhand kan echter niet uitgesloten worden dat met behulp van omkoping de immigratiedienst gepasseerd kan worden.

Luchtvaartmaatschappijen met een rechtstreekse dienst op Europa zijn: TAP en TAAG (Lissabon), Air France (Parijs) en SABENA (Brussel). Er is geen rechtstreekse dienst op Nederland.

De enige geregelde scheepvaartverbinding tussen Nederland en Angola wordt door de NDS Nile Dutch Africa Line onderhouden. Deze Nederlandse maatschappij (onder Cypriotische vlag) vaart met containerschepen rechtstreeks van Nederland naar Luanda. Op de terugreis echter, worden diverse West-Afrikaanse havens aangedaan om vracht op te nemen, aangezien uit Luanda weinig tot niets uitgevoerd wordt. Om verstekelingen tegen te gaan worden alle lege containers na inspectie verzegeld .

Gezien de lengte van Angola's grenzen (over land) is personenverkeer over deze grenzen nauwelijks te controleren.

De rechterlijke macht is in de praktijk, ondanks het gestelde in de grondwet, niet onafhankelijk van de uitvoerende macht. De rechtbanken kampen met tekorten aan middelen, ervaring en opleiding. Door de oorlog is het rechtssysteem grotendeels vernietigd. Het recht op een eerlijk proces wordt in de praktijk niet altijd gerespecteerd.

De rechtbanken werken traag en de kosten voor rechtzoekenden zijn naar lokale verhoudingen hoog. De regering heeft zich het laatste jaar ingespannen om meer middelen aan de rechterlijke macht beschikbaar te stellen. De orde van advocaten heeft zichzelf nieuw leven ingeblazen en heeft enige hulp ontvangen via een mede door de VN uitgevoerd mensenrechtenprogramma.

De vijf UNITA-parlementariërs die in januari 1999 waren gearresteerd op beschuldiging van verraad, werden uiteindelijk zonder proces, bij gebrek aan bewijs, vrijgelaten op last van de Hoge Raad.

In het geval van enkele vervolgde journalisten heeft de rechtbank de voorlopige hechtenis beëindigd.

Kort geleden werden enkele van spionage beschuldigde militairen door de rechtbank vrijgesproken bij gebrek aan bewijs. Het Jornal de Angola wees op de voorbeeldige rechtsgang en gaf aan dat bepaalde staatsdiensten niet zomaar iets kunnen beweren zonder de benodigde bewijsmiddelen aan te dragen. Deze voorbeelden geven aan dat men althans gevoelig is voor internationale kritiek en probeert daaraan tegemoet te komen.

Mede door gebrek aan personeel, middelen en de wil om de wet te handhaven, vinden nog steeds arrestaties plaats zonder arrestatiebevel en worden arrestanten langer dan de toegestane 180 dagen in voorarrest gehouden en niet binnen de in de wet genoemde termijn van 135 dagen voorgeleid bij een rechter. Naar schatting 90% van de gedetineerden in Luanda wacht op hun rechtszaak. Een termijn van twee tot drie jaar is hierbij niet ongewoon. Er bestaan vermoedens dat de vertraging in de rechtsgang (vaak de oorzaak van het lange voorarrest) soms ook wordt gebruikt om critici van de regering het zwijgen op te leggen.

Hoewel het ministerie van Justitie verantwoordelijk is voor het gevangeniswezen, blijft het ministerie van Binnenlandse Zaken willekeurige en geheime arrestaties uitvoeren voor alle soorten misdrijven evenals detenties voor onbepaalde perioden en veelal zonder de bedoeling om betrokkenen voor de rechter te brengen. De procureur-generaal heeft diverse malen in het openbaar gewezen op de noodzaak dat ook de politie zich aan de wet en de termijnen in de wet houdt. Met internationale hulp zijn computers en computerprogramma's geleverd om beter bij te houden wie waar en hoelang in arrest is. Diverse gezagsdragers hebben in het openbaar de slechte detentie-omstandigheden betreurd. Men belooft weliswaar beterschap maar wijst tegelijk op het gebrek aan middelen. Er is op dit gebied vaak gebrek aan coherentie in het regeringsbeleid.

De vijf UNITA-parlementsleden die in januari 1999 waren gearresteerd op verdenking van verraad en omverwerping van de regering mochten tijdens hun detentie geen contact met de buitenwereld hebben en twee van hen werd medische behandeling onthouden. Later kwam daar mede door internationale druk verbetering in.

