VVD



4 sep 2003 - VVD staat positief tegenover Wet gelijke behandeling leeftijd bij arbeid

Woordvoerder Weekers benadrukt dat een zo groot mogelijke vrijheid van de mens een onmisbare voorwaarde is voor zelfontplooiing. De VVd vindt de aanpak van leeftijdsdiscriminatie bij arbeid om principiele redenen zeer gewenst.

Onderwerp: plenaire behandeling Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij arbeid

Woordvoerder: Frans Weekers

Datum: 3 september 2003

Een zo groot mogelijke vrijheid van de mens is een onmisbare voorwaarde voor ontplooiing. De VVD doelt daarbij op vrijheid in geestelijk, staatkundig en materieel opzicht. Deze vrijheid komt ieder mens toe zonder enige vorm van discriminatie. Mensen zijn niet gelijk. Wel gelijkwaardig. Ieder mens moet de mogelijkheid hebben zich naar eigen kunnen en wil te ontplooien. Discriminatie is uit den boze.

Het is belangrijk dat deze fundamentele rechten en vrijheden, zoals zij ook zijn verankerd in onze liberale grondbeginselen, worden geëerbiedigd. Op tal van terreinen zijn in de loop der jaren anti-discriminatiebepalingen gekomen. Deze week worden al twee verschillende wetten om discriminatie tegen te gaan, plenair behandeld. Als het gaat om leeftijdsdiscriminatie bij arbeid heeft de VVD- fractie bij eerdere wetsvoorstellen reeds aangegeven zulks met kracht te willen bestrijden. Vanwege een op handen zijnde Europese richtlijn hebben de toenmalige wetsvoorstellen de eindstreep niet gehaald en ligt thans ter implementatie van die richtlijn onderhavig wetsvoorstel voor. Het verdriet mijn fractie zeer dat keer op keer behandeling van dit wetsvoorstel is uitgesteld. Ik ben dan ook blij dat we het thans plenair kunnen bespreken.

De VVD vindt de aanpak van leeftijdsdiscriminatie bij arbeid zoals gezegd om principiële redenen zeer gewenst; maar ook om beleidsmatige redenen. In het bijzonder de steeds groter wordende groep van ouderen wordt keer op keer geconfronteerd met discriminatie op grond van leeftijd en deze groep kenmerkt zich dan ook door een lage arbeidsparticipatie. Het lijkt een vicieuze cirkel. Werkgevers nemen niet eenvoudig oudere werknemers aan, die op hun beurt steeds gedemotiveerder raken om überhaupt nog te solliciteren. Die vicieuze cirkel moet worden doorbroken. De vergrijzing van de Nederlandse samenleving maakt het noodzakelijk om de arbeidsparticipatie onder ouderen te vergroten. Dat klinkt raar in deze tijd van oplopende werkloosheid, maar we moeten nu met visie en beleid naar de toekomst kijken en ons niet laten afleiden door aan korte termijn politiek doen. Het ligt dan ook in de rede om ook nu zeer positief tegenover dit wetsvoorstel te staan.

Mijn fractie hoopt en vertrouwt erop dat dit wetsvoorstel geen symboolwetgeving is, maar ook daadwerkelijk bijdraagt aan het bestrijden van leeftijdsdiscriminatie bij arbeid; bestrijden van vooroordelen die samenhangen met leeftijd en arbeid opdat mensen zonder aanziens van globale uiterlijke kenmerken zoals leeftijd, gewoon op hun eigen individuele capaciteiten, mogelijkheden en motivatie worden beoordeeld en op grond daarvan in onze maatschappij aan de slag kunnen en ook kunnen blijven.

Dat gezegd zijnde wil ik ingaan op de volgende punten.

Ik vraag de minister om het begrip "objectieve rechtvaardiging" nader te verduidelijken met voorbeelden van wat daar naar het oordeel van de Regering in ieder geval wel, maar ook in ieder geval niet onder valt. Naar mijn opvatting zou de rechtspraktijk daar zeer mee gediend zijn.

