Hoge Raad der Nederlanden

Uitspraak Hoge Raad LJN-nummer: AI0369 Zaaknr: R03/049HR


Bron: Hoge Raad der Nederlanden 's-Gravenhage Datum uitspraak: 26-08-2003
Datum publicatie: 26-08-2003
Soort zaak: civiel - faillissement
Soort procedure: cassatie

26 augustus 2003
Eerste Kamer
Nr. R03/049HR
JMH/AT

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:


1. de vennootschap naar het recht van de staat Delaware INTERCOMM HOLDINGS, LLC, gevestigd te Delaware, Verenigde Staten van Amerika,
2. de vennootschap naar het recht van de staat Delaware INTERCOMM FRANCE CVOHA, LLC, gevestigd te Delaware, Verenigde Staten van Amerika,

3. de vennootschap naar het recht van de staat Delaware INTERCOMM FRANCE II CVOHA, LLC, gevestigd te Delaware, Verenigde Staten van Amerika,

4. de vennootschap naar Frans recht REFLEX PARTICIPATIONS SARL, gevestigd te Courbevoie Cedex, Frankrijk,

VERZOEKSTERS tot cassatie,

advocaat: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt,

t e g e n


1. UNITED PAN-EUROPE COMMUNICATIONS N.V., gevestigd te Amsterdam,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. G. Snijders,


2. de vennootschap naar het recht van de staat Delaware UNITEDGLOBALCOM INC., gevestigd te Denver, Colorado, Verenigde Staten van Amerika,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. E.D. Vermeulen,

e n


3. CREDITORS COMMITTEE VAN UNITED PAN-EUROPE COMMUNICATIONS N.V., bestaande uit de crediteuren:

SOLOMON BROTHERS ASSET MANAGEMENT,
APOLLO MANAGEMENT LP,
EVEREST CAPITAL,
FUNDAMENTAL INVESTORS INC. en
MACKAY SHIELD LLC,

BELANGHEBBENDEN in cassatie,

advocaat: mr. J.P. Heering.


1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 3 december 2002 ter griffie van de rechtbank te Amsterdam ingediend verzoekschrift heeft verweerster in cassatie sub 1 - verder te noemen: UPC - voorlopige verlening van surséance van betaling verzocht en een ontwerp van akkoord ingediend bij de griffie van deze rechtbank. Voorts heeft UPC in haar verzoekschrift verzocht de in art.
218 F. bedoelde behandeling (met betrekking tot de verlening van de definitieve surséance) achterwege te laten en in plaats daarvan op 28 februari 2003 over te gaan tot raadpleging over en stemming op het akkoord. Ten slotte heeft UPC verzocht te bepalen dat alleen de zogenaamde beneficial holders van de door UPC uitgegeven obligatieleningen op de "voting record date", zoals die zou worden vastgesteld door de Amerikaanse rechter in de Chapter-11 procedure, bevoegd zouden zijn hun vordering in te dienen bij de bewindvoerder en te stemmen tijdens de crediteurenvergadering.
Bij beschikking van 3 december 2002 heeft de rechtbank aan UPC voorlopige surséance van betaling verleend met benoeming van een rechter-commissaris en een bewindvoerder en de overige verzoeken toegewezen.
Op 16 januari en 28 februari 2003 heeft de bewindvoerder verslag uitgebracht op grond van art. 227 lid 1 respectievelijk 265 lid 1 F. en op 28 februari 2003 is de rechter-commissaris overgegaan tot raadpleging en stemming van het op 3 december 2002 door UPC ter griffie gedeponeerde ontwerpakkoord, als aangevuld en gewijzigd bij die gelegenheid.
Nadat op 12 maart 2003 de mondelinge behandeling van de homologatie van het akkoord had plaatsgevonden, alwaar de bewindvoerder, verzoeksters tot cassatie, hierna gezamenlijk te noemen: ICH, UPC, en belanghebbenden in cassatie sub 3, de Creditors Committee van UPC, en de Citibank zich over deze homologatie hadden uitgelaten, heeft de rechtbank bij beschikking van 13 maart 2003 het akkoord gehomologeerd. Tegen deze beschikking heeft ICH hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.
Bij beschikking van 15 april 2003 heeft het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigd.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.


2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof heeft ICH beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
UPC en verweerster in cassatie sub 2, hierna: UGC, en de Creditors Committee van UPC hebben verzocht het beroep te verwerpen. ICH, UPC en de Creditors Committee van UPC hebben de zaak doen toelichten door hun advocaten en UGC heeft de zaak namens haar advocaat doen toelichten door mr. M.W. Josephus Jitta, advocaat te Amsterdam.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot verwerping van het beroep.


3. Beoordeling van het middel


3.1 In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten die het Hof in rov.
4.3 van zijn beschikking heeft vermeld.


3.2 Het gaat in deze zaak om de beantwoording van de vraag of de homologatie van het akkoord dat is aangeboden in de aan UPC verleende surséance van betaling moet worden geweigerd op grond van het bepaalde in art. 272 lid 2, aanhef en onder 3, F. dan wel of daartoe gronden als bedoeld in art. 272 lid 3 F. bestaan.
Zoals het Hof in rov. 4.2 heeft overwogen, is de kern van het bezwaar van ICH tegen homologatie dat - volgens ICH - UGC (de moedermaatschappij van UPC) door het akkoord boven andere schuldeisers wordt bevoordeeld en dat UPC in het kader van de hierna te bespreken Belmarkenlening onverplicht zekerheden heeft gesteld en in strijd met art. 3:45 BW dan wel onrechtmatig tegenover haar concurrente schuldeisers en obligatiehouders heeft gehandeld. Het Hof heeft, evenals de Rechtbank, deze stellingen verworpen.


3.3.1 Het eerste onderdeel van het middel betoogt dat het Hof een onjuiste, althans onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerde beslissing heeft gegeven door in rov. 4.6 te overwegen dat noch uit de door ICH bij het appelschrift gevoegde producties noch uit de overige gedingstukken valt af te leiden dat tussen de betrokken partijen (onvoorwaardelijk) overeenstemming is bereikt met betrekking tot de totstandkoming van de door ICH bedoelde kapitaalverschaffing, dan wel dat UGC anderszins tegenover UPC tot kapitaalverschaffing was gehouden. Het onderdeel bevat een aantal afzonderlijke klachten die zijn uitgewerkt in de onderdelen 1.2 tot en met 1.4.


3.3.2 Bij de beoordeling van onderdeel 1.2 - onderdeel 1.1 bevat geen klacht - moet worden vooropgesteld dat (i) de procedure over de homologatie van een akkoord niet moet worden gezien als een procedure op tegenspraak tussen partijen doch als een op een spoedige beslissing over het akkoord gerichte procedure, (ii) de rechter daarin naar eigen inzicht zijn goedkeuring van het akkoord verleent of weigert zonder daarbij in enig opzicht gebonden te zijn aan hetgeen door de bewindvoerder, de schuldeisers en de schuldenaar als hun standpunt naar voren is gebracht (HR 15 december 2000, nr. R00/116, NJ 2001,
262) en (iii) mitsdien ook niet de gewone regels van stelplicht en bewijslast van toepassing zijn. Wel kan van de rechter die over de homologatie moet beslissen, worden verwacht dat deze, met het oog op de daaraan voor belanghebbenden verbonden (meestal) ingrijpende gevolgen, voldoende inzicht geeft in zijn gedachtegang opdat de beslissing zowel voor belanghebbenden als derden, daaronder begrepen de hogere rechter, controleerbaar en aanvaardbaar is.


3.3.3 Uit hetgeen hiervoor in 3.3.2 is overwogen, volgt reeds dat onderdeel 1.2 niet kan slagen, omdat aan de klacht dat het Hof een stelling van ICH bij gebrek aan voldoende gemotiveerde betwisting voor juist had moeten houden, een rechtsopvatting ten grondslag ligt die niet in overeenstemming is met de zo-even vermelde uitgangspunten.


3.3.4 Overigens moet de desbetreffende overweging van het Hof aldus worden verstaan dat volgens het Hof de juistheid van het standpunt van ICH dat UGC met medewerking van Liberty verplicht was kapitaal aan UPC te verschaffen, niet uit de door haar verschafte gegevens kan volgen. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd en kan, als voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt, in cassatie verder niet op juistheid worden getoetst. Onderdeel 1.3 faalt daarom.


3.3.5 Onderdeel 1.4 klaagt dat onjuist of onvoldoende begrijpelijk is 's Hofs oordeel dat uit de producties noch uit de overige gedingstukken valt af te leiden dat UGC anderszins tegenover UPC tot de vorenbedoelde kapitaalverschaffing was gehouden. Het onderdeel voert daartoe aan dat de "June 2000 Agreement Modified" uiteindelijk - met een omweg - is uitgevoerd, met dit markante verschil dat in plaats van een kapitaaldeelname door UGC in UPC een lening (met zekerheden) bestaat aan (een dochter van) UPC, en klaagt dat het Hof heeft miskend dat waar de noodzakelijke fondsen uiteindelijk toch bij UGC zijn beland, deze ingevolge de Agreement c.q. de Commitment gehouden was jegens UPC alsnog de lening (met zekerheden) om te zetten in een kapitaaldeelname in UPC, althans dat het Hof zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd door aan de essentiële stelling van ICH voorbij te gaan, dat de verplichting tot deze omzetting van de lening zo niet rechtstreeks uit contract dan in elk geval uit de precontractuele goede trouw voortvloeide. Al deze klachten falen evenwel. Met zijn oordeel dat UGC ook niet "anderszins" tegenover UPC tot kapitaalverschaffing was gehouden heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat het de hiervoor vermelde stellingen van ICH niet voor juist hield. Mede in aanmerking genomen dat het Hof al had geoordeeld dat tussen de betrokken partijen geen onvoorwaardelijke overeenstemming was bereikt, is zijn oordeel dat de door ICH gestelde verplichting ook nadien niet is ontstaan, niet onbegrijpelijk. Dit oordeel behoefde, gelet op de vrijheid van het Hof in zijn beoordeling van de feiten, ook geen verdere motivering.


3.4.1 Onderdeel 2 klaagt dat het Hof heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, althans zijn beslissing ongenoegzaam (begrijpelijk) heeft gemotiveerd, door de stelling van ICH dat UPC en Belmarken Holding B.V. in het kader van de Belmarkenlening onverplicht zekerheden hebben gesteld, in rov. 4.8 te verwerpen op de grond dat daarvan niet is gebleken.


3.4.2 Het Hof heeft daartoe in de eerste plaats overwogen dat niet is gebleken dat UPC en Belmarken Holding B.V. tegenover Liberty (of UGC) aanspraak konden maken op het verstrekken van een lening zonder zekerheden. Voorts heeft volgens het Hof te gelden dat uit de bepalingen van de Belmarkenlening, in het bijzonder artikel 8.1.1, volgt dat zekerheden als daar bedoeld (tijdig) dienden te worden gesteld opdat geen "event of default" zou intreden met alle contractuele gevolgen van dien en dat ingevolge die bepalingen op 21 juni 2001 de akten van verpanding zijn opgemaakt.


3.4.3 Deze overwegingen van het Hof moeten aldus worden verstaan dat het Hof op grond van zijn uitleg van de gedingstukken tot de conclusie is gekomen dat tussen partijen is overeengekomen dat de Belmarkenlening alleen zou worden verschaft indien - zoals in een dergelijk geval ook voor de hand ligt - voldoende zekerheden zouden worden verstrekt. Aldus heeft het Hof, waaraan deze uitleg is voorbehouden, de andersluidende stelling van ICH op een begrijpelijke en voldoende gemotiveerde wijze verworpen. Het onderdeel faalt mitsdien.