In het afgelopen jaar zijn zeker 20 journalisten aangehouden op verdenking van smaad, laster of het in gevaar brengen van de staatsveiligheid. In de meeste gevallen werd echter geen aanklacht ingediend, maar werden betrokkenen heengezonden met de mededeling dat zij onder verdenking bleven. Anderen werden tot boetes of korte straffen veroordeeld, maar zijn in afwachting van hun hoger beroep.

In gebieden die recentelijk op UNITA heroverd zijn (de relatief onveilige overgangsgebieden), worden onbekende aantallen (vermeende) UNITA-functionarissen en -aanhangers vastgehouden op beschuldiging van illegaal wapenbezit of samenwerking met UNITA, in de meeste gevallen zonder formele aanklacht. Als militairen beschouwde UNITA-aanhangers worden hetzij in het regeringsleger opgenomen, hetzij krijgsgevangen gehouden. Over hun behandeling is weinig of niets bekend. Wel is bekend dat ook het leger soms moeite heeft - net als bij de eigen troepen - hun verzorging op een behoorlijk niveau te garanderen.

De omstandigheden in de gevangenissen zijn zeer slecht. De gevangenissen zijn ernstig overbevolkt en er is sprake van slechte medische verzorging en onvoldoende voedsel. Dit leidt ook tot veel onderling geweld.

Na het aannemen van de amnestiewet in november 1994 en de vrijlating van politieke gevangenen is de Estrada da Catete gevangenis in Luanda gesloten. Gevangenen die beschuldigd worden van misdrijven tegen de staatsveiligheid worden thans in het Laboratorio de Criminalistica vastgehouden .

De twee andere gevangenissen in Luanda zijn de Comarca (of Petrangol) gevangenis (nabij de Petrangol raffinaderij) en de Viana gevangenis.

De veiligheidsdiensten (politie en leger) waren in de verslagperiode regelmatig betrokken bij incidenten van afstraffing, verkrachting en afpersing.

Zowel op politiebureaus als in gevangenissen worden verdachten en gedetineerden mishandeld. De politie dwingt vaak met geweld bekentenissen af. Zelden of nooit worden politieagenten hiervoor gestraft. Vaak worden verdachten door de politie na mishandeling weer op straat gezet, in plaats van hen voor de rechter te brengen. Ook buiten de politiebureaus waren agenten betrokken bij afpersing, beroving, autodiefstal en doodslag.

Het is moeilijk in te schatten hoe verbreid dit misbruik is en of het in omvang toe- of afneemt. Aan vele van deze voorvallen van machtsmisbruik liggen financiële motieven ten grondslag, hetgeen weer verband houdt met de slechte salariëring van politie en leger.

Bij guerilla-acties die door UNITA worden uitgevoerd, voornamelijk in de relatief onveilige overgangsgebieden, vallen volgens de berichten regelmatig gewonden onder de burgerbevolking.

De regering en UNITA beschuldigden in de verslagperiode elkaar van ontvoeringen en verdwijningen, onder meer van overheidspersoneel, partijleden en traditionele leiders.

Vooral van het platteland komen meldingen dat personen, nadat deze door de politie waren gearresteerd, spoorloos zijn verdwenen. Verdachten van illegaal wapenbezit of collaboratie met UNITA, en UNITA-functionarissen werden slachtoffer van verdwijningen in gebieden die recentelijk door de regering zijn heroverd (de relatief onveilige overgangsgebieden).

Burgers die door UNITA werden ontvoerd, werden in het algemeen gedwongen ingelijfd als militair of als ondersteunend personeel ingezet. Bij weigering wordt men als collaborateur van de regering beschouwd en gestraft met mishandeling of ter dood brenging.

Voorvallen van buitengerechtelijke executies kwamen het afgelopen jaar, met de voortzetting van de oorlog, opnieuw voor. Waarnemers menen, hoewel aantallen en details ontbreken, dat het aantal toenam.

Veiligheidsdiensten zijn verantwoordelijk voor de meeste buitengerechtelijke executies. Vooral in de strijd tegen UNITA en in gebieden die recentelijk op UNITA zijn heroverd (de relatief onveilige overgangsgebieden) komen executies van UNITA-bestuurders en aanhangers voor. Anderzijds is UNITA verantwoordelijk voor moorden op vertegenwoordigers van de Angolese overheid en burgers. Uit verhalen van ontheemden blijkt dat UNITA publiekelijke executies uitvoert na aanvallen op dorpen als bewuste politiek. Volgens onbevestigde berichten zou Savimbi een aantal belangrijke UNITA-functionarissen hebben laten executeren wegens hun vermeende betrokkenheid bij de val van Andulo en Bailundo
. Berichten over door UNITA uitgevoerde guerilla-acties in de relatief onveilige overgangsgebieden maken melding van dodelijke slachtoffers onder de burgerbevolking.