De Regering heeft ten aanzien van beide zaken aangegeven dat op voorhand niet te overzien is wat de exacte consequenties van het wetsvoorstel zullen zijn in verband met de ruime materiele werkingssfeer van de wet. Daarom is gekozen voor een systeem van objectieve rechtvaardiging die van geval tot geval getoetst gaat worden. De vrees is mijns inziens gerechtvaardigd dat de thans gekozen constructie van uitzonderingsgronden een uitweg vormt voor organisaties en burgers om onder het verbod op leeftijdsdiscriminatie uit te komen. Bovendien zet het de deur open naar verdere juridisering van onze samenleving. Het zal uiteindelijk die burger zijn, die ook daadwerkelijk de gang maakt naar de rechter of commissie Gelijke Behandeling, die uiteindelijk uitmaakt wanneer er nu wel, en wanneer er niet sprake is van leeftijdsdiscriminatie en objectieve rechtvaardiging. Met de gekozen systematiek moet de burger voor rechtersrecht zorgen, omdat de wetgever onvoldoende duidelijk is.

Deelt de regering deze kritiek? Kan de minister nader motiveren hoe tot een dergelijke structuur en systematiek van het wetsvoorstel is gekomen en is hij bereid om alsnog een poging te wagen om meer richting te geven aan de vraag wanneer nu wel en wanneer nu geen sprake is van verboden leeftijdsdiscriminatie bij arbeid. Ik zou de minister willen vragen om een aantal concrete voorbeelden te noemen als het gaat om objectieve rechtvaardiging. In welke situaties is er wel, en in welke situaties is er geen sprake van een verboden onderscheid. Dat zou burgers, bedrijven en instellingen helpen met de interpretatie van deze wet. Het zou hen helpen met de vraag wat met deze wet nu eigenlijk verandert ten opzichte van de bestaande jurispriudentie. De wetsgeschiedenis van vandaag kan heel wat onnodige procedures en daarmee onzekerheid, geld en gerechtelijke capaciteit sparen.

Na lezing van de schriftelijke voorbereiding en toelichting op het wetsvoorstel blijft voor mij onduidelijk of het functioneel leeftijdsontslag voor verkeersvliegers, brandweerlieden, politie-agenten, metaalarbeiders en beroepsmilitairen categoriaal mogelijk blijft. Is het zo dat een individuele afweging achterwege kan blijven wanneer er maar sprake is van een goed doordacht personeelsbeleid waarbij - categoriaal - sprake is van een legitiem doel, passend middel en ook noodzakelijk middel. En op welk niveau moet dit plaatshebben? Kunnen CAO-partijen dit voor een hele bedrijfstak of branche regelen? Bijvoorbeeld voor alle brandweerlieden of voor alle verkeersvliegers? Of kan het slechts gebeuren op bedrijfs- of dienstniveau of moet het op afdelingsniveau of op de individuele persoon zijn toegesneden? Kan een departement leeftijdsbewust beleid voeren? Bijvoorbeeld om voor jongeren toch nog een loopbaan mogelijk te maken in een tijd dat de organisatie moet inkrimpen? Kan de overheid als werkgever, dus let wel, niet als wetgever van werkgelegenheids- of arbeidsmarktbeleid, concernbreed regelen dat oudere werknemers bij inkrimping van de organisatie eerder moeten afvloeien om daarmee doorstroom en evenwichtige leeftijdsopbouw te realiseren? Dit thema is vorige week tijdens het vragenuurtje ook al aan de orde geweest naar aanleiding van ten onrechte aan minister Remkes toegeschreven uitspraken.

De VVD is van mening dat wat voor het bedrijfsleven geldt, ook voor de overheid als werkgever zou moeten gelden onder het motto "gelijke monikken, gelijke kappen". Bovendien heeft de overheid naar mijn smaak een voorbeeldfunctie te vervullen als het gaat om het bestrijden van leeftijdsdiscriminatie. De Rijksoverheid kan dus al zeker niet met de pet van wetgever dingen voor zichzelf regelen ten behoeve van zijn positie als werkgever. Waarom zeg ik dat met deze woorden? Ik zeg dat omdat het wetsvoorstel een volledige uitzonderingsgrond kent voor de Nederlandse strijdkrachten. Op vragen van de kant van de Kamer waarom hiervoor gekozen is, zijn wat mij betreft nog onvoldoende antwoorden gekomen. De antwoorden tot dusver hebben mij in elk geval nog niet overtuigd. Vanuit onze principiële uitgangspunten vermag ik vooralsnog niet inzien waarom voor defensie een algemene uitzonderingsgrond is opgenomen. Uiteraard staat mijn fractie open voor alle argumenten en praktische bezwaren van defensie, maar ik ben nog niet overtuigd. Althans niet dat defensie niet op andere wijze dan met een algemene uitzondering bediend zou moeten worden. Ik heb daar de volgende vragen over.