3.5.1 Onderdeel 3 is gericht tegen rov. 4.9 waarin het Hof de bevinding van de bewindvoerder heeft onderschreven dat de schuldeisers van UPC er door de Belmarkenlening, als vervanging van de Bridge Loan, niet op zijn achteruitgegaan. Hierbij heeft het Hof in de eerste plaats in aanmerking genomen: het door de Belmarkenlening ter beschikking gekomen bedrag, de gunstiger rentebepalingen en de mogelijkheid de lening te converteren in aandelen, afhankelijk van de beurskoers. Voorts heeft het Hof overwogen dat de bewindvoerder in dit verband erop heeft gewezen dat ook onder de Bridge Loan Goldman Sachs c.s. eerst integraal zou zijn voldaan als crediteur van Belmarken Holding B.V. en UPC Internet Holding B.V. voordat de crediteuren van UPC aan de beurt zouden komen, en dat de verpanding van de aandelen van Belmarken Holding B.V. en UPC Holding B.V. hierin geen verandering bracht, evenmin als de verpanding van de aandelen UPC Holding B.V. als
100% dochtermaatschappij van Belmarken Holding B.V. Indien immers, aldus het Hof, deze vennootschappen onverhoopt de Belmarkenlening niet zouden kunnen aflossen en in staat van insolventie zouden komen te verkeren, zouden de aandelen in deze vennootschappen geen waarde meer vertegenwoordigen. Ten slotte wijst het Hof erop dat volgens de bewindvoerder de crediteuren van UPC ook als de genoemde aandelen niet waren verpand, in geval van faillissement van UPC slechts een uitkering zouden ontvangen variërend van gemiddeld 2 tot 2,9 %.


3.5.2 Het onderdeel valt in zijn drie subonderdelen al deze overwegingen van het Hof aan, doch tevergeefs. Bij de beoordeling van het onderdeel moet worden vooropgesteld dat het bij benadeling in de zin van art. 3:45 BW gaat om daadwerkelijke benadeling. Van onrechtmatig handelen kan te dezer zake slechts sprake zijn indien met een redelijke mate van waarschijnlijkheid was te voorzien dat de schuldeisers benadeeld zouden worden. Het oordeel van het Hof dat van dit een en ander geen sprake is geweest, is niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd en kan, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie verder niet op juistheid worden getoetst. Het Hof behoefde in zijn motivering niet alle gestelde mogelijke scenario's te bespreken, doch mocht volstaan met een bespreking van het door de bewindvoerder gestelde scenario, dat naar 's Hofs kennelijke en niet onbegrijplijke oordeel het meest voor hand de lag. Het onderdeel ziet er voorts aan voorbij dat het Hof klaarblijkelijk mede in aanmerking heeft genomen dat het sterk uiteenlopende percentage dat is gehanteerd ter bepaling van het aantal uit te geven aandelen-New UPC met betrekking tot enerzijds de vordering van UPC en anderzijds de vordering van verzoekers tot cassatie, niet alleen voortvloeit uit de aan de vordering van UGC verbonden zekerheidsrechten, maar ook uit het feit dat zij tevens een vordering heeft op Belmarken Holding B.V. en UPC Internet Holding B.V., die niet in staat van insolventie verkeren. Ten slotte bevat het onderdeel een aantal stellingen die wegens hun feitelijk karakter niet voor het eerst in cassatie aan de orde kunnen komen en daarom onbesproken moeten blijven.


3.6.1 Onderdeel 4 keert zich tegen rov. 4.10 waarin het Hof overweegt dat uit de gedingstukken, de mondelinge behandeling en de rapportage van de bewindvoerder niet valt af te leiden dat UPC ten tijde van het totstandkomen van de Belmarkenlening "technisch failliet" zou zijn geweest dan wel dat toen te verwachten viel dat UPC op afzienbare termijn niet meer aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen.


3.6.2 Volgens onderdeel 4.1 kan uit de in de gedingstukken vermelde omstandigheden waaronder de Belmarkenlening is gesloten, niet anders worden afgeleid dan dat UPC op of omstreeks 25 mei 2001 "technisch failliet" was en dat zij op afzienbare termijn niet meer aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen, zodat het oordeel van het Hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans onvoldoende is gemotiveerd.


3.6.3 Het onderdeel faalt. De omstandigheden dat UPC een lening heeft moeten sluiten en dat zij een negatief eigen vermogen had, behoeven niet noodzakelijkerwijs tot de conclusie te leiden dat van een situatie sprake was als in het onderdeel bedoeld. Voor zover het onderdeel het oog heeft op andere omstandigheden stuit het af op het feit dat deze vanwege hun feitelijk karakter niet voor het eerst in cassatie kunnen worden onderzocht.


3.6.4 Onderdeel 4.2 dat klaagt dat het Hof van een onjuiste maatstaf is uitgegaan, kan bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden. Het Hof heeft immers klaarblijkelijk geen andere maatstaf aangelegd dan in het middel (terecht) voor juist wordt gehouden.


3.7 Nu de onderdelen 1 tot en met 4 falen, kan onderdeel 5 bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden.


3.8.1 Onderdeel 6 bestrijdt het oordeel van het Hof in zijn rov. 4.16 dat, nu ingevolge het bepaalde in art. 282 F. tegen de beslissing van de Rechtbank dat beneficial holders van de door UPC uitgegeven obligaties op de voting record date bij de bewindvoerder bevoegd zijn hun vordering in te dienen en te stemmen tijdens de raadpleging en te stemmen over het aangeboden akkoord, geen hogere voorziening open staat, deze beslissing onherroepelijk is geworden.


3.8.2 Volgens onderdeel 6.1 heeft het Hof miskend dat de gegeven beslissing van de Rechtbank bij het voorlopig verlenen van de surséance geen beslissing is in de zin van art. 225 F. omdat deze bepaling strekt ter beveiliging van de belangen der schuldeisers. Evenmin is volgens het onderdeel sprake van een beslissing in de zin van art. 267 F., nu de vorderingen uit de obligatieleningen niet zijn betwist, zodat deze beslissing niet in kracht van gewijsde is gegaan. Het onderdeel faalt omdat de onderhavige beslissing naar aard en strekking juist wel dient ter bescherming van de belangen van de schuldeisers en klaarblijkelijk is gebaseerd op het bepaalde in art.
225 lid 1 F.


3.8.3 Onderdeel 6.2 strekt ten betoge dat naar Nederlands recht alleen aan de legal owner van de obligaties stemrecht toekomt met betrekking tot het aangeboden akkoord, zodat het Hof zich ten onrechte heeft verenigd met het oordeel van de Rechtbank dat dit recht toekomt aan de beneficial holders van de obligaties. Dit betoog kan niet als juist worden aanvaard. Weliswaar is op de aan UPC verleende surséance van betaling Nederlands recht van toepassing, doch het Nederlands internationaal privaatrecht laat toe dat rekening wordt gehouden met de omstandigheid dat in deze surséance leningovereenkomsten betrokken zijn die aan de obligatieleningen ten grondslag liggen en die worden beheerst door het recht van de Staat New York (Verenigde Staten van Amerika). Zowel volgens de inhoud van deze overeenkomsten als volgens het daarop toepasselijke recht van de Staat New York komt, naar het Hof heeft vastgesteld, het stemrecht over gerechtelijke regelingen toe aan de beneficial holders en niet aan de trustee door wiens tussenkomst de obligaties zijn uitgegeven. De beneficial holders, die ook als de economisch gerechtigden kunnen worden beschouwd en die in de met de onderhavige surséance van betaling nauw samenhangende, zogenoemde "Chapter 11 procedure" voor het Bankrupty Court in New York het aan de obligatieleningen ontleende stemrecht hebben uitgeoefend, moeten in dit geval uit een oogpunt van rechtvaardigheid en doelmatigheid op één lijn worden gesteld met de schuldeisers als bedoeld in de Nederlandse Faillissementswet en zij dienen dan ook de bevoegdheid te hebben te dezer zake het stemrecht uit te oefenen.


3.8.4 Onderdeel 6.3 klaagt dat het Hof, met de Rechtbank, heeft miskend dat de Faillissementswet ervan uitgaat dat alleen een schuldeiser die op het moment van de crediteurenvergadering deze hoedanigheid heeft, zijn stem kan uitbrengen over een aangeboden ontwerpakkoord. Nu de obligaties verhandelbaar zijn, bestaat geen zekerheid dat de beneficial holders van de obligaties die bevoegd zijn verklaard hun vordering in te dienen bij de bewindvoerder en tot stemming tijdens de raadpleging en over het aangeboden akkoord zijn toegelaten, op de "voting record date" (zoals deze door de Amerikaanse rechter is vastgesteld op 7 januari 2003) nog deze hoedanigheid hadden op het moment van de vergadering (28 februari 2003). Het onderdeel voert subsidiair aan dat het Hof zijn beslissing niet naar de eis der wet heeft gemotiveerd, nu het niet heeft gerespondeerd op de stelling van ICH dat in de periode tussen beide voormelde data is gehandeld in deze obligaties zodat over het akkoord is gestemd door een groot aantal voormalige houders van obligaties dat niet tot stemmen bevoegd was.


3.8.5 Het onderdeel treft geen doel. De regeling in de Nederlandse Faillissementswet betreffende de beraadslaging en stemming over een akkoord staat niet eraan in de weg dat, zoals in het onderhavige geval is gebeurd, op praktische gronden een datum wordt aangewezen waarop degene die aan de beraadslaging en stemming wil deelnemen, als schuldeiser wordt geregistreerd met als beoogd gevolg dat alleen degene die als zodanig op deze datum is geregistreerd, aan de beraadslaging en stemming zal mogen deelnemen, mits tussen de datum van de registratie en de datum van de stemming een niet te groot tijdsverloop bestaat.


3.9.1 Onderdeel 7 bevat een aantal klachten met betrekking tot rov.
4.17 waarin het Hof heeft overwogen dat het geen andere gronden aanwezig acht om de homologatie te weigeren en ook geen grond ziet om dit ambtshalve te doen.


3.9.2 Voor zover het onderdeel verwijst naar de in de onderdelen 1 tot en met 6 aangevoerde klachten, faalt het op de hiervóór aangegeven gronden.


3.9.3 Het onderdeel kan ook overigens niet tot cassatie leiden. Voor zover het klaagt dat het Hof heeft miskend dat voor de toets van het akkoord aan art. 272 lid 3 F. causaal verband als bedoeld in rov. 4.13 niet is vereist en dat deze bepaling hem zonder beperking de bevoegdheid verleent de weigering ook op andere gronden dan door ICH aangevoerd te doen steunen en haar zelfs ambtshalve uit te spreken, mist het feitelijke grondslag, omdat uit de bestreden beschikking geenszins blijkt dat het Hof dit een en ander over het hoofd zou hebben gezien. Voor het overige kan het oordeel van het Hof hieromtrent in cassatie niet worden getoetst, omdat de rechter die over de feiten oordeelt bij zijn beslissing om het akkoord goed te keuren of te weigeren een ruime mate van vrijheid heeft.


4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren D.H. Beukenhorst, A.M.J. van Buchem-Spapens, A. Hammerstein en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 26 augustus 2003.


*** Conclusie ***

Rek. nr.: R03/049HR
mr. Timmerman
Parket 11 juli 2003

conclusie inzake:


1. Intercomm Holdings, LLC

2. Intercomm France CVOHA, LLC

3. Intercomm France II CVOHA, LLC

4. Reflex Participations SARL

tegen

United Pan-Europe Communications N.V.

Belanghebbenden:

Creditors Committee van United Pan-Europe Communications N.V., bestaande uit de crediteuren Salomon Brothers Asset Management, Apollo Management LP, Everest Capital, Fundamental Investors Inc. en Mackay Shields LLC.

en

UnitedGlobalCom Inc.


