Hoge Raad der Nederlanden
Uitspraak Hoge Raad LJN-nummer: AE9658 Zaaknr: 02183/01
Bron: Hoge Raad der Nederlanden 's-Gravenhage
Datum uitspraak: 25-02-2003
Datum publicatie: 25-02-2003
Soort zaak: straf -
Soort procedure: cassatie
25 februari 2003
Strafkamer
nr. 02183/01
ES/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te
's-Hertogenbosch van 20 april 2001, nummer 20/000500-00, in de
strafzaak tegen:
, geboren te (Indonesië) op
1940, wonende te .
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de
Arrondissementsrechtbank te Maastricht van 29 juli 1999, voorzover aan
'Hofs oordeel onderworpen, - de verdachte vrijgesproken van het hem
bij inleidende dagvaarding onder 11, 20, 21, 23, 25, 26, 28 primair,
29 en 30 tenlastegelegde en hem voorts ter zake van 3., 24. en 28.
subsidiair telkens opleverende: "valsheid in geschrift", 4. en 5.
telkens opleverende: "knevelarij", 6. "als ambtenaar door misbruik van
gezag iemand dwingen iets te doen", 7. "medeplichtigheid aan valsheid
in geschrift", 16. primair en 17. telkens opleverende: "valsheid in
geschrift", 18. en 19. telkens opleverende: "valsheid in geschrift,
gepleegd in authentieke akten", 22. primair "medeplegen van valsheid
in geschrift, gepleegd in authentieke akten" veroordeeld tot achttien
maanden gevangenisstraf. Voorts heeft het Hof de verdachte ontzet van
het recht tot het bekleden van ambten voor de duur van vijf jaren.
2. Geding in cassatie
2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr.
G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie
voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan
deel uit.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van
het beroep.
2.2. De Hoge Raad heeft kennis genomen van het schriftelijk commentaar
van de raadsman op de conclusie van de Advocaat-Generaal.
3. Beoordeling van het eerste middel
3.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof aan het in de
tenlastelegging onder 4 en 5 opgenomen bestanddeel "in de uitoefening
van zijn bediening" als bedoeld in art. 366 Sr een onjuiste betekenis
heeft toegekend, althans dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan
volgen dat de verdachte in de uitoefening van zijn bediening handelde.
3.2. Ten laste van de verdachte is - voorzover voor de beoordeling van het middel van belang - bewezenverklaard dat hij: "4. op enig tijdstip in de periode van 1 januari 1992 tot en met 28 februari 1992 in de gemeente Sittard, als ambtenaar van de burgerlijke stand in de gemeente Sittard, in de uitoefening van zijn bediening, te weten in het kader van verrichtingen en werkzaamheden die hij, verdachte, als ambtenaar van de burgerlijke stand verrichtte ten behoeve van het tussen en te sluiten dan wel gesloten huwelijk, als verschuldigd aan een andere ambtenaar of aan enig openbare kas, te weten als verschuldigd aan , hoofd vreemdelingendienst van de politie in het district Sittard, of als verschuldigd aan die vreemdelingendienst, van heeft gevorderd en heeft ontvangen een geldbedrag van f 2.500,00 van welk geldbedrag hij, verdachte, wist dat het niet verschuldigd was;
5. op enig tijdstip in de periode van 1 januari 1992 tot en met 28 februari 1992 in de gemeente Sittard, als ambtenaar van de burgerlijke stand in de gemeente Sittard, in de uitoefening van zijn bediening, te weten in het kader van verrichtingen en werkzaamheden die hij, verdachte, als ambtenaar van de burgerlijke stand verrichtte ten behoeve van het tussen en te sluiten dan wel gesloten huwelijk, als verschuldigd aan enig openbare kas, te weten als verschuldigd aan de vreemdelingendienst, van heeft gevorderd en heeft ontvangen een geldbedrag van f 2.000,00 van welk geldbedrag hij, verdachte, wist dat het niet verschuldigd was."