Waarom is in de richtlijn de algemende uitzonderingsmogelijkheid voor strijdkrachten gecreëerd? Welke ambtenaren/medewerkers vallen precies onder strijdkrachten? Ook diegenen die nooit het veld in hoeven? Welke landen hebben om deze uitzonderingsgrond verzocht en wat waren de argumenten? Welke landen maken geen gebruik van deze mogelijkheid en wat maakt de positie van hun strijdkrachten anders dan die van ons land? Wat maakt defensie als arbeidsorganisatie zo uitzonderlijk dat een algemene uitzonderingsgrond voor de strijdkrachten gerechtvaardigd is en waarom zouden mogelijke praktische bezwaren van defensie niet met een beroep op de "objectieve rechtvaardiging", met een goed onderbouwd personeelsbeleid en een overgangsregeling, weggenomen kunnen worden? En tegen welke problemen loopt defensie aan wanneer we de uitzondering schrappen?

Mijn fractie begrijpt goed dat je niet alle leeftijdscategorieën in alle militaire functies op een missie kunt sturen. Mijn fractie begrijpt goed dat je niet elke militair die je vanwege zijn leeftijd niet meer kunt laten tijgeren, een functie achter het bureau kunt geven. En dus begrijpt mijn fractie goed dat defensie als arbeidsorganisatie aan leeftijdsbewust beleid moet doen opdat Nederland een evenwichtige strijdmacht heeft die ook zijn verplichtingen in internationaal verband kan nakomen. Dat wil mijn fractie ook nadrukkelijk. Wij willen defensie niet voor een onmogelijke opgave stellen of met bureaucratische rompslomp opzadelen. Maar datzelfde geldt voor het Nederlandse bedrijfsleven. Wij stellen ons de vraag of niet veel te gemakkelijk is gekozen voor een algemene uitzonderingsgrond. Mij dunkt dat bijvoorbeeld een minimum aanstellingsleeftijd van 18 als militair en van 17 jaar als aspirant-militair, een verplichting die voortvloeit uit het verdrag tot bescherming van de rechten van het kind, ook mogelijk is zonder een algemene uitsluitingsgrond voor de strijdkrachten. Graag een reactie! "De veiligheid van de betrokken werknemer" was toch ook een legitiem doel op grond van de objectieve rechtvaardiging. Daarmee kan defensie toch met een algemene en goed gemotiveerde beleidslijn - mits objectief gerechtvaardigd - onderscheid maken naar leeftijd zonder dat elk individueel geval afzonderlijk moet worden getoetst? Graag een reactie. Als het gaat om de fysieke belasting van oudere krachten hoeven toch ook geen andere regels te gelden dan voor de brandweer? En waarom heeft Nederland wel gekozen voor de optionele uitzonderingsbepaling als het gaat om leeftijd en niet als het gaat om handicap?

Vanuit principiële liberale overwegingen voelt mijn fractie ervoor de uitsluitingsgrond voor de strijdkrachten uit de wet te halen en heeft mijn fractie sympathie voor het voorstel van collega Bussemaker. Maar wij willen wel een afgewogen eindoordeel vellen op grond van alle argumenten. Duidelijk moet zijn wat onze strijdkrachten nou zo bijzonder maakt dat zij ongeclausuleerd aan leeftijdsdiscriminatie zouden mogen doen. Ook wanneer ik niet overtuigd kan worden met argumenten heb ik aangegeven oog te hebben voor de praktische bezwaren waarmee defensie kampt omdat haar personeelsbeleid anders vorm gegeven zou moeten worden. Voor dat geval overweeg ik een subamendement op het amendement Bussemaker, of een gezamenlijk gewijzigd amendement, waarin een overgangstermijn van drie jaar aan de strijdkrachten wordt gegund om zich naar deze wet te kunnen richten. Daarmee meen ik een brug te kunnen slaan tussen onze principiële uitgangspunten en praktische bezwaren.

