Ministerie van Financiën

Aan de voorzitter van de

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Plein 2

2511 CR DEN HAAG

Datum Uw brief Ons kenmerk (Kenmerk)

8 februari FM 2002-0199-M 2002

Onderwerp

Hervorming toezicht

Ter informatie zend ik u bijgaand kopie van een briefwisseling met de bestuursvoorzitter van het Verbond van Verzekeraars.

DE MINISTER VAN FINANCIËN,

Verbond van Verzekeraars

t.a.v. mr. P. van de Geijn

Voorzitter

Postbus 93450

2509 AL Den Haag

Datum Uw brief Ons kenmerk (Kenmerk)

8 februari 2002dir/171/js FM 2002-00199 M 2002

Onderwerp

Hervorming toezicht

Geachte heer Van de Geijn,

Bij de verkenningen rond de hervorming van het toezicht op de financiële marktsector heeft uitgebreide consultatie plaatsgevonden van de verschillende marktpartijen. Zowel vanuit Financiën als vanuit de toezichthouders zijn gesprekken gevoerd met de vertegenwoordigende organen van en sleutelfiguren uit de financiële marktsector. De gesprekken die ik persoonlijk heb gevoerd, waaronder verschillende met (leden van) uw bestuur, heb ik als nuttig ervaren. In de uitwerking van de voornemens heeft de uitkomst daarvan dan ook ten volle meegewogen.

In uw brief d.d. 6 februari jl. geeft u aan dat ik de Tweede Kamer in het algemeen overleg met de Vaste Commissie voor Financiën op 5 februari jl. onjuist zou hebben geïnformeerd. Hierbij geef ik een toelichting waarom dat mijns inziens niet het geval is.

Enkele weken geleden, op 16 januari, was ik te gast bij het voltallig bestuur van het Verbond van Verzekeraars. Wij hebben daarbij uitgebreid overlegd over een selectie van onderwerpen, waaronder de institutionele vormgeving van het toezicht. Deze onderwerpen stonden ter vrije bespreking op de agenda en zijn tevoren door uw directeur met een achtergrondnotitie aan mij gezonden.

Voor dit overleg hebben wij uitgebreid de tijd genomen. Zoals u in uw blad Bondig daarna correct heeft vermeld, is ook het onderwerp hervorming toezicht aan de orde geweest. Door het bestuur is, volgens mijn waarneming, tijdens dit overleg geen kritiek geuit op de hoofdlijnen van de hervorming van het toezicht. In tegendeel, van de zijde van uw bestuur is aangegeven dat de evolutionaire aanpak waartoe het kabinet heeft besloten, een goede is.

Mijn aldus in recent gesprek met uw voltallig bestuur verkregen indruk, die spoorde met het eerdere gesprek met u en uw vice-voorzitter uitsluitend over dit onderwerp op 26 september jl. en overigens ook met het door u genoemde krantenbericht van onlangs 4 februari, dat uw bestuur uit de voeten kan met de hervorming van het toezicht op verzekeraars heb ik in het algemeen overleg van 5 februari jl. ingebracht als een perceptie mijnerzijds. Ik heb uiteraard niet beoogd om de geloofwaardigheid van het Verbond te schaden of de informatievoorziening aan de Tweede Kamer tekort te doen. Het spijt me dat er zo'n groot verschil is tussen de indruk die ik heb gekregen uit de met bestuursleden en het voltallige bestuur gevoerde gesprekken en uw brief van 6 februari jl. Gezien uw parlementair zeer relevante stelling dat ik de Tweede Kamer onjuist heb geïnformeerd, zend ik afschrift van onze correspondentie aan de Tweede Kamer, zoals ik afgelopen najaar ook de volledige reactie van het Verbond op het voorstel van de toezichthouders als bijlage bij de nota aan de Tweede Kamer heb gezonden.

Desondanks nodig ik u uit om concrete aandachtspunten aan te reiken zodat deze bij de implementatie van de stapsgewijze hervorming van het toezicht kunnen worden meegewogen. De door het Verbond onlangs aan de Kamer aangeboden lijst van mogelijke, ook in mijn optiek te vermijden doublures tussen toezichthouders in de nieuwe constellatie levert daaraan een bijdrage. Deze zal bij de uitwerking door Financiën en de toezichthouders, net zoals dat in een eerder stadium (in de nota) gebeurde met de inhoudelijke bijdragen van de verschillende betrokken organisaties, zorgvuldig worden meegenomen. Meer in den brede is het mijn hoop en verwachting dat ook het Verbond bij de verdere stapsgewijze invulling van de evolutionaire hervorming van het toezicht op de financiële marktsector volop constructief betrokken zal willen zijn.

DE MINISTER VAN FINANCIËN,