Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij

De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018
2500 EA Den Haag
uw brief van

uw kenmerk

ons kenmerk
TRCJZ/2002/3138
datum
12-03-2002

onderwerp
Evaluatie kampeerregelgeving

bijlagen
1

Geachte voorzitter,

Conform mijn toezeggingen gedaan in de Beleidsbrief Toerisme en Recreatie van 4 juli 2001 (TK 2001-2002, 26 419, nr.6), de brief over de versterking van de rechtspositie van langkampeerders van 5 juli 2001 (TK 2001-2002, 27 400-XI, nr.91), alsmede tijdens het over deze brieven gehouden Algemeen Overleg van respectievelijk 10 oktober 2001 en 1 november 2001, doe ik u hierbij - mede namens de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer - het rapport over de evaluatie van de kampeerregelgeving van de Wet op de openluchtrecreatie toekomen, alsmede mijn standpunten en voornemens hieromtrent.

datum
12-03-2002

kenmerk
TRCJZ/2002/3138

bijlage

1. Inleiding

Overeenkomstig mijn toezeggingen stonden bij de uitgevoerde evaluatie de volgende onderwerpen centraal:
* De doorwerking van de kampeerregelgeving in het gemeentelijk beleid;
* De evaluatie van de werking van het Besluit hygiëne, gezondheid en veiligheid van kampeerterreinen;
* Een beoordeling van mogelijke verruimingen van de regeling voor het kamperen bij de boer;
* Een beoordeling van de positie van gebruikers van kampeerauto's (campers) in relatie tot de huidige regelgeving.

Ook is overeenkomstig het verzoek van de SP-fractie in de evaluatie de vraag betrokken of de gemeentelijke kampeerverordening, zoals deze ten tijde van de vroegere Kampeerwet bestond, opnieuw verplicht zou moeten worden gesteld.

Ten behoeve van dit evaluatieonderzoek is een schriftelijke enquête gehouden onder alle Nederlandse gemeenten, met een respons van 66%, hetgeen voor dit type onderzoek als zeer hoog kan worden beschouwd. Daarnaast zijn 36 interviews gehouden bij gemeenten, bij de ministeries van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, van Economische Zaken, van Verkeer en Waterstaat en van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, bij het Vakberaad Recreatie en Toerisme van de provincies, bij de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, bij verschillende handhavende en controlerende instanties en bij verschillende belangenorganisaties.

2. Inhoud van het rapport en beleidsconclusies per onderwerp

Voor elk van de hierboven aangeduide onderwerpen van de evaluatie worden hieronder na vermelding van de belangrijkste bevindingen uit het rapport beleidsconclusies getrokken en voorstellen voor te ondernemen acties geformuleerd.

2.1 Doorwerking van de kampeerregelgeving in het gemeentelijk beleid

De kampeerregelgeving van de Wet op de openluchtrecreatie (verder: WOR) biedt de gemeenten een ruime mate van vrijheid om lokaal maatwerk te bieden bij de vormgeving en uitvoering van het kampeerbeleid. Uit het onderzoek komt naar voren dat de gemeenten dit ook zo ervaren. De WOR is voor de gemeenten een werkbare wet, die hen niet voor beleidsproblemen stelt.
De beleidsvrijheid, die de gemeenten hebben, heeft evenwel niet geleid tot vergroting van de diversiteit aan kampeermogelijkheden. Ten opzichte van de Kampeerwet heeft de WOR in de praktijk weinig verandering gebracht. Vooral het kleinschalig kamperen buiten kampeerterreinen, dat door gebruikmaking van artikel 15 kan worden bevorderd, komt weinig voor. Deze vormen van zogenoemd 'vrij kamperen' kunnen door de gemeenteraad bij verordening worden gereguleerd. In de praktijk wordt deze mogelijkheid onvoldoende benut. Aan de uitvoering en handhaving van de WOR wordt in de gemeentelijke praktijk slechts een bescheiden plaats toegekend. Gemiddeld is per gemeente voor uitvoering én handhaving slechts 0,15 formatieplaats beschikbaar. Gevolg daarvan is dat een deel van de vergunningen, ontheffingen en vrijstellingen, die ooit zijn verleend op basis van de vroegere Kampeerwet, nog niet zijn aangepast aan de WOR. Ook leidt dit ertoe dat gemeenten weinig kritisch zijn bij het verlenen van vergunningen of ontheffingen en dat het intrekken of weigeren van een vergunning of ontheffing zelden gebeurt.

