Ministerie van Justitie

WODC-rapporten & EWB-rapporten

Tussen recht en ruimte; eerste evaluatie van de tbs-wetgeving van 1997

Ed. Leuw, N.M. Mertens

Onderzoek en beleid, nr. 191

Samenvatting

In oktober 1997 is een samenstel van wetswijzigingen van kracht geworden voor de oplegging en tenuitvoerlegging van de strafrechtelijke maatregel tbs. Deze wetswijzigingen vormen een aanpassing van de herziene tbs-wetgeving van 1987. De wetswijziging van 1997 behelst een nieuwe Beginselenwet verpleging terbeschikkinggestelden (Bvt) en enkele aanpassingen in het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering. De noodzaak van evaluatieonderzoek is wettelijk vastgelegd. De doeltreffendheid van de wet moet drie jaar na invoering en vervolgens elke vijf jaar worden onderzocht. In dit rapport wordt verslag gedaan van het eerste evaluatieonderzoek naar het functioneren van de tbs-wetgeving van 1997.

Modaliteiten van oplegging en beëindiging van tbs De tbs-maatregel kan uitsluitend worden opgelegd aan plegers van delicten waarvoor een maximumstrafbedreiging van vier jaar of langer geldt. De mate van ontoerekeningsvatbaarheid moet worden bepaald in (forensisch-psychiatrisch) Pro Justitia-deskundigenonderzoek. Voor oplegging van tbs is multidisciplinaire advisering vereist, met in elk geval psychiatrische rapportage.
De tbs kent verschillende wettelijke modaliteiten. Belangrijk hierbij is of de rechter wel of geen 'bevel tot verpleging' oplegt. Oplegging van zo' n bevel impliceert dat de terbeschikkinggestelde gedwongen wordt opgenomen in een bij wet aangewezen inrichting voor de verpleging van terbeschikkinggestelden. Tbs kan worden opgelegd in combinatie met gevangenisstraf. Volgens de in 1997 ingevoerde bepalingen van de Wet-Fokkens moet de opname in verpleging/behandeling bij zo' n combinatievonnis aanvangen na beëindiging van één derde van de gevangenisstraf.

Interne en externe rechtspositie
Het complex van de in 1997 ingevoerde wetswijzigingen voor de tbs regelt de interne en de externe rechtspositie van terbeschikkinggestelden. De interne rechtspositie beschrijft en regelt het verblijf van de terbeschikkinggestelde binnen de muren van de tbs-inrichting, en specificeert met name wat de grenzen zijn van de inbreuk op zelfbeschikking tijdens de tenuitvoerlegging van de (intramurale) tbs. De interne rechtspositie wordt in principe bepaald door de aard van de inrichting waar de terbeschikkinggestelde verblijft. Als een terbeschikkinggestelde verhuist van een tbs-inrichting naar een algemeen psychiatrisch ziekenhuis (bijvoorbeeld in het kader van een proefverlof), verandert zijn interne rechtspositie. Met de nieuwe beginselenwet wordt beoogd om een uniforme interne-rechtspositieregeling tot stand te brengen voor zowel de justitiële als niet-justitiële inrichtingen voor de verpleging van terbeschikkinggestelden. De Bvt heeft als centrale doelstelling een evenwichtige afstemming te realiseren van de drie kernelementen van de tbs-maatregel: beveiliging, behandelingen rechtspositie. Bij algemene maatregel van bestuur is een landelijk Reglement verpleging terbeschikkinggestelden (Rvt) van kracht geworden. Dit reglement geeft op basis van de Bvt gespecificeerdere richtlijnen en procedures. Ten slotte kunnen afzonderlijke inrichtingen de dagelijkse gang van zaken regelen per huishoudelijk reglement. Het evaluatieonderzoek naar de interne rechtspositie is gericht op de (nieuwe elementen) van de Bvt het hoogste niveau van regelgeving.
De externe rechtspositie heeft betrekking op de vereisten en procedures bij de oplegging, verlenging en beëindiging van een tbs-maatregel. Zo worden de verschillende modaliteiten van tbs-oplegging en -beëindiging geregeld door de externe rechtspositie. Proefverlof en overplaatsing veranderen echter niets aan de juridische status van terbeschikkinggestelde. Met andere woorden: de externe rechtspositie verandert niet zolang de tbs-maatregel niet is beëindigd. Deze regeling is vastgelegd in het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering. De in 1997 ingevoerde aanpassingen van deze wetgeving zijn voortgevloeid uit de aanbevelingen van de Commissie TBS en Sanctietoepassing Geestelijk Gestoorde Delinquenten (de Commissie-Fokkens). In het evaluatieonderzoek zijn de wijzigingen van de externe-rechtspositieregeling betrokken die zijn vastgelegd als nieuwe bepalingen van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering.