Amnesty International maakt melding van buitengerechtelijke executies en moorden die in het grensgebied tussen Angola en Namibië door alle betrokken partijen (het regeringsleger, UNITA en de Namibische strijdkrachten) aan beide zijden van de grens worden gepleegd
.

De doodstraf is in Angola grondwettelijk verboden. Ook UNITA zou in 1996 de doodstraf hebben afgeschaft.

3.4 Positie van specifieke groepen


Er vindt in Angola geen vervolging plaats op grond van ras, religie, politieke overtuiging, nationaliteit of het behoren tot een speciale sociale groep. Er zijn in Angola voor zover bekend geen politieke gevangenen. Er zijn wel gevallen bekend dat oppositieleden of critici van het regeringsbeleid werden lastiggevallen, overigens zonder dat dit gerelateerd kon worden aan een specifiek partijlidmaatschap.

Ook houden veiligheidsdiensten bepaalde groepen in de gaten, zoals politieke leiders en journalisten.

In het kader van de burgeroorlog tegen UNITA lopen (vermeende) UNITA-bestuurders, -leden en -aanhangers alleen in de gebieden waar gevochten wordt of die recentelijk op UNITA zijn heroverd (de relatief onveilige overgangsgebieden), risico slachtoffer te worden van detentie, verdwijning of buitengerechtelijke executie.

Er is geen sprake van serieuze wrijvingen tussen de diverse etnische groepen.

Geweld tegen vrouwen komt, meestal binnen het gezin, vaak voor. Zowel de grondwet als het burgerlijk wetboek voorzien in gelijke behandeling van mannen en vrouwen, maar vooral op het platteland blijft discriminatie van vrouwen een probleem. Hoofdzakelijk de vrouwen zijn verantwoordelijk voor de opvoeding van kinderen.

Als gevolg van de slechte economische situatie zijn steeds meer vrouwen betrokken bij prostitutie.

In 1997 werd een Ministerie voor Vrouwen opgericht, dat zich speciaal bezighoudt met deze problemen. Het ministerie werkt nauw samen met ngo's en internationale organisaties om het geweld tegen vrouwen te verminderen.

De Internationale Vrouwendag is in Angola een officiële feestdag.

Er zijn geen aanwijzingen dat vrouwen systematisch als doelwit worden gekozen in de burgeroorlog. Wel zijn vrouwen oververtegenwoordigd onder de slachtoffers van landmijnen, omdat zij verantwoordelijk zijn voor het zoeken naar voedsel en brandhout in de plattelandsgebieden.

UNITA heeft de reputatie vrouwen te roven voor seksueel misbruik, voor zware arbeid op het land en voor het dragen van lasten.

50% van de Angolese bevolking is jonger dan 15 jaar. Van bescherming binnen het gezin is niet altijd sprake omdat de oorlog en armoede vele gezinnen hebben ontwricht. Daarbij komt dat het gezinsverband in Angola losser is dan in Europa gebruikelijk is. Mannen hebben vaak bij meerdere vrouwen kinderen en weigeren veelal voor hen te zorgen. In Luanda zouden, volgens UNHCR, 5000 straatkinderen leven. Enkele ngo's trekken zich het lot van deze kinderen aan en bieden een aantal van hen onderdak, verzorging en scholing. Deze opvang is echter onvoldoende om bij benadering alle straatkinderen te bereiken.

Er zijn gevallen bekend van hoge militairen en politie-officieren die hun (stief-) kinderen of minderjarige familieleden bij deze ngo's aanbieden, onder het mom van straatkinderen, met het doel onderdak en scholing voor hen te verkrijgen.

Angolese ouders, die het kunnen betalen trachten hun kinderen naar Europa te zenden, met het oog op beter onderwijs en betere leefomstandigheden. De vliegreis naar Europa is duur (+ $ 1500) en een paspoort en (Schengen)visum zijn voor de reis verplicht. Minderjarigen die niet vergezeld worden door hun ouders of wettige vertegenwoordiger, dienen bij uitreis in het bezit te zijn van een door de ouders ondertekende verklaring van toestemming voor uitreis. Het is mede hierom onwaarschijnlijk dat een kind zonder de steun van familie een Europees land zou kunnen bereiken.

Volgens de Angolese wet is men met 18 jaar meerderjarig.

Angolese mannelijke staatsburgers in de leeftijd vanaf 18 jaar zijn dienstplichtig. Tot 45 jaar is men reservist. Begin januari 2000 werden alle reservisten geboren tussen 1975 en 1978 opnieuw opgeroepen om zich te laten registreren
.