3.3. De bewezenverklaring van de feiten 4 en 5 steunt
- voorzover voor de beoordeling van het middel van belang - op de
navolgende bewijsmiddelen:
a. de verklaring van , inhoudende:
"Ik ben getrouwd geweest met . Eind 1991 is betrokkene
2 naar Nederland gekomen. kwam regelmatig haar zus
bezoeken. woonde toen nog bij mij, wij
waren echter inmiddels gescheiden. Op een gegeven moment moest
Nederland verlaten omdat haar visum was afgelopen.
zei toen tegen mij dat zij geen man kon vinden die met
haar wilde trouwen. , en
vroegen toen aan mij of ik niet met wilde trouwen.
wilde met een Nederlandse man trouwen zodat zij in
Nederland kan blijven. Ik heb toen tegen hun gezegd dat ik wel met
wilde trouwen. , ,
en ik zijn toen naar het gemeentehuis te Sittard
gegaan. We hebben toen gesproken met . liet
haar paspoort aan zien. zei, het visum is
afgelopen.
zei dat illegaal in Nederland was en
eigenlijk terug moest naar Marokko en daar een nieuw visum moest
aanvragen. zei ik kan dat wel in orde maken. We hebben
verteld dat en ik wilde trouwen. zei dat we
hem Fl 2500 moesten geven. Hij zou dat geld dan aan
geven. is de chef van de vreemdelingendienst Sittard.
In februari 1992 zijn en ik getrouwd op het
gemeentehuis in Sittard. heeft het huwelijk voltrokken.
zei dat hij naar had gebeld en dat het mij
Fl 2500 zou kosten. Ik zei tegen ik heb geen geld.
zei dat ik het dan maar van de bank moest lenen.
zei tegen mij dat ik over een week de Fl 2500,- aan hem
moest geven. Hij zou dat dan aan geven. Hierna heeft
het huwelijk voltrokken.
Een paar dagen later ben ik naar de SNS bank in Sittard gegaan en heb
daar Fl 2500 geleend. Ik kreeg zonder problemen de Fl 2500,-.
Dezelfde dag ben ik naar het gemeentehuis gegaan en heb de
Fl 2500,- gegeven. Ik heb het geld op zijn kantoor aan hem gegeven. Ik
had het geld in een enveloppe gestopt. haalde het geld uit
de enveloppe en telde het na. Hij zei dat hij het geld zou afgeven aan
."
b. de verklaring van , inhoudende:
"Ik ben naar het gemeentehuis te Sittard gegaan om te informeren welke
papieren ik precies nodig had om met te trouwen. In het
gemeentehuis werden ik geholpen door . heet van
zijn achternaam . zei tegen mij dat ik alleen maar
mijn marokkaanse paspoort nodig had en een geboorteakte uit Marokko.
Verder vroeg hij volgens mij geen papieren. Hij zei tegen mij ook dat
ik FL 2000,- moest betalen voor de politie om een verblijfsvergunning
te krijgen. Ik vond het op dat moment wel veel geld en vroeg hem waar
dit voor was. Hij zei mij dat dit voor de politie was. zei
mij dat als ik de FL 2000,- niet zou betalen dan zou ik geen
verblijfsvergunning krijgen en dan zou ik terug gestuurd worden naar
Marokko. Ik werd daardoor heel bang en dacht dat ik dan terug zou
moeten naar Marokko. Ik wilde niet terug naar Marokko maar wilde in
Nederland blijven. zei mij dat ik dit niet met betrokkene
1 mocht bespreken.
Daarna werd ik thuis gebeld door . Ik was toen alleen
thuis. zei mij toen dat hij het dossier van mij nog niet
verzonden had naar de vreemdelingendienst. Hij verzocht tevens of ik
naar het gemeentehuis kon komen. Ik ben toen alleen naar het
gemeentehuis in Sittard gegaan. Ik werd daar ontvangen door
. Ik vroeg hem hoe het met mijn verblijfsvergunning zat.
Hij zei toen dat ik dan eerst de FL 2000,- moest betalen voor de
politie. (...) Een dag nadat ik de bankbiljetten had gewisseld ben ik
samen met naar het gemeentehuis gegaan. Ik ben toen
naar de balie daar gegaan. Ik heb toen gevraagd naar en
deze kwam eraan en hij heeft ons meegenomen naar de trouwzaal. Ik weet
zeker dat het de trouwzaal was. Ik heb daar de enveloppe met de twee
briefjes van FL 1000,- aan de gegeven."