1. Inleiding en achtergronden


1.1 Verweerster in cassatie, UPC, is houdstermaatschappij van een groot aantal (UPC-)vennootschappen.(1) Belanghebbende in cassatie UnitedGlobalCom Inc., UGC, is de belangrijkste aandeelhoudster van UPC. Zij bezit via een 100%-dochter 53,1% van de aandelen in UPC. De rest van de UPC-aandelen wordt verhandeld op Euronext Amsterdam en via Nasdaq in New York. Belanghebbende in cassatie, Creditors Committee, vertegenwoordigt een groot aantal houders van door UPC uitgegeven obligaties.


1.2 Verzoekster tot cassatie, ICH, meent een vordering te hebben van EUR 192 miljoen waarvoor UPC en twee andere vennootschappen uit de UPC-groep, Belmarken Holding B.V. en UPC France Holding B.V. hoofdelijk aansprakelijk zijn. De vordering vindt zijn grondslag in een aandelentransactie die volgens ICH door de UPC-vennootschappen niet naar behoren is nagekomen. UPC betwist de vordering.


1.3 In de onderhavige procedure staat centraal de financiële herstructurering van de UPC-groep. Nadat UPC eind 2001 voorzag dat zij in financiële moeilijkheden zou komen, heeft zij in februari 2002 aangekondigd onderhandelingen te gaan voeren met haar belangrijkste crediteuren. Dat zijn voornamelijk houders van obligaties. Deze zijn overwegend van Amerikaanse herkomst. UGC - de moeder van UPC - bezit overigens ongeveer 35% van deze obligaties. De onderhandelingen hebben geleid tot de Restructuring Agreement van 30 september 2002(2). In deze overeenkomst is voorzien in een zogenaamde debt-for-equity swap: De crediteuren en aandeelhouders van UPC krijgen aandelen in een nieuw op te richten New UPC waarbij zij hun vorderingen op UPC en hun aandelen in deze vennootschap aan New UPC zullen overdragen. Hierbij krijgt UGC, die behalve belangrijke indirecte groot-aandeelhouder in UPC en belangrijke obligatiehouder van deze vennootschap ook nog crediteur is onder de hieronder nader te bespreken Belmarkenlening
97,8 % van de nominale waarde daarvan betaald in aandelen New UPC. De obligatiehouders, waaronder ook UGC, krijgen een uitkering van 20,6% van de nominale waarde van deze obligaties in aandelen New UPC. Ter uitvoering van de Restructuring Agreement zijn op 3 december 2002 de onderhavige surséance procedure en een Chapter 11-procedure, een Amerikaanse insolventieprocedure, in New York gestart. Deze procedures moeten uitmonden in een accoord resp. een reorganisatieplan.(3)


1.4 ICH heeft zich in beide procedures (in de Chapter 11-procedure, die inmiddels is afgerond, overigens tevergeefs(4)) verzet tegen de voorgenomen financiële herstructurering. Het steekt haar dat UGC, wegens haar hieronder te bespreken bevoorrechte positie in verband met de Belmarkenlening, een vrijwel volledige uitkering voor deze lening krijgt.


1.5 UPC bestrijdt dat ICH belang heeft bij haar verzet tegen het akkoord. Wordt het akkoord niet aangenomen, dan gaat UPC naar eigen zeggen failliet en krijgt ICH nog minder van UPC dan onder het akkoord. Bovendien kan ICH ook Belmarken Holding en UPC France Holding, die hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de (betwiste) vordering van ICH en waarvoor geen surséance van betaling geldt, aanspreken, aldus UPC. Volgens UPC probeert ICH door middel van de nuisance value van haar verzet tegen de herstructurering concessies van UPC los te krijgen.


1.6 In de onderhavige procedure richten de bezwaren van ICH zich met name op 1) de totstandkoming van de zogenaamde Belmarkenlening en de bevoorrechte positie die UGC tengevolge van die lening in het reorganisatieplan heeft gekregen en 2) het feit dat de zogenaamde beneficial holders van in de VS uitgegeven obligatieleningen mochten stemmen over het akkoord. Deze beneficial holders zijn volgens ICH geen juridische doch slechts economische eigenaars van de betreffende vorderingen. Uiteindelijk gaat het om de vraag of deze bezwaren gegrond zijn en een beroep rechtvaardigen op één van de imperatieve weigeringsgronden van art. 272 lid 2 sub 3 Fw (dat de rechtbank homologatie moet weigeren, onder andere, indien het akkoord door begunstiging van één of meer schuldeisers tot stand is gekomen) of op de facultatieve weigeringsgrond van art. 272 lid 3 Fw (dat de rechtbank de homologatie ook op andere gronden en zonodig ambtshalve kan weigeren).


2. Feiten(5) en procesverloop


2.1 Op 29 maart 2000 heeft de bank Goldman Sachs aan UPC een overbruggingskrediet van EUR 2 miljard ter beschikking gesteld, de Bridge Loan, om een overbrugging te bieden naar het beschikbaar komen van financiële middelen uit (in het bijzonder) de beursgang van "Chello" (UPC Internet Holding B.V.). Deze beursgang is niet doorgegaan, omdat de beurs voor aandelen in internetbedrijven in de loop van 2000 instortte.
Op 16 juni 2000 is een Amended Bridge Loan Facility van EUR 2 miljard met Goldman Sachs afgesloten. Leningnemer was, op verzoek van Goldman Sachs, niet langer UPC, maar UPC's volledige dochteronderneming Belmarken Holding B.V. UPC en UPC's dochtermaatschappij UPC Internet Holding B.V. hebben zich tot zekerheid voor de terugbetaling van die lening verbonden. De bewindvoerder van UPC merkt over de wisseling van de leningnemer (Belmarken Holding B.V. in plaats van UPC) op dat uit door hem ingesteld onderzoek is gebleken dat Goldman Sachs qua verhaalbaarheid vóór de obligatiehouders van UPC wilde komen.(6) De obligatiehouders van UPC hebben pas reële kans op betaling van gelden die zich in Belmarken Holding B.V. bevinden, nadat de crediteuren van Belmarken Holding B.V. (waaronder Goldman Sachs) zijn betaald. De Amended Bridge Loan Facility is op 27 september 2000, nadat een andere bank als medekredietgever was gaan optreden, vanwege de verder verslechterde internetmarkt verlaagd tot een bedrag van EUR 1 miljard. Deze faciliteit is verstrekt door een syndicaat van vier banken, waaronder Goldman Sachs. Onder deze faciliteit is in december 2000 uiteindelijk een bedrag van EUR 750 miljoen aan UPC ter beschikking gesteld. Ook beide Amended Bridge Loan Facilities zullen hierna worden aangeduid als de Bridge Loan.


2.2 Inmiddels had UPC in oktober 2000 een kredietfaciliteit van EUR 4 miljard verkregen van de Toronto Dominion Bank en de Chase Manhattan Bank. Tot zekerheid voor dit krediet zijn de aandelen van UPC Distribution Holding B.V., waarin de kabelactiviteiten van UPC waren ondergebracht, en die van een aantal subholdings aan deze banken verpand. Alleen de internetactiviteiten van UPC, ondergebracht in UPC Internet Holding, zijn niet aan deze banken in zekerheid gegeven.


2.3 In mei 2001 heeft Liberty Belmarken Inc.,(7) Liberty, een bedrag van USD 856,8 miljoen (inclusief gecumuleerde rente tot aan het einde van de looptijd een bedrag van USD 1.225 miljoen belopend) geleend aan Belmarken Holding B.V. Partijen bij deze overeenkomst, de Belmarkenlening,(8) zijn overeengekomen dat de lening opeisbaar is in
2007. De rente bedraagt 6% per jaar, opeisbaar aan het einde van de looptijd. UPC heeft zich als zogenaamde co-obligator voor de terugbetaling van die lening hoofdelijk aansprakelijk gesteld waarbij Belmarken Holding in de interne verhouding draagplichtig is. Tot zekerheid voor terugbetaling van de Belmarkenlening heeft, op 21 juni
2001, UPC haar aandelen in haar dochters Belmarken Holding en UPC Internet Holding verpand en heeft Belmarken Holding haar aandelen in UPC Holding N.V. verpand, met een garantie van UPC Internet Holding alsmede met het achterstellen ten opzichte van Liberty door UPC van haar intercompany vordering op Belmarken Holding. Partijen bij deze overeenkomst zijn verder overeengekomen dat de lening onder bepaalde voorwaarden kan worden omgezet in aandelen UPC. Opmerking verdient nog dat Liberty op het moment van het afsluiten van de Belmarkenlening een minderheidsbelang in de moeder van UPC (UGC) had. Aan het verstrekken van de Belmarkenlening is het één en ander aan vooraf gegaan. UGC, Liberty en UPC hebben onderhandeld over het verstrekken van kapitaal door UGC aan UPC. Uiteindelijk is de verstrekking van kapitaal niet doorgegaan omdat Liberty niet bereid bleek kapitaal te verstrekken aan UGC.
Het bedrag van de Belmarkenlening is op 29 mei 2001 ter beschikking gekomen. Op die dag is de Bridge Loan beëindigd. De bewindvoerder merkt op dat uit onderzoek is gebleken dat de Belmarkenlening als permanente financiering in de plaats is gekomen van de als tijdelijk bedoelde Bridge Loan.(9)
Op 30 januari 2002 zijn de vorderingen van Liberty uit hoofde van de Belmarkenlening en de rechten uit de gestelde zekerheden overgedragen aan UGC, tegen uitgifte van aandelen door UGC aan Liberty. Onder andere als gevolg hiervan verwierf Liberty een meerderheidsbelang in UGC.


2.4 ICH stelt een vordering op Belmarken Holding, UPC France Holding en UPC te hebben van EUR 192 miljoen. Genoemde schuldenaren zijn volgens ICH hoofdelijk aansprakelijk. Met betrekking tot deze vordering heeft ICH een arbitrale procedure aangespannen.


2.5 Voorafgaand aan de onderhavige procedure en de Chapter
11-procedure hebben uitvoerige onderhandelingen plaatsgevonden tussen UPC, UGC en een aantal obligatiehouders van UPC. Deze hebben, zoals al opgemerkt in 1.3, erin geresulteerd dat in de na afsluiting van de onderhandelingen gevoerde Chapter 11-procedure is bepaald dat de Belmarkenlening voor 97,8 % wordt betaald in aandelen New UPC, terwijl de obligatiehouders van UPC een uitkering van 20,6% (eveneens in aandelen New UPC) ontvangen. Dit verschil wordt verklaard doordat de Belmarkenlening naast het niet-solvabele UPC ook twee solvabele debiteuren (Belmarken Holding B.V. en UPC Internet Holding B.V.) heeft en bovendien met zekerheden is afgedekt, terwijl dit alles niet geldt voor de obligatieleningen. De Belmarkenlening is als geheel verhaalbaar. Een ander aspect van het plan is dat New UPC een openbaar bod zal uitbrengen op de aandelen UPC. Als dit bod zal slagen, zal UPC volledig in handen komen van New UPC. De bestaande beursaandeelhouders van UPC zien als gevolg van het geheel van de hierboven beschreven handelingen hun oorspronkelijke belang van 48% in UPC veranderen in een belang van 2% in New UPC. UGC verwerft een belang van 65,5% in New UPC; de buitenstaande obligatiehouders verkrijgen het restant van de aandelen.


2.6 Op 3 december 2002 heeft de United States Bankruptcy Court Southern District of New York op verzoek van UPC een zogenaamde Chapter 11-procedure, een Amerikaanse insolventieprocedure, op UPC van toepassing verklaard. Een reden voor dit verzoek van UPC is dat de obligatieleningen aan het recht van de staat New York zijn onderworpen.


2.7 Bij op 3 december 2002 bij de rechtbank in Amsterdam ingediend verzoekschrift heeft UPC tevens voorlopige verlening van surséance van betaling verzocht. Tegelijkertijd heeft UPC een ontwerp accoord ingediend bij de griffie van de rechtbank. In haar verzoekschrift heeft UPC voorts verzocht de in art. 218 Fw bedoelde behandeling (m.b.t. de verlening van definitieve surséance) achterwege te laten en in plaats daarvan op 28 februari 2003 over te gaan tot raadpleging over en stemming op het accoord. Verder heeft UPC in haar verzoekschrift verzocht te bepalen dat alleen de zogenaamde beneficial holders van de door UPC uitgegeven obligatieleningen op de voting record date, zoals die zou worden vastgesteld door de Amerikaanse rechter in de Chapter-11 procedure,(10) bevoegd zouden zijn hun vordering in te dienen bij de bewindvoerder en te stemmen tijdens de crediteurenvergadering.
Bij beslissing van 3 december 2002 heeft de rechtbank deze verzoeken toegewezen, met benoeming van mr. A.A.M. Deterink tot bewindvoerder en mr. A. van Dijk tot rechter-commissaris.


2.8 Op 16 januari en 28 februari 2003 heeft mr. Deterink verslag uitgebracht op grond van art. 227 lid 1 respectievelijk 265 lid 1 Fw. Op 28 februari 2003 is de rechter-commissaris overgegaan tot raadpleging en stemming van het op 3 december 2002 door UPC ter griffie gedeponeerde ontwerpaccoord, als aangevuld en gewijzigd bij die gelegenheid. Na stemming, waarbij 266 van de 268 concurrente schuldeisers voor het accoord stemde, één (ICH) tegenstemde, en één (Europe Movieco Partners Ltd.) zich onthield van stemming, is het accoord aangenomen. De rechter-commissaris heeft de vordering van ICH bij de stemming over het door UPC aangeboden accoord toegelaten tot de stemming voor één stem en voor een bedrag van EUR 1,=.(11) De bewindvoerder heeft nog gemeld dat UGC haar Belmarken-vordering niet bij hem heeft ingediend en als gevolg hiervan daarop ook niet heeft gestemd.(12) De vordering is op aandrang van de obligatiehouders wel meegenomen in het Amerikaanse reorganisatieplan. Dat was daar mogelijk omdat daar, anders dan in Nederland, in het reorganisatieplan met een concernsituatie rekening gehouden mag worden. Het Amerikaanse reorganisatieplan is meer omvattend dan het Nederlandse accoord. De Belmarkenlening valt buiten de Nederlandse surséance en het Nederlandse accoord. Overigens had UGC zich voor de Belmarkenlening kunnen verhalen op twee solvabele vennootschappen uit de UPC-groep (Belmarken Holding B.V. en UPC Internet Holding B.V.). Juist om deze reden hebben de Amerikaanse obligatiehouders van UPC erop aangedrongen dat de Belmarkenlening in het Amerikaanse plan wordt meegenomen. Het effect hiervan is dat UGC haar vorderingen op de solvabele dochters van UPC verliest en in plaats daarvan aandelen verkrijgt in New UPC.


2.9 Nadat de bewindvoerder, ICH, UPC, de Creditors Committee en de Citibank zich hadden uitgelaten over de homologatie, vond op 12 maart
2003 de behandeling van de homologatie van het accoord plaats. Bij beslissing van 13 maart 2003 heeft de rechtbank het akkoord gehomologeerd.
Over de Belmarkenlening heeft de rechtbank, kort gezegd en voor zover in cassatie van belang, het volgende overwogen: de Belmarkenlening speelt bij het accoord geen rol, omdat UGC als crediteur van de Belmarkenlening crediteur is van Belmarken Holding en geen crediteur in de surséance van betaling van UPC. UGC kan dus ook niet bevoordeeld worden boven andere crediteuren van UPC, zodat de gestelde bevoordeling ook niet aan homologatie in de weg kan staan (rov. 17). Bovendien is, ook indien de insolventie van UPC op groepsniveau wordt bekeken, geen sprake van bevoordeling van UGC boven andere crediteuren. Een verplichting van Liberty om aandelenkapitaal te verstrekken aan UPC staat immers niet vast en is ook niet voor de hand liggend, zodat niet valt in te zien waarom het Liberty niet vrij zou staan bij het verstrekken van de Belmarkenlening zekerheden te bedingen en bij de onderhandelingen over het akkoord daarop een beroep te doen. De overdracht van de vordering door Liberty aan UGC doet hier niet aan af (rov. 18; overweging ten overvloede). Ook de stellingen van ICH dat er grond is voor vernietiging van de Belmarkenlening op grond van de Pauliana en dat er nader onderzoek moet worden gedaan naar de in het kader van de Belmarkenlening verstrekte zekerheden leveren volgens de rechtbank geen grond op voor weigering van de homologatie. De Belmarkenlening betreft immers niet een door UPC verrichte rechtshandeling en de in het kader van de Belmarkenlening gestelde zekerheden zijn niet door UPC gesteld (rov. 19). Over het stemrecht van de obligatiehouders heeft de rechtbank overwogen dat de rechter commissaris terecht reeds op voorhand heeft beslist dat de 'beneficial owners' mochten stemmen over het akkoord. Ook de toekenning van het stemrecht aan de 'benefical owners' levert dus geen grond op om de homologatie te weigeren (rov. 21).


2.10 Van de beslissing van 13 maart 2003 heeft ICH onder aanvoering van vijf grieven hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. Bij beslissing van 15 april 2003 heeft het hof de beslissing van de rechtbank bekrachtigd. De in cassatie relevante overwegingen komen hieronder bij de bespreking van het cassatiemiddel aan de orde.


2.11 Van de beslissing van het hof is ICH bij op 23 april 2003 bij de Hoge Raad binnengekomen verzoekschrift tijdig(13) in cassatie gegaan. Het cassatiemiddel bestaat uit zeven onderdelen. Op de in overleg met ICH en UPC bepaalde dag voor schriftelijke behandeling van het verzoekschrift hebben ICH en UPC beide een schriftelijke toelichting genomen. In haar schriftelijke toelichting heeft UPC geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Op genoemde datum hebben ook het Creditors Comittee en UGC, belanghebbenden in deze procedure, beide een schriftelijke toelichting genomen.(14) Beide hebben zich op het standpunt gesteld dat het cassatieberoep moet worden verworpen. ICH heeft gerepliceerd. UPC en het Creditors Committee hebben beide gedupliceerd.
UPC heeft verzocht om spoedbehandeling van het cassatieberoep.(15)


2.12 De in hoger beroep verschenen belanghebbende Citibank is in cassatie niet verschenen. Uit het griffiedossier blijkt dat de griffier deze belanghebbende wel schriftelijk, door middel van een brief aan haar procureur, op de hoogte heeft gesteld van het cassatieberoep. Aan het niet verschijnen van Citibank behoeven dus geen consequenties te worden verbonden. Dit geldt ook voor de bewindvoerder.


2.13 Uit het dossier blijkt niet dat UPC door middel van een exploit als bedoeld in art. 279 lid 2 Fw is opgeroepen. Aangezien UPC evenwel is verschenen en verweer heeft gevoerd heeft het achterwege blijven van dit exploit m.i. geen gevolgen.


3. Bespreking van het cassatiemiddel

Vooraf: motiveringseisen


3.1 Aangezien een deel van de cassatieklachten ziet op de motivering van de bestreden beslissing sta ik alvorens op het middel in te gaan kort stil bij de aan rechterlijke beslissingen in homologatieprocedures te stellen motiveringseisen.


3.2 Voor homologatiebeslissingen geldt de motiveringsplicht. Dit wordt met zoveel woorden bevestigd door 272 lid 5 jo. art. 153 lid 1 Fw. De eisen die gelden voor de motivering van rechterlijke beslissingen verschillen per geval.(16) A-G Asser noemt in zijn conclusie voor een beschikking van de HR van 3 juli 1989(17) (waarin het ging om de vaststelling van het salaris van een faillissementscurator) als voorbeelden van omstandigheden die van invloed zijn op de motiveringseisen: de aard van de beslissing of uitspraak, het karakter en de omvang van het tussen partijen gevoerde debat en de mate waarin de beslissing of uitspraak ingrijpt in de rechtstoestand van (een der) partijen.(18) Hetgeen de Hoge Raad overweegt in rov. 3.3 van zijn beschikking van 7 april 1995 (waarin de motiveringsplicht van een rechter bij faillietverklaring aan de orde was) sluit hierbij aan:

"Uitgangspunt bij de beoordeling van deze klacht moet zijn dat de omvang van de te dezen geldende motiveringsplicht niet alleen daardoor wordt bepaald dat het hier gaat om een beslissing die diep ingrijpt, ook in fundamentele rechten (zoals die ingevolge art. 8 Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM)), maar evenzeer door de specifieke aard van de op een spoedige beslissing gerichte procedure waarin, nu slechts "summierlijk" van het vervuld zijn van de wettelijke eisen voor faillietverklaring behoeft te blijken, aan de rechter grote vrijheid toekomt. Niettemin behoort óók in een dergelijke procedure de beslissing tenminste zodanig te worden gemotiveerd dat zij voldoende inzicht geeft in de aan haar ten grondslag liggende gedachtengang opdat zij zowel voor partijen als voor derden - in geval van openstaan van een hogere voorziening: de hogere rechter daaronder begrepen - controleerbaar en aanvaardbaar is (HR 4 juni 1993, NJ 1993, 659). Dit laatste brengt mede dat, indien en voor zover degene wiens faillissement wordt aangevraagd, gemotiveerd en relevant verweer heeft gevoerd, maar niettemin in staat van faillissement wordt verklaard, uit het vonnis dan wel het dat vonnis ondanks zijn hoger beroep bevestigende arrest, gelezen tegen de achtergrond van en in verband met de gedingstukken, ten minste met een redelijke mate van zekerheid moet zijn op te maken dat zijn verweer onder ogen is gezien alsmede op welke grond het is verworpen (vgl. EHRM 9 december 1994, Serie A, n°
303-A)."


3.3 Ook de homologatieprocedure is, zo blijkt uit de wetsgeschiedenis(19) en de in de wet gehanteerde termijnen, gericht op een spoedige beslissing. Anders dan in art. 6 lid 3 Fw wordt in de voor de homologatieprocedure relevante artikelen (art. 272 Fw jo. artt. 154-156 en 160 Fw) niet de term 'summierlijk blijken' gebruikt. Dat de rechter ook in homologatieprocedures veel vrijheid heeft blijkt evenwel uit de beschikking van de Hoge Raad van 15 december 2000(20) (waarin, onder andere, de vraag aan de orde was of er in een procedure waarin de homologatie van een akkoord wordt behandeld plaats is voor een proceskostenveroordeling). In deze beschikking overwoog de Hoge Raad in rov. 3.3:

"De procedure waarin de homologatie van een akkoord in eerste aanleg of in hoger beroep wordt behandeld, is niet een contradictoir geding, maar een procedure waarin de bewindvoerders, de schuldeisers en de schuldenaar ieder hun standpunt met betrekking tot de homologatie mogen geven en waarin de rechter met inachtneming van de desbetreffende in de Faillissementswet gegeven bepalingen naar eigen inzicht zijn goedkeuring van het akkoord verleent of weigert zonder daarbij in enig opzicht gebonden te zijn aan hetgeen door genoemde personen naar voren is gebracht."

Voor de i.c. te stellen motiveringseisen is verder van belang dat een homologatiebeslissing diep ingrijpt in de rechtstoestand van partijen. Tot slot is in de onderhavige procedure uitvoerig debat gevoerd.