De dienstplicht duurt volgens de wet twee jaar, maar in de praktijk zijn langere perioden, tot zeven jaar, niet ongebruikelijk. Ontslag uit de dienst is alleen mogelijk met een getekende verklaring van de commandant.

Het is mogelijk tegen betaling zich aan de dienstplicht te onttrekken. Ook is het mogelijk de dienstplicht bij de politie te vervullen. Na de laatste inschrijvingsronde begin 1999 bleek de presidentiële kapel met ongeveer 200 leden te zijn uitgebreid. Al deze vormen van dienstplichtontduiking leiden ertoe dat de meeste soldaten in de gevechtseenheden tot de armere bevolkingsgroepen behoren, hoofdzakelijk van het platteland, die geen middelen of 'kruiwagen' hebben. Er zijn ook jongeren uit arme gezinnen die in het leger een goede loopbaanmogelijkheid zien, waar men met weinig vooropleiding toch ver kan komen.

Onttrekking aan de dienstplicht kan worden bestraft met een gevangenisstraf van twee tot acht jaar. Dienstplichtigen met een erkend gewetensbezwaar kunnen vervangende burgerdienst verrichten. Er zijn geen gevallen bekend waarin een beroep op gewetensbezwaren is gedaan.

Desertie kan leiden tot verlenging van de oorspronkelijke diensttijd met één derde. Bovendien kan een gevangenisstraf van twee tot acht jaar worden opgelegd. Bij desertie in tijd van oorlog of tijdens militaire operaties kan een gevangenisstraf van acht tot twaalf jaar worden opgelegd.

Er zijn geloofwaardige aanwijzingen dat minderjarige jongens (buiten Luanda) gedwongen gerekruteerd zijn voor het regeringsleger. Ronselacties in Luanda door de politie (voor het leger) lijken niet meer voor te komen. Deze acties die voornamelijk een aanvulling op het inkomen van de betrokken politiefunctionarissen tot doel hadden, zijn afgekeurd door de chef-staf van het leger, generaal De Matos. Degenen die opgepakt waren konden zich vaak weer vrij kopen.

Gedwongen rekrutering, ook van vrouwen, komt veelvuldig voor bij UNITA. Ook rekruteert UNITA, volgens betrouwbare bronnen, minderjarigen gedwongen voor zijn troepen.

3.5 Samenvatting


De mensenrechtensituatie in Angola is, mede als gevolg van de oorlog, nog steeds zorgwekkend. Een gedeelte van de schendingen is toe te schrijven aan het eigenmachtig optreden van politie- en veiligheidsdiensten, dat vaak weer voortkomt uit slechte salariëring (willekeurige arrestaties en detenties, mishandeling en foltering). Andere schendingen komen voort uit de oorlog (landmijnen, buitengerechtelijke executies, verdwijningen, beperking bewegingsvrijheid, en tot op zekere hoogte ook de beperking van de persvrijheid en van het recht op vrije meningsuiting).

De VN en vele mensenrechtenorganisaties wijzen de regering bij voortduring op de tekortkomingen bij het handhaven van de mensenrechten. De regering toont zich gevoelig voor internationale kritiek, maar verwijst veelal naar de schendingen begaan door UNITA.

Dankzij de behaalde militaire successen is het optreden van de overheid op het gebied van de mensenrechten iets meer ontspannen geworden, hetgeen zich onder andere uit in een betere samenwerking met mensenrechtenorganisaties. Hoewel in de verslagperiode opnieuw een aantal Angolese journalisten gearresteerd is, zijn allen thans voorlopig op vrije voeten. Waarnemers zijn van mening dat de vrije pers en zelfs de officiële pers zich steeds meer vrijheden kan permitteren. De overheid toont voorzichtig meer begrip voor de noodzaak van meer vrijheid van meningsuiting.

Er vindt door de regering geen vervolging plaats op grond van ras, religie, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep. Er zijn voor zover bekend geen politieke gevangenen. Er zijn wel gevallen bekend waarbij politieke tegenstanders van de regering zijn lastiggevallen, overigens zonder dat dit gerelateerd kon worden aan een specifiek partijlidmaatschap.

Ook houden veiligheidsdiensten bepaalde groepen in de gaten, zoals politieke leiders en journalisten. In het kader van de burgeroorlog tegen UNITA lopen (vermeende) UNITA-bestuurders, -leden en -aanhangers slechts in de gebieden waar gevochten wordt of die recentelijk op UNITA zijn heroverd (de relatief onveilige overgangsgebieden), risico slachtoffer te worden van detentie, verdwijning of buitengerechtelijke executie. In de relatief veilige gebieden lopen zij deze risico's niet.