Hoewel de meeste gemeenten op enigerlei wijze het kampeerbeleid hebben vastgelegd, wil ik hen de resultaten van dit onderzoek per brief voorleggen. Met name zal ik aandacht vragen voor de volgende zaken: a. het wegwerken van achterstanden bij het aanpassen van vergunningen, ontheffingen en vrijstellingen aan de WOR; b. een kritischer toetsing bij verlening van vergunningen, vrijstellingen of ontheffingen;hiervoor zal ik aanvullende voorwaarden scheppen door middel van de in mijn eerder genoemde brief van 5 juli 2001 aangekondigde aanscherping van de artikelen 9 en 12 van de WOR; daarmee zal worden vastgelegd dat bij verlening van vergunningen het reglement, bedoeld in artikel 9, tweede lid, dient te worden getoetst aan de wettelijke vereisten en dat een vergunning kan worden ingetrokken indien aan deze wettelijke vereisten niet of niet meer wordt voldaan; c. de mogelijkheden die de WOR biedt voor vergroting van de diversiteit van het kampeeraanbod, waaronder kleinschalig kamperen buiten kampeerterreinen als bedoeld in artikel 15 WOR.

Ook zal ik de aandacht van de gemeenten vestigen op de aanbeveling van de onderzoekers om de genoemde formatieproblematiek te ondervangen door binnen het gemeentelijk apparaat dwarsverbanden aan te leggen tussen diensten en medewerkers die zich bezig houden met bijvoorbeeld het vergunningenbeleid, ruimtelijke ordening, milieubeleid, bouw- en woningtoezicht en handhaving. Daarmee kan ook een betere afstemming worden gerealiseerd tussen de gemeentelijke uitvoering van de WOR en de taken op het terrein van andere wetten en besluiten die een relatie hebben met het kamperen.

2.2 Handhaving van de aspecten hygiëne, gezondheid en veiligheid van kampeerterreinen

In het onderzoek is de werking van het Besluit hygiëne, gezondheid en veiligheid van kampeerterreinen geëvalueerd. Voor dit besluit is de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer verantwoordelijk. Het onderzoek heeft zich vooral geconcentreerd op de samenhang tussen de handhaving van het besluit en van andere regels die (mede) kampeerterreinen betreffen.
Uit het onderzoek blijkt dat bij gemeentelijke diensten, zoals bouw- en woningtoezicht, aan kampeerterreinen geen prioriteit wordt toegekend. Ook de inzet van andere controlerende instanties dan gemeenten is beperkt.
Op basis van andere wet- en regelgeving dan de WOR komen diverse controlerende instanties op campings. Deze handhaven op deelterreinen (legionella in watersystemen, opslag gevaarlijke stoffen, veiligheid speeltoestellen en zwemgelegenheden). Er is weinig onderlinge afstemming of bundeling van controles. Voor de kampeerondernemers levert dit een complex en onhelder beeld op.
Ten aanzien van de legionellabestrijding in drink- en badwater zal binnenkort gesproken kunnen worden van een beheerste situatie. Op het gebied van brandbeveiliging op kampeerterreinen, mede in verband met de opslag van brand- en milieugevaarlijke stoffen, is volgens de onderzoekers een beheerste situatie in het algemeen nog niet bereikt.

De situatie, die de onderzoekers schetsen, geven de minister van VROM en mij aanleiding om de Landelijke Coördinatie Commissie Milieuwethandhaving (LCCM) te verzoeken om nog dit jaar met een plan van aanpak te komen ten behoeve van betere stroomlijning en intensivering van controle- en handhavingsacties.

De handhaving zoals die in het kader van de Tijdelijke regeling legionellapreventie in leidingwater gestalte heeft gekregen, zal worden voortgezet en is erop gericht zo spoedig mogelijk een beheerste situatie te bereiken.

De conclusies met betrekking tot de brandbeveiliging op kampeerterreinen zijn voor de minister van VROM bovendien aanleiding om in samenwerking met de gemeenten en de brancheorganisaties grondig te onderzoeken of de bestaande regelgeving in voldoende mate sluitend is of dat - hetzij in algemene regelingen, dan wel in het meer specifiek op kampeerterreinen gerichte Besluit hygiëne, gezondheid en veiligheid - aanvullende voorschriften dienen te worden vastgesteld.