3.4. De bestreden uitspraak houdt - voorzover hier van belang - het
volgende in:
"Met betrekking tot het onder 4 en 5 bewezenverklaarde heeft de
raadsman van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep gepleit
voor vrijspraak, daartoe stellende dat, zo al bewezen zou zijn dat
verdachte geld heeft gevorderd en ontvangen van en
zoals nader omschreven, dit vorderen en innen door de
verdachte als ambtenaar van de burgerlijke stand ten behoeve van de
vreemdelingendienst niet plaatsvond in de uitoefening van zijn
bediening.
Het hof stelt voorop dat de kwestie of het handelen van verdachte werd
gedekt door een formele bevoegdheid en verdachte derhalve in de
rechtmatige uitoefening van zijn bediening was, gelet op de
delictsomschrijving van artikel 366 van het Wetboek van Strafrecht,
niet aan de orde is.
Het hof is voorts van oordeel dat voor de vraag of het
bewezenverklaarde handelen van verdachte plaatsvond in de uitoefening
van zijn bediening doorslaggevend is of verdachte door de burgers,
zoals in casu en werd gezien en ook
redelijkerwijs gezien kon worden als een ambtenaar die geld vorderde
en ontving ten behoeve van de Vreemdelingendienst. Het hof is van
oordeel dat, gelet op de indruk die verdachte op burgers, te weten in
casu en maakte, dit inderdaad het geval
is. Het verweer van de raadsman wordt mitsdien verworpen."
3.5. Art. 366 Sr luidt:
"De ambtenaar die in de uitoefening van zijn bediening, als
verschuldigd aan hemzelf, aan een ander ambtenaar of aan enige
openbare kas, vordert of ontvangt of bij een uitbetaling terughoudt
hetgeen hij weet dat niet verschuldigd is, wordt, als schuldig aan
knevelarij, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of
geldboete van de vijfde categorie."
3.6. Volgens de Memorie van Toelichting behelst deze bepaling het
volgende, voorzover hier van belang:
"Tot het wezen der knevelarij wordt vereischt:
1. dat de ambtenaar iets vordert of ontvangt hetgeen hij wist niet
verschuldigd te zijn;
2. dat hij dit in de uitoefening zijner bediening doet;
3. dat hij het heeft doen voorkomen alsof het gevorderde of ontvangene
werkelijk verschuldigd was, hetzij aan hem zelven, hetzij aan een
ander ambtenaar, hetzij aan eene openbare kas."
(Smidt III, p. 70)
3.7. Aan de orde is de vraag wat in de genoemde bepaling moet worden
verstaan onder de woorden "in de uitoefening van zijn bediening". De
Hoge Raad heeft zich over die vraag uitgesproken bij arrest van 17
oktober 1892, W 6275. Onder verwijzing naar onder meer dat arrest
neemt het middel tot uitgangspunt dat de verdachte de vordering tot
betaling niet deed "in de uitoefening van zijn bediening" aangezien
niet is kunnen blijken dat de verdachte "belast was met het innen van
leges voor een huwelijk noch dat het innen van geld ten behoeve van de
vreemdelingendienst tot zijn takenpakket behoorde". Daarmee wordt het
standpunt ingenomen dat de ambtenaar om strafbaar te zijn gedragingen
moet hebben verricht die rechtstreeks voortvloeien uit de aan zijn
ambt verbonden taakuitoefening en bevoegdheden.
3.8. Noch uit de tekst van art. 366 Sr noch uit de geschiedenis van de
totstandkoming van die bepaling valt af te leiden dat de daar bedoelde
gedragingen slechts strafbaar zijn in het in het middel voorgestane
geval.
Een redelijke uitleg van die bepaling brengt mee dat met de
bewoordingen "in de uitoefening van zijn bediening" niet de eis wordt
gesteld dat de gedragingen van de ambtenaar rechtstreeks voortvloeien
uit de aan zijn ambt verbonden taakuitoefening en bevoegdheden, maar
dat zijn ambt hem tot het verrichten van die gedragingen in staat
stelt.