3.4 Al met al meen ik dat het hof zijn beslissing zodanig zou moeten motiveren dat voldoende inzicht wordt gegeven in de aan de beslissing ten grondslag liggende gedachtengang opdat de beslissing zowel voor partijen en andere belanghebbenden als voor derden, de hogere rechter daaronder begrepen, controleerbaar en aanvaardbaar is. Het hof was evenwel niet gehouden op alle door partijen en andere belanghebbenden aangedragen stellingen in te gaan.


3.5 De onderdelen 1 tot en met 5 van het cassatiemiddel hebben betrekking op de Belmarkenlening. Onderdeel 6 heeft betrekking op het stemrecht van de obligatiehouders. Onderdeel 7 ziet op de overweging van het hof dat het ook geen reden ziet om de homologatie ambtshalve te weigeren. In het cassatieschriftuur dragen de middelonderdelen kopjes. Die kopjes zal ik hieronder ook gebruiken.

Belmarkenlening


3.6 ICH heeft gesteld dat de Belmarkenlening op onrechtmatige wijze tot stand is gekomen. Zij heeft betoogd dat UPC bij het totstandkomen van deze lening paulianeus in de zin van art. 3:45 BW dan wel onrechtmatig tegenover haar concurrente crediteuren en obligatiehouders heeft gehandeld.(21) ICH heeft hiertoe aangevoerd dat het afsluiten van de Belmarkenlening niet nodig was, omdat voor UGC de verplichting bestond kapitaal aan UPC te verschaffen in de vorm van aandelen, waartoe UGC de benodigde middelen zou ontvangen van Liberty, die zich op haar beurt tegenover UGC en UPC tot kapitaaldeelneming had verplicht. Voorts heeft ICH aangevoerd dat door middel van de Belmarkenlening een herschikking is getroffen en dat Liberty, UGC en UPC hierbij geen of onvoldoende rekening hebben gehouden met de belangen van de obligatiehouders en andere crediteuren. Tot slot heeft ICH aangevoerd dat UPC en Belmarken Holding in het kader van de Belmarkenlening onverplicht zekerheden hebben verstrekt. Rov. 4.6 -
4.11 van de bestreden beslissing hebben op dit alles betrekking.

Kapitaalverschaffing


3.7 Middelonderdeel 1 richt zich tegen rov. 4.6 van de bestreden beslissing, waarin het hof heeft overwogen dat noch uit de door ICH bij het appelschrift gevoegde producties noch uit de overige gedingstukken valt af te leiden dat tussen de betrokken partijen (onvoorwaardelijke) overeenstemming over de totstandkoming van de door ICH bedoelde (onder 3.6 beschreven) kapitaalverschaffing is bereikt dan wel dat UGC anderszins tegenover UPC tot kapitaalverschaffing was gehouden. Het middelonderdeel bevat drie klachten, welke ik in navolging van de nummering van het middel zal aanduiden als subonderdelen 1.2, 1.3 en 1.4. (Onderdeel 1.1 van het middel bevat geen klacht.)


3.8 Subonderdeel 1.2 betoogt dat het hof heeft miskend dat, gegeven het gemotiveerde en gedocumenteerde betoog van ICH dat Liberty niet zonder medewerking van UGC en UPC de kapitaalinjectie waaruit UGC aan haar kapitaalstortingsplicht jegens UPC moest voldoen kon weigeren, en gegeven het feit dat UPC over de relevante informatie beschikt, zwaardere eisen had moeten stellen aan de motivering van de betwisting van deze stelling van ICH. De betwisting door UPC, inhoudende dat de verplichting van UGC om deel te nemen in het kapitaal van UPC afhankelijk was van vijf voorwaarden, waarvan de belangrijkste was dat Liberty daadwerkelijk USD 1 miljard kapitaalinjectie in UGC zou uitvoeren en dat deze voorwaarde niet in vervulling is gegaan omdat de verplichting van Liberty op haar beurt afhankelijk was van een aantal voorwaarden en Liberty en UGC geen overeenstemming bereikten over de kapitaalinjectie, had het hof volgens ICH als onvoldoende gemotiveerd terzijde moeten stellen.


3.9 Afgezien van het antwoord op de (feitelijke) vraag hoe precies en concreet de betwisting door UPC is geweest, faalt het subonderdeel omdat het de non-contradictoire aard van de onderhavige procedure miskent. Hierboven (onder 3.3) kwam reeds de beschikking van de Hoge Raad van 15 december 2000 ter sprake, waarin de Hoge Raad overwoog dat de procedure waarin de homologatie van een accoord wordt behandeld geen contradictoir geding is en dat de rechter met inachtneming van de desbetreffende in de Faillissementswet gegeven bepalingen naar eigen inzicht zijn goedkeuring van het accoord verleent of weigert zonder daarbij in enig opzicht gebonden te zijn aan hetgeen door partijen en andere belanghebbenden naar voren is gebracht. Hiermee valt m.i. niet te rijmen dat de rechter behoudens gemotiveerde betwisting gebonden zou zijn aan stellingen van partijen.(22) Hierop loopt subonderdeel
1.2 vast.(23)


3.10 Subonderdeel 1.3 betoogt, onder verwijzing naar tal van vindplaatsen in de gedingstukken, dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd is omdat uit de in rov.
4.6 bedoelde stukken wel valt af te leiden dat tussen de betrokken partijen (onvoorwaardelijk) overeenstemming was bereikt met betrekking tot de totstandkoming van de door ICH bedoelde kapitaalverschaffing, althans dat de voorwaarden waarvan die overeenstemming afhankelijk was gesteld in vervulling zijn gegaan.


3.11 Ik meen dat het oordeel van het hof geenszins onbegrijpelijk is nu uit de in het cassatiemiddel aangehaalde passages niet blijkt dat onvoorwaardelijke overeenstemming was bereikt.(24) UPC en de bewindvoerder hebben in feitelijke aanleg gemotiveerd en onder verwijzing naar verschillende documenten, waaronder één van de documenten waarop het cassatiemiddel zich beroept,(25) uiteengezet dat de overeenstemming voorwaardelijk was en dat één van de voorwaarden, te weten daadwerkelijke uitvoering van een kapitaalinjectie van USD 1 miljard door Liberty in UGC, niet in vervulling is gegaan, waardoor men aan de nadere voorwaarden niet meer toekwam.(26) Dat deze voorwaarde niet in vervulling is gegaan heeft ICH niet betwist. In het licht van dit een en ander is het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk. Voor wat betreft de motivering herinner ik eraan dat het hof niet gehouden was op alle stellingen van partijen in te gaan. Subonderdeel 1.3 faalt.


3.12 Subonderdeel 1.4 richt zich tegen het oordeel van het hof dat uit de in rov. 4.6 bedoelde stukken niet valt af te leiden dat UGC anderszins tegenover UPC tot kapitaalverschaffing was gehouden. Het hof heeft volgens dit subonderdeel miskend dat UGC jegens UPC gehouden was eind januari 2002 de Belmarkenlening alsnog om te zetten in een aandelenkapitaaldeelname, althans heeft het hof volgens dit subonderdeel de essentiële stelling van ICH dat UGC hiertoe gehouden was gepasseerd (en dus zijn oordeel onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd).


3.13 Nu naar het niet onbegrijpelijke oordeel van het hof slechts sprake was van voorwaardelijk overeenstemming tussen de betrokken partijen met betrekking tot de totstandkoming van de door ICH bedoelde kapitaalverschaffing en naar het niet onbegrijpelijke oordeel van het hof de voorwaarden waarvan die overeenstemming afhankelijk was gesteld niet in vervulling zijn gegaan, valt niet in te zien waarom UGC toen zij in januari 2002 de rechten uit de Belmarkenlening in handen kreeg deze lening alsnog had behoren om te zetten in aandelenkapitaal UPC. Zoals de cassatieadvocaat van UPC onder verwijzing naar in het geding gebrachte stukken opmerkt was de (voorwaardelijke) overeenkomst van februari 2001, waarop ICH zich in dit verband beroept, op het moment waarop op 25 mei 2001 de Belmarkenlening werd gesloten een gepasseerd station.(27) Uitgaande van hetgeen in de desbetreffende gedingstukken wordt opgemerkt, waarnaar het hof in rov. 4.5 en 4.6 verwijst, was het hof niet gehouden expliciet in te gaan op de stelling van ICH (gedaan bij pleidooi(28)) dat UGC de Belmarkenlening toen zij die in januari
2002 in handen kreeg had moeten omzetten in aandelenkapitaal UPC. Terzijde merk ik nog het volgende op: In de schriftelijke toelichting van ICH wordt gewag gemaakt van een goocheltruc.(29) Ik acht het voorstelbaar dat onderhandeld wordt over een bepaalde transactie (in dit geval: een kapitaalverschaffing) en hierover geen overeenstemming wordt bereikt. Vervolgens kan men - juist als omstandigheden snel wijzigen - op andere voorwaarden wel overeenstemming bereiken. Ook subonderdeel 1.4 faalt.

Onverplichte zekerheden


3.14 Middelonderdeel 2 richt zich tegen rov. 4.8 van de bestreden beslissing, waarin het hof heeft overwogen dat, anders dan ICH heeft gesteld, niet is gebleken dat UPC en Belmarken Holding in het kader van de Belmarkenlening onverplicht zekerheden hebben gesteld. Subonderdeel 2.1 betoogt dat het hof niet, althans onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd heeft gerespondeerd op de essentiële stelling van ICH dat UPC (en Belmarken) in de gegeven omstandigheden misschien jegens UGC (en Liberty) geen aanspraken meer konden maken op verstrekking van kapitaal in de vorm van aandelen, maar wel op een geldlening zonder zekerheden. Subonderdeel 2.1.1 betoogt dat het hof heeft miskend dat noch uit de Belmarkenlening noch anderszins blijkt dat UPC of Belmarken Holding met Liberty zijn overeengekomen pandrechten te vestigen op de aandelen in(30) Belmarken Holding en UPC Internet Holding resp. UPC Holding. Bij gebreke van een Pledge Agreement, als gedefinieerd op blz. 16 onder 'Definitions' van de Belmarkenlening, blijft art. 8.1.1 van de Belmarkenlening, waarin wordt gesproken van overeengekomen pandrechten, zonder effect, aldus dit subonderdeel. Subonderdeel 2.1.2 bevat een motiveringsklacht. Zonder nadere motivering zou niet duidelijk zijn op grond waarvan het hof een overeenkomst tot het verlenen van pandrechten door UPC en Belmarken Holding aan Liberty heeft aangenomen.


3.15 De klachten lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Rov. 4.8 moet m.i. als volgt worden begrepen. Uit het feit dat niet is gebleken dat UPC of Belmarken Holding tegenover Liberty (of UGC) aanspraak kon maken op het verstrekken van een geldlening zonder zekerheden bezien in samenhang met artikel 8.1.1. (l) van de Belmarkenlening, waarin wordt verwezen naar zekerheden, heeft het hof afgeleid dat partijen waren overeengekomen dat zekerheden zouden worden gesteld en dat dus niet is gebleken dat UPC en Belmarken Holding in het kader van de Belmarkenlening onverplicht zekerheden hebben gesteld.(31) Dit oordeel van het hof is gebaseerd op uitleg van de gedingstukken en dus van feitelijke aard. Het oordeel is bovendien voldoende gemotiveerd en niet onbegrijpelijk. In dit verband acht ik van belang dat het hof in rov. 4.6 zonder schending van enige rechtsregel heeft overwogen dat niet is gebleken dat UGC tegenover UPC tot kapitaalverschaffing gehouden was. Nu ICH zich met betrekking tot haar stelling dat de zekerheden onverplicht zijn gesteld voornamelijk heeft gebaseerd op de uitleg van art. 8.1.1. van de Belmarkenlening behoefde 's hofs oordeel geen nadere motivering. Op dit een en ander loopt middelonderdeel 2 in zijn geheel vast.