De aanbevelingen inzake een goede voorlichting aan ondernemers, met name de wenselijkheid dat de ondernemers de beschikking krijgen over een actueel overzicht van alle relevante milieu- en veiligheidseisen die voor hun bedrijven gelden, zullen door mij ter kennis worden gebracht van de brancheorganisaties. Het ligt op de weg van deze organisaties om hier verder gevolg aan te geven. Ook de in het rapport opgenomen aanbeveling om voor kampeerbedrijven te komen tot een systeem van veiligheidscertificering verdient het om door de betrokken organisaties op zijn mogelijkheden nader te worden onderzocht.

2.3 Mogelijkheden tot verruiming van kamperen bij de boer

Op basis van de kampeerregelgeving van de WOR kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling of ontheffing verlenen voor het houden van een kampeerterrein voor ten hoogste tien kampeermiddelen (artikel 8, tweede lid WOR). Op basis van artikel 8, derde lid, van de WOR kunnen burgemeester en wethouders voor door hen per kalenderjaar vast te stellen korte perioden het aantal toe te laten kampeermiddelen verhogen tot ten hoogste vijftien.

Kamperen bij de boer is de meest voorkomende vorm van kleinschalig kamperen. 69% van de gemeenten heeft er mee te maken. De duur die gemeenten voor de invulling van het begrip 'korte periode' hanteren bedraagt in bijna alle gevallen (92%) zes of meer aaneengesloten weken. Uit een uitspraak van de Arrondissementsrechtbank te Zutphen van 9 juli 1998 blijkt dat volgens de rechtbank een periode van 15 maart tot 31 oktober, dus het gehele kampeerseizoen, in redelijkheid niet als 'korte periode' kan worden beschouwd. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de mogelijkheid van verhoging van het aantal kampeermiddelen tot maximaal vijftien is bedoeld voor piekopvang tijdens het kampeerseizoen en dat daarbij gedacht moet worden aan perioden van hooguit 8 tot 10 weken, afhankelijk van de plaatselijke recreatiedruk.

Over de wenselijkheid het aantal te plaatsen kampeermiddelen te verruimen tot ten hoogste vijftien gedurende het gehele kampeerseizoen in plaats van gedurende korte perioden wordt verdeeld geoordeeld. Als belangrijkste tegenargumenten worden genoemd: vermindering van het kleinschalig karakter van kamperen bij de boer, verlies van het element piekopvang, belang van natuur en landschap, aspecten van ruimtelijke ordening, milieu en volksgezondheid en de concurrentiepositie in relatie tot reguliere kampeerbedrijven. Als belangrijke argumenten vóór verruiming gelden verbetering van de handhaafbaarheid door gemeenten, inspelen op de vraag, productverbetering en -vernieuwing, de al aanwezige ruimte en voorzieningen bij kampeerboeren beter benutten en het bijdragen aan plattelandsvernieuwing.