3.9. Blijkens de gebezigde bewijsmiddelen heeft het Hof het volgende
als vaststaand aangenomen.
en , die niet de Nederlandse
nationaliteit bezit, hebben zich tot de verdachte als ambtenaar van de
burgerlijke stand gericht in verband met hun voorgenomen huwelijk. In
die hoedanigheid heeft de verdachte geconstateerd dat
niet rechtmatig in Nederland verbleef en heeft hij het doen voorkomen
dat hij tegen betaling van fl 2.500,- voor een legale verblijfsstatus
van zou kunnen zorgen. Zonder dat er
iets van mocht weten, vroeg hij met hetzelfde doel ook nog van
de betaling van een bedrag van fl 2.000,-. Betrokkene
1 en hebben de bedragen ieder afzonderlijk aan de
verdachte betaald.
3.10. In het licht van die vaststellingen, waaruit kan volgen dat de
verdachte van en de onverplichte
betalingen heeft gevorderd en ontvangen terwijl zijn hoedanigheid van
ambtenaar van de burgerlijke stand hem daartoe in staat stelde,
getuigt het oordeel van het Hof dat de verdachte "in de uitoefening
van zijn bediening" was in de betekenis die art. 366 Sr daaraan geeft,
niet van een onjuiste rechtsopvatting. Dit oordeel is voorts niet
onbegrijpelijk.
3.11. Het middel faalt.
4. Beoordeling van de overige middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art.
81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot
beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of
de rechtsontwikkeling.
5. Slotsom
Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad
ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak
ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden
verworpen.
6. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als
voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens, A.M.J. van
Buchem-Spapens, J.P. Balkema en B.C. de Savornin Lohman, in bijzijn
van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 25 februari 2003.
*** Conclusie ***
Nr. 02183/01
Mr Machielse
Zitting 22 oktober 2002
Conclusie inzake:
1. Het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft verdachte op 20 juni 2001
voor - kort gezegd - de misdrijven van art. 225 Sr (feiten 3, 7, 16,
17 en 24), art. 366 Sr (feiten 4 en 5), art. 365 Sr (feit 6) en art.
226 Sr (feiten 18, 19 en 22) veroordeeld tot een gevangenisstraf van
18 maanden en hem voor de duur van vijf jaren uit het recht onzet
ambten te bekleden.
2. Mr C.L.J.M. Wilhelmus, advocaat te Sittard, heeft cassatie
ingesteld. Mr G. Spong, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur
ingezonden, houdende zes middelen van cassatie.
3.1. Inzake het eerste middel wil ik vooreerst wijzen op een
onjuistheid die de steller kennelijk uit Tekst en Commentaar, aant. 1
bij art. 366 Sr, heeft overgenomen. T&C meldt daar dat de Wet van 10
maart 1984, Stb. 91, in werking zou zijn getreden op 1 mei 1994. De
Wet van 10 maart 1984 is de Wet vermogenssancties. Deze is in werking
getreden niet in 1994, maar op 1 mei 1984, zoals ook aant. 1 bij art.
366 in NLR met juistheid vermeldt.
3.2. Het eerste middel klaagt over de bewezenverklaring van de feiten
4 en 5. Het hof zou aan de woorden "in de uitoefening van zijn
bediening" als bedoeld in art. 366 Sr een onjuiste uitleg hebben
gegeven, althans zou uit de inhoud der gebezigde bewijsmiddelen niet
kunnen volgen dat verdachte heeft gehandeld in de uitoefening van zijn
bediening.
Het hof heeft zijn opvatting over de betekenis van deze uitdrukking in
de volgende overweging neergelegd:
Het hof stelt voorop dat de kwestie of het handelen van verdachte werd
gedekt door een formele bevoegdheid en verdachte derhalve in de
rechtmatige uitoefening van zijn bediening was, gelet op de
delictsomschrijving van artikel 366 van het Wetboek van Strafrecht,
niet aan de orde is.
Het hof is voorts van oordeel dat voor de vraag of het
bewezenverklaarde handelen van verdachte plaatsvond in de uitoefening
van zijn bediening doorslaggevend is of verdachte door de burgers,
zoals in casu en werd gezien en ook
redelijkerwijs gezien kon worden als een ambtenaar die geld vorderde
en ontving ten behoeve van de Vreemdelingendienst. Het hof is van
oordeel dat, gelet op de indruk die verdachte op burgers, te weten in
casu en maakte, dit inderdaad het geval
is. Het verweer van de raadsman wordt mitsdien verworpen.