Benadeling schuldeisers


3.16 Middelonderdeel 3 richt zich tegen rov. 4.9 van de bestreden beslissing, waarin het hof de bevinding van de bewindvoerder (in zijn rapportage van 31 maart 2003, blz. 11-12) heeft onderschreven dat de crediteuren van UPC er door de Belmarkenlening, als vervanging van de Bridge Loan, niet op zijn achteruitgegaan, waarmee, naar uit de context van de aangehaalde bevindingen van de bewindvoerder kan worden opgemaakt, moet worden begrepen dat de crediteuren niet zijn benadeeld. Hiertoe heeft het hof, in navolging van de bewindvoerder, van belang geacht: het ingevolge de Belmarkenlening ter beschikking gekomen bedrag, de gunstiger rentebepalingen en de mogelijkheid de lening te converteren in aandelen, zulks afhankelijk van de beurskoers. Voorts heeft het hof in rov. 4.9 overwogen dat de bewindvoerder er op heeft gewezen dat ook onder de Bridge Loan Goldman Sachs c.s. eerst integraal zou zijn voldaan als crediteur van Belmarken Holding en UPC Internet Holding, alvorens de crediteuren van UPC aan de beurt zouden komen, en dat de verpanding van de verschillende aandelen in het kader van de Belmarkenlening hierin geen verandering bracht, omdat deze aandelen in het geval waarin Belmarken Holding en UPC Internet Holding onverhoopt de Belmarkenlening niet zouden kunnen aflossen en in staat van insolventie zouden komen te verkeren, geen waarde meer zouden vertegenwoordigen. Tot slot heeft het hof opgemerkt dat de bewindvoerder voorts heeft vermeld, zulks onder verwijzing naar een door hem genoemde liquidatieanalyse, dat in geval van faillissement van UPC de crediteuren van UPC, ook indien de aandelen in het kader van de Belmarkenlening niet waren verpand, slechts een uitkering zouden ontvangen variërend van gemiddeld 2 % tot
2,9 %.


3.17 De klachten van middelonderdeel 3 hebben alle grotendeels betrekking op de overwegingen van het hof met betrekking tot de verpanding van de aandelen en de consequenties van die verpanding. Het middelonderdeel valt uiteen in drie subonderdelen, 3.1, 3.2 en 3.3.


3.18 Subonderdeel 3.1 betoogt dat het hof de aard en strekking van de aan Liberty verstrekte (en later aan UGC overgedragen) zekerheden heeft miskend. Gezien de verpanding van de aandelen in UPC Internet Holding, Belmarken Holding en UPC Holding aan Liberty, het optreden van UPC als mede-leningnemer onder de Belmarkenlening en het achterstellen door UPC van haar intercompany vordering op Belmarken Holding bij de vordering van Liberty was volgens dit subonderdeel geen andere conclusie mogelijk geweest dan dat de crediteuren van UPC er door de Belmarkenlening - als vervanging van de Bridge Loan - wel op achteruit zijn gegaan. Door tot een tegenovergestelde opvatting te komen heeft het hof zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd, aldus subonderdeel 3.1.


3.19 Vooropgesteld zij dat het bij benadeling in de zin van art. 3:45 BW gaat om daadwerkelijke benadeling; de kans op benadeling is onvoldoende voor een geslaagd beroep op art. 3:45 BW.(32) Ook voor onrechtmatigheid is een enkele kans op benadeling onvoldoende en moet met een redelijke mate van waarschijnlijkheid zijn te voorzien dat de crediteuren benadeeld zullen worden.
Het oordeel van het hof dat de crediteuren er niet op zijn achteruitgegaan ten opzichte van de situatie onder de Bridge Loan berust op een feitelijke weging van verschillende factoren. Het oordeel is niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Het hof heeft drie aspecten van de Belmarkenlening genoemd die voor de crediteuren gunstig zijn in vergelijking met de situatie onder de Bridge Loan (het ter beschikking gekomen bedrag, de gunstiger rentebepalingen en de mogelijkheid van het converteren van de lening in aandelen) en heeft, kennelijk naar aanleiding van hetgeen ICH in dit verband heeft aangevoerd bij pleidooi,(33) gemotiveerd uiteengezet waarom de crediteuren er door de verpanding van de aandelen in vergelijking met de situatie onder de Bridge Loan niet op zijn achteruitgegaan. Zoals het hof aan het slot van rov. 4.9 heeft overwogen zijn van de zijde van ICH geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht die omtrent het bovenstaande tot een ander oordeel nopen. Subonderdeel 3.1 faalt.


3.20 Subonderdeel 3.2 richt zich tegen de overweging van het hof dat de bewindvoerder er op heeft gewezen dat ook onder de Bridge Loan Goldman Sachs c.s. eerst integraal zou zijn voldaan als crediteur van Belmarken Holding en UPC Internet Holding, alvorens de crediteuren van UPC aan de beurt zouden komen, en dat de verpanding van de verschillende aandelen in het kader van de Belmarkenlening hierin geen verandering bracht, omdat deze aandelen in het geval dat Belmarken Holding en UPC Internet onverhoopt de Belmarkenlening niet zouden kunnen aflossen en in staat van insolventie zouden komen te verkeren, geen waarde meer zouden vertegenwoordigen. Het subonderdeel betoogt dat het hof de aard en strekking van de verpanding van de aandelen Belmarken Holding, UPC Holding en UPC Internet Holding heeft miskend, althans een onvoldoende gemotiveerde beslissing heeft gegeven, door slechts op één - door de bewindvoerder aangereikte - variant acht te slaan en niet ook de overige plausibele varianten in zijn overweging te betrekken. Het hof had volgens het subonderdeel niet voorbij mogen gaan aan de mogelijkheid dat ten aanzien van één van bovengenoemde vennootschappen geen sprake was van insolventie, maar wel van enig event of default in de zin van art. VIII van de Belmarkenlening.


3.21 M.i. legt het subonderdeel de lat te hoog. Het hof was, gezien de maatstaf waaraan getoetst moest worden, te weten daadwerkelijke benadeling dan wel een aanmerkelijke kans op benadeling, niet gehouden alle mogelijke scenario's af te lopen. Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het hof het door hem behandelde scenario, dat waarin Belmarken Holding en UPC Internet Holding de Belmarkenlening niet kunnen aflossen tengevolge van insolventie, het meest voor de hand liggend geacht. Dit is juist met het oog op de verpanding van de aandelen in deze vennootschappen niet onbegrijpelijk. Waar het subonderdeel betoogt dat de betekenis van de pandrechten blijkt uit het feit dat UGC in het reorganisatieplan 97,8 % krijgt uitbetaald, gaat het voorbij aan de door het hof in rov. 4.9 genoemde omstandigheid dat de bevoorrechte positie van UGC niet alleen voortvloeit uit de zekerheidsrechten doch ook uit het feit dat de lening, evenals overigens de Bridge Loan, op Belmarken niveau is afgesloten. De zich daar bevindende vennootschappen verkeren niet in staat van insolventie. Bovendien voert het subonderdeel waar het beweert dat Goldman Sachs c.s. een dergelijk resultaat niet zou hebben behaald een (ontoelaatbaar) novum in cassatie aan. Ook subonderdeel 3.2 faalt.


3.22 Subonderdeel 3.3 betoogt dat het hof ten onrechte althans onbegrijpelijkerwijs betekenis heeft gehecht aan de vermelding door de bewindvoerder dat in geval van faillissement van UPC de crediteuren van UPC, ook indien de bewuste aandelen niet waren verpand, slechts een uitkering zouden krijgen, variërend van gemiddeld 2,0 % tot 2,9 %. M.i. is de overweging waartegen dit subonderdeel zich richt niet dragend voor het oordeel van het hof dat de crediteuren van UPC er door de Belmarkenlening, als vervanging van de Bridge Loan, niet op zijn achteruitgegaan. Reeds om die reden faalt het subonderdeel. Bovendien zijn de eerste twee argumenten die het subonderdeel aanvoert weliswaar ontleend aan producties bij de processtukken doch in feitelijke aanleg niet naar voren gebracht. Ook hier gaat het dus om ontoelaatbare nova in cassatie. Voor wat betreft het derde argument dat het subonderdeel aanvoert (inhoudende dat het hof zich niet, kenbaar, rekenschap heeft gegeven van het feit dat het in de in rov.
4.9 bedoelde liquidatieanalyse genoemde uitkeringspercentage luidt in contanten, terwijl de uitkering van 20,6% aan de gewone crediteuren van UPC in de Restructuring Agreement gebeurt in aandelen UPC) geldt dat het hof hier niet op in hoefde te gaan. ICH heeft immers slechts betoogd dat de waarde van de aandelen New UPC onzeker is, niet dat deze lager is dan het bedrag dat zij zou hebben gekregen volgens eerdergenoemde liquidatieanalyse. Ook subonderdeel 3.3 faalt.

Solvabiliteit UPC; wetenschap van benadeling


3.23 Middelonderdeel 4 richt zich tegen rov. 4.10 van de bestreden beslissing. Hierin heeft het hof overwogen dat uit hetgeen uit de stukken en bij de behandeling naar voren is gekomen en uit hetgeen de bewindvoerder heeft gerapporteerd niet is af te leiden dat UPC ten tijde van de totstandkoming van de Belmarkenlening "technisch failliet" zou zijn geweest, dan wel dat toen te verwachten viel dat UPC op afzienbare termijn niet meer aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen. Het middelonderdeel bestaat uit twee subonderdelen, 4.1 en
4.2.


3.24 Subonderdeel 4.1 beroept zich op een aantal, volgens het subonderdeel (merendeels) vaststaande, omstandigheden (dat UPC de lening nodig had om haar activiteiten te financieren en dat UPC een (groot) negatief eigen vermogen had) waaruit niet anders zou blijken dan dat UPC ten tijde van de totstandkoming van de Belmarkenlening "technisch failliet" was dan wel dat toen te verwachten viel dat UPC op afzienbare termijn niet meer aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen.
Rov. 4.10 heeft kennelijk betrekking op de voor de Pauliana of onrechtmatigheid vereiste wetenschap (van benadeling). Het oordeel van het hof in rov. 4.10 berust op een feitelijke waardering van omstandigheden. Dat het hof uit de door ICH aangevoerde omstandigheden niet heeft afgeleid dat UPC ten tijde van de totstandkoming van de Belmarkenlening "technisch failliet" was dan wel dat toen te verwachten viel dat UPC op afzienbare termijn niet meer aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen is, zeker in het licht van de in cassatie niet resp. tevergeefs bestreden rov. 4.7 en 4.9, niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Overigens voert ook dit subonderdeel weer een aantal ontoelaatbare nova in cassatie aan. Subonderdeel 4.1 faalt dan ook.


3.25 Subonderdeel 4.2 betoogt dat voor een handelen in strijd met art.
3:45 BW dan wel onrechtmatig handelen rechtens niet vereist is dat ten tijde van de totstandkoming van de Belmarkenlening UPC technisch failliet was dan wel dat toen te verwachten viel dat UPC op afzienbare termijn niet meer aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen. Voldoende is volgens het subonderdeel dat de schuldenaar en diens wederpartij op het moment van de onverplichte rechtshandeling moeten hebben geweten of hebben moeten weten dat benadeling van een of meer schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden het gevolg zou zijn (art.
3:45 BW) resp. dat die schuldenaar had behoren te onderkennen dat hij geen voldoende verhaal meer bood voor zijn schuldeisers (onrechtmatig handelen, in die zin dat de schuldenaar zich de belangen van zij schuldeisers onvoldoende heeft aangetrokken). M.i. faalt subonderdeel
4.2 bij gebrek aan belang. Nu het oordeel van het hof in rov. 4.9, dat de crediteuren van UPC door de Belmarkenlening niet zijn benadeeld en dat de verpanding van de aandelen in een aantal tot UPC groep behorende vennootschappen deze vaststelling niet verandert in cassatie tevergeefs wordt bestreden, kan ook geen sprake zijn van wetenschap bij UPC van benadeling van één of meer van haar schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden. Voorts valt niet in te zien hoe UPC niet had behoeven in te zien dat zij op afzienbare termijn niet meer aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen doch wel had behoren te onderkennen dat zij geen voldoende verhaal meer bood voor zijn schuldeisers. Het hof heeft dus geen verkeerde maatstaf aangelegd. Subonderdeel 4.2 faalt eveneens.