De Bvt
Op 1 oktober 1997 is de Bvt in werking getreden. De wet kwam in de plaats van een tijdelijke regeling van de rechtspositie van terbeschikkinggestelden 'de Tijdelijke Regeling Terbeschikkingstelling (TRT)' die in 1988 is ingevoerd. De rechtspositionele principes van de TRT zijn in grote lijnen overgenomen in de Bvt. In de uitwerking van de Bvt zijn er echter enkele belangrijke verschillen met de TRT. In de Bvt is bijvoorbeeld het aantal beklaggronden sterk uitgebreid. Volgens de memorie van toelichting bij de Bvt is gekozen voor een wettelijke regeling die recht moet doen aan het specifieke karakter van de tbs als strafrechtelijke maatregel op het grensvlak van (forensische) psychiatrie en penitentiaire detentie. De Bvt kan worden getypeerd als een rechtspositieregeling waarin belangrijke elementen worden gecombineerd van de Wet Bijzondere opname psychiatrisch ziekenhuis (Wet Bopz) en de Penitentiaire Beginselenwet (PBW). Net als bij de civielrechtelijke maatregel krachtens de Wet Bopz legitimeert de tbs de gedwongen opname in verpleging. De
interne-rechtspositieregeling van de Wet Bopz en de tbs komen overeen op het wezenlijke punt dat gedwongen opname geen gedwongen behandeling mogelijk maakt. Een wezenlijk onderscheid tussen de regelingen is dat behandeling bij civielrechtelijke dwangopname uitsluitend mogelijk is op grond van een behandelplan dat de uitdrukkelijke instemming heeft van de patiënt. Anders dan in de geestelijke gezondheidszorg (GGZ) geldt in de tbs dat de terbeschikkinggestelde wel kennis moet nemen van het behandelplan maar er niet mee hoeft in te stemmen. Een wezenlijke overeenkomst tussen de Bopz en de Bvt is dat gedwongen medische handelingen (bijvoorbeeld dwangmedicatie) mogelijk zijn ter afwending van ernstig gevaar voor de patiënt of voor derden in de inrichting.

De Wet-Fokkens
De vernieuwing van de tbs-wetgeving in 1997 heeft mede betrekking op een aantal aspecten van de externe rechtspositie. In dit onderzoek worden vooral de tbs met voorwaarden (tbsv) en de voorwaardelijke beëindiging van het bevel tot verpleging aan de orde gesteld. Behalve tot deze twee nieuwe elementen heeft het advies van de Commissie-Fokkens geleid tot een vervroeging van de opname in tbs bij een combinatie van terbeschikkingstelling en langdurige gevangenisstraf. Een belangrijke overweging hierbij is geweest dat behandeling meer kans op succes heeft na niet al te langdurige detentie.

De tbs met voorwaarden
In 1988 is de ' voorwaardelijke tbr' vervangen door de tbs met aanwijzing (tbsa). De tbsa voorzag in een terbeschikkingstelling zonder bevel tot verpleging en was bestemd voor gestoorde plegers van delicten waarbij geen sprake was van een maatschappelijk onacceptabel risico. Bij de tbsa-maatregel werd relatief meer nadruk gelegd op behandeling en minder op beveiliging. In de daaropvolgende jaren bleek dat deze tbs-modaliteit in de praktijk nauwelijks werd benut omdat er te weinig juridische en praktische mogelijkheden waren voor omzetting van de maatregel (alsnog opname in verpleging) als er sprake was van toenemende gevaarsdreiging of als de terbeschikkinggestelde zich aan de opgelegde voorwaarden onttrok.
De in 1997 ingevoerde tbsv beoogt de praktische toepasbaarheid van deze modaliteit te vergroten. Een belangrijk beletsel voor opname ter verpleging is weggenomen door de verplichte multidisciplinaire rapportage bij de oplegging van de tbsv. Daarnaast voorziet de wetswijziging in de mogelijkheid van de officier van justitie om slagvaardig op te treden (door aanhouding, wijziging van voorwaarden enzovoort) als er gevaar dreigt of als de terbeschikkinggestelde zich niet aan de voorwaarden houdt.

De voorwaardelijke beëindiging van het bevel tot verpleging De voorwaardelijke beëindiging door de rechter zoals ingevoerd in 1997, is in de plaats gekomen van de - slechts incidenteel toegepaste en inhoudelijk onbepaalde - voorwaardelijke beëindiging door de minister van Justitie. De maximale termijn van de in 1997 ingevoerde voorwaardelijke beëindiging is drie jaar. Op dit moment (zomer 2001) is er een wetswijziging in voorbereiding waarbij deze termijn wordt verdubbeld tot zes jaar. De verpleging kan voorwaardelijk worden beëindigd op initiatief van de rechter, de officier van justitie of de terbeschikkinggestelde. Zowel vanuit de tbs-inrichting als vanuit proefverlof kan er worden overgegaan tot voorwaardelijke beëindiging. De rechter beslist tot voorwaardelijke beëindiging van de verpleging op basis van een resocialisatieplan, dat door de tbs-inrichting en de reclassering moet worden opgesteld.
Een belangrijk verschil tussen voorwaardelijke beëindiging en proefverlof is dat bij proefverlof het bevel tot verpleging formeel niet is opgeheven. Op gezag van de directeur kan de terbeschikkinggestelde worden teruggeroepen naar de inrichting. Bij voorwaardelijke beëindiging is er geen bevel tot verpleging meer. Voor hervatting van de verpleging is in dat geval een nieuwe rechterlijke beslissing nodig. Als de voorwaarden worden overtreden of als er dreigend gevaar is, kan de officier van justitie bij wijze van noodmaatregel echter wel besluiten tot hernieuwde vrijheidsbeneming. Deze kan (bij voorkeur) ook plaatsvinden in een tbs-inrichting. Qua uitvoering is de in 1997 ingevoerde voorwaardelijke beëindiging van de verpleging in tbs goed vergelijkbaar met de tbsv. De aard van de voorwaarden en de criteria voor een eventuele omzetting (herroeping) van de voorwaardelijke beëindiging zijn in principe hetzelfde als bij de tbsv. Voor de uitvoering van zowel de tbsv als de voorwaardelijke beëindiging is de belangrijkste (regisserende) rol weggelegd voor de reclassering.

