CDA Rotterdam


Actueel

Rotterdam, 13 februari 2003
CDA steunt verzelfstandiging haven

BIJDRAGE van F.J. VAN DER HEIJDEN (CDA)
AAN HET DEBAT VERZELFSTANDIGING
GEMEENTELIJK HAVENBEDRIJF ROTTERDAM
OP DONDERDAG 13 FEBRUARI 2003

Voorzitter,

Tijdens dit debat had ik vandaag graag zij aan zij opgetrokken met de Partij van de Arbeid. Hoezeer ook het voortvarende optreden van wethouder Van Sluis de verzelfstandiging snel dichterbij heeft gebracht, de beslissende opdracht om de slagvaardigheid van ons havenbedrijf te verbeteren en de leiding daarvan meer positie te geven in het internationale krachtenveld van verkeer en vervoer kwam van de PvdA. Niet alleen van wethouder Simons, die veel voorwerk heeft gedaan en ook vlak voor zijn afscheid in zijn toespraak tot de Havenvereniging ondubbelzinnig de weg wees, die in zijn ogen onherroepelijk verder afgelegd zou moeten worden.

Veel verkenningen stamden trouwens uit de raadsperiode vóór zijn aantreden als havenwethouder. Een andere sociaal-democraat, die van belang is geweest, is minister Netelenbos, die steevast in haar onderhandelingen over de Tweede Maasvlakte uitzond, dat het Gemeentelijk Havenbedrijf zelfstandig moest worden. Zij zal waarschijnlijk ook onder invloed hebben gestaan van haar collega-minister de heer Klaas de Vries, die ondubbelzinnig als voorzitter van een onderzoekscommissie geen andere mogelijkheid voor een voorspoedige groei meende te zien.

DUBBELHARTIG DUBBELBESLUIT

Voor mij was het dan ook geen verrassing dat het college van B. en W. in juli 2001 na een gedegen rapport van de fine fleur van ons ambtenarenkorps besloot tot verder onderzoek naar de wegen die bewandeld zouden moeten worden om tot verzelfstandiging te komen. Immers een keur van rapporten en adviezen wees allang die weg. Wanneer in de toenmalige havencommissie niet het raadslid Peet de instemming zoals eigenlijk al betuigd door de havenwoordvoerder van de PvdA de heer Van Middelkoop had gecorrigeerd en het college daarop met een dubbelbesluit was gekomen dan was de verzelfstandiging een feit geweest. Een dubbelbesluit, dat kennelijk nu als dubbelhartig moet worden uitgelegd

Ik vertel dit nog een keer om het misbaar dat mevrouw Kuyper in de huidige commissie Economie, haven en milieu heeft gemaakt in een ander licht te plaatsen. Immers het voorgenomen besluit van dit college waaraan volgens haar `geen visie ten grondslag ligt` en waarvoor `de noodzaak niet is aangetoond` declasseert in feite ambtenaren, die juist zeer toegewijd zijn geweest aan het college met de sterke signatuur van de PvdA.
Dat de PvdA zorgen heeft over sommige aspecten (ik zal op enkele daarvan zo dadelijk ingaan) kan ik begrijpen, maar de harde afwijzing van wethouder Van Sluis, die tot het uiterste heeft getracht om eventueel sterk levende wensen te vernemen zodat die verwerkt konden worden, hebben niet de indruk gewekt dat de PvdA op de weg zou voortgaan, die het vorige college eigenlijk al had willen inslaan.

GEEN REFERENDUM

Helaas begrijp ik ook de bedoelingen van de heer Cremers niet, die na de mooie overwinning van zijn partij op 22 januari hoopte, dat de huidige coalitie toch ook rekening zou willen houden met de bijdrage van de herstelde PvdA in deze stad, waarvoor wethouder Van Sluis in de commissievergadering de deur al had opengezet. Of bedoelde hij, dat het dictaat van de PvdA voortaan weer serieus genomen moet worden.

Laat ik in dat licht ook gelijk het idee van de PvdA over een referendum hier gelijk afdoen zoals de partij dat verdient. Een referendum is nooit bedoeld om oppositie te voeren. Het is nooit bedoeld om je gram te halen. En is ook nooit bedoeld geweest als een instrument van de politiek zelf om zand in de besluitvormingsmachine te gooien als je het niet winnen kunt. Het is een instrument van het publiek en dan over iets dat het publiek raakt. Zelfs maar de veronderstelling dat je het kiezerspubliek kunt manipuleren om een kwestie van bestuur en organisatie op te lossen is verwerpelijk.

STEUN VOOR OVERHEIDS N.V.

De CDA fractie heeft er behoefte aan om aan te geven waarom zij STEUN geeft aan het voorgenomen besluit om een naamloze vennootschap op te richten, waarvan alle aandelen geheel in handen zijn van de overheid.

