Hoge Raad der Nederlanden

Uitspraak Hoge Raad LJN-nummer: AF8274 Zaaknr: R02/034HR


Bron: Hoge Raad der Nederlanden 's-Gravenhage Datum uitspraak: 5-09-2003
Datum publicatie: 5-09-2003
Soort zaak: civiel - personen-en familierecht
Soort procedure: cassatie


5 september 2003
Eerste Kamer
Rek.nr. R02/034HR
JMH

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:


---
wonende te ,
VERZOEKSTER tot cassatie, (voorwaardelijk) incidenteel verweerster, advocaat: mr. E. van Staden ten Brink,

t e g e n


---
wonende te ,
VERWEERDER in cassatie, (voorwaardelijk) incidenteel verzoeker, advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand.


1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 8 maart 2000 ter griffie van de Rechtbank te 's-Gravenhage ingediend verzoekschrift heeft verweerder in cassatie - verder te noemen: de man - zich gewend tot die Rechtbank en primair verzocht te bepalen dat de door hem aan verzoekster tot cassatie - verder te noemen: de vrouw - te betalen alimentatie met ingang van 1 september
2000 wordt beëindigd, en subsidiair een termijn te stellen waarop de alimentatieverplichting zal eindigen, met bepaling dat na ommekomst van deze termijn, deze niet meer kan worden verlengd. De vrouw heeft het verzoek bestreden en van haar kant de Rechtbank verzocht te bepalen dat de alimentatieverplichting van de man wordt verlengd met een door de Rechtbank in goede justitie te bepalen termijn, met bepaling dat na ommekomst van deze termijn verlenging daarvan mogelijk is.
De Rechtbank heeft bij beschikking van 20 februari 2001 met ingang van
1 december 2010 de verplichting tot bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw beëindigd, bepaald dat verlenging van deze termijn na ommekomst daarvan mogelijk is, en het meer of anders verzochte afgewezen.
Tegen deze beschikking heeft de man hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage. In hoger beroep heeft de man zijn verzoek vermeerderd en (meer subsidiair) verzocht dat de alimentatieverplichting van de man zal worden afgebouwd en de wettelijke indexering buiten toepassing zal blijven. De vrouw heeft een verweerschrift ingediend.
Bij beschikking van 6 februari 2002 heeft het Hof:
- de bestreden beschikking vernietigd en, opnieuw beschikkende:
- de termijn van alimentatieverplichting tot 1 september 2001 verlengd;

- bepaald dat de man aan de vrouw een alimentatie zal betalen van: f 3.954,58 per maand in de periode van 1 september 2000 tot 1 september 2004;

75% van dit bedrag per maand in de periode van 1 september 2004 tot 1 september 2007;

50% van dit bedrag per maand in de periode van 1 september 2007 tot 1 september 2009;

25% van dit bedrag per maand in de periode van 1 september 2009 tot 1 september 2011;

- de wettelijke indexering uitgesloten;

- bepaald dat verlenging van deze termijn niet mogelijk is, en
- het meer of anders verzochte afgewezen.

De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.


2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het Hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. De man heeft (voorwaardelijk) incidenteel cassatieberoep ingesteld. Het cassatierekest en het verweerschrift tevens houdende het (voorwaardelijk) incidentele beroep zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.
Partijen hebben over en weer verzocht het beroep te verwerpen. De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot verwerping van het principaal beroep.
De advocaat van de vrouw heeft bij brief van 16 mei 2003 op die conclusie gereageerd.


3. Beoordeling van het middel in het principale beroep


3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. (i) Partijen zijn op 28 april 1970 met elkaar gehuwd. De vrouw is geboren op 12 november 1945, de man op 18 november 1946. (ii) Uit het huwelijk zijn drie dochters geboren, respectievelijk op
30 april 1971, 9 februari 1973 en 4 januari 1976. (iii) Bij vonnis van 30 augustus 1985 is tussen partijen echtscheiding uitgesproken. Het echtscheidingsvonnis is op 20 september 1985 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. (iv) Met ingang van 1 september 2000 bedroeg de in 1985 vastgestelde alimentatie voor de vrouw f 3.954,58 per maand.


