Ministerie van Buitenlandse Zaken

Aan de Voorzitter van de TweedeKamerderStaten-Generaal

Binnenhof4

Den Haag

Directie Sub-Sahara Afrika

Afdeling Midden en Oost-Afrika

Bezuidenhoutseweg 67

Postbus 20061

2500 EB Den Haag


Datum

5 maart 2003

Behandeld

Katja Lasseur


Kenmerk

DAF 139/03

Telefoon

070 3485777


Blad

1/5

Fax

070 3486607


Bijlage(n)

1

E-Mail

katja.lasseur@minbuza.nl


Betreft

Beantwoording vragen van de leden Koenders en Dijksma (beiden PvdA) over de mogelijke moeizame samenwerking tussen de Rwandese regering en het International Criminal Tribunal for Rwanda (ICTR).

Graag bied ik u hierbij, mede namens de Staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking, de antwoorden aan op de schriftelijke vragen gesteld door de leden Koenders en Dijksma (beiden PvdA) over de mogelijke moeizame samenwerking tussen de Rwandese regering en het International Criminal Tribunal for Rwanda (ICTR). Deze vragen werden ingezonden op 13 februari 2003, met kenmerk 2020307190.

De Minister van Buitenlandse Zaken

Mr. J.G. de Hoop Scheffer

Antwoorden van de heer de Hoop Scheffer, minister van Buitenlandse Zaken, mede namens mevrouw Van Ardenne, staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking, op vragen van de leden Koenders en Dijksma (beiden PvdA) over de mogelijke moeizame samenwerking tussen de Rwandese regering en het International Criminal Tribunal for Rwanda (ICTR).

Vraag 1

Bent u op de hoogte van de moeizame samenwerking tussen de Rwandese regering en het ICTR, waarbij het onder meer gaat om het tegenwerken van het uitreizen van getuigen? 1)

Antwoord

De relatie tussen het ICTR en de Rwandese regering is vanaf het begin moeizaam geweest. Rwanda is van mening dat het tribunaal niet in Arusha maar in Kigali had moeten worden gevestigd. Tevens is Rwanda het oneens met het destijds door de Veiligheidsraad in het ICTR statuut vastgelegde mandaat, dat de genocide en alle oorlogsmisdaden bestrijkt die in 1994 in Rwanda zijn gepleegd, inclusief de oorlogsmisdaden gepleegd door de Rwandan Patriotic Army (RPA) van (toen nog bevelhebber) Paul Kagame. Aanklaagster Carla del Ponte heeft begin 2002 aangegeven, conform haar mandaat, ook deze misdaden te willen gaan onderzoeken. Dit heeft geleid tot een snelle verslechtering van de samenwerking tussen de Rwandese regering en het ICTR. Volgens de huidige Rwandese regering dient de behandeling van zaken gerelateerd aan genocide absolute voorrang te krijgen. Vermeende tekortschietende kwaliteit van het ICTR en slepende behandeling van zaken hebben tot diepe frustratie geleid bij de Rwandese autoriteiten.

Vraag 2

Kunt u aangeven op welke wijze u de pogingen van het ICTR en van aanklager Carla del Ponte om de Rwandese regering tot samenwerking te bewegen, ondersteunt?

Antwoord

In december 2002 heeft de Rwandese regering onder druk van de VN-Veiligheidsraad toegezegd weer volledig te zullen samenwerken met het ICTR. Over de zogenaamde "special investigations" naar de oorlogsmisdaden gepleegd door het RPA wordt binnenkort overleg gevoerd tussen mevrouw Del Ponte en de Rwandese regering.

Tijdens de afgelopen Algemene Vergadering van de Verenigde Naties is bovendien besloten een onder-aanklager aan het ICTR toe te voegen. Voordien deelden ICTY en ICTR statutair het Office of the Prosecutor (OTP). Tevens is het onvervuld blijven van vacatures als prioritaire zorg opgedragen aan het management van het ICTR. De Nederlandse delegatie vervulde bij deze besprekingen een voortrekkersrol.

