Nederland ondermijnt geweldverbod

19 november 2001
Eén van de grote verworvenheden van de twintigste eeuw is het volkenrechtelijk geweldverbod. In ieder geval sedert 1945 geldt voor staten het absolute verbod om geweld tegen andere staten te gebruiken buiten het geval van ofwel de zelfverdediging tegen een gewapende aanval van een andere staat, ofwel de uitvoering van een beslissing van de Veiligheidsraad om militaire middelen te gebruiken teneinde de internationale vrede en veiligheid te herstellen.
Het geweldverbod is niet in één keer gevestigd. De ontwikkeling daartoe is begonnen tijdens de Vredesconferenties te Den Haag van 1899 en 1907. Om de oorlog zoveel mogelijk te voorkomen, werd de vreedzame oplossing van internationale geschillen bevorderd. Daartoe werd het Permanente Hof van Arbitrage opgericht (een instituut dat nog steeds bestaat). Verder werd de oorlog verboden als middel om schulden te innen. Na de Eerste Wereldoorlog volgde in 1919 de oprichting van de Volkenbond. De arbitrage werd in sommige gevallen verplicht. Overige internationale geschillen moesten worden opgelost door de Raad van de bond. In geen geval mochten de leden van de Volkenbond direct tot de oorlog besluiten. Er gold een "afkoelingsperiode" van tenminste drie maanden. Een belangrijke stap werd in 1928 gezet, toen de aanvalsoorlog werd verboden in het Briand-Kellogg Pact. Na de Tweede Wereldoorlog werd dat verbod herbevestigd en aangescherpt in het Handvest van de Verenigde Naties van 1945 (Handvest).
De Verenigde Naties (VN) is opgericht teneinde "de komende geslachten te beveiligen tegen de oorlogsgesel, die ... onuitsprekelijk leed over de mensheid heeft gebracht". De VN willen verder het vertrouwen in de grondrechten van de mens bevestigen, in de waardigheid en waarde van de menselijke persoon, in de gelijke rechten van mannen en vrouwen, alsmede in de gelijke rechten van grote en kleine volken. De VN beogen tevens de voorwaarden te scheppen voor de handhaving van gerechtigheid en eerbied voor de verplichtingen die uit het internationaal recht voortvloeien.
Tot de verplichtingen die het Handvest oplegt, behoort het afzien van de dreiging met en het gebruik van geweld. Internationale geschillen moeten op vreedzame wijze worden opgelost, op zo'n manier dat de internationale vrede, veiligheid en gerechtigheid niet in gevaar worden gebracht. Met het oog op de handhaving en het herstel van de internationale vrede zijn aan de Veiligheidsraad verreikende bevoegdheden toegekend. Zodra er sprake is van een bedreiging van de internationale vrede, van een inbreuk daarop of van agressie, kan de Veiligheidsraad de terzake vereiste maatregelen treffen.
De Veiligheidsraad heeft zich na de terroristische aanslagen van 11 september onmiddellijk daarover uitgesproken. In resolutie 1368 van 12 september zijn die aanslagen in de meest scherpe bewoordingen veroordeeld. Verder heeft de Raad gezegd dat die aanslagen, evenals alle andere internationaal terroristische acties, moeten worden aangemerkt als een bedreiging van de internationale vrede en veiligheid. Benadrukt wordt dat de Raad niet spreekt over "inbreuk op de internationale vrede" of over "agressie". Dit is in overeenstemming met het volkenrecht. De omschrijving van het begrip "agressie" die de Algemene Vergadering van de VN in 1974 aanvaardde (resolutie 3314 (XXIX)), sluit uit dat de aanslagen van 11 september als agressie kunnen worden aangemerkt.
De Veiligheidsraad is bij uitsluiting het bevoegde orgaan om vast te stellen welke situatie zich heeft voorgedaan. Daar kan geen enkele staat zijn eigen oordeel tegenover stellen. Dit geldt ook voor een bondgenootschap als de NAVO. Met andere woorden: de Verenigde Staten en bondgenoten handelen niet rechtmatig wanneer zij de terroristische aanslagen van 11 september toch als een gewapende aanval betitelen en op grond daarvan militair geweld gebruiken. Verder is relevant dat de Veiligheidsraad niet heeft besloten dat militaire middelen moeten worden gebruikt om het internationaal terrorisme te bestrijden. Nu geen sprake kan zijn van zelfverdediging of van uitvoering van een beslissing van de Veiligheidsraad, vormt het Amerikaans-Britse geweld tegen Afghanistan dus een inbreuk op het geweldverbod. Daarmee plegen de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk het meest ernstige volkenrechtelijke misdaad, die van agressie.

Toch steunt de Nederlandse regering de Amerikaans-Britse gedragslijn. Daarbij schroomt zij niet om aan de Tweede Kamer een onjuiste voorstelling van zaken te presenteren. Zo stelt de regering zelfs dat resolutie 1368 van de Veiligheidsraad steun biedt voor een gewapende reactie op de aanslagen. Zij kiest dus willens en wetens voor een gewelddadige en misdadige politiek. Daarbij wordt op onbegrijpelijk lichtzinnige wijze voorbij gegaan aan een rechtsontwikkeling die gebaseerd is op het inzicht dat de oorlog een inherent kwaad is, welk inzicht door onnoemelijk menselijk leed is verkregen. Door die misdadige politiek wordt afbreuk gedaan aan de internationale rechtsorde, die de waardigheid en waarde van ieder mens beoogt te beschermen. Het geweldverbod wordt ondermijnd. Zeker in een rechtsstaat die in zijn Grondwet de regering opdraagt de internationale rechtsorde te bevorderen, is een dergelijke politieke keuze onaanvaardbaar.

mr. Meindert J.F. Stelling
voorzitter van de Vereniging van Juristen voor de Vrede

_____