Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

rampen

Opening Centrum voor gezondheidsonderzoek bij rampen

Spreekpunten voor de speech van de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Clémence Ross-Van Dorp, bij de opening van het Centrum voor gezondheidsonderzoek bij rampen op donderdag 13 maart 2003 te Bilthoven.

1. Opening Centrum voor gezondheidsonderzoek bij rampen

Spreekpunten voor de speech van de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Clémence Ross-Van Dorp bij de opening van het Centrum voor Gezondheidsonderzoek bij Rampen op donderdag 13 maart 2003 te Bilthoven. Wijzigingen voorbehouden. Alléén de uitgesproken tekst geldt! Dames en heren,
Ook voordat het centrum officieel geopend is, weet iedereen elkaar al te vinden. Hartelijk dank mijnheer de Ruiter voor het rapport, dat een handreiking geeft voor de logistieke orga- isatie van gezondheidsonderzoek bij rampen. Niet opnieuw het wiel uitvinden, maar erva- ingen uit het verleden bundelen en verder ontwikkelen. We denken misschien wel eens dat rampen in Nederland weinig voorkomen. Maar als je rampen op een rijtje zet, treft het onheil ons geregeld: de vliegtuigramp in Bijlmer dateert van tien jaar geleden en daarna hebben we nog te maken gehad met de legionella-besmetting op de Westfriese Flora in Bovenkarspel, de vuurwerkramp in Enschede, de nieuwjaarsbrand in Volendam, en vliegtuigrampen, zoals die met de Hercules. En dan ben ik nog niet eens volle- ig. Gezondheid is vaak een groot punt van zorg voor getroffenen, direct na de ramp, maar ook later.
En die rampen treffen velen. Natuurlijk in eerste plaats de slachtoffers en hun familieleden, die van de ene op de andere dag hun leven totaal ontwricht zien. Maar ook hulpverleners kunnen last ondervinden van de catastrofe die ze van nabij hebben meegemaakt. Tijdens de nasleep van de rampen in het verleden kwam bij betrokkenen steeds weer de vraag naar boven om gezondheidsonderzoek.
Veel mensen die zijn betrokken bij een ramp, krijgen later klachten en willen die onderzocht zien. De Bijlmerramp, die een enorm lange nasleep kende, heeft de politiek doen inzien dat ge- ondheidsonderzoek van groot belang is. Dergelijk onderzoek moet snel na de ramp op de juiste wijze van de grond komen. En goed geregisseerd worden. Tot dusver ontbeert Nederland een instituut dat de kennis en ervaring kan bundelen en snel toegankelijk maakt voor betrokkenen. En dat is geen goede zaak.
Vandaar dat de Tweede kamer na de parlementaire enquête over de Bijlmerramp heeft ver- zocht om een centrum voor gezondheidsonderzoek bij rampen in te richten. En nu is het zover dat ik dit centrum mag openen. Als onderdeel van het RIVM, dat in het verleden al veelvuldig heeft meegewerkt aan gezondheidsonderzoek, en dus over ervaring en expertise beschikt.

Het hoeft geen betoog dat ik erg blij ben dat dit centrum vandaag officieel van start gaat. Niet omdat er weer eens een nieuwe instantie gepresenteerd kan worden, maar omdat de komst van dit centrum zo enorm belangrijk is voor mensen die bij rampen betrokken zijn. Recente rampen, zoals die in Amsterdam, Enschedé en Volendam, tonen het belang aan van goede na- zorg.
Het ministerie van VWS heeft - mede door de Bijlmerenquête ­ de laatste jaren hard gewerkt aan een goede invulling van nazorg na rampen. Dan gaat het om drie dingen: 1. het oprichten en beheren van een informatie- en adviesfunctie voor slachtoffers 2. integrale psychosociale zorg
3. gezondheidsonderzoek

De opening van dit centrum heeft, u begrijpt het, alles te maken met dit laatste punt. In het verleden is het te vaak gebeurd dat gezondheidsklachten van slachtoffers niet serieus zijn genomen. Dan hoorde je al kort na de ramp: `Er is geen gevaar voor de volksgezondheid', of: `Uw klachten zijn niet aan de ramp toe te schrijven.' Met dergelijke dooddoeners help je de mensen niet. In tegendeel: ze voelen zich afgescheept, en dat kan ik me heel goed voorstel- len. Je moet hun klachten serieus nemen en onderzoeken. Het is een gegeven dat na rampen er veel mensen rondlopen met ­ soms onverklaarbare - lichamelijke klachten, en met posttrau-