Het belang dat Nederland hecht aan goede samenwerking tussen Rwanda en het ICTR is recent nog (24 februari jl.) door de staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking opgebracht tijdens het bezoek aan Nederland van de Rwandese minister van Buitenlandse Zaken, Charles Murigande. In mei 2002 is de Mensenrechten-ambassadeur tijdens haar bezoek aan Rwanda en het ICTR in Arusha uitvoerig ingegaan op het belang van een goede samenwerking. De Nederlandse ambassadeur in Kigali stelt het onderwerp regelmatig aan de orde bij de Rwandese autoriteiten.

Overigens baart de trage rechtspleging bij het ICTR Nederland eveneens zorgen; de Mensenrechtenambassadeur heeft het ICTR hierop in mei 2002 nadrukkelijk aangesproken. Ook tijdens de afgelopen behandeling in de VN-Algemene Vergadering heeft de Nederlandse delegatie dit punt met de grootste nadruk aan de orde gesteld.

Vraag 3

Bent u ervan op de hoogte dat Ismael Mbonigaba, hoofdredacteur van Umuseso, de enige onafhankelijke krant in Rwanda, recentelijk is gearresteerd? 2) Deelt u het sterke vermoeden, van onder meer twee Rwandese mensenrechtenorganisaties, dat het hier om een arrestatie gaat op grond van politieke motieven?

Vraag 4

Bent u van mening dat de vrijheid van media een voorwaarde is voor het succesvol verlopen van het referendum over de grondwet en de verkiezingen in Rwanda, later dit jaar? Hoe beoordeelt u de arrestatie van Mbonigaba in relatie tot dit proces?

Antwoord

Ik ben op de hoogte van de arrestatie van de heer Mbonigaba. Volgens zijn advocaat werd Mbonigaba op 22 januari jl. gearresteerd en beschuldigd van het publiceren van een artikel dat aanzet tot discriminatie en "divisionisme" onder artikel 8 van Rwandese wet over discriminatie (47/01). Inmiddels is dhr Mbonigaba vrijgelaten, maar zijn zaak is nog niet gesloten. De situatie wordt door de Nederlandse ambassade in Kigali nauwgezet gevolgd.

De rol van de pers bij de volkerenmoord, de nog immer kwetsbare verhoudingen in Rwanda en de grote gevoeligheden bij nabestaanden van slachtoffers leggen op de schouders van de pers een grote verantwoordelijkheid. Maar juist een vrije pers die zich ten volle van die verantwoordelijkheden bewust is kan een vooraanstaande rol spelen bij het herstel van onderling vertrouwen in Rwanda en van de democratie. Zonder ruimte voor kritische geluiden en debat kan een democratie geen wortel schieten. De pers speelt daarbij een sleutelrol, zoals bij het komende referendum en de verkiezingen.

Umuseso heeft de afgelopen jaren bewezen, ondanks vaak gespannen verhoudingen met de Rwandese regering en overheid, de uitdaging van verantwoordelijke journalistiek aan te willen gaan. In dit licht ervaar ik de arrestatie van de redacteur van Umuseso als uitermate teleurstellend.

Vraag 5

Welke stappen heeft u ondernomen en bent u van plan te ondernemen om bij te dragen aan de vrijlating van Mbonigaba en tot een grotere vrijheid van media in dit voor Rwanda belangrijke verkiezingsjaar?

Antwoord

Nederland heeft de arrestatie van de heer Mbonigaba binnen de EU aan de orde gesteld en verzocht om een officiële démarche bij de Rwandese autoriteiten. Voorts heeft de staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking op 24 februari jl. haar zorg over de arrestatie opgebracht bij de Rwandese minister van Buitenlandse Zaken. In dat gesprek is benadrukt dat een proces van democratisering en normalisering in Rwanda noodzakelijkerwijs gepaard gaat met toenemende vrijheid van meningsuiting.

Nederland draagt in het kader van de structurele ontwikkelingssamenwerkingsrelatie met Rwanda bij aan grotere vrijheid van media, democratisering en mensenrechten. Samen met het Verenigd Koninkrijk zal in 2003 onder meer een mediaprogramma worden uitgevoerd waarbij nadruk ligt op training van journalisten en het opbouwen van een professionele pers.

1) Zie de verklaring van de VN-Veiligheidsraad, code 'S/PRST/2002/39', over de betere samenwerking waartoe de Rwandese regering verplicht is inzake het Tribunaal en een bericht van UN Integrated Informations Networks, 'Justice Makes Slow Progress', 17 januari jl.

2) Informatie van Icco en Kerkinactie

===