Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Antwoorden op Kamervragen van het Kamerlid Buijs over de registratie van medisch personeel in het BIG-register. (2020314260)

1.
Heeft u kennis genomen van de inhoud van het radioprogramma Argos op 27 juni 2003?

1.
Ja, ik heb kennis genomen van de inhoud van het Radioprogramma Argos van 27 juni 2003.

2.
Kunt u bevestigen dat enkele honderden Nederlandse artsen niet geregistreerd staan in het Beroepen Individuele Gezondheidszorg (BIG)-register? Zo ja, hoe verklaart u deze cijfers? Wat betekent het ontbreken van een registratie voor het functioneren van het systeem van gezondheidszorg in Nederland?

2.
Nee, ik kan niet bevestigen dat het om enkele honderden Nederlandse artsen zou gaan die niet geregistreerd staan in het BIG-register. Hierover ontbreekt het aan betrouwbare gegevens. Volgens een voorzichtige inschatting van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) zou het sinds de invoering van de Wet BIG op 1 december 1997 om slechts enkele tientallen gevallen kunnen gaan.
Voor het functioneren van het systeem van de gezondheidszorg in Nederland heeft het ontbreken van enkele tientallen registraties, hoewel principieel ongewenst, nauwelijks tot geen gevolgen. Het ontbreken van een registratie betekent dat de betrokken arts niet de titel van arts mag gebruiken en geen voorbehouden handelingen mag verrichten. In principe is het een zaak van de zorginstellingen om bij het in dienst nemen van een beroepsbeoefenaar de inschrijving in het BIG-register te controleren, voor het contracteren met een zelfstandig werkend beroepsbeoefenaar is de zorgverzekeraar verantwoordelijk voor de controle.

3. Kunt u aangeven hoe vaak Inspectie, Tuchtcollege en Openbaar Ministerie te maken krijgen met zaken waarbij sprake is van het ontbreken van registratie in het BIG-register? Op welke wijze gaat het tucht- en strafrecht met dergelijke zaken om?

3.
Sinds het in werking treden van de Wet BIG op 1 december 1997 zijn naar schatting van de IGZ 1 á 2 zaken per jaar aan de orde geweest. De tuchtrechter is bij het niet ingeschreven staan in het BIG-register door de beroepsbeoefenaar niet ontvankelijk. Op het ten onrechte voeren van de titel staat een geldboete van de tweede categorie (art. 100 Wet BIG). Daarnaast loopt een beroepsbeoefenaar die ten onrechte niet ingeschreven staat de kans om onder de algemene strafrechtbepalingen van de Wet BIG te vallen (artikel 96 Wet BIG e.v.). Hierbij geldt dat een niet-ingeschrevene, die bij het verrichten van handelingen op het gebied van de individuele gezondheidszorg buiten noodzaak schade of een aanmerkelijke kans op schade aan de gezondheid van een ander toebrengt, kan worden gestraft met een geldboete (tweede of derde categorie), een hechtenis (3 maanden) of gevangenisstraf (6 maanden).

4.
Wie is verantwoordelijk voor de handhaving van de Wet BIG, en op welke wijze vindt deze handhaving plaats?


---

4.
De Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) is verantwoordelijk voor de handhaving van de in de Wet BIG opgenomen kwaliteitsbepaling en de strafbepalingen. De IGZ stelt een melding van het ten onrechte gebruik maken van de titel door een niet-ingeschrevene altijd aan de orde bij het Openbaar Ministerie. Het is in het verleden wel voorgekomen dat vervolging niet meer opportuun werd geacht omdat de IGZ betrokkenen alsnog wist te bewegen om zich in te schrijven.

5.
Kunt u aangeven hoe de registratie van medisch personeel in andere Europese landen zich verhoudt tot het tucht- en strafrecht in Nederland? Dient medisch personeel zich te allen tijde in te schrijven in het Nederlandse BIG-register? Zo nee, waarom niet?