2

matische stressklachten. Het gevoel serieus genomen te worden is belangrijk. Misschien wel belangrijker dan dat klachten na objectief onderzoek wel of niet worden erkend en verklaard. Met name de psychische klachten van betrokkenen werden in het verleden niet altijd serieus genomen.
Nu is het niet de bedoeling dat het Centrum voor Gezondheidsonderzoek bij Rampen de slachtoffers van rampen zelf gaat onderzoeken op lichamelijke, psychosomatische en psycho- sociale schade. Nee, het centrum moet ervoor zorgen dat het gezondheidsonderzoek zo snel mogelijk en zo goed mogelijk gedaan kan worden.
Zo moeten bijvoorbeeld lokale GGD-en snel aan de slag kunnen. Na een ramp en het besluit om gezondheidsonderzoek uit te voeren, heeft het centrum de taak om dit zo snel en goed mogelijk voor te bereiden. Het centrum beschikt over richtlijnen, protocollen, modellen, waar- mee andere organisaties die zich specifiek met de ramp bezighouden hun werk beter kunnen verrichten.
Op papier ziet het er allemaal mooi uit. Nu moet het centrum in de praktijk zijn waarde tonen. Ik zou graag zien dat het zo snel mogelijk een vaste, stevige plek in het veld krijgt. Die plaats zal het zelf moeten verdienen. Bijvoorbeeld door een goed model te ontwikkelen voor het op- zetten van een projectorganisatie. Of door te komen met een kwalitatief goede onderzoeks- opzet voor gezondheidsonderzoek bij calamiteiten. Wanneer je als nieuwe organisatie andere instellingen beter kunt laten functioneren, dan bewijs je snel je waarde. Ook maatschappelijk gezien geldt dat, wanneer de komst van het centrum leidt tot snel en goed gezondheidsonder- zoek.
Het doet mij veel plezier dat mw. Lanphen bereid is de Begeleidingscommissie te leiden. Zij is geen onbekend gezicht. Ze was voorzitter van de commissie die moest adviseren over de vormgeving van het centrum. Met mevrouw Lanphen aan het roer zal het centrum zich onge- twijfeld ontwikkelen tot een sterke organisatie die goed geworteld is in zijn omgeving. Een thema dat voor het CGOR mijns inziens centraal moet staan, is samenwerking. Samen- werking met bijvoorbeeld de GGD, die altijd een rol speelt bij de hulpverlening en advisering ter plekke. Dit jaar start een project, dat de basistaak van medische milieukundige van GGD- en nieuwe impulsen geeft. Deze impulsen zijn nodig, omdat gezondheidsonderzoek vaak plaatsvindt na rampen die met de externe veiligheid, het milieu ter plekke, samenhangen. Dit project wordt uiteraard samen gedaan met de VNG en VROM. Daar ben ik blij mee. Maar er zijn natuurlijk veel meer spelers rondom een ramp. Ik denk bijvoorbeeld aan de huis- artsen, de ggz, organisaties die geneeskundige hulpverlening bij rampen verlenen, maar ook aan andere kenniscentra. Ik noem de stichting Impact ­ die verzorgt de psychosociale hulp- verlening -, het Instituut van psychotrauma en het NIVU. Met name Impact is in dit verband een bijzondere organisatie. Impact is namelijk het broertje ­ of zusje ­ van het centrum voor gezondheidsonderzoek, en kan worden beschouwd als tweede pijler waarop het nazorgbeleid steunt. En dan is een goede verstandhouding en sa- menwerking een absolute must, ik denk ook aan een vorm van verdere integratie. Het voert te ver om nu aan te geven hoe alle lijntjes precies moeten gaan lopen, als maar dui- delijk is dat een goede samenwerking met betrokken instanties van het grootste belang is. En net zo belangrijk is het dat deze instanties in geval van calamiteiten automatisch het centrum voor gezondheidsonderzoek inschakelen.
Iedereen moet weten dat uw centrum fungeert als een spin in het web. Het moet een uitda- ging voor u zijn om zover te komen. Om u op weg te helpen heb ik tot en met 2005 geld op mijn begroting vrijgemaakt voor de verdere ontwikkeling, voor 2003 is een half miljoen euro beschikbaar. Zodat er uiteindelijk een centrum ontstaat dat snel na een ramp gezondheids-

3

onderzoek opzet, dat goed kan oordelen over het nut, noodzaak en de vorm van gezond- heidsonderzoek. En natuurlijk een centrum dat het werk van GGD-en en hulporganisaties verlicht.
Dan wil ik nu het centrum een plaats geven op het world-wide-web en de website starten. Zo, de website is in de lucht en iedereen kan vanaf dit moment het centrum vinden. Veel succes ermee.