Doelstelling, probleemstelling en onderzoeksvragen Dit onderzoek is uitgevoerd om inzicht te verschaffen in de manier waarop de Bvt wordt uitgevoerd en in de mate waarin de wetswijzigingen van 1997 in de praktijk tegemoetkomen aan de gewenste afstemming van de drie belangrijkste tbs-kernelementen (beveiliging, behandeling en rechtspositie). Ook moet dit onderzoek inzicht geven in de uitvoering en doeltreffendheid van enkele aspecten van de Wet-Fokkens. Het onderzoek is primair verricht voor de parlementaire behandeling van de ervaringen met de nieuwe tbs-wetgeving. Uiteraard zijn de resultaten van het evaluatieonderzoek ook van rechtstreeks belang voor alle betrokken instellingen en personen in het tbs-veld: de tbs-inrichtingen in al hun geledingen, de betrokken beleids- en wetgevingsdirecties van het ministerie van Justitie, de Centrale Raad voor Strafrechtstoepassing (CRS), de rechterlijke macht, de reclassering en de advocatuur (voorzover betrokken bij de uitvoering of oplegging van de tbs), en natuurlijk de terbeschikkinggestelden zelf.
Voor de Bvt luidde de algemene vraagstelling: hoe worden de nieuwe elementen van de Bvt uitgevoerd en in hoeverre wordt de doelstelling - evenwichtige afstemming tussen beveiliging, behandeling en rechtspositie - bereikt met deze wijzigingen? De bedoeling van de nieuwe wetgeving is dat de interne rechtspositie van terbeschikkinggestelden wordt versterkt. Uitgaande van de waarde 'rechtspositie' is geprobeerd om inzicht te krijgen in de mate waarin de rechten van de terbeschikkinggestelde daadwerkelijk door de regelgeving worden beschermd en in de consequenties van deze realisatie van de rechtspositie voor de beveiligingsdoelstelling en behandelingsdoelstelling van de tbs. Omdat het onderzoeksobject betrekking heeft op vrij recent ingevoerde en complexe wetgeving, heeft het onderzoek het karakter van een procesevaluatie. Daarbij gaat het er allereerst om inzicht te krijgen in het proces van introductie en implementatie van de nieuwe wetgeving en in de knelpunten die daarbij mogelijk naar voren komen.
Voor de in dit onderzoek opgenomen elementen van de Wet-Fokkens gold een vergelijkbare vraagstelling: in hoeverre wordt er gebruikgemaakt van de nieuwe tbs-opleggingsmodaliteit en -beëindigingsmodaliteit en welke knelpunten worden hierbij waargenomen? Het onderzoek heeft dus overwegend het karakter van een procesevaluatie en is grotendeels kwalitatief van aard.
Voor het onderzoek zijn uiteenlopende bronnen geraadpleegd:
- de (wetenschappelijke) literatuur;

- bestaande registraties, verslagleggingen en producten van beleidsontwikkeling en beleidsinformatie;

- interviews met en schriftelijke enquêtes onder sleutelfiguren en functionarissen uit het beleid, het tbs-veld, de reclassering, de advocatuur, GGZ-inrichtingen, de rechterlijke macht en vertegenwoordigers van terbeschikkinggestelden.

Uitkomsten van het onderzoek
In het onderzoek is in grote lijnen nagegaan hoe de introductie en implementatie van de Bvt zijn verlopen. Door zijn aard is de Bvt van voortdurend en dagelijks belang voor de gang van zaken in de tbs-inrichtingen. Het is daarom om meerdere redenen zonder meer noodzakelijk dat het tbs-veld intensief wordt betrokken bij de voorbereiding, introductie en implementatie van de wetgeving. Daarnaast is een goede acceptatie van de wetgeving door het veld in al zijn geledingen van moeilijk te overschatten belang. De medewerkers van de tbs-inrichtingen zijn de eerste en ongetwijfeld belangrijkste uitvoerders van de regelgeving die in de Bvt is vastgelegd.
Uit het onderzoek blijkt dat er wellicht na aanvankelijke scepsis bij de inrichtingsdirecteuren tegenover het idee van een afzonderlijke rechtspositieregeling voor de tbs in alle totstandkomings- en implementatiefasen van de wetgeving intensief is samengewerkt tussen de Dienst Justitiële Inrichtingen, de Directie Wetgeving en het tbs-veld. De nauwe samenwerking tussen het uitvoeringsveld en de beleidsvormende en wetgevende instanties heeft kennelijk geresulteerd in een over het algemeen grote acceptatie van de interne-rechtspositieregeling. Algemeen bestaat het gevoel dat de regeling zeker niet van bovenaf is opgelegd. Er zijn veel aanwijzingen dat er sinds de introductie van de Bvt een goed draagvlak voor daadwerkelijke uitvoering is ontstaan.
Het merendeel van professioneel betrokkenen meent dat de Bvt een voldoende evenwichtige afstemming biedt tussen de waarden rechtspositie , beveiliging en behandeling . Ook als er specifiek wordt gevraagd naar de complicaties die de rechtspositieregeling mogelijk oplevert voor de interne en externe beveiliging en voor de behandelingsmogelijkheden, geeft een duidelijke meerderheid van alle betrokken functiegroepen een positief oordeel.
De respondenten van het onderzoek vinden in grote meerderheid dat de interne-rechtspositieregeling voldoende ruimte moet laten voor een eigen invulling van de verplegings- en behandelingspraktijk in elke tbs-inrichting. Stringente en sterk gespecificeerde voorschriften (bijvoorbeeld in de vorm van een geüniformeerd en landelijk geldend huisreglement) worden afgewezen. Het onderzoek heeft geen aanwijzingen opgeleverd dat de Bvt voor de tbs-inrichtingen een al te strak keurslijf is. Waarschijnlijk speelt hierbij ook een rol dat de Bvt voldoende ruimte biedt voor het primaat van de interne en externe beveiliging waarbij de directeur in voorkomende gevallen acute beveiligende maatregelen kan treffen die alleen achteraf op rechtmatigheid kunnen worden getoetst.
Een belangrijk punt van zorg over een mogelijk rechtspositioneel tekort hangt samen met de, zoals ook in dit onderzoek is gebleken, zeer moeilijk af te bakenen grens tussen verpleging en behandeling . In het onderzoek wordt aangegeven dat de interne rechtspositie mogelijk wordt ondergraven door het feit dat interne (vrijheidsbeperkende) maatregelen vrijwel altijd kunnen worden begrepen of gepresenteerd als maatregelen

in het kader van de behandeling. In de Bvt is de rechtspositie van de terbeschikkinggestelden in het kader van de behandeling slechts summier en marginaal geregeld, terwijl behandeling uiteraard een essentieel bestanddeel is van hun verblijf in de inrichting. Vrij algemeen wordt als probleem erkend dat de terbeschikkinggestelde weinig afdwingbare rechten heeft waar het gaat om de aard, het verloop en de evaluatie van zijn behandeling. Dit probleem klemt temeer waar de terbeschikkinggestelde een bijzonder groot belang heeft bij met name het verloop en de evaluatie van zijn behandeling. Een gunstig behandelingsverloop is immers doorgaans de belangrijkste voorwaarde voor beëindiging van de vrijheidsbeneming in de tbs. Juist op dit essentiële punt zijn oplossingen door regelgeving niet eenvoudig denkbaar. Voor de tbs-populatie geldt in alle hevigheid het dilemma dat verzet tegen behandeling en ontkenning van de stoornis in veel gevallen inherent is aan de stoornis die moet worden behandeld. Dit voor de regelgeving waarschijnlijk weerbarstigste deel van de tbs-maatregel heeft geleid tot enkele tegenstrijdige en moeilijk te interpreteren onderzoeksresultaten. Er zijn tamelijk grote verschillen van inzicht met betrekking tot de algemene vraag of de rechtspositie van terbeschikkinggestelden ten aanzien van behandeling moet worden versterkt. Bijna 60% van degenen die handhaving van de interne rechtspositie als centrale opdracht hebben (advocaten en leden van de CRS en commissies van toezicht), is hier voorstander van terwijl hetzelfde percentage behandelaars in de tbs deze versterking juist afwijst. Tegelijkertijd bestaat er ook bij een meerderheid van de behandelaars instemming met enkele concrete mogelijkheden om de greep van de terbeschikkinggestelde op zijn behandeling te versterken, zoals toekenning van het recht op het daadwerkelijk starten van de behandeling conform het behandelplan.
De conclusie lijkt gerechtvaardigd dat professioneel bij de tbs betrokkenen over het algemeen positief staan tegenover versterking van de rechtspositie van terbeschikkinggestelden met betrekking tot hun behandeling. Gezien de portee van de enquêtevragen, kan deze bevinding het best worden begrepen als versterking van de marginale toetsingsmogelijkheden door de terbeschikkinggestelde. De patiënt zou meer invloed moeten hebben op de grote lijnen van de behandeling en niet zozeer op de (dagelijkse) invulling van de behandeling en op de belangrijke beslissingen die worden gebaseerd op het oordeel over het behandelingssucces.
De commissie van toezicht speelt een kardinale rol bij de uitvoering van de interne-rechtspositieregeling. Dit orgaan kan een zeer belangrijke functie vervullen in de inrichtingen. Vanuit een onafhankelijke maar rechtstreeks bij de dagelijkse praktijk betrokken positie kan een signaalwerking worden vervuld, waarbij (on)wenselijke ontwikkelingen op de agenda kunnen worden gezet en bespreekbaar worden gemaakt binnen de inrichting. Er blijkt met name veel waardering te zijn voor de uitdrukkelijke opdracht aan de commissie van toezicht om te bemiddelen, juist op punten waarin het beklagrecht niet voorziet. Deze bemiddelende functie lijkt daarom met name van groot belang in het domein van de behandeling.