4 Vluchtelingen en ontheemden



4.1 Motieven

De grote meerderheid van de Angolese vluchtelingen is op de vlucht voor het oorlogsgeweld of voor onderdrukking door UNITA. Ongeveer 300.000 van hen worden in de buurlanden DR Congo, Zambia en Namibië door UNHCR in kampen opgevangen. De bewoners van deze kampen worden door UNHCR geregistreerd. Sinds oktober 1999 is een nieuwe vluchtelingenstroom op gang gekomen naar Namibië (10.000) en Zambia (30.000).

Overigens is binnen Angola een veel groter aantal personen, namelijk ruim 2 miljoen, door de oorlog ontheemd geraakt.

Daarnaast ontvlucht een aantal Angolezen, vooral de beter gesitueerden, het land op zoek naar betere sociaal-economische perspectieven. Zo trachten Angolese ouders die het kunnen betalen, hun kinderen naar Europa te zenden, met het oog op beter onderwijs en betere leefomstandigheden.

4.2 Binnenlands vestigingsalternatief


Met name in het kustgebied en in het zuidwesten bevinden zich opvangkampen voor ontheemden, waar zij van voedsel worden voorzien door onder meer het Wereldvoedselprogramma (WFP).

Gezien de huidige veiligheidssituatie (zie 2.6) lopen de inwoners van Luanda (en Benguela en Lubango) geen gevaar slachtoffer te worden van oorlogsgeweld of guerilla-acties. In de overige relatief veilige gebieden komen incidenteel guerilla-acties van beperkte omvang voor. Ook zijn in de hoofdstad en in de relatief veilige gebieden geen gevallen bekend van vervolging van (vermeende) UNITA-leden of -aanhangers, of andere categorieën van de bevolking. Wel komen incidenten van willekeurig machtsmisbruik door de politie voor, meestal uit financiële motieven (zie hoofdstuk 3.3.7). Ook is sprake van criminaliteit in de stad Luanda.

De sociaal-economische omstandigheden zijn in grote delen van Luanda armoedig (zie 2.7). Als men over goede contacten (familie, kennissen) of werk of de nodige middelen beschikt, zal men in Luanda in zijn levensonderhoud kunnen voorzien. Anders is men aangewezen op charitatieve instellingen, die echter onvoldoende capaciteit hebben om in alle basisbehoeften van de gehele bevolking te voorzien.

In geval van vlucht voor vervolging door UNITA of voor de guerilla-acties of oorlogshandelingen van UNITA is het theoretisch mogelijk naar de relatief veilige gebieden te vluchten, maar hierbij dienen veelal zeer veel obstakels genomen te worden, waaronder mijnenvelden. Ook is het mogelijk dat UNITA vergeldingsmaatregelen neemt tegen achterblijvende familieleden.

Ook (vermeende) UNITA-bestuurders, -leden en -aanhangers, die in de conflictgebieden of in de recentelijk op UNITA heroverde overgangsgebieden risico lopen slachtoffer te worden van detentie, verdwijning of buitengerechtelijke executie, kunnen in principe naar de relatief veilige gebieden vluchten. Ook zij hebben daarbij echter obstakels als mijnen en banditisme te overwinnen.

4.3 Beleid andere westerse landen


Frankrijk ontving in 1999 in totaal 537 asielaanvragen door Angolezen. Afgewezen asielzoekers worden teruggestuurd.

In Duitsland werden in 1999 in totaal 437 asielaanvragen van Angolezen ontvangen. Er is geen sprake van een wijziging van het uitzettingsbeleid of de


-praktijk. Het standpunt van UNHCR is aanleiding geweest extra zorgvuldigheid te betrachten bij de beoordeling van asielverzoeken. Afgewezen asielzoekers worden naar Angola verwijderd.

Portugal ontvangt jaarlijks weinig asielaanvragen (circa vier) van Angolezen. Er is geen sprake van een wijziging van het uitzettingsbeleid of de -praktijk. Afgewezen asielzoekers worden teruggestuurd. De Portugese immigratiedienst controleert binnenkomende vluchten uit Luanda zeer streng. Alle Angolezen dienen over een (Schengen)visum te beschikken en over voldoende geld voor hun verblijf in Portugal. Indien dit niet het geval is, worden zij direct teruggestuurd.

In Spanje vroegen in 1999 in totaal 62 Angolezen asiel aan. Afgewezen asielzoekers worden teruggestuurd.

