Uitspraak Hoge Raad LJN-nummer: AF2321 Zaaknr: 00402/02
Bron: Hoge Raad der Nederlanden 's-Gravenhage
Datum uitspraak: 4-02-2003
Datum publicatie: 4-02-2003
Soort zaak: straf -
Soort procedure: cassatie
4 februari 2003
Strafkamer
nr. 00402/02
AG/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het
Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 4 mei 2001, nummer 20/002697-00,
in de strafzaak tegen:
, geboren te op 1968,
wonende te (België).
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een bij verstek
gewezen vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te
Breda van 17 januari 1997 - de verdachte ter zake van 1. "aangifte
doen dat een strafbaar feit gepleegd is, wetende dat het niet gepleegd
is" en 2. "medeplegen van poging tot oplichting" veroordeeld tot zes
weken gevangenisstraf, voorwaardelijk met een proeftijd van twee
jaren, alsmede tot een geldboete van tweeduizend gulden, subsidiair 35
dagen hechtenis.
2. Geding in cassatie
2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr.
C.J. Driessen, advocaat te Oss, bij schriftuur een middel van cassatie
voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan
deel uit.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van
het beroep.
2.2. De Hoge Raad heeft kennis genomen van het schriftelijk commentaar
van de raadsman op de conclusie van de Advocaat-Generaal.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Het middel bevat onder meer de klacht dat de dagvaarding in
eerste aanleg niet op geldige wijze aan de verdachte is uitgereikt.
3.2.1. Tot de stukken behoren onder meer:
(i) een aan het dubbel van de dagvaarding in eerste aanleg gehechte
akte van uitreiking, die inhoudt dat die dagvaarding op 6 januari 1997
is uitgereikt aan de (waarnemend) griffier van de
Arrondissementsrechtbank te Breda, "omdat van de geadresseerde geen
woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is";
(ii) een aan het dubbel van de dagvaarding in eerste aanleg gehecht
Compas "verwerkingsoverzicht GBA-gegevens" van 20 december 1996 waarin
geen actuele adresgegevens van de verdachte zijn vermeld en dat onder
het hoofd "status persoon" inhoudt: "E per 19960101" en als historisch
adres vermeldt: ;
(iii) een aan het dubbel van de dagvaarding in hoger beroep gehechte
akte van uitreiking, die inhoudt dat die dagvaarding op 5 februari
2001 is uitgereikt aan de (waarnemend) griffier van de
Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch, "omdat van de
geadresseerde geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is" en
die voorts inhoudt als verklaring van de Advocaat-Generaal bij het Hof
dat de dagvaarding op 5 februari 2001 als aangetekende brief is
verzonden aan het adres van de geadresseerde in het buitenland, te
weten , (België);
(iv) een aan het onder 2.2. vermelde commentaar gehechte kopie van een
de verdachte betreffend gewaarmerkt afschrift van gegevens uit de
basisadministratie persoonsgegevens van de gemeente Goedereede van 1
februari 2001, onder meer inhoudende:
"Vertrokken op: 1 januari 1996
naar: België
Adres: (...)."
3.2.2. Zowel het vonnis in eerste aanleg als de bestreden uitspraak is
bij verstek gewezen.
3.3. Voorop gesteld moet worden dat indien op grond van het daartoe
ingestelde onderzoek als vaststaand kan worden aangenomen dat de
verdachte niet is ingeschreven in een gemeentelijke basisadministratie
persoonsgegevens (GBA) en niet in Nederland is gedetineerd, en van hem
ook niet een feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland, maar wel
een adres in het buitenland bekend is, de betekening van de
dagvaarding geschiedt door toezending van de dagvaarding door het
openbaar ministerie hetzij rechtstreeks aan het laatstbekende adres
van de verdachte in het buitenland, hetzij door tussenkomst van de
bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie (art. 588, tweede lid,
Sv). Door die toezending is de dagvaarding rechtsgeldig betekend. Als
datum waarop die betekening plaatsvindt, geldt de datum van de
verzending van de dagvaarding, waarvan aantekening dient te geschieden
in de akte van uitreiking (vgl. HR 12 maart 2002, NJ 2002, 317, rov.
3.19).
3.4. Bij het vorenstaande moet, voorzover in deze zaak van belang,
worden aangetekend dat wanneer volgens opgave van de GBA de verdachte
naar een ander land is vertrokken, eerst dan mag worden aangenomen dat
zijn woon- of verblijfplaats in het buitenland niet bekend is, indien
bij de desbetreffende gemeente - zonder resultaat - navraag is gedaan
of de verdachte bij zijn vertrek de voor de uitreiking van
gerechtelijke mededelingen benodigde adresgegevens heeft opgegeven en
of die gegevens zijn geadministreerd (vgl. HR 12 maart 2002, NJ 2002,
317 rov. 3.20 en HR 8 juni 1999, NJ 1999, 617).
3.5. Blijkens het op grond van art. 11 van het Besluit gemeentelijke
basisadministratie persoonsgegevens (KB van 8 september 1994, Stb.