In het onderzoek is naar voren gekomen dat er grote verschillen zijn in de manier waarop de commissies van toezicht van de tbs-inrichtingen omgaan met de beklagregeling. Kennelijk lopen de uitgangspunten van de verschillende commissies voor hun taakvervulling sterk uiteen. In een enkele inrichting worden vrijwel geen formele klachten behandeld. In andere gevallen worden alle binnengekomen meldingen (ook) formeel afgedaan, waardoor er in relatief veel gevallen wordt geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van de klacht. Mogelijk bestaat er een relatie tussen de cultuur van de inrichting en de mate waarin de commissie van toezicht zich onafhankelijk en/of juridiserend opstelt. In vergelijking met de situatie vóór de invoering van de Bvt is het aantal ingediende klachten in de eerste twee jaar onder de Bvt vrij sterk toegenomen. Op zichzelf kan dit worden begrepen als een te verwachten gevolg van de uitgebreidere rechtspositie van terbeschikkinggestelden onder de Bvt. Ongeveer 20% van de beklagzaken heeft betrekking op nieuwe, door de Bvt opengestelde beklaggronden. De toename van het totaal aantal klachten kan deels worden toegeschreven aan de groei van de verpleegdenpopulatie in de onderzochte inrichtingen in de aanvangsperiode van de Bvt.
De betrekkelijk sterke toename van het aantal beklagzaken heeft niet geleid tot een wezenlijke toename van het aantal beroepszaken bij de CRS die zijn gericht tegen een uitspraak van de beklagcommissie. Wellicht mag hieruit worden afgeleid dat de nieuwe regeling in de praktijk goed toepasbaar is en geen grote onduidelijkheden heeft opgeleverd voor de rechtspraak in eerste aanleg. Er is wel kritiek op de vaak lange doorlooptijden van bij de CRS aangebrachte (beroeps)zaken. Het verdient aanbeveling om te overwegen de behandeling van beroepszaken door de CRS aan een termijn te binden. De omvang van de beroepsrechtspraak is onder de Bvt behoorlijk toegenomen in vergelijking met de voorafgaande periode. Dit wordt met name verklaard door het grote aantal beroepen tegen ministeriële beslissingen tot verlenging van de passantentermijn. In 1998 ging het om 75% en in 1999 om 80% van de beroepen die door de beroepscommissie zijn behandeld.
De toename van het aantal passanten in penitentiaire inrichtingen en de groei van de wachttermijnduur in de jaren negentig kunnen worden aangemerkt als zeer problematische verschijnselen. De passantenregeling biedt feitelijk geen oplossing voor de geconstateerde omissies maar is slechts een middel om enige compensatie te geven voor de aan de Staat verwijtbare onrechtvaardigheden die uit het capaciteitstekort voortvloeien. Er zijn aanwijzingen dat de ontwikkeling van de passantenproblematiek inmiddels een keerpunt heeft bereikt. Maar dat neemt niet weg dat deze problematiek en de gevolgen van de ondergane wachttijden de volle aandacht blijven verdienen.