Het VK ontving in 1999 in totaal 546 asielverzoeken ingediend door Angolezen. Afgewezen asielzoekers worden slechts verwijderd naar Luanda, en indien zij daar nauwe relaties hebben. Mannen tussen de vijftien en vijfentwintig jaar worden niet verwijderd, evenmin als kwetsbare jonge vrouwen.

In België werden in 1999 door Angolezen 242 asielverzoeken ingediend. De terugkeer van afgewezen asielzoekers is tijdelijk opgeschort.

Ook Italië heeft de terugzending van afgewezen Angolese asielzoekers tijdelijk opgeschort.

Bij de Franse, Duitse, Spaanse en Portugese ambassades in Luanda zijn geen gevallen bekend van vervolging van teruggezonden asielzoekers.

Volgens de plaatsvervangend directeur van de Angolese immigratiedienst zijn het afgelopen jaar 2002 Angolezen, hoofdzakelijk door Europese landen, gerepatrieerd. Hierbij zijn inbegrepen ruim 400 personen, aan wie toegang tot het te bezoeken land geweigerd is
.

4.4 UNHCR-beleid


In een brief aan alle EU-lidstaten, gedateerd 8 september 1999 heeft de UNHCR opgeroepen de gedwongen terugkeer van afgewezen Angolese asielzoekers naar Angola tijdelijk op te schorten in verband met hoge veiligheidsrisico's en onoverkomelijke ontberingen, waar de terugkeerders mee geconfronteerd zouden worden. UNHCR sluit in dit standpunt ook terugkeer naar Luanda in. UNHCR voert zelf geen repatriëringsprogramma's uit voor Angolese vluchtelingen, zolang de strijd in de grensgebieden voortduurt.

Dit standpunt van UNHCR is tot op heden onveranderd.

Ter toelichting wees een UNHCR-woordvoerder op de risico's die eventuele teruggekeerde asielzoekers in Luanda zouden lopen door onveiligheid op straat, als gevolg van criminaliteit en mogelijk machtsmisbruik van veiligheidsdiensten (vergelijk paragraaf 3.3.7). Hierbij kan dus worden aangetekend dat UNHCR de term 'veiligheid' en 'veiligheidscrisis' met betrekking tot de situatie in Luanda in een andere betekenis gebruikt dan in dit rapport wordt gedaan. In dit rapport wordt de term 'veiligheid' gebruikt met betrekking tot de militaire situatie (vergelijk paragraaf 2.6). Tevens wees UNHCR op de slechte sociale omstandigheden waarin teruggekeerde asielzoekers zonder familie of middelen in Luanda terecht zouden komen.

Ook bleek uit de toelichting dat UNHCR ten aanzien van de vraag of terugkeer verantwoord is, geen onderscheid maakt tussen de terugkeer van Angolese vluchtelingen uit buurlanden (naar hun veelal nog relatief onveilige gebieden van herkomst) en de terugkeer van afgewezen asielzoekers naar Luanda.

UNHCR wees bijvoorbeeld op de nieuwe vluchtelingenstroom, die sinds oktober 1999 naar Namibië en Zambia op gang is gekomen, op het grote aantal ontheemden, op de slechte mensenrechtensituatie en op de angst voor het uitbreken van epidemieën.

UNHCR heeft onlangs besloten extra hulpactiviteiten (inclusief protectie) te gaan uitvoeren in Luanda en de provincies Uige en Zaire, ter waarde van USD 10 miljoen per jaar. Daarbij zal ook UNHCR-staf op die locaties ingezet worden. Het doel is interne ontheemden bij te staan, evenals vluchtelingen die vrijwillig terugkeren. Dit laatste is in toenemende mate het geval aan de noordgrens tussen Angola en de DR Congo.
Het UNHCR-besluit is mede het gevolg van Amerikaanse druk om het UNHCR-mandaat uit te breiden tot interne ontheemden, alsmede van het gebrek aan capaciteit bij internationale organisaties en ngo's in Angola om deze noodzakelijke hulp te bieden. UNHCR zal nauw samenwerken met de andere VN-organisaties in Angola en deze tegelijkertijd versterking bieden.