Commerciële slagkracht, bedrijfsmatige sturing, en verdere professionalisering van de leiding zijn absoluut noodzakelijk om de positie van de Rotterdamse haven te bewaken en verder te doen toenemen.

Professor dr. Wilfried van Vossen van de Belgische tak van Price Waterhouse Coopers rekende in januari 1999 dat al voor in termen van kansen en mogelijkheden. Zijn analyse van kansen en bedreigingen liet zien, dat bij een aangepaste organisatiestructuur veel was te winnen. Erger is dat hij ook voorrekende dat de huidige organisatiestructuur in feite het havenbedrijf niet langer ondersteunde in zijn missie.

Vier jaar later geldt dat nog steeds. Het internationale krachtenveld is zoals toen voorspeld sterk gewijzigd. De concurrerende havens wijzigen hun strategie in de richting van maximalisatie van toegevoegde waarde of tenminste een actieve rol bij de maximalisatie van overslag tegen minimale kostprijzen. In alle gevallen ziet men meer regie. En meer eigen onderhandelingsruimte waar binnen men snel kan beslissen.

De vraag is eigenlijk eenvoudig. Kan Rotterdam als haven mee in het nieuwe krachtenveld, dat steeds sterker wordt geregeerd door machtige consortia van rederijen, die de voorwaarden bepalen waaronder zij lading aan de wal willen zetten. Het antwoord is dat de Rotterdamse haven zich een sterke onderhandelingspositie moet verschaffen. Veel sterker dan een stedelijk politiek en ambtelijk apparaat met zijn vele lagen van besluitvorming kunnen bieden.

Een andere argument is dat het havengebied zich steeds meer buiten de stadsgrenzen bevindt waar de Rotterdamse overheid geen wetten van meden en perzen meer uitgeeft. Een nog sterker argument in dat licht is trouwens, dat de eisen die de ontwikkeling van de haven stelt beter door een meer onafhankelijk overheidsapparaat bediend kunnen worden. Men kan spreken van de ontvlechting van diffuse bevoegdheden ter zake van de havenexploitatie, de veiligheid, het milieu en de ordening.

PUBLIEKE TAKEN EN BELANGEN

Daarmee is ook een ander licht geworpen op de publieke taken die een havenbedrijf moet uitoefenen. In strakke uitvoeringsovereenkomsten, die ook op resultaat zijn af te rekenen zijn en blijven die publieke uitvoeringstaken uiteindelijk de verantwoordelijkheid van de overheid, die daar altijd op kan ingrijpen. Niet goed, mandaat terug. Er zijn er echter geen, die niet overdraagbaar zijn.

De publieke sturing waar het gaat om ordening, verkeer, milieu, veiligheid, economische ontwikkeling; zij blijven de verantwoordelijkheid van verschillende overheden, die de grenzen stellen waarbinnen een zelfstandig havenbedrijf (net als ieder ander bedrijf) dient te opereren.

Het belangrijkste element is het publieke belang, dat Rotterdam moet behouden bij het havenbedrijf. Niet het winstprincipe staat voorop. Niet het optimale rendement is richtsnoer voor de bedrijfspolitiek. Ook de vennootschap is dienstbaar aan de stad. En dat blijkt ook zonder meer uit statutaire doelstelling en voorts de overeenkomsten met het stadsbestuur. Niet alleen over voeding van de Rotterdamse schatkist maar ook door bij te dragen aan economische ontwikkeling, door bij bijvoorbeeld de ontwikkeling van nieuw stedelijk gebied. De plannen daarvoor kenen we al: de Naamloze Vennootschap Stadshavens, een uitstekend initiatief, dat trouwens in de boezem van het Havenbedrijf is ontstaan.

UITWRKING EN VORMGEVING

Over de vorming van de overheids N.V. valt veel te zeggen, maar de uitstekende stukken zoals het rapport de ondernemende overheid of overheidsonderneming, de bijdragen van het kantoor van Loyens en Loeff maar ook de brieven, die naar de raad zijn gestuurd naar aanleiding van de discussies in de raadscommissies laten niet veel onduidelijkheid bestaan over hoe (overigens soms zeer reële) problemen verder opgelost moeten worden.

Voor het CDA is dat aanleiding om aan de als het ware piketpalen te slaan voor de richting, die volgens ons in ieder geval daarbij genomen moet worden. Eventueel ook vast te leggen in uitspraken van de raad.

JURIDISCHE VORM

Een van de vraagstukken is natuurlijk hoe de naamloze vennootschap met weliswaar alle aandelen in overheidshand zich in hoofdzaken nog laat aansturen door het Rotterdamse gemeentebestuur in casu het college van B. en W. De uitleg van het college over de mogelijkheden bij een gewone Naamloze Vennootschap en na vier jaar bij een vennootschap onder een zogenaamde structuurregeling bevredigt mijn fractie. Waar het om gaat is, dat wordt vastgelegd dat benoemingen en ontslag van directie en Raad van Commissarissen, als mede het strategische beleid en de controle op de jaarstukken bij de gemeente blijven. En wat de gemeenteraad betreft, dat die op die drie terreinen invloed en controle moet kunnen behouden.