Op basis van de resultaten van het onderzoek constateer ik dat het hanteren van het begrip 'korte periode' gedurende welke, op basis van artikel 8, derde lid WOR, het aantal kampeerplaatsen kan worden verhoogd tot ten hoogste vijftien, in de praktijk tot onduidelijkheid en verschillen in interpretatie aanleiding geeft. Eenduidige en heldere regelgeving ten behoeve van gemeenten, ondernemers en kampeerders is gewenst. Daarom heb ik het voornemen om de aanbeveling van de onderzoekers te volgen en het plaatsen van ten hoogste vijftien kampeermiddelen toe te staan gedurende het gehele kampeerseizoen (15 maart tot en met 31 oktober). Dit betekent dat ik de inhoud van artikel 8, derde lid, van de WOR op dit punt zal aanpassen. De volgende argumentatie brengt mij hiertoe.
* In de eerste plaats constateer ik, dat op basis van de hiervoor aangeduide jurisprudentie reeds gedurende ten hoogste tien aaneengesloten weken per kalenderjaar het plaatsen van vijftien kampeermiddelen kan worden toegestaan. Dit betekent dat in beginsel de gehele periode van spreiding van zomervakanties in het onderwijs kan vallen binnen de periode waarin de gemeenten het aantal toe te laten kampeermiddelen kunnen verhogen tot maximaal vijftien. Bovendien kunnen gemeenten op basis van artikel 8, derde lid, van de WOR, indien zij dit wensen, meerdere korte perioden aanwijzen, waarin ten hoogste vijftien kampeermiddelen mogen worden geplaatst. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de periode van meivakantie, rond Hemelvaart, rond Pinksteren en de herfstvakantie. Zo'n 42% van de gemeenten, die met kamperen bij de boer te maken hebben, wijst ook daadwerkelijk reeds meerdere korte perioden in een kalenderjaar aan. Er is in de praktijk dus sprake van een opeenvolging van perioden waarin respectievelijk wel en niet het aantal kampeermiddelen kan worden verhoogd van tien naar vijftien. Voor ondernemers en kampeerders is dit een onduidelijke situatie die aanpassing behoeft.
* In de tweede plaats leidt de mogelijkheid om plaatsing van vijftien kampeermiddelen gedurende het gehele kampeerseizoen toe te staan voor de gemeenten tot een vereenvoudiging van uitvoering en controle en een vermindering van de handhavingslasten. * In de derde plaats is, zoals hiervoor al aangeduid, ook met de huidige regeling het plaatsen van vijftien kampeermiddelen gedurende alle schoolvakanties in de periode van 15 maart tot en met 31 oktober mogelijk. Het toestaan van vijftien kampeermiddelen gedurende het gehele kampeerseizoen zal dan ook nauwelijks effecten hebben op de concurrerentieverhouding tussen deze vorm van kleinschalig kamperen en vergunningplichtige bedrijven. Terecht wijzen bovendien de onderzoekers erop dat de concurrentieverhouding tussen bedrijven door vele factoren wordt bepaald. Uiteindelijk is de vraag van de consument naar mogelijkheden tot kleinschalig kamperen, zoals het kamperen bij de boer, doorslaggevend.
Van belang is dat vergunningplichtige kampeerbedrijven en aanbieders van kleinschalige kampeermogelijkheden samen een goed op elkaar afgestemd totaalproduct leveren, dat tegemoet komt aan de diversiteit in de vraag. Aan de gemeenten wordt aanbevolen om het initiatief te nemen tot het gezamenlijk met alle betrokkenen opstellen van een dergelijk toeristisch-recreatief totaalproduct per regio, waarin aandacht wordt besteed aan de diversiteit in het verblijfsrecreatief aanbod in samenhang met de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische kwaliteiten en de andere vormen van recreatief en toeristisch aanbod ter plaatse. * In de vierde plaats voorziet de WOR in voldoende mogelijkheden om ook bij het toestaan van vijftien kampeermiddelen gedurende het gehele kampeerseizoen het kleinschalig karakter van het kamperen bij de boer te handhaven en ongewenste ontwikkelingen tegen te gaan. Gemeenten kunnen immers met gebruikmaking van artikel 11 van de WOR aan de te verlenen ontheffing voorwaarden en voorschriften verbinden met betrekking tot onder meer landschappelijke inpassing, bescherming van natuur- en landschapswaarden en de aanwezigheid van voorzieningen op het terrein, alsmede aan soort en afmetingen van de toe te laten kampeermiddelen, waarmee bijvoorbeeld het plaatsen van stacaravans kan worden tegengegaan. De gemeenten worden opgeroepen om de mogelijkheden tot sturing die artikel 11 WOR biedt in dit kader ten volle te benutten.

Uit het onderzoek blijkt dat sommige geïnterviewden, waaronder de belangenorganisaties voor het kamperen bij de boer, er voor pleiten dat binnen het systeem van ontheffingen en vrijstellingen het plaatsen van 25 tot 40 kampeermiddelen wordt toegestaan. Zoals ik al eerder, onder andere in een brief van 16 mei 2000 aan de Stichting Vrije Recreatie, heb laten weten ben ik hiertoe niet bereid. De regels die op het gebied van ruimtelijke ordening, milieubeheer, gezondheid en hygiëne voor kleinschalig kamperen gelden zijn lichter dan die voor vergunningplichtige kampeerbedrijven. De reden voor deze uitzondering is gelegen in het kleinschalig karakter van deze terreinen. Met het conform de verzoeken verhogen van het aantal toegestane kampeermiddelen neemt enerzijds het kleinschalig karakter af, terwijl anderzijds het onderscheid met vergunningpichtige kampeerbedrijven vervaagt en er scheve concurrentieverhoudingen ontstaan, zeker waar dit het onderscheid in geldende voorschriften betreft. Ik voel mij door de resultaten van dit onderzoek gesterkt in mijn opvattingen. De meeste geïnterviewden geven immers te kennen dat bij aantallen van 25 tot 40 kampeermiddelen vergunningverlening en een positieve planologische bestemming is geboden.

2.4 De positie van kampeerauto's in relatie tot de huidige regelgeving

Zoals bekend hebben kampeerautobezitters in het afgelopen jaar er bij de Kamer en bij mij op aangedrongen om de WOR zodanig aan te passen dat zij in de toekomst in hun kampeerauto's op openbare parkeerplaatsen zouden mogen overnachten. Zij hebben er daarbij op gewezen dat dit in ons omringende landen wel is toegestaan. Dit verzoek is in het evaluatieonderzoek beoordeeld.