5
Samenvatting


De militaire en veiligheidssituatie in Angola heeft zich in de verslagperiode in het algemeen verbeterd. Dit is in eerste instantie te danken aan de militaire successen die het regeringsleger sinds september 1999 op UNITA heeft behaald. UNITA is teruggevallen op guerilla-tactieken. Er bestaat geen heldere scheiding meer tussen regeringsgebieden en UNITA-gebieden. Op grond van de veiligheidssituatie van mei 2000 kan het grondgebied van Angola worden ingedeeld in:


1. De relatief veilige gebieden: de kustprovincies Luanda, Bengo, Benguela en Namibe en alle provinciale hoofdsteden (onder meer Luanda, Benguela en Lubango); deze gebieden zijn in handen van het regeringsleger en slechts guerilla-activiteiten van beperkte omvang door UNITA komen incidenteel voor;


2. De relatief onveilige overgangsgebieden: de provincies Zaire, Uige, Malanje, Cuanza Norte en Sul, Huila, Lunda Norte en Sul, Huambo, Bié, Moxico, Cuanda Cubango en Cunene met uitzondering van de gebieden langs de grens met de DR Congo, Zambia en Namibië; hoewel het regeringsleger in de overgangsgebieden een conventioneel militair overwicht heeft kan het onvoldoende bescherming bieden tegen de guerilla-acties van UNITA. Ook de provincie Cabinda kan worden gerekend tot de overgangsgebieden (zie verder).


3. De conflictgebieden: de grensgebieden met de DR Congo in het noordoosten, met Zambia in het oosten en met Namibië in het zuiden, waar het door gevechten tussen regeringsleger en UNITA nog onveilig is.

Het Angolese leger heeft nu in principe in het gehele land toegang en de UNITA-eenheden zijn meer geïsoleerd over het land verspreid geraakt. Alle provinciehoofdsteden (waaronder Luanda, Benguela en Lubango) en de kustprovincies Luanda, Bengo, Benguela en Namibe zijn veilig voor het oorlogsgeweld, zij het dat in de kustprovincies incidentele overvallen door UNITA plaatsvinden.

De sociaal-economische situatie is onverminderd slecht. Het grootste deel van de bevolking leeft onder de armoedegrens en er zijn naar schatting ruim twee miljoen ontheemden, die voor het grootste deel afhankelijk zijn van voedselverstrekking door ngo's. De regering heeft echter een begin gemaakt met economische hervormingen, mede onder druk van de internationale gemeenschap en het IMF. Sindsdien is een lichte macro-economische verbetering waarneembaar.

Dankzij de behaalde militaire successen is het optreden van de overheid op het gebied van de mensenrechten iets meer ontspannen geworden hetgeen zich onder andere uit in een betere samenwerking met mensenrechtenorganisaties. Hoewel in de verslagperiode opnieuw een aantal Angolese journalisten gearresteerd is, zijn allen thans voorlopig op vrije voeten. Waarnemers zijn van mening dat de vrije pers en zelfs de officiële pers zich steeds meer vrijheden kan permitteren. De overheid toont voorzichtig meer begrip voor de noodzaak van meer vrijheid van meningsuiting.

De mensenrechtensituatie in Angola is, mede als gevolg van de oorlog, overigens nog steeds zorgwekkend. Een gedeelte van de schendingen is toe te schrijven aan het eigenmachtig optreden van politie- en veiligheidsdiensten, dat vaak weer voortkomt uit slechte salariëring (willekeurige arrestaties en detenties, mishandeling en foltering). Andere schendingen komen voort uit de oorlog (landmijnen, buitengerechtelijke executies, verdwijningen, beperking bewegingsvrijheid, en tot op zekere hoogte ook de beperking van de persvrijheid en van het recht op vrije meningsuiting).

Gezien de huidige veiligheidssituatie lopen de inwoners van Luanda, Benguela en Lubango geen gevaar slachtoffer te worden van oorlogsgeweld of guerilla-acties. Ook zijn in de hoofdstad geen gevallen bekend van vervolging van vermeende UNITA-leden of -aanhangers, of andere categorieën van de bevolking. Wel komen incidenten van willekeurig machtsmisbruik door de politie voor, meestal uit financiële motieven.

Bijlage 2

Lijst van Bairro's (Stadsdeelwijken) in Luanda

Bairro das Ingombotas

Bairro Patrice Lumumba

Bairro do Zambizanga

Bairro Opérario

Bairro do Maculusso

Bairro da Quinanga

Bairro do Rangel

Bairro do Marçal

Bairro da Terra Nova

Bairro da Maianga

Bairro do Cassequel

Bairro Popular

Bairro do Prenda

Bairro da Samba

Bairro do Kilamba Kiaxi

Bairro Hoje ya Henda

Bairro do Cazenga

Bairro da Cuca

Bairro do Tala Hadi

Bairro do Palanca

Bijlage 3

Geraadpleegde literatuur

Amnesty International, Angola, Freedom of expression under threat (Londen, november 1999).