Dit voorstel is ook in lijn met een ander voorstel dat mijn fractie heeft gedaan, daar waar wij zien dat zich onbillijkheden voordoen wanneer ondernemingen worden geconfronteerd met snelle inwerkingstreding van dit wetsvoorstel. In het wetsvoorstel is namelijk als één van de uitzonderingen op het verbod op onderscheid opgenomen het beëindigen van de arbeidsverhouding in verband met bereiken van de leeftijd waarop op grond van de AOW recht op ouderdomspensioen ontstaat of een tussen partijen overeengekomen hogere leeftijd. Deze bepaling zal tot gevolg hebben dat een beding dat de arbeidsverhouding eindigt bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd veelal verboden zal zijn indien de pensioenleeftijd lager dan 65 jaar is. Dit punt kan verstrekkende gevolgen hebben voor ondernemingen. Werkgevers kunnen worden geconfronteerd met werknemers die aanspraak maken op een pre- pensioenuitkering maar die zich verzetten tegen beëindiging van de arbeidsovereenkomst. En dat terwijl een collectieve prepensioenregeling met daaraan gekoppeld verplicht ontslag op die leeftijd een samenhangend pakket van - veelal collectieve - arbeidsvoorwaarden vormt. Haal je daar een steentje uit, zakt het bouwwerk van die arbeidsvoorwaarden in elkaar omdat de rechten en plichten van werknemers en werkgevers niet meer in balans zijn. Wij menen dat dit wetsvoorstel niet beoogt een wijziging aan te brengen in een samenhangend pakket van lusten en lasten als het gaat om arbeidsvoorwaarden. Om de gevolgen van dit wetsvoorstel voor werkgevers te verzachten heeft de VVD samen met de LPF een amendement ingediend dat voorziet in een overgangsbepaling (tot 2 december 2006) voor onderscheid bij beëindiging in verband met het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, voor zover deze lager is dan de AOW-gerechtigde leeftijd. Op deze wijze krijgen sociale partners en individuele werkgevers voldoende tijd om in (individuele en collectieve) arbeidsovereenkomsten en pensioenregelingen opgenomen bepalingen waarin aan het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd (verplicht) ontslag voor werknemers gekoppeld is, aan te passen aan het wetsvoorstel.

Overigens plaatst de VVD ook vanuit principiële overwegingen vraagtekens bij de leeftijdsgrens van 65, op welke leeftijd het vanwege het recht op AOW bij voorbaat objectief gerechtvaardigd is iemand te ontslaan. Ik wil hier niet de discussie voeren over de vraag of mensen in zijn algemeenheid langer dan tot 65 zouden kunnen doorwerken, gelet op de hogere levensverwachting. Die discussie moeten we maar op een ander moment voeren. Ik wil in dit debat ook niet de AOW-gerechtigde leeftijd ter discussie stellen. Maar wat ik wel zou willen is dat de leeftijdsgrens van 65 in deze wet op termijn losgelaten wordt. Ik ben wat dat betreft gecharmeerd van de Amerikaanse
anti-discriminatiewetgeving, welke een stuk stringenter is en burgers meer bescherming biedt. Daar kan ook een 70-jarige niet louter op grond van zijn leeftijd worden ontslagen. Dat zou ook in Nederland niet moeten kunnen. Ik zie natuurlijk dat vanwege ons arbeids- en ontslagrecht daar nog wat haken en ogen aan zitten, maar vraag de minister toe te zeggen te onderzoeken welke hervormingen zouden moeten worden doorgevoerd op verschillende terreinen om uiteindelijk ook de leeftijdsgrens van 65 los te laten.