3.3. De steller van het middel voert als bezwaar tegen deze uitleg aan
dat aldus de rechtszekerheid wordt ondermijnd, omdat de invulling van
een bestanddeel van art. 366 Sr wordt bepaald door de mening van de
burger in plaats van door een objectieve uitleg. Hij beroept zich op
een arrest uit 1892, W 6257, waarin de Hoge Raad besliste dat een
gemeentesecretaris niet belast is met het innen van rechten en leges
en daarom door voor het afgeven van bescheiden voor het aangaan van
een huwelijk een te hoog bedrag te vragen niet strafbaar wordt volgens
art. 366 Sr.
3.4. Bewezenverklaard is onder 4 dat verdachte
op enig tijdstip in de periode van 1 januari 1992 tot en met 28
februari 1992 in de gemeente Sittard, als ambtenaar van de burgerlijke
stand in de gemeente Sittard, in de uitoefening van zijn bediening, te
weten in het kader van de verrichtingen en werkzaamheden die hij,
verdachte, als ambtenaar van de burgerlijke stand verrichtte ten
behoeve van het tussen en te sluiten dan
wel gesloten huwelijk, als verschuldigd aan een andere ambtenaar of
aan enige openbare kas, te weten als verschuldigd aan ,
hoofd vreemdelingendienst van de politie in het district Sittard, of
als verschuldigd aan die vreemdelingendienst, van heeft
gevorderd en heeft ontvangen een geldbedrag van f. 2.500,00, van welk
geldbedrag hij, verdachte, wist dat het niet verschuldigd was;
En onder 5 dat verdachte
op enig tijdstip in de periode van 1 januari 1992 tot en met 28
februari 1992 in de gemeente Sittard, als ambtenaar van de burgerlijke
stand in de gemeente Sittard, in de uitoefening van zijn bediening, te
weten in het kader van de verrichtingen en werkzaamheden die hij,
verdachte, als ambtenaar van de burgerlijke stand verrichtte ten
behoeve van het tussen en te sluiten dan
wel gesloten huwelijk, als verschuldigd aan enige openbare kas, te
weten als verschuldigd aan de vreemdelingendienst, van
heeft gevorderd en heeft ontvangen een geldbedrag van f. 2.000,00, van
welk geldbedrag hij, verdachte, wist dat het niet verschuldigd was.
3.5. Voor het bewijs heeft het hof gebezigd de verklaring van
, inhoudende dat zij aan verdachte een bedrag van fl.
2000,- heeft betaald voor het krijgen van een verblijfsvergunning (p.
12 aanvulling). Dat bedrag zou voor de vreemdelingenpolitie bestemd
zijn. Verdachte heeft dat gezegd toen zij hem raadpleegde in verband
met haar voornemen te trouwen met . Zij wilde weten
welke papieren daarvoor nodig waren. Verdachte heeft haar toen
geantwoord dat zij haar Marokkaans paspoort en een geboortebewijs
moest overleggen en dat zij fl. 2500,- voor een verblijfsvergunning
moest betalen.
heeft eveneens verklaard dat hij aan verdachte fl.
2500,- moest geven voor de vreemdelingenpolitie toen en
verdachte raadpleegden in verband met hun voorgenomen
huwelijk. Dat geld heeft in het gemeentehuis aan
verdachte betaald (p. 19 aanvulling).(1)
3.6. Uit de inhoud van deze bewijsmiddelen is af te leiden dat
verdachte in zijn hoedanigheid van ambtenaar van de burgerlijke stand
is geraadpleegd over de eisen waaraan voldaan moet zijn wilden
en een huwelijk kunnen sluiten en dat
hij in dat kader om het geld heeft gevraagd. "In de uitoefening van
zijn bediening" in art. 366 Sr kan redelijkerwijs niet zo worden
uitgelegd dat de ambtenaar bevoegd moet zijn geweest de betaling in
ontvangst te nemen. De betaling moet immers onverschuldigd zijn
geweest. Als art. 366 Sr voorts enkel de situaties zou omvatten waarin
de ambtenaar wél bevoegd is in het algemeen zulke betalingen in
ontvangst te nemen maar nu juist deze betaling in concreto niet -
bijvoorbeeld omdat de ambtenaar weet wat de burger niet weet, dat de
laatste krachtens een afzonderlijke regeling van betaling is
vrijgesteld - zou het belang dat art. 366 Sr beoogt te beschermen, te
weten het voorkomen dat ambtenaren jegens burgers misbruik maken van
het overwicht dat aan gezagsdragers is toegekend en het waarborgen van
de onkreukbaarheid van het overheidsgezag, tekort worden gedaan. Ik
citeer met instemming uit NLR: "Het komt er dus alleen op aan of de
prestatie, ter zake waarvan gevorderd of ontvangen wordt, is een
verrichting van het ambt."(2) Verdachte is in zijn hoedanigheid van
ambtenaar van de burgerlijke stand geraadpleegd en heeft in die
hoedanigheid uitgelegd aan welke formaliteiten moest worden voldaan
wilden en een huwelijk kunnen sluiten.