Amnesty International, Angola and Namibia, Human rights abuses in the border area (Londen, maart 2000).

CIA, The World Factbook 1999 - Angola.

Economist Intelligence Unit (EIU), Country Report Angola 1 and 2
quarter 2000, (Londen, 2000)

Economist Intelligence Unit (EIU), Country Profile Angola 1999-2000 (Londen, 2000)

Europa Publications, Africa South of the Sahara 2000, Angola (Londen 2000)

Global Witness, A crude awakening, The role of the oil and banking industries in Angola's civil war and the plunder of state assets (Londen, 1999)

UN Office for the Coordination of Humanitarian Affairs/OCHA, Angola, Report on Rapid Assessment of Critical Needs, April 2000

U.S. Department of State, Human Rights Report for 1999 - Angola (25 februari 2000).




1 Africa South of the Sahara 2000, Angola, Europa Publications (Londen 1999)


2 Een lijst van de Bairro's is bijgevoegd als bijlage 2.

3 Economist Intelligence Unit (EIU) Angola Country Profile 1999-2000 (Londen, 1999), en Africa South of the Sahara 2000 Angola.


4 zie vorig ambtsbericht (2 juni 1999).



5 Daarnaast blijft bijna iedereen (inclusief de regering en bijvoorbeeld de Europese Unie of de VN Veiligheidsraad) de beweging van Jonas Savimbi zoals die gewapend in het veld staat eveneens als UNITA aanduiden. Aldus kan met de term UNITA een aantal personen en instanties bedoeld zijn en dient per geval bezien te worden wie of wat bedoeld wordt en over welke tijd men spreekt.


6 vgl. het gestelde in het vorige ambtsbericht (2 juni 1999) onder 2.3.1.


7 Country Report Angola 1
quarter 2000, Economic intelligence Unit (EIU), (Londen 2000)


8 Country Report Angola 1
quarter 2000


9 EIU Angola Country profile 1999-2000


10 A Crude Awakening, The role of the oil and banking industries in Angola's civil war and the plunder of state assets. Global Witness (Londen 1999)


11 Associated Press 24 april 2000


12 IRIN-SA news 3 mei 2000.


13 EIU Angola Country Profile 1999-2000.


14 UNDP Human Development Index 2000


15 UNHCR 2000 Global Appeal


16 Jornal de Angola 3 maart 2000


17 Zo telt de totale bevolking van het Viana kamp 20.000 personen (Angola, Report on Rapid Assessment of Critical Needs, UN Office for the Coordination of Humanitarian Affairs/OCHA, April 2000)


18 Angola, Report on Rapid Assessment of Critical Needs, UN Office for the Coordination of Humanitarian Affairs/OCHA (April 2000)


19 Country Report Angola 1
quarter 2000, Economic Intelligence Unit (EIU) (Londen, 2000)


20 Associated Press 4 april 2000.


21 Angola Country Report 1st quarter 2000


22 Afscheidsinterview met Nicholas Howen, hoofd van de Human Rights Division van MONUA, in het Angolese weekblad Agora (april 2000))


23 Country Report 1
quarter 2000


24 Country report Angola 1st quarter 2000, Economic Intelligence Unit (EIU) (London,2000)


25 Angola, Freedom of expression under threat. Amnesty International (Londen,november 1999)


26 zie ook par. 3.4.


27 IRIN/SA- news 3 april 2000.


28 Human Rights Report for 1999-Angola, U.S. Department of State, (Washington 25 februari 2000).


29 Human Rights Report for 1999-Angola


30 ibidem


31 Human Rights Report for 1999-Angola


32 Jornal de Angola 20 april 2000.


33 Jornal de Angola 29 april 2000.


34 Volgens de directeur van NDS te Luanda zijn sinds 1984 geen Angolese verstekelingen meer aangetroffen.


35 Human Rights Report for 1999-Angola.


36 Brief van UNHCR van 18 mei 1999 aan alle EU-lidstaten.

37 Human Rights Report for 1999- Angola.


38 Human Rights Report for 1999-Angola


39 ibidem


40 Country Report Angola 1st quarter 2000, Economic Intelligence Unit (EIU) (London 2000).


41 Angola en Namibia, Human rights abuses in the border area. Amnesty International (Londen maart 2000)


42 Human Rights Report for 1999-Angola.


43 Jornal de Angola 6 januari 2000


44 Interview in Jornal de Angola van 29 april 2000.

45 Deze terugkeer is een indicatie dat de terugkeerders de veiligheidssituatie in Noord-Angola als beter beschouwen dan die in de DR Congo (Angola Country Report, EIU, June 2000)

===