Causaal verband


3.26 Middelonderdeel 5 richt zich tegen 4.11, 4.13 en 4.14 van de bestreden beslissing. Het middelonderdeel bouwt voort op de voorgaande middelonderdelen waar het betoogt dat genoemde rechtsoverwegingen moeten delen in het lot van de bestreden rov. 4.6, 4.8-4.10, en bevat in zoverre geen zelfstandige klacht. Voorts klaagt het middelonderdeel over de overweging ten overvloede in rov. 4.13. Hierin heeft het hof overwogen dat bezwaarlijk van een causaal verband tussen de totstandkoming van de Belmarkenlening (dan wel de overdracht daarvan) en de inhoud van het akkoord kan worden gesproken nu ten tijde van de totstandkoming en overdracht van de Belmarkenlening nog geen sprake was van de voorlopige surséance van UPC. Het hof heeft volgens middelonderdeel 5 miskend dat causaal verband aanwezig is als de inhoud van het akkoord (mede) is bepaald door een beroep van een crediteur, zoals UGC, op onrechtmatige totstandkoming van de Belmarkenlening (ik neem aan dat het middel bedoelt: de onrechtmatig totstandgekomen Belmarkenlening) dan wel op de paulianeus of onrechtmatig verkregen zekerheden, welk beroep heeft geleid tot een voor UGC hoger uitkeringspercentage dan voor niet gesecureerde crediteuren.


3.27 Indien de middelonderdelen 1 tot en met 4 falen, faalt middelonderdeel 5 bij gebrek aan belang. Het richt zich immers tegen een overweging ten overvloede. Ook afgezien hiervan faalt het middelonderdeel. Weliswaar is waarschijnlijk dat UGC tengevolge van haar sterke positie onder de Belmarkenlening een hoge uitkering krijgt in het reorganisatieplan, doch hiermee is niet het door art. 272 lid 2 sub 3 Fw vereiste causaal verband gegeven. Causaal verband in de zin van 272 lid 2 sub 3 Fw (en art. 153 lid 2 sub 3 Fw) wordt pas aangenomen als het akkoord tot stand is gekomen als gevolg van het aanwenden van, bij voorbeeld, begunstiging. Het is niet voldoende wanneer alleen maar gebleken is dat door begunstiging één of meer stemmen vóór het akkoord zijn uitgebracht.(34) Gezien de tijdstippen van totstandkoming en overdracht van de Belmarkenlening, ruim voor de voorlopige surséance van UPC en ook ruim voor de start van aankondiging voor de onderhandelingen over de Restructuring Agreement (in februari 2002), is het niet goed denkbaar dat de Belmarkenlening is aangegaan met het oog op het winnen van stemmen voor het akkoord. M.a.w. het is onaannemelijk dat het akkoord is aangenomen doordat aan bepaalde schuldeisers door middel van de Belmarkenlening bijzondere voordelen zijn toegekend of beloofd. Nu er geen feiten of omstandigheden zijn gesteld of gebleken waaruit causaal verband in de zin van art. 272 lid 2 sub 3 Fw blijkt, is het oordeel van het hof dat bezwaarlijk van causaal verband kan worden gesproken noch onjuist noch onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.


3.28 Aangezien hetgeen het hof in rov. 4.13 heeft overwogen nog wel van belang is voor het beroep van ICH op de facultatieve weigeringsgrond van art. 272 lid 3 Fw, waarop rov. 4.17 en middelonderdeel 7 betrekking hebben kom ik erop terug bij de behandeling van middelonderdeel 7. Ook als causaal verband ontbreekt, kan de homologatie immers nog wel worden geweigerd o.g.v. art. 272 lid
3 Fw.(35)

Stemrecht obligatiehouders


3.29 Middelonderdeel 6 richt zich tegen rov. 4.16 van de bestreden beschikking over het stemrecht van de zogenaamde 'beneficial holders' van de door UPC uitgegeven obligatieleningen. Het hof heeft in rov.
4.16 overwogen dat, nu o.g.v. art. 282 Fw tegen de beslissing van de rechtbank hierover, in rov. 21 van haar beschikking van 13 maart 2003, (inhoudende dat de rechter-commissaris terecht heeft beslist dat de 'beneficial owners' mochten stemmen over het akkoord) geen hogere voorziening openstaat, deze beslissing onherroepelijk is geworden. Overigens heeft het hof zich verenigd met de beslissing van de rechtbank. Het middelonderdeel valt uiteen in de subonderdeel 6.1, dat betrekking heeft op de ontvankelijkheid, subonderdeel 6.2, dat betrekking heeft op de stemprocedure en subonderdeel 6.3, dat betrekking heeft op het tijdsverloop tussen de voting record date en de crediteurenvergadering.

Ontvankelijkheid


3.30 Subonderdeel 6.1 betoogt dat het hof heeft miskend dat de bij het voorlopig verlenen van de surséance op 3 december 2002 gegeven beslissing van de rechtbank waarbij werd bepaald dat alleen de 'beneficial holders' van de obligaties die op de 'voting record date' bevoegd zijn (onder meer) tot stemming over het aangeboden accoord zijn toegelaten geen beslissing is in de zin van art. 225 en evenmin in de zin van art. 267 Fw. Het gaat hier volgens het middelonderdeel immers niet om de beveiliging van de belangen der schuldeisers resp. een betwiste vordering. De beslissing van de rechtbank heeft volgens het middelonderdeel daarom een even voorlopig karakter als de beslissing waarbij voorlopige surséance is verleend en een bezwaar tegen de beslissing kan volgens het middelonderdeel worden onderworpen aan de rechtbank bij de behandeling van de homologatie op de voet van art. 271 Fw. In ieder geval gaat de beslissing van de rechtbank niet in kracht van gewijsde gezien de aard van de in art. 215 en/of 225 en/of 267 Fw voorziene procedure die niet zozeer ziet op de beslissing van een rechtsstrijd maar geregeld is als eenvoudige op een spoedige behandeling gerichte procedure, aldus het middelonderdeel.


3.31 Het middelonderdeel miskent dat de beslissing van de rechtbank waarbij de 'beneficial holders' van de obligaties die op de 'voting record date' bevoegd zijn tot stemming over het aangeboden akkoord werden toegelaten juist wel een beslissing is in de zin van art. 225 Fw. Het gaat hier immers bij uitstek om een beslissing ter bescherming van de belangen van de schuldeisers.(36)
Als al moet worden aangenomen dat de rechtbank zich noch op art. 225 noch op art. 267 Fw heeft gebaseerd, zoals het middelonderdeel beweert, dan dient in ieder geval art. 267 Fw analoog te worden toegepast. De onderhavige beslissing is immers weliswaar geen beslissing op grond van art. 267 Fw omdat de vordering zelf niet is betwist(37), maar wel op één lijn te stellen met een beslissing waarbij wordt bepaald of en tot welk bedrag een schuldeiser wiens vordering wordt betwist tot de stemming zal worden toegelaten.(38) Voor wat het subsidiaire argument van dit middelonderdeel geldt dat de gehele homologatieprocedure, en niet slechts onderdelen daarvan, van niet-contradictoire aard is en op een spoedige beslissing is gericht. Ik verwijs in dit verband weer naar 3.3.
Subonderdeel 6.1 faalt.

De stemprocedure


3.32 Voor wat betreft de toekenning van het stemrecht aan de beneficial holders van de door UPC uitgegeven obligatieleningen heeft het Hof zich in rov 4.16 in een beslissing ten overvloede aangesloten bij hetgeen de rechtbank heeft overwogen. De rechtbank heeft het juist geoordeeld dat aan de beneficial holders stemrecht is toegekend, omdat het in strijd met de economische werkelijkheid en de strekking van de Nederlandse Faillissementswet zou zijn om dit niet te doen. Hierbij neemt de rechtbank nog in aanmerking dat de legal owner op grond van de obligatieovereenkomst niet bevoegd is te stemmen over het accoord. Als aan de beneficial holders geen stemrecht zou worden toegekend, zou door de overgrote meerderheid van schuldeisers van UPC geen stem op het accoord kunnen worden uitgebracht. Subonderdeel 6.2 betoogt dat onder Nederlands faillissementsrecht alleen de legal owner van de obligatieleningen stemrecht toekomt op het door UPC aan zijn crediteuren aangeboden accoord. Deze owner is immers alleen bevoegd de desbetreffende vordering bij de bewindvoerder in te dienen. Ik meen dat subonderdeel 6.2. faalt. Het gaat hier om een Nederlandse surséance van betaling met internationale aspecten. Er is sprake van een rechtsverhouding met een internationaal karakter. De op UPC van toepassing verklaarde Nederlandse surseance van betaling wordt beheerst door Nederlands insolventierecht. Het is verdedigbaar dat aangenomen dient te worden dat volgens de regels van het Nederlandse insolventierecht het stemrecht op het accoord aan de zogenaamde legal owner van de obligatielening toekomt. Dat is in dit internationale geval m.i. echter niet doorslaggevend. Het op de obligatielening toepasselijke recht van New York brengt mee dat het stemrecht voor het Amerikaanse accoord onder de Chapter 11 procedure toekomt aan de beneficial holders van de obligatieleningen. De op UPC toegepaste Nederlandse en Amerikaanse reorganisatie-procedures zijn door de behandelende juristen zo opgezet dat deze gelijk oplopen en samenhangen. Hiermee worden de belangen van UPC en de overgrote meerderheid van haar crediteuren gediend. De gelijksoortige uitkomst van de samenhangende Nederlandse en Amerikaanse accoord-procedures kan in gevaar komen, wanneer in Nederland het stemrecht voor de obligatielening zou toekomen aan de legal owner ervan en in de Verenigde Staten aan de beneficial holders. In dit soort gevallen biedt het Nederlandse internationale privaatrecht een zekere ruimte om het toepasselijke Nederlandse materiele recht enigszins aan te passen en op de Amerikaanse regels af te stemmen teneinde samenhang in de toepassing van het Amerikaanse en Nederlandse recht te bereiken. Om met Strikwerda te spreken: het internationale karakter van de rechtsverhouding stelt zijn eisen; het toepasselijke nationale recht kan niet zonder meer zijn loop nemen.(39) In deze benadering is het m.i. goed verdedigbaar om in navolging van rechtbank en hof voor wat betreft het Nederlandse accoord het stemrecht aan de beneficial holders toe te kennen met het gevolg dat er onderlinge afstemming tot stand komt. Hierbij dient men m.i. ook in aanmerking te nemen dat in het onderhavige geval de legal owner geen bezwaar heeft tegen het toekennen van stemrecht aan de beneficial owners. Ook is het van belang dat er ook in het moderne Nederlandse privaatrecht een tendens bestaat om rechten toe te kennen aan economisch gerechtigden.(40)

Schuldeisers op het moment van de crediteurenvergadering


3.33 Middelonderdeel 6.3. maakt bezwaar tegen het vaststellen van een zogenaamde voting record date. Het systeem van een voting record date komt erop neer dat voor het kunnen uitoefenen van stemrecht niet beslissend is wie op het moment van het houden van de crediteurenvergadering schuldeiser van UPC is, maar wie dat is op een eerder moment, namelijk het moment van de zogenaamde voting record date. Het middel meent dat het toepassen van een dergelijke voting record date ertoe kan leiden dat beneficial owners die op het moment van het houden van de crediteurenvergadering hun belang van de hand hebben gedaan meegestemd zou kunnen hebben over het accoord. Dat zou in strijd zijn met het Nederlandse insolventierecht. M.i. dient het middelonderdeel niet te slagen. Ik verwijs naar het in 3.32 besproken leerstuk van de aanpassing in het Nederlandse internationale privaatrecht. Toepassing van dit leerstuk rechtvaardigt m.i. in dit internationale geval het vaststellen van een voting record date. Ten overvloede merk ik nog op dat de Nederlandse wetgever in art 2:119 lid
1 BW het systeem van de voting record date niet als bij voorbaat niet passend in het Nederlandse privaatrecht heeft geoordeeld.