Hij was in de uitoefening van zijn bediening toen hij geld verlangde
dat hij niet mocht vragen. Dat is een objectief gegeven waaraan de
steller van het middel zo blijkt te hechten.
In 's hofs overweging wordt tot uitdrukking gebracht dat het niet gaat
om de rechtmatigheid van de bediening maar om de bediening sec. Daarin
heeft het hof gelijk. Het hof heeft ook niet gemeend dat de
individuele gedachte van de burger over wat de bediening van de
ambtenaar kan inhouden doorslaggevend is, maar heeft daarin een zekere
objectivering betracht. Ik wil nog in zoverre met de steller van het
middel meegaan dat zelfs niet de redelijke inschatting van de burger
over de bevoegdheid van de ambtenaar de doorslag mag geven, maar enkel
diens wettelijke taak. Het feit moet gepleegd zijn in de uitoefening
van een wettelijke taak, niet in wat de burger voor de wettelijke taak
heeft gehouden of heeft kunnen houden. Het hof heeft daarom de
reikwijdte van art. 366 Sr opgerekt tot buiten die wettelijke
begrenzing. Maar dat behoeft niet tot cassatie te leiden omdat in de
inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen ligt besloten dat verdachte in
zijn ambtelijke bediening en te woord
heeft gestaan en hun als ambtenaar van de burgerlijke stand heeft
uitgelegd aan welke eisen zij moesten voldoen. In dezelfde zin moet
ook het arrest van 1892 worden gelezen; de gemeentesecretaris die zich
bezig houdt met het verrichten van handelingen die buiten zijn
wettelijke taakstelling vallen is niet in de uitoefening van zijn
bediening en daarom eo ipso daartoe onbevoegd.(3)
Het verschil in strafbedreiging in vergelijking met de artikelen 362
en 363 Sr waarop de steller van het middel wijst is verklaarbaar door
de verhoogde verwerpelijkheid van het misdrijf van art. 366 Sr. Het
belang van de bescherming van de burger tegen de misbruik makend
ambtenaar is immers in art. 366 Sr pregnanter dan in de artikelen 362
en 363 Sr, waarin omkoper en ambtenaar onder één hoedje plegen te
spelen.(4)
3.7. De steller van het middel verwijst nog naar de herziening van de
corruptiewetgeving waaruit niet zou zijn op te maken dat de wetgever
zich van de enge uitleg van art. 366 Sr heeft gedistantieerd. Ik wijs
evenwel op een passage in de memorie van toelichting waarin de
verhouding van het voorgestelde art. 362 Sr tot art. 366 Sr terloops
aan de orde wordt gesteld:
Opgemerkt zij dat het vragen van voordelen ook op dit moment heel wel
strafbaar kan zijn. Dit is het geval bij feiten die te kwalificeren
zijn als knevelarij (artikel 366 Sr) of uitlokking van actieve
omkoping.(5)
Deze uitlatingen getuigen naar mijn indruk niet bepaald van een enge
opvatting over art. 366 Sr zoals door de steller van het middel
voorgestaan.
Het eerste middel is tevergeefs voorgesteld.
4.1. Het tweede middel stelt dat het hof ten onrechte heeft verzuimd
de inleidende dagvaarding voorzover inhoudende feit 6 nietig te
verklaren, omdat dat onderdeel van de tenlastelegging rept van
"seksueel contact", waaronder volgens de steller van het middel, die
in dit verband verwijst naar een boekwerk waarvan de Hoge Raad geen
kennis neemt, allerlei seksuele gedragingen kunnen worden begrepen.