3.2 Op 8 maart 2000 heeft de man een verzoekschrift bij de Rechtbank ingediend en de Rechtbank verzocht op de voet van art. II lid 2 van de Wet limitering van alimentatie na scheiding (hierna: WLA) te bepalen dat de door hem aan de vrouw te betalen alimentatie met ingang van 1 september 2000 wordt beëindigd, subsidiair een termijn te stellen waarop de alimentatieverplichting zal eindigen, met bepaling dat deze termijn na ommekomst, niet meer kan worden verlengd. De Rechtbank heeft de man in zijn verzoek tot definitieve beëindiging niet gevolgd. Zij oordeelde dat, alle relevante omstandigheden in aanmerking genomen, de verzochte beëindiging van de alimentatieplicht zo ingrijpend is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid van de vrouw niet kan worden gevergd. De Rechtbank heeft bepaald dat met ingang van 1 december 2010 de alimentatieverplichting van de man wordt beëindigd, maar dat verlenging van deze termijn na ommekomst daarvan mogelijk is.
Op het hoger beroep van de man heeft het Hof de beschikking van de Rechtbank vernietigd en de termijn van alimentatiebetaling verlengd tot 1 september 2011. Voorts heeft het Hof een afbouwregeling met uitsluiting van de wettelijke indexering over een periode van elf jaar, gerekend vanaf het moment dat de man 15 jaar alimentatie betaalde, vastgesteld, zoals nader omschreven onder 1. Ten slotte heeft het Hof bepaald dat verlenging van de termijn niet mogelijk is.


3.3 Het Hof heeft daartoe - voor zover in cassatie van belang - als volgt overwogen. Naar het oordeel van het Hof is een directe beëindiging van de bijdrage tot levensonderhoud van de vrouw nu te ingrijpend. Het Hof acht het aannemelijk dat een directe beëindiging van deze bijdrage leidt tot een onbillijke achteruitgang van het inkomen van de vrouw. Daarbij heeft het Hof enerzijds meegewogen dat de gezondheidstoestand van de vrouw slecht is en dat haar arbeidsverleden en opleiding niet optimaal zijn en anderzijds dat de man weliswaar al ruim zestien jaar alimentatie heeft betaald, maar dat de man niet heeft gesteld dat hij onvoldoende draagkracht heeft om de bijdrage in het levensonderhoud te kunnen voldoen (rov. 12). Het Hof vervolgt dan in rov. 13 aldus:
"Het hof is van oordeel dat op grond van het besprokene er gronden zijn die een afbouwregeling van de bijdrage in levensonderhoud ten behoeve van de vrouw rechtvaardigen. De partijen zijn gescheiden in
1985. Op dat moment was de vrouw 40 jaar oud. Het jongste kind was negen en het oudste veertien jaar. De kinderen behoefden nog zorg. Voor de vrouw was het op dat moment gerechtvaardigd om die zorg op zich te nemen. In 1990, toen de kinderen zelfstandiger waren geworden, is de vrouw parttime gaan werken. Naar het oordeel van het hof heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat zij niet reeds vanaf dat moment fulltime had kunnen werken. Het hof acht het aannemelijk dat er op dat moment fysieke noch sociale beperkingen voor de vrouw waren om fulltime te gaan werken. Van de vrouw had in redelijkheid kunnen worden verlangd dat zij vanaf 1990 reserveringen had getroffen voor een oudedagsvoorziening. Hoewel de vrouw stelt mede ten gevolge van een auto-ongeluk arbeidsongeschikt te zijn geworden en niet in staat te zijn haar inkomsten te verhogen, komt dit naar het oordeel van het hof voor haar rekening en risico, nu zij hiervoor een arbeidsongeschiktheidsverzekering had kunnen afsluiten. Het is niet billijk dit risico op de man af te wentelen. De redelijkheid brengt met zich mede dat er voor de man uitzicht komt op een beëindiging van de alimentatieverplichting. Het hof zal teneinde een ingrijpende wijziging in een keer te voorkomen, de alimentatie voor de vrouw geleidelijk verminderen om haar de mogelijkheid te geven zich aan de nieuwe situatie aan te passen."

In rov. 14 overweegt het Hof onder meer nog dat de vrouw aldus in elk geval tot aan de pensioengerechtigde leeftijd een meer of minder grote bijdrage van de man zal ontvangen en dat het daarbij ervan uitgaat dat de vrouw in de eerstkomende jaren extra voorzieningen treft ter aanvulling van haar AOW en pensioen.


3.4 Bij de beoordeling van het middel, dat zich met rechts- en motiveringsklachten keert tegen de beslissing van het Hof en de gronden waarop die beslissing berust, moet het volgende worden vooropgesteld. Aan beslissingen waarbij onder vigeur van art. II lid 2 WLA het beroep van de alimentatiegerechtigde op de daarin vervatte uitzondering aanstonds wordt verworpen, dan wel slechts voor een beperkte termijn en met uitsluiting van de mogelijkheid van verlenging van die termijn, wordt gehonoreerd, moeten hoge motiveringseisen worden gesteld (HR 26 maart 1999, nr. R98/014, R98/087 en R98/116, NJ
1999, 653 - 655). Die hoge motiveringseisen gelden dus ook in het onderhavige geval, waarin weliswaar sprake is van een verlenging van de alimentatieverplichting met een termijn van elf jaar, maar die termijn in zoverre is beperkt dat zij niet voor verdere verlenging vatbaar is. Ter beantwoording van de vraag of evenvermelde uitzondering zich voordoet, dienen alle relevante omstandigheden in aanmerking genomen te worden. De hoge motiveringseisen brengen daarom in beginsel mee dat de rechter, indien de alimentatiegerechtigde voldoende gemotiveerd stelt dat voor toepassing van de uitzondering grond is en de feiten waarop deze stelling steunt bij betwisting, althans voor zover het gaat om omstandigheden aan de zijde van de alimentatiegerechtigde, aannemelijk maakt, bij het nemen van een beslissing als hiervoor bedoeld, moet doen uitkomen welke omstandigheden hij in aanmerking heeft genomen en hoe hij deze in zijn afweging heeft betrokken (HR 26 maart 1999, nr. R98/087, NJ 1999,
654).