MOTIE WOUDENBERG RAADSBESLUITEN

Het moet natuurlijk ook duidelijk zijn, dat het gemeentebestuur zo maar niet aandelen van de overheids vennootschap kan vervreemden. Het CDA vindt het nodig dat daar het college (als het orgaan dat als aandeelhouder optreedt) daarbij sterk aan banden wordt gelegd.

MOTIE WOUDENBERG AANDELENBEZIT

Het CDA ziet daarbij zeer wel in, dat het verstandig is bij de eerste benoeming het voorzitterschap in handen te geven van de havenwethouder van Rotterdam. Verder is het goed om commissarissen te zoeken in kringen van internationale bestuurders van multi-nationale bedrijven, bestuurders van bedrijven, die behulpzaam kunnen zijn bij verdere innovatie in de haven en representanten van het degenen, die in de haven zaken doen. De Raad van Commissarissen is geen politiek bepaald onderonsje noch de gebundelde belangenvereniging van Rotterdamse organisaties.

VERMOGENSSITUATIE

Een van de moeilijkste vraagstukken is hoe de financiële opzet van het nieuwe bedrijf moet zijn. Hier verschilt het CDA enigszins met het college.

Naar het ons voorkomt is het bedrijf met de sterkst mogelijke vermogenspositie gebaat. Het vastgoed in de haven (dat natuurlijk eigendom van de gemeente Rotterdam blijft) dient derhalve zo hoog mogelijk gekapitaliseerd te worden. Het idee van het college om de huidige afdracht vast te maken en vervolgens te indexeren betekent in feite een verplichting, die als een molensteen om de hals van de vennootschap zal hangen en de continuiteit van het bedrijf niet direct ten goede komt. Hier lijkt het dat het havenbedrijf al melkkoe is voordat het heeft kunnen grazen. Met name van de havenwethouder zou ik graag horen of ik mij hier deerlijk vergis.

Beter lijkt het toch om in principe af te rekenen op basis van performance en dividend uit te keren, eventueel op basis van een vastgelegd dividendbeleid. Immers op die wijze wordt voorkomen dat de geindexeerde verplichting de grondwaarde van het havenbedrijf naar beneden trekt, wat ongunstig is voor het opereren op de geldmarkt.

OORDEEL VAN DE ONDERNEMINGSRAAD

Voordat ik tot een slot oordeel kom wil ik nog iets zeggen over het oordeel van de ondernemingsraad van het havenbedrijf. Voor de oordeelsvorming is het belangrijk, dat de O.R. kansen ziet als overheids N.V. De concrete voorwaarden van de O.R. zoals die zijn gesteld in de werkconferentie met de leiding vindt het CDA zo belangrijk, dat we die in een raadsuitspraak graag willen bevestigen. In deze tijd vooral aangeven, dat er geen ontslagen vallen als gevolg van de overgang van een gemeentelijk bedrijf naar een overheidsvennootschap lijkt nog het belangrijkste. Alleen het voorbehoud om ook weer nadere voorwaarden te kunnen stellen lijkt vreemd omdat nu in feite het college opdracht wordt gegeven de overgang te regelen.

DESALNIETTEMIN MOTIE WERKGELEGENHEID

HAAST

Tenslotte: de CDA fractie is van mening , dat de voorbereiding sedert 1998 in brede en veelzijdige onderzoeken en rapportages is voorbereid.Er is nu veder haast geboden. Alle kaders voor het oprichten van een naamloze vennootschap met voorlopig alle aandelen in handen van de gemeente Rotterdam zijn in de nota Ondernemende Overheid en de voortreffelijke bijlagen geschetst. Het CDA is van mening dat de omvorming van het havenbedrijf per 1 januari 2004 afgerond moet zijn. Dat betekent, dat het besluit daartoe praktisch gesproken voor 31 mei moet zijn genomen. De Raad kan daartoe dan ook opdracht geven via de volgende motie:

INLAS MOTIE SNELHEID EN REGELING

Die snelheid kan ook gemaakt worden wanneer nog de thans geldende balans met bijbehorende accountantsverklaring, die tot 31 mei geldig is, wordt benut voor een zogenaamde nul balans voor de nieuw op te richten vennootschap

Belangrijker is trouwens nog, dat in Den Haag nu duidelijkheid moet ontstaan wat Rotterdam wil doen en wat daar de consequenties van zijn voor financiering en aanleg van bijvoorbeeld de Tweede Maasvlakte. De uitspraak van de heer Van Heemst in de krant van zaterdag is in dat licht alleen maar een aansporing tot haast.