Ik ben - overigens geheel in lijn met het advies dat de Raad van State hierover heeft gegeven - van mening dat onderhavig wetsvoorstel eigenlijk beter opgenomen had kunnen worden in de Algemene Wet Gelijke Behandeling. Dit om verdere versnippering van regelgeving inzake het verbod op leeftijdsdiscriminatie te voorkomen. De plenaire behandeling van dit wetsvoorstel moet mijns inziens echter haar doorgang vinden gezien het belang van het onderwerp en de bijna verstreken implementatietermijn. Ik wil er echter op aandringen dat op termijn een integratie van het wetsvoorstel in de Algemene Wet Gelijke Behandeling wordt gerealiseerd. Wanneer kan een integratie van wetgeving worden verwacht?

Ook wil erop aandringen dat de minister een beleidslijn uitzet om CAO's, waarvan wordt gevraagd deze algemeen verbindend te verklaren, te screenen op leeftijdsdiscriminatie. Daar waar leeftijdsdiscriminatie voorkomt en dit niet objectief gerechtvaardigd is, mag de minister naar het oordeel van mijn fractie niet overgaan tot algemeen verbindend verklaring. Graag een toezegging.

Ik vroeg zojuist om vandaag in de wetsgeschiedis meer duidelijkheid te scheppen voor de rechtspraktijk. Om burgers en bedrijven een beter inzicht te geven wat wel en niet geoorloofd is om zodoende oom juridisering tegen te gaan. Het wetsvoorstel bepaalt in artikel 9 dat er bij direct en indirect onderscheid in advertenties de objectieve rechtvaardiging moet worden genoemd. Antwoord op deze concrete gevallen kan werkgevers en sollicitanten houvast bieden bij de vraag of bepaald leeftijdsonderscheid in vacatures wel of niet is toegestaan. Anders wordt het zo dat werkgevers eerst een oordeel aan de CGB moeten vragen om te weten wat ze in een advertentie mogen zetten. Dat lijkt me niet de bedoeling.

Veel voorkomende opmerkingen in personeelsadvertenties met direct en indirect leeftijdsonderscheid zijn:

- gezien de leeftijdsopbouw zoeken we iemand tussen de 20 en de 40

- wij zoeken iemand met 5 à 10 jaar ervaring

- wij zoeken jonge academici

- gezien de samenstelling van ons team zoeken we iemand tussen de 30 en 35 jaar

- ben je jong en zoek je een nieuwe uitdaging

- leeftijdsindicatie: 20 - 25 jaar

- leeftijdsindicatie: 40 - 45 jaar

- de kandidaat die wij zoeken is jong en dynamisch

- ter uitbreiding van ons verjongende team

- wij voeren een voorkeursbeleid voor jongeren Zijn deze objectief te rechtvaardigen?

En wat de tekst en vormgeving van advertenties betreft: zijn advertenties waar alleen maar foto's van jongeren (of alleen ouderen) in staan toegestaan? En is het toegestaan in advertenties alleen maar te spreken over je, jij en jouw? (vergelijk wet gelijke behandeling m/v artikel 3 lid 3: het aanbieden van een betrekking geschiedt wat betreft tekst en vormgeving zodanig dat duidelijk blijkt dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking komen). Graag een reactie!

Ik wil ook graag de gevolgen van de wet voor uitzendbureaus nader verduidelijkt zien. Volgens mij is op dit moment niet duidelijk hoever de verantwoordelijkheid van de uitzendbureaus reikt. Zo is bijvoorbeeld een situatie denkbaar dat de inlener van arbeid in eerste instantie om een kandidaat van een bepaalde leeftijd vraagt. Het uitzendbureau wijst de inlener erop dat dit niet mag. Vervolgens selecteert de inlener uit de door het uitzendbureau voorgedragen kandidaten van verschillende leeftijden toch de kandidaat met de door hem gewenste leeftijd. Maakt het uitzendbureau zich dan schuldig aan verboden onderscheid? Graag een reactie!

Tot slot vraag ik op welke wijze de voorlichting rond dit wetsvoorstel wordt georganiseerd. Pas bij grote bekendheid zal deze wet ook echt effect hebben. Daar gaat het om. Een cultuurverandering in onze samenleving. Dus geen symboolwetgeving.

4 september 2003