4.2. Het onderdeel van de tenlastelegging waarop het middel doelt moet
niet als op zichzelf staand worden beschouwd. Het vormt een onderdeel
van een groter geheel waarin sprake is van het onder druk zetten van
om met hem, verdachte, naar bed te (blijven) gaan en/of
gemeenschap te hebben door haar uitdrukkelijk voor te houden dat hij
alleen dan haar zou helpen met haar verblijfsvergunning en
naturalisatie; aldus heeft verdachte haar gedwongen tot seksueel
contact en/of vleselijke gemeenschap. Het is naar mijn mening
duidelijk dat de tenlastelegging doelt op het afdwingen van vleselijke
gemeenschap en de daarmee verbonden seksuele handelingen en dat dat
laatste bedoeld is met de aanduiding seksueel contact. Ik geef toe dat
de verbinding tussen de uitdrukkingen door het "en/of" de uitleg wat
compliceert, maar de vermelding van "seksueel contact" duidt, dunkt
mij, op andere handelingen van seksuele aard die aan het hebben van
geslachtsgemeenschap plegen vooraf te gaan, daarmee gepaard plegen te
gaan of daarop plegen te volgen.(6) Daarmee is het onderwerp van
onderzoek voldoende bepaald.
Voor verdachte is duidelijk geweest waarvan hij in dit verband werd
beschuldigd. Verdachte heeft ter terechtzitting van 4 april 2001
toegegeven dat hij vele malen met naar bed is geweest.
Het tweede middel faalt.
5.1. Het derde middel richt zich tegen de bewezenverklaring van het
onder 7 tenlastegelegde feit. Uit de inhoud der gebezigde
bewijsmiddelen zou niet kunnen volgen dat de daarin genoemde
'verklaring van geen bezwaar' in strijd met de waarheid zou zijn.
Nergens kan blijken, aldus de steller van het middel, dat betrokkene
1 wél bezwaar had. Daaraan zou niet afdoen dat nooit
op het adres van die heeft verbleven of gewoond en
evenmin dat zij daar nooit de nacht heeft doorgebracht, omdat men zijn
nachtrust ook overdag kan genieten.
5.2. Uit de voor het bewijs gebruikte verklaring van
(aanvulling p. 48 e.v.) blijkt dat zij wilde huwen met een zekere
, maar dat zo een huwelijk in België niet mogelijk was
omdat daar illegaal verbleef. Zij heeft toen verdachte
geraadpleegd die haar mededeelde dat een huwelijk in Nederland wel
mogelijk was, mits zij in Nederland zou zijn ingeschreven. Verdachte
heeft toen geregeld dat zich op het adres van
kon inschrijven. ging daarmee akkoord nu
het puur een administratieve aangelegenheid was, mits de inschrijving
van korte duur zou zijn. heeft nooit op het adres van
gewoond, maar zij kwam daar wel. heeft
in gelijke zin verklaard (aanvulling p.51 e.v.).
Het hof heeft klaarblijkelijk uit de verklaring van
geconcludeerd dat hij instemde met inschrijving op zijn adres juist
omdat het slechts een schijninschrijving was. Daaruit maakte het hof
voorts op dat de verklaring niet zou hebben getekend
indien de consequentie daarvan zou zijn geweest dat
werkelijk op zijn adres zou komen wonen. Ik acht deze afleidingen niet
onbegrijpelijk zodat het middel naar mijn oordeel faalt.
6.1. Het vierde middel stelt dat het hof heeft verzuimd te antwoorden
op het door verdachte gevoerde verweer dat de door hem bij de politie
afgelegde verklaringen onder druk, intimidatie en stress tot stand
zijn gekomen. De steller van het middel voert in dat verband aan dat
het hof in de bewijsmiddelen 3a en 17e dergelijke verklaringen zonder
meer voor het bewijs heeft gebezigd, zodat de bewezenverklaring
onvoldoende met redenen is omkleed.
6.2. Verdachte heeft zulks inderdaad op 4 april 2001 verklaard, maar
tevens gezegd dat de door hem afgelegde verklaringen in grote lijnen
kloppen.
