Ingezonden persbericht

PERSBERICHT

Goede Doelen in gevaar door kansspelbeleid kabinet

Breed front van organisaties komt met alternatief plan

Den Haag, 4 oktober 2001 Meer dan 200 Goede Doelen organisaties komen in het geweer tegen het kansspelbeleid van het kabinet. Het risico bestaat dat de Goede Doelen organisaties een aanzienlijk deel van hun inkomsten via Goede Doelen loterijen (nu circa fl. 600 miljoen per jaar) in de toekomst zullen mislopen, wanneer de kabinetsvoorstellen volgende week door de Tweede Kamer worden aangenomen. Juist nu de overheid steeds terughoudender is in de financiering van Goede Doelen, moet het kansspelbeleid op de eerste plaats uitgaan van de Goede Doelen, in plaats van nog meer marktwerking. "Die is er al voldoende".

Het kabinet stelt op basis van een werkgroep op het gebied van marktwerking, deregulering en wetgevingskwaliteit (MDW) dat er meer concurrentie moet komen tussen de verschillende loterijen. Belangrijk onderdeel van de kabinetsvoorstellen is de voorgestelde komst van nieuwe vergunninghouders, terwijl de bevoorrechte positie van de Staatsloterij (veel hoger prijzengeldpercentage, meer trekkingen) vooralsnog in tact blijft. Hierdoor is van volledige harmonisatie van de markt geen sprake.

De Goede Doelen organisaties en Goede Doelen loterijen pleiten ervoor éérst de markt de harmoniseren, alvorens verdere stappen te zetten in het beleid. De komst van nieuwe vergunninghouders heeft bovendien een averechts effect: loterijen zullen het maximaal toegestane aan prijzengeld uitkeren en meer kosten maken voor marketing en promotie. Dit alles gaat ten koste van de uitkering aan Goede Doelen.

Geen negatieve gevolgen
De harmonisatie heeft zowel betrekking op het percentage van de inleg dat wordt afgedragen aan Goede Doelen, c.q. de Staat, het percentage dat aan prijzen wordt uitgekeerd als ook het aantal trekkingen dat elke loterij mag verrichten. Wanneer de afdrachtpercentages worden geharmoniseerd, moet dit bovendien geleidelijk plaatsvinden: Zodoende ondervinden de Goede Doelen organisaties zo min mogelijk negatieve gevolgen, en kan ook de Staatsloterij op dezelfde voorwaarde opereren, zonder dat daarvoor meteen een wetswijziging noodzakelijk is.

De gezamenlijke organisaties bieden het Kabinet een voorstel, dat tegemoet komt aan marktwerking en deregulering, harmonisatie en geen gevaar heeft voor de financiering van de Goede Doelen organisaties.

Het voorstel van de gezamenlijke organisaties is gebaseerd op het model dat door het College van toezicht voor de kansspelen is ontwikkeld en behelst een minimum afdracht aan Goede Doelen van 25%. De meeste Goede Doelen loterijen committeren zich in het voorstel echter aan een afdracht van ten minste 40% van de inleg. Het afdrachtpercentage van de Staatsloterij aan de Staat is overigens 19% (2000).

Bij een gestage groei van de loterijmarkt en een beheerste en geleidelijke daling van het afdrachtpercentage is de financiering van Goede Doelen organisaties in het voorstel gewaarborgd. Voorwaarde is wel dat er geen nieuwe vergunningen worden afgegeven en het aantal trekkingen per loterij wordt beperkt tot maximaal 15. Zelfs de inkomsten voor de Staat uit de Staatsloterij zullen in het voorstel niet dalen.

EINDE BERICHT