1994, 690, welk Besluit nadien op hier niet van belang zijnde
onderdelen is gewijzigd) vastgestelde Logisch Ontwerp GBA (versie 1
vastgesteld bij Besluit van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken
van 19 september 1994, nr. GBA94/U117, Stcrt. 187 en nadien gewijzigd,
laatstelijk bij Besluit van de Minister van Grote Steden- en
Integratiebeleid van 27 augustus 2001, nr. BPR2001/U53903, Stcrt.
167), dat een systeembeschrijving van de inrichting en werking van de
gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens bevat, duidt de
vermelding van de letter E in de rubriek 'status persoon' aan dat het
bijhouden van de gegevens over een persoon in de basisadministratie is
opgeschort wegens vertrek naar het buitenland.
3.6. Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat alvorens bij
de betekening van de dagvaarding in eerste aanleg ervan mocht worden
uitgegaan dat van de verdachte geen woon- of verblijfplaats in het
buitenland bekend was navraag had moeten worden gedaan bij de gemeente
Goedereede waartoe behoort of de verdachte bij haar vertrek
de voor de uitreiking van gerechtelijke mededelingen benodigde
adresgegevens heeft opgegeven en of die gegevens zijn geadministreerd.
In aanmerking genomen dat de aan de Hoge Raad toegezonden stukken niet
inhouden dat zulks is geschied, is het in de bestreden uitspraak
besloten liggende oordeel van het Hof dat de dagvaarding in eerste
aanleg op geldige wijze is betekend, zonder nadere motivering die
ontbreekt, onbegrijpelijk.
3.7. De Hoge Raad zal de dagvaarding in eerste aanleg om
doelmatigheidsredenen nietig verklaren.
4. Slotsom
Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat als volgt moet worden
beslist.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
Vernietigt de bestreden uitspraak, behoudens voorzover daarbij het
vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Breda
is vernietigd;
Verklaart de dagvaarding in eerste aanleg nietig.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als
voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en W.A.M. van Schendel, in
bijzijn van de waarnemend-griffier I.W.P. Verboon, en uitgesproken op
4 februari 2003.
*** Conclusie ***
Nr. 00402/02
Mr Machielse
Zitting 17 december 2002
Conclusie inzake:
1. Het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft verdachte op 4 mei 2001
voor het doen van een valse aangifte en voor het medeplegen van poging
tot oplichting bij verstek veroordeeld tot een voorwaardelijke
gevangenisstraf van zes weken en tot een geldboete van fl. 1000,-.
2. Mr C.J. Driessen, advocaat te Oss, heeft cassatie ingesteld en een
schriftuur ingezonden, houdende één middel van cassatie, welk middel
in twee onderdelen uiteenvalt.
3.1. Het eerste onderdeel klaagt over de betekening van inleidende
dagvaarding. Verdachte zou sinds 16 januari 1996 zijn ingeschreven op
het adres te in België. De inleidende
dagvaarding is echter op 6 januari 1997 aan de griffier uitgereikt,
omdat van verdachte geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend
was. Volgens de steller van het middel is dit onjuist omdat verdachte
wél een bekend adres had, te weten het adres in België.
3.2. Uit het verwerkingsoverzicht GBA-gegevens dat is gehecht aan de
akte van uitreiking van de inleidende dagvaarding is op te maken dat
verdachte op 1 januari 1996 vertrokken is naar het buitenland zonder
dat dit verwerkingsoverzicht een gegeven bevat dat een aanknopingspunt
biedt voor het land waarheen zij zou zijn vertrokken. Onder deze
omstandigheden doet zich niet de situatie voor van HR NJ 1999,617,
waarin de vermelding van het land waarheen verdachte volgens het
verwerkingsoverzicht GBA-gegevens zou zijn vertrokken aanleiding
behoort te geven tot het inwinnen van nadere inlichtingen over het
adres in het buitenland dat verdachte bij de aangifte van vertrek
wellicht aan de GBA heeft medegedeeld.
Van verdachte was dus geen verblijf- of woonplaats in Nederland of in
het buitenland bekend, zodat de inleidende dagvaarding met
inachtneming van de voor zo een situatie geschreven regels is
uitgereikt.
3.3. De appeldagvaarding is op 5 februari 2001 uitgereikt aan de
griffier omdat in Nederland geen woon- of verblijfadres van verdachte
bekend was. De appelakte vermeldde evenwel het adres in België en de
A-G heeft dan ook in overeenstemming met art. 30 van het
Beneluxverdrag aangaande de uitlevering en de rechtshulp in strafzaken
de gerechtelijke brief op 5 februari 2001 aangetekend verzonden aan
dat adres. Ook die uitreiking voldoet dus aan de eisen.
4. Het middel faalt op alle onderdelen en kan naar mijn oordeel op de
voet van art. 81 RO worden verworpen.
Ambtshalve heb ik geen grond gevonden die tot vernietiging aanleiding
behoort te geven.
5. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden