Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Antwoorden op kamervragen over de veiligheid van en voorlichting aan passagiers bij brand of ongelukken

25 februari 2003

Antwoorden op kamervragen van het kamerlid Van der Ham (D66) aan de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de minister van Verkeer en Waterstaat over de veiligheid van en voorlichting aan passagiers bij brand of ongelukken. (Ingezonden 9 januari 2003)


---

1. Vraag

Bent u bekend met de brand in de stoptrein tussen Meppel en Zwolle op 4 januari 2003?

1. Antwoord

Ja.

2. Vraag

Kunt u aangeven welke risicos de in de trein aanwezige passagiers liepen?

2. Antwoord

De brand in de stoptrein 9172, bestaande uit 2 treinstellen van het type DE III (Diesel Elektrisch materieel), is uitgebroken in de motorkamer van het laatste treinstel. De automatische brandblusinstallatie heeft goed gefunctioneerd en heeft direct de brand geblust. Het risico dat de reizigers en het treinpersoneel in de trein hebben gelopen bij dit incident is verwaarloosbaar klein geweest.

3. Vraag

Kunt u aangeven welke kans op gewonden of slachtoffers er was geweest op een drukker moment, bijvoorbeeld in de spits, als er meer passagiers in de trein aanwezig waren geweest?

3. Antwoord

Omdat de brand direct geblust is en zich heeft beperkt tot de motorkamer is er geen verschil met een situatie wanneer er zich meer reizigers in de trein hadden bevonden.

4. Vraag

Hoe zijn de passagiers in de trein geïnformeerd over de brand in hun trein?

4. Antwoord

Het treinpersoneel heeft de reizigers op de hoogte gebracht. Alle reizigers hebben op verzoek van het treinpersoneel in het voorste treinstel plaatsgenomen. Het achterste treinstel waar de brand heeft gewoed is vervolgens door het andere treinstel naar Zwolle gesleept.

5. Vraag

Is er inmiddels spoedoverleg geweest tussen de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de minister van Verkeer en Waterstaat over de veiligheid in treinen en metros, zoals toegezegd aan de Kamer tijdens het Algemeen Overleg op 10 december 2002 over rampen-bestrijding? Zo ja, wat zijn de uitkomsten van dat overleg?

5. Antwoord

In het Algemeen Overleg op 10 december 2002 heeft de staatssecretaris van BZK toegezegd in overleg met de minister van Verkeer en Waterstaat na te gaan of onderzoek kan worden gedaan naar de brandveiligheid in treinen, mede met het oog op eventuele wetgeving of normstelling. Hiertoe kan bijvoorbeeld worden getest in hoeverre treinen bij brand veilig kunnen worden ontruimd. In overleg met spoorwegbedrijven wordt bezien hoe een ontruiming van een trein beproefd kan worden. De minister van Verkeer en Waterstaat zal in overleg met de staatssecretaris van BZK een voorstel doen voor een normenkader voor veiligheid van het spoorverkeer. Hierbij zal gebruik worden gemaakt van het onlangs door de minister van Verkeer en Waterstaat aan de Kamer aangeboden normdocument voor lightrail 1) . De minister van Verkeer en Waterstaat heeft in zijn aanbiedingsbrief aan de Tweede Kamer aangegeven dat een bredere toepassing van de systematiek dan alleen lightrail voorzien wordt. Citaat uit deze brief: «Deze systematiek zal ik in de nabije toekomst voor het gehele spoorverkeer van toepassing laten zijn. Als de discussie daarover is afgerond zal ik u door middel van een nieuwe Kadernota Railveiligheid informeren».

6. Vraag

Wat zijn de maatregelen die de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft ondernomen na zijn toezegging aan de Kamer om met spoed iets te doen aan de ontbrekende voorlichting in treinen en metros betreffende «wat te doen bij brand of ongeluk»?

6. Antwoord

In het Algemeen Overleg van 10 december jl. heeft de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties toegezegd de mogelijkheid van stickers in treinen met aanwijzingen over hetgeen de reizigers kunnen doen in noodgevallen te bespreken met de minister van Verkeer en Waterstaat. Bij de beantwoording van vraag 7 wordt hierop nader ingegaan.

7. Vraag

Deelt u de mening dat het aanbrengen van een sticker in de trein of metro met informatie over «wat te doen bij brand of ongeluk» zeer eenvoudig is en met grote spoed zo moeten en kunnen worden uitgevoerd?

7. Antwoord

Het aanbrengen van stickers in de trein of metro met informatie «wat te doen bij brand of ongeluk» is inderdaad op eenvoudige wijze uit te voeren. In het rollend materieel is al informatie aanwezig. Zo zijn er stickers geplaatst hoe de noodrem te bedienen en waar de noodbediening van de buitendeuren zich bevindt. Daarnaast weten reizigers in het algemeen waar zich de buitendeuren bevinden en hoe deze in noodsituaties geopend moeten worden. Ook de plaats waar zich noodremtrekkers bevinden en hoe deze te bedienen zijn is bekend. In de opleiding van het treinpersoneel wordt aandacht besteed aan hoe te handelen in geval van een calamiteit. Onderdeel hiervan is het alarmeren en begeleiden van de reizigers in geval van een calamiteit. In overleg met de spoorbedrijven zal worden bezien hoe de kennis bij de reiziger over hoe te handelen in geval van een calamiteit geoptimaliseerd kan worden. Het aanbrengen van aanvullende stickers in treinstellen is mogelijk een van de maatregelen waarmee dit kan worden bereikt.

8. Vraag

Is de minister van Verkeer en Waterstaat bereid om deze informatieverstrekking binnen een maand verplicht te stellen voor de Nederlandse Spoorwegen en de verschillende Gemeentelijke Vervoers-bedrijven?

8. Antwoord

Neen, gelet op het bovenstaande antwoord op vraag 7. Het beleid van Verkeer en Waterstaat is er op gericht om functionele eisen te stellen en niet om maatregelen voor te schrijven. Los daarvan, moet ook de bevoegdheid van de minister ten aanzien van deze aspecten in ogenschouw genomen worden ten aanzien van particuliere bedrijven zoals vervoerders zijn.

9. Vraag

Hoe beoordeelt u de veiligheid van passagiers in de nieuwe dubbeldekstreinen van de Nederlandse Spoorwegen waar de gebruikelijke hamertjes ontbreken om bij nood de ramen in te slaan?

9. Antwoord

Bij railvoertuigen ingericht voor het vervoer van reizigers is de norm dat er altijd naar twee richtingen een uitgang mogelijk moet zijn uitmondend op een balkon vanwaar het rijtuig naar beide zijden is te verlaten om bij noodgevallen, wanneer één uitgang versperd is, het rijtuig in ieder geval naar één kant toe te kunnen evacueren. Deze voorziening is bij bijna alle railvoertuigen van NS Reizigers aanwezig, dus ook bij de nieuwe dubbeldekkers. Voldoet de trein niet aan bovengenoemde voorwaarde dan dient er een mogelijkheid te zijn om via een nooddeur of een raam het rijtuig in noodgevallen te kunnen verlaten. Hiervoor kan men de bewuste hamertjes aanbrengen om een ruit in te slaan of door een zogenaamde nooduitwerpraam aan te brengen, zoals bij de TGV treinstellen is gedaan. Rekening houdend met bovengeschreven ontruimingsfilosofie zijn juist dubbeldekstreinen aan beide zijden van de rijtuigen uitgerust met veel en grote balkons welke voorzien zijn van brede deuren om een snelle ontruiming mogelijk te maken.

1) Kamerstuk 27 837, nr. 4.


---
© Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties - 5 maart 2003