Mede in verband met het passantenthema stellen we op basis van dit onderzoek vast dat ook justitiabelen die een tbs-maatregel in combinatie met een gevangenisstraf opgelegd hebben gekregen, in feite nog geen baat hebben gehad bij de inwerkingtreding van de Wet-Fokkens. Bij een combinatievonnis kan de rechter immers beslissen om de tbs te laten aanvangen nadat één derde van de in detentie door te brengen termijn is volbracht. Als gevolg van het capaciteitstekort is de Wet-Fokkens op dit punt vooralsnog een dode letter. Tot de CRS worden betrekkelijk veel schorsingsverzoeken verricht (ruim veertig in zowel 1998 als 1999). Verzoeken van terbeschikkinggestelden om schorsing van een maatregel die door een inrichtingsdirecteur is opgelegd, vormden iets minder dan de helft van dit aantal. Dergelijke schorsingsverzoeken worden vrijwel nooit gehonoreerd. Waarschijnlijk bestaat er bij de CRS veel reserve om rechtstreeks in te grijpen in het inrichtingsbeleid. Dit zou mede begrijpelijk zijn vanwege de relatief grote afstand tussen de CRS en de (dagelijkse praktijk in de) inrichting. Dit leidt tot de vraag of het geen voorkeur zou verdienen om deze schorsingsbevoegdheid bij de commissie van toezicht te leggen. Ten slotte een enkele conclusie over de belangrijkste nieuwe wijzigingen van de externe rechtspositie. Uit het onderzoek is gebleken dat zowel het absolute aantal als het relatieve aantal (als percentage van het totaal aantal opleggingen van tbs) opleggingen sterk is toegenomen in de eerste twee volle jaren na invoering van de gewijzigde tbsv. Dit duidt erop dat de wetswijziging het beoogde resultaat heeft gehad in termen van grotere toepassing. Of de tbsv ook inhoudelijk goed functioneert, valt in het kader van dit onderzoek niet te zeggen. Dit valt buiten het bereik van dit onderzoek. Een eerste follow-uponderzoek is in dit opzicht echter zeker niet positief.
Uit het hier gerapporteerde onderzoek komt naar voren dat een goede en heldere organisatorische structuur waarbij justitie, hulpverlening, de tbs-inrichting en de reclassering goed samenwerken, ook op het niveau van individuele cases, een belangrijke voorwaarde is voor het welslagen van de tbsv-modaliteit. Hiermee moet met name de reclassering goed in staat worden gesteld om de haar opgelegde regisserende functie te vervullen.
De zelfde conclusies over het inhoudelijke functioneren gelden ook voor de nieuwe beëindigingsmodaliteit (de voorwaardelijke beëindiging). De invulling daarvan is geheel vergelijkbaar met de tbsv. Het onderzoek heeft duidelijke aanwijzingen opgeleverd dat de opzet om het aantal minder wenselijke beëindigingsmodaliteiten te beperken, is geslaagd. Met name het percentage contraire beëindiging is aanmerkelijk verminderd nadat deze nieuwe beëindigingsmodaliteit beschikbaar is gekomen. Er is brede steun voor de voorgenomen wetswijziging om de maximale toezichtstermijn te verlengen.

Ten slotte
In het rapport worden aanbevelingen gedaan voor enkele concrete wetgevingsaanpassingen en voor gerichte bezinning op enkele belangrijke thema s (vooral de relatie tussen rechtspositie en behandeling). Al met al lijkt de conclusie gerechtvaardigd dat de Bvt, inclusief de uitwerking die daaraan in de praktijk is gegeven, in grote lijnen tegemoetkomt aan de behoefte aan een adequate rechtspositie voor terbeschikkinggestelden. Deze rechtspositie lijkt doorgaans goed te combineren met de primaire beveiligingsopdracht van de tbs en met de uiteindelijke opdracht tot forensisch-psychiatrische behandeling. Een positief oordeel lijkt ook gerechtvaardigd over de belangrijkste nieuwe elementen van de externe rechtspositie.

WODC- informatiedesk / e-mail: wodc-informatiedesk@best-dep.minjus.nl Redacteur: Hans van Netburg



Laatst gewijzigd: 18-09-2001