Het hof heeft enkel voor het bewijs gebezigd een verklaring van
verdachte, weergegeven op p. 56 en 57 van de aanvulling en een
verklaring weergegeven op p. 94 tot en met p. 96. De eerste
verklaring, voorzover door het hof voor het bewijs van het onder 7
bewezene gebezigd, heeft verdachte ter terechtzitting van het hof op 4
april 2001, terwijl hij was voorzien van rechtskundige bijstand,
herhaald. Hetzelfde gaat op voor de onderdelen van de
politieverklaring die het hof op p. 94 tot en met 96 van de aanvulling
heeft gebezigd voor het bewijs van het onder 24 bewezene.
Onder deze omstandigheden heeft het hof in ieder geval voor de
onderdelen van verklaringen van verdachte die het hof voor het bewijs
heeft gebezigd, mogen aannemen dat verdachte niet heeft bedoeld dat
ook die onderdelen onder ongeoorloofde druk van de politie tot stand
zouden zijn gekomen. Verdachte is dan ook door het uitblijven van een
antwoord op zijn verweer in zoverre niet in zijn belangen geschaad,
zodat het middel tevergeefs is voorgesteld.
7.1. Het vijfde middel klaagt dat het hof voor het bewijs van het
onder 28 bewezene gebruik heeft gemaakt van een verklaring die
gissingen of conclusies bevatten en niet weergeeft wat de betrokkene
zelf heeft ondervonden of waargenomen. Het betreft de verklaring van
de chef vreemdelingendienst van het district Sittard.
7.2. Ik vermag niet in te zien dat de chef Vreemdelingenzaken in een
bepaald district niet kan verklaren dat hij door kennisneming van het
vreemdelingendossier of van informatie van zijn dienst heeft ervaren
dat er reeds eerder een huwelijk was gesloten (en dat verdachte dus
ten onrechte een trouwboekje had afgegeven voor een huwelijk op een
andere datum), en dat van een (eerder) consulair huwelijk, al dan niet
geldig gesloten, op een bepaalde datum - te weten de datum waarop de
vergunning tot verblijf is verleend - niets bekend was. Zulke feiten
en gegevens kan een hoofd Vreemdelingenzaken vaststellen.
Het middel faalt.
8.1. Het laatste middel klaagt over de straftoemeting. Het hof zou ten
onrechte hebben verzuimd nader te motiveren waarom de ontzetting van
het recht om ambten te vervullen voor de duur van vijf jaren geboden
was, gelet op de leeftijd van verdachte en het feit dat hij reeds was
ontslagen.
8.2. Het hof heeft wel degelijk in zijn strafmotivering rekening
gehouden met het feit dat verdachte ontslagen is en met verdachtes
gevorderde leeftijd, zodat het middel feitelijke grondslag mist voor
zover het aan het hof verwijt op die gegevens geen acht te hebben
geslagen. Overigens is het bereiken van de pensioengerechtigde
leeftijd geen beletsel voor het bekleden van ambten, zoals de steller
van het middel ten onrechte lijkt te menen. Het zijn niet alleen
ambtenaren die ambten bekleden.(7) Anderzijds worden sommigen
ambtenaar genoemd zonder dat het ambtenarenstatuut op hen van
toepassing is. Te denken is aan de ex-ambtenaar, aan het lid van de
gemeenteraad die tot buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand
wordt benoemd (art.1:16 BW).(8) Voor hen geldt niet dat zij dit ambt
slechts tot de pensioengerechtigde leeftijd kunnen bekleden. De
straftoemeting is naar mijn oordeel toereikend gemotiveerd zodat het
laatste middel faalt.
9. De middelen falen en kunnen naar mijn mening, behoudens het eerste
middel, op de voet van art. 81 RO worden verworpen.
10. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 Zie ook p. 21 aanvulling.
2 Aant. 5 bij art. 366 Sr.
3 Aldus ook in wezen NLR, ibidem.
4 Zie aant. 5 bij art. 362 Sr in NLR.
5 Kamerstukken II, 1998-1999, 26 469, nr. 3, p. 15.
6 Vgl. HR NJ 1999, 541.
7 NLR aant. 9 bij art. 28-31.
8 Vgl. J. Kampers, Inleiding tot de burgerlijke stand, 1998, p.40.