Art. 272 lid 3 Fw


3.34 Middelonderdeel 7 keert zich tegen rov. 4.17 van de bestreden beschikking, waarin het hof heeft overwogen dat er geen andere gronden zijn om de homologatie te weigeren en dat die weigering ook niet ambtshalve dient plaats te vinden. Het middelonderdeel bouwt deels voort op vorige middelonderdelen en bevat in zoverre geen zelfstandige klacht. Voorts betoogt het middelonderdeel dat het hof heeft miskend dat voor de toets van het accoord aan art. 272 lid 3 Fw causaal verband als bedoeld in rov. 4.13 niet vereist is. Tot slot betoogt het middelonderdeel dat het hof heeft miskend dat art. 272 lid 3 Fw hem zonder beperking de bevoegdheid verleent de weigering op andere gronden dan door ICH aangevoerd te doen steunen en haar ambtshalve uit te spreken, althans dat het hof door voor de motivering van zijn beslissing alleen te verwijzen naar en zich te beperken tot 'al het voorgaande' zijn beslissing onvoldoende heeft gemotiveerd.


3.35 Ik stel voorop dat de beschikking houdende (weigering van) de homologatie van feitelijke aard is en in cassatie niet kan worden getoetst, tenzij de beschikking gebaseerd is op met de wet strijdige gronden.(41) Bovendien gaat het hier om een discretionaire bevoegdheid, waarbij aan de rechter veel vrijheid is gelaten.(42) Het hof heeft in zijn beslissing alle argumenten die ICH heeft aangevoerd ter ondersteuning van haar stelling dat het akkoord moest worden geweigerd behandeld. Het hof was m.i. niet gehouden zijn beslissing in rov. 4.17, m.b.t. het beroep van ICH op art. 272 lid 3 Fw, nader te motiveren dan door een verwijzing naar al het voorgaande. Uit deze verwijzing volgt noch dat het hof heeft miskend dat voor de toets van het akkoord aan art. 272 lid 3 Fw causaal verband als bedoeld in rov. 4.13 niet vereist is noch dat het hof heeft miskend dat art. 272 lid 3 Fw hem zonder beperking de bevoegdheid verleent de weigering op andere gronden dan door ICH aangevoerd te doen steunen en haar ambtshalve uit te spreken. De hierop betrekking hebbende klachten miskennen dat de bevoegdheid van art. 272 lid 3 Fw een discretionaire bevoegdheid is en missen feitelijke grondslag. Middelonderdeel 7 faalt.


4. Conclusie

Deze strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden

Advocaat-Generaal


1 Een organogram is overgelegd als prod. 5 bij het verweerschrift in hoger beroep.

2 Prod. 1 bij het verweerschrift in hoger beroep.
3 Zie over de onderhavige en vergelijkbare debt-for-equity swaps ook R.J. van Galen, Kabels en knopen, Ondernemingsrecht 2002, blz. 247 e.v. en P.R.W. van Schaik, Surséance als vehikel voor debt-for-equity swaps, Ondernemingsrecht 2003, blz. 173 e.v.

4 Volgens de cassatieadvocaat van UPC (in zijn schriftelijke toelichting, op blz. 3, onder 2.7.) hebben de schuldeisers in de Chapter 11-procedure ingestemd met het reorganisatieplan en heeft de US Bankruptcy Court deze bij confirmation order van 20 februari 2003 goedgekeurd. Het plan is in de Verenigde Staten volgens de cassatieadvocaat van UPC onherroepelijk, maar bevat de voorwaarde dat het pas in werking treedt als het in Nederland aangeboden akkoord onherroepelijk tot stand komt. Vandaar het grote belang voor UPC van een afronding van de akkoordprocedure in Nederland.
5 Vgl. rov. 1 van de beslissing van de rechtbank van 13 maart 2003 en rov. 4.3 van de bestreden beslissing.

6 Zie de in hoger beroep overgelegde rapportage bewindvoerder inzake herfinanciering UPC (Bridge Loan/Belmarken Loan), blz. 1 (nr. 2)
7 Volgens de advocaat in feitelijke aanleg van UGC thans genaamd Liberty Media Inc.; pleitnotities mr. Josephus Jutta d.d. 1 april
2003, blz. 3, nr. 10. Dit verklaart waarom in de stukken zowel van Liberty Belmarken als van Liberty Media wordt gesproken.
8 Prod. 8 bij verweerschrift in hoger beroep. De relevante bladzijden van deze overeenkomst zijn ook overgelegd als prod. A bij het appelschrift in hoger beroep.

9 Zie de in noot 6 genoemde rapportage van de bewindvoerder, blz. 3 (nr. 6).

10 Deze voting record date is vastgesteld op 7 januari 2003; vgl. het eerste verslag van de bewindvoerder, van 16 januari 2003, blz. 17.
11 Zie het proces-verbaal van 28 februari 2003, blz. 11, tweede alinea. Hieruit: " (...) , hoewel ik denk dat de kans dat de vordering van ICH uiteindelijk zal worden toegewezen klein is, zeker voor een bedrag van EUR 192.000.000,=. Maar op grond van de omstandigheid dat sprake is van niet nakoming van door UPC aangegane verplichtingen, kan ik niet zonder meer zeggen dat de vordering van ICH kant noch wal raakt. Ik acht de kans op toewijzing van een aanzienlijk bedrag niet groot, maar de kans dat het nihil is acht ik te klein om de vordering niet toe te laten. Ik laat ICH derhalve toe tot de stemming voor EUR
1,= en één stem."

12 Zie de in noot 6 genoemde rapportage van de bewindvoerder, blz. 9 (nr. 14).

13 Zie art. 272 lid 5, jo. 154 jo. 156 Fw. Cassatie moet worden ingesteld binnen acht dagen na de beschikking van het hof. De beschikking van het hof is van 15 april 2003.

14 Met de cassatieadvocaat van ICH, in zijn schriftelijke toelichting van 9 mei 2003 op blz. 3, nr. 1.3, meen ik dat aan het vereiste van openbare behandeling ter openbare terechtzitting van art. 152 jo. 156 jo. 272 Fw is voldaan. Zie ook de schriftelijke toelichting van de cassatieadvocaat van UPC, blz. 2, nr. 1.5.

15 Vgl. schriftelijke toelichting UPC, blz. 2, nr. 1.6 en blz. 23, nr.
10.

16 Dat rechterlijke beslissingen in beginsel gemotiveerd moeten worden wordt bevestigd door art. 30 Rv.

17 NJ 1989, 770.

18 3.9 van de conclusie.

19 Van der Feltz II, blz. 172.

20 NJ 2001, 262, m.nt. PvS.

21 Zie over het belang van het beroep op de Pauliana of art. 6:162 in procedures waarin de homologatie van een akkoord aan de orde is A.L. Leuftink, Surséance van betaling, 1995, blz. 327.
22 Zie, n.b. in dezelfde zin, over de aard van de procedure ook het cassatiemiddel onder 6.1, blz. 16 en de schriftelijke repliek in cassatie van ICH, blz. 5 (ad 8.7 noot 55).

23 Overigens deel ik niet de mening van de cassatieadvocaat van UPC als verwoord in zijn schriftelijke toelichting op blz. 11 onder nr.
7.2, dat o.g.v. art. 362 lid 2 Fw de bepalingen van Rechtsvordering als zodanig niet van toepassing zijn op procedures van de Faillissementswet. Art. 362 lid 2 Fw verklaart immers alleen de derde titel van het eerste boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet van toepassing op verzoeken ingevolge de Faillissementswet.

24 Schriftelijke toelichting zijdens UPC, blz. 12, onder 7.3.
25 Productie C bij het appelschrift. (blz. 7)
26 Verweerschrift in appel, blz. 24-25, nrs. 142-150; Rapportage bewindvoerder inzake herfinanciering UPC (Bridge Loan/Belmarken Loan) d.d. 1 april 2003, blz. 6-7, nr. 10 en pleitaantekeningen van de advocaat van UGC in hoger beroep d.d. 1 april 2003, blz. 6, nr. 24.
27 Schriftelijke toelichting UPC, blz. 12, nr. 7.4.
28 Pleitnotities advocaat ICH d.d. 1 april 2003, blz. 10, nr. 4.3.
29 Blz. 5, nr. 2.2

30 Het cassatiemiddel schrijft 'van', maar bedoelt kennelijk 'in'.
31 Anders dan de cassatieadvocaat van ICH, in zijn schriftelijke repliek van 23 mei 2003, op blz. 2, onder 1 (ad. 7.5), meen ik niet dat uit de woorden "(...) dat uit de bepalingen van de Belmarkenlening, in het bijzonder artikel 8.1.1. daarvan, volgt (...)" moet worden afgeleid dat het hof de afspraak tot het stellen van zekerheden rechtstreeks in de overeenkomst vindt.
32 Asser/Hartkamp, 4-II, 2001, nr. 447 (blz. 463); HR 1 oktober 1993, NJ 1994, 257, m.nt. WMK (m.b.t. art. 1377 (oud) BW). Zie ook (voor de faillissementspauliana) HR 17 november 2000, NJ 2001, 272, m.nt. PvS.
33 Pleitnotities van de advocaat van ICH d.d. 1 april 2003, nr. 4.5, blz. 11-12.

34 A.L. Leuftink, a.w., blz. 317; B. Wessels, Insolventierecht, Het Akkoord, 1999, blz. 53, nr. 6120. Zie ook de aldaar aangehaalde rechtspraak.

35 R.J. van Galen, A. van Hees en J.J. Vetter (red.), Faillissementswet, aant. 6 en 7 bij art. 153; Wessels, a.w., nr. 6120, blz. 53.

36 Vgl. Polak-Wessels VIII, Surséance van betaling, 2000, blz. 54-56, nrs. 8110-8113. Zie m.n. het aan het slot va 8113 gegeven voorbeeld. Zie ook schriftelijke toelichting van UPC in cassatie, blz. 17018, onder 8.3 en schriftelijke toelichting Creditors Committee in cassatie, blz. 3-4, onder 5-7.

37 Anders: schriftelijke toelichting UPC in cassatie, blz. 18, onder
8.4 en schriftelijke toelichting Creditors Committee in cassatie, blz.
4, onder 8.

38 Zie in dit verband uitgebreider schriftelijke toelichting UPC in cassatie, blz. 18-19, onder 8.5-8.6 en schriftelijke toelichting Creditors Committee in cassatie, blz. 4, onder 9.
39 Zie L. Strikwerda, Inleiding tot het Nederlandse internationaal privaatrecht, zevende druk, blz. 47

40 Zie bijvoorbeeld de recente beslissing van de HR 6 juni 2003, RvdW
2003, 103, waarin economisch gerechtigden op certificaten gelijkgesteld worden met juridische certificaathouders en het ingevolge art. 2 van de Wet conflictenrecht trusts toepasselijke art.
11 van het Trustverdrag dat de erkenning van trusts regelt.
41 Leuftink, a.w., blz. 312; Polak-Wessels, Insolventierecht VI, Het Akkoord, blz. 55, nr. 6124.

42 Leuftink, a.w., blz. 322.