Volgens de WOR is een kampeerauto een kampeermiddel. Dit betekent dat het overnachten in een kampeerauto geregeld wordt door het regime van de kampeerregelgeving in de WOR. Concreet houdt dit in dat alleen overnacht mag worden in een kampeerauto, die staat op een kampeerterrein met een vergunning, ontheffing of vrijstelling. Volgens artikel 15, eerste lid, van de WOR kan bij verordening voor maximaal 5 kampeermiddelen voor een korte periode het kamperen buiten kampeerterreinen worden toegestaan. Hier kan ook het overnachten in kampeerauto's onder vallen. Gemeenten maken evenwel nauwelijks gebruik van de mogelijkheden die artikel 15 in dit verband biedt. Meer dan de helft van de gemeenten en ook het merendeel van de geïnterviewde andere overheden, natuur- en wegbeheerders wenst niet aan het verzoek van de kampeerauto-bezitters te voldoen. Hun standpunt is dat er voldoende voorzieningen voor kampeerauto's op kampeerterreinen aanwezig zijn. De vergelijking met de situatie in het buitenland gaat naar hun oordeel voor de Nederlandse situatie met de veel kortere reisafstanden niet op. Bovendien worden vooral veel bezwaren voor orde en veiligheid naar voren gebracht. Genoemd worden o.a. het gevaar voor overval en beroving, het ontbreken van sociale controle, mogelijke problemen met drugs en prostitutie, hygiënische problemen en aspecten van drukte, overlast en afval.

Ik concludeer dat er voor het verzoek van de kampeerautobezitters onvoldoende steun bestaat. Bovendien biedt artikel 15 WOR op zich voldoende mogelijkheden om desgewenst buiten kampeerterreinen faciliteiten voor kampeerautobezitters te realiseren. Ik roep de gemeenten op om deze mogelijkheden ook te benutten. Daarvoor hoeft de kampeerregelgeving van de WOR niet te worden aangepast.

2.5 Gemeentelijke kampeerverordening
De heer Poppe van de Socialistische Partij heeft mij gevraagd de noodzaak te onderzoeken van het opnieuw verplicht stellen van een gemeentelijke kampeerverordening, zoals de vroegere Kampeerwet vereiste. Uit het onderzoek blijkt dat deze noodzaak niet aanwezig is. Twee-derde van de gemeenten heeft het kampeerbeleid in enigerlei vorm vastgelegd, met name in een beleidsnota/-notitie of in een bestemmingsplan. Het formuleren van beleid is dan ook veel minder een probleem dan het uitvoeren en handhaven van dit beleid, waarop ik onder de punten 1 en 2 van deze brief ben ingegaan. Ik concludeer dat het niet nodig is de WOR op dit punt aan te passen.

3. Gevolgen voor de kampeerregelgeving WOR

De resultaten van het evaluatieonderzoek kampeerregelgeving geven mij aanleiding om artikel 8, derde lid, WOR aan te passen. Thans zal gestart worden met het uitwerken van de wetswijzigingen WOR, waartoe ook de wijzigingsvoorstellen behoren die aan de orde zijn geweest tijdens het Algemeen Overleg over het tegengaan van permanente bewoning van recreatieverblijven en de versterking rechtspositie langkampeerders van 1 november 2001, gebaseerd op mijn brief van 5 juli 2001 (TK 2000-2001, 27 400 XI, nr. 91). Ten behoeve van de versterking van de rechtspositie van langkampeerders zullen de artikelen 12 en 21 worden aangepast en zal artikel 9 op het punt van het door burgemeester en wethouders toetsen van het reglement bij het behandelen van een vergunningaanvraag worden geëxpliciteerd. De aangekondigde Algemene Maatregel van Bestuur ex artikel 32 WOR (Besluit zomerhuiscomplexen) ligt thans voor advies bij de Raad van State. Na ontvangst van het advies zal gewerkt worden aan zo snel mogelijke inwerkingtreding.

Samenvattend betekent het voorgaande dat in de afgelopen periode gefaseerd de gehele kampeerregelgeving van de WOR tegen het licht is gehouden en dat benodigde aanpassingen in procedure zijn.

De staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer
en Visserij,

G.H. Faber

Bijlage:
Evaluatie van de kampeerregelgeving eindrapport (Niet in elektronische vorm beschikbaar)


---