5.
Buitenlandse diplomahouders, ook diegenen die binnen de EU kunnen rekenen op automatische erkenning van het diploma, dienen zich bij beroepsuitoefening in Nederland in te schrijven in het BIG-register. Bij registratie moeten de "aanmelders" door middel van een eigen verklaring aangeven of zij reeds in het buitenland geregistreerd zijn en of aan hen een maatregel of schorsing is opgelegd. Ook bij dienstverrichting (het tijdelijk, gedurende een korte periode werken in Nederland door een EU-onderdaan bv. voor waarneming tijdens vakanties) dient aan mij altijd melding worden gemaakt van de dienstverrichting. De Nederlandse tucht- en strafrechtnormen zijn op de buitenlandse beroepsbeoefenaar van toepassing.

6. Kunt u inzicht geven in de omvang van medisch handelen in Nederland waarbij registratie in het BIG-register ontbreekt?

6.
Nee, zoals aangegeven gaat het slechts om enkele tientallen gevallen. Ik verwijs verder naar mijn antwoorden op de vragen 2 t/m 4.

7. Hoe bent u van plan op te treden tegen medisch personeel dat zich niet heeft ingeschreven in het BIG-register, maar desondanks de geneeskunde uitoefent. Bent u bereid samen met uw collega van Justitie er op toe te zien dat personeel dat medische handelingen verricht zich registreert in het BIG-register? Zo ja, hoe gaat u dit aanpakken?

7.
Voor het eerste deel van de vraag, hoe wordt opgetreden tegen medisch personeel dat zich niet in het BIG-register heeft ingeschreven, verwijs ik naar het antwoord op vraag 4. Daarbij dient te worden opgemerkt dat het `uitoefenen van de geneeskunst' sinds het in werking treden van de Wet BIG in principe vrij is voor iedereen en dus niet meer is voorbehouden aan uitsluitend artsen. Uitzondering op deze regel is het voeren van de beschermde titel en het verrichten van voorbehouden handelingen. Zoals ook eerder aangegeven zijn het in principe de zorginstelling en zorgverzekeraar die controle kunnen uitoefenen op de inschrijving in het BIG- register. Uw voorstel om samen met mijn collega van Justitie toezicht te houden op inschrijving in het BIG register wijs ik van de hand. De IGZ is wettelijk de handhavende instantie. Het raakvlak dat is ontstaan tussen IGZ en het OM met betrekking tot de strafbepalingen uit de Wet BIG heeft ervoor gezorgd dat sinds de in werking treding van de Wet BIG het contact tussen de IGZ en het OM sterk is verbeterd. Sinds 1 oktober 2001 is het landelijk Medisch Expertisecentrum operationeel. Dit richt zich op de ondersteuning van alle parketten bij de behandeling van medische zaken. Uit een inventarisatie van het OM blijkt dat `nagenoeg ieder parket een officier van justitie heeft aangewezen, die belast is met de behandeling van medische zaken. Er zijn afspraken gemaakt dat deze medische officieren van justitie medische zaken melden bij het Expertisecentrum, alwaar de zaken worden geregistreerd. Door middel van het verstrekken van informatie tracht het Medisch Expertisecentrum het aantal sepots terug te dringen.


---

Op centraal niveau is er periodiek overleg tussen College van procureurs-generaal en het College van hoofdinspecteurs. De aanwezige kennis bij het OM wordt zoveel mogelijk uitgebreid door informatieve bijeenkomsten tussen IGZ en medische officieren. Ieder arrondissement onderhoudt regelmatig en goed contact met de IGZ, zowel structureel als per casus. Echter, het aantal strafdelicten dat de Inspectie tijdens haar onderzoek tegenkomt, is gering. Om die reden worden weinig zaken met strafrechtelijke aspecten aangemeld. De bereidheid om te vervolgen is zeker aanwezig, het OM is echter grotendeels afhankelijk van de melding door de IGZ.


---- --