3.5 Naar blijkt uit de rov. 12 - 14 van het Hof, heeft het Hof, anders dan het middel betoogt, niet miskend dat aan zijn beslissing tot definitieve beëindiging van de alimentatie voor de vrouw hoge motiveringseisen worden gesteld. Het Hof heeft immers bij zijn beslissing tot afbouw en beëindiging van de alimentatie de in de rov.
12 - 14 vermelde omstandigheden aan de zijde van de vrouw en de man in aanmerking genomen. Daarbij is het Hof kennelijk en terecht ervan uitgegaan dat de vrouw gemotiveerd dient te stellen dat voor toepassing van de in 3.4 bedoelde uitzondering grond is en dat zij de feiten waarop zij die stelling doet steunen bij betwisting door de man, aannemelijk had te maken.
Voor zover het middel bestrijdt hetgeen naar het oordeel van het Hof in zijn rov. 13 en 14 van de vrouw gevergd kon en kan worden (te weten: dat zij vanaf 1990 fulltime had kunnen gaan werken; dat vanaf
1990 van haar had kunnen worden verlangd dat zij reserveringen had getroffen voor een oudedagsvoorziening; dat zij een arbeidsongeschiktheidsverzekering had kunnen afsluiten; en dat zij in de eerstkomende jaren extra voorzieningen treft ter aanvulling van haar AOW en pensioen), is het tevergeefs voorgesteld. In het licht van de zo-even vermelde stelplicht en bewijslast van de vrouw die zich op de in 3.4 bedoelde uitzondering beroept, geven de evenvermelde oordelen van het Hof niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Voor het overige berusten die oordelen op waarderingen van feitelijke aard die in cassatie niet op juistheid kunnen worden getoetst. Tegen de achtergrond van de uit de beschikking van het Hof blijkende omstandigheden, waaronder de inkomens- en vermogenspositie van de man en de vrouw, en het debat van de partijen in de feitelijke instanties, zijn die oordelen ook niet onbegrijpelijk. Zij behoefden voorts geen nadere motivering dan door het Hof is gegeven.
In aanmerking genomen dat de WLA tot uitgangspunt heeft dat de alimentatieverplichting niet onbeperkt behoort voort te duren, behoefde het Hof zijn oordeel dat de redelijkheid met zich mede brengt dat er voor de man uitzicht komt op een beëindiging van de alimentatie, niet nader te motiveren en heeft het zijn beslissing tot vermindering van de alimentatie en (uiteindelijk) definitieve beëindiging in 2011, toereikend gemotiveerd in zijn rov. 12 - 14. De onderdelen 1.1 - 3.3 stuiten op het vorenoverwogene af.


3.6 Het Hof heeft teneinde een ingrijpende wijziging ineens te voorkomen, de alimentatie voor de vrouw geleidelijk verminderd als hiervoor onder 1 vermeld, om haar de mogelijkheid te geven zich aan de nieuwe situatie aan te passen. In het licht van deze afbouwregeling geeft 's Hofs oordeel dat het, gelet op het karakter van de afbouwregeling, de wettelijke indexering uitsluit, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en behoefde deze uitsluiting ook geen nadere motivering. Hierop stuit onderdeel 4 af.


3.7 Het incidentele beroep dat is ingesteld onder de voorwaarde dat een of meer klachten in het principale beroep gegrond zouden worden bevonden, behoeft gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, geen behandeling.


4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het principale beroep.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president R. Herrmann als voorzitter en de raadsheren H.A.M. Aaftink, O. de Savornin Lohman, P.C. Kop en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 5 september 2003.


*** Conclusie ***

Rek.nr. R02/034HR
Mr L. Strikwerda
Parket, 2 mei 2003

Conclusie inzake

tegen

Edelhoogachtbaar College,


1. Deze zaak betreft een verzoek tot beëindiging van de alimentatieverplichting tussen gewezen echtgenoten op de voet van de overgangsbepaling van art. II lid 2 van de Wet limitering alimentatie (Wet van 28 april 1994, Stb. 325, hierna: WLA).


2. De feiten liggen als volgt (zie de bestreden beschikking onder het hoofdje "vaststaande feiten"). Partijen, hierna: de vrouw en de man, zijn op 28 april 1970 met elkaar gehuwd. Bij vonnis van 30 augustus
1985 heeft de Rechtbank te 's-Gravenhage de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Het vonnis is op 20 september 1985 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. In het echtscheidingsvonnis is het door partijen in juni 1985 opgestelde echtscheidingsconvenant opgenomen, waarin partijen in art. 3, voor zover thans van belang, zijn overeengekomen dat de door de man te betalen alimentatie voor de vrouw f 3.000,- per maand bedraagt, waarbij eveneens door partijen is overeengekomen dat indien de vrouw inkomsten genereert die, met toepassing van indexering gelijk aan de wettelijke indexering bij alimentatie, het bedrag van f 2.000,- bruto niet overstijgen, deze niet zullen leiden tot verlaging van de alimentatie. Mogelijke inkomsten boven de f 24.000,- bruto per jaar worden wat het meerdere betreft voor 50% verrekend met de alimentatie. Met ingang van 1 september 2000 bedroeg de in 1985 vastgestelde alimentatie voor de vrouw als gevolg van de wettelijke verhogingen f 3.954,58 per maand.


3. Op 8 maart 2000 heeft de man een verzoekschrift ingediend bij de Rechtbank te 's-Gravenhage. Hij verzocht de Rechtbank op de voet van art. II lid 2 WLA te bepalen dat de door hem aan de vrouw te betalen alimentatie met ingang van 1 september 2000 wordt beëindigd, subsidiair een termijn te stellen waarop de alimentatieverplichting zal eindigen, met bepaling dat na ommekomst van deze termijn, deze niet meer kan worden verlengd.


4. Nadat de vrouw verweer had gevoerd, heeft de Rechtbank bij beschikking van 20 februari 2001 de man in zijn verzoek tot definitieve beëindiging van de alimentatie niet gevolgd. Zij overwoog dat, alle relevante omstandigheden in aanmerking genomen, de verzochte beëindiging van de alimentatieplicht zo ingrijpend is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid van de vrouw niet kan worden gevergd. De Rechtbank heeft bepaald dat met ingang van 1 december 2010 de alimentatieverplichting van de man wordt beëindigd, maar dat verlenging van deze termijn na ommekomst daarvan mogelijk is.


5. De man is van deze beschikking in hoger beroep gegaan bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage. Hij heeft in hoger beroep zijn verzoek vermeerderd en (meer subsidiair) verzocht dat de alimentatieverplichting van de man zal worden afgebouwd en de wettelijke indexering buiten toepassing zal blijven. De vrouw diende een verweerschrift in.


6. Bij beschikking van 6 februari 2002 heeft het Hof de bestreden beschikking van de Rechtbank vernietigd en, opnieuw beschikkende, de termijn van alimentatiebetaling verlengd tot 1 september 2011. Voorts heeft het Hof een afbouwregeling vastgesteld volgens welke de man aan de vrouw zal betalen een alimentatie van:

- f 3.954,58 per maand in de periode van 1 september 2000 tot 1 september 2004;

- 75% van dit bedrag per maand in de periode van 1 september 2004 tot
1 september 2007;

- 50% van dit bedrag per maand in de periode van 1 september 2007 tot
1 september 2009;

- 25% van dit bedrag per maand in de periode van 1 september 2009 tot
1 september 2011.
Het Hof heeft de wettelijke indexering in de afbouwperiode uitgesloten. Ten slotte heeft het Hof bepaald dat verlenging van de termijn niet mogelijk is.


7. Het Hof overwoog onder meer dat naar zijn oordeel een directe beëindiging van de bijdrage tot levensonderhoud voor de vrouw nu te ingrijpend is en leidt tot een onbillijke achteruitgang van het inkomen van de vrouw. Daarbij heeft het Hof enerzijds meegewogen dat de gezondheidstoestand van de vrouw slecht is en dat haar arbeidsverleden en opleiding niet optimaal zijn en anderzijds dat de man weliswaar al ruim 16 jaar alimentatie heeft betaald, maar dat de man niet heeft gesteld dat hij onvoldoende draagkracht heeft om de bijdrage in het levensonderhoud te kunnen voldoen (r.o. 12). Voorts overwoog het Hof (r.o. 13):

"Het hof is van oordeel dat op grond van het besprokene er gronden zijn die een afbouwregeling van de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw rechtvaardigen. De partijen zijn gescheiden in 1985. Op dat moment was de vrouw 40 jaar oud. Het jongste kind was negen en het oudste veertien jaar. De kinderen behoefden nog zorg. Voor de vrouw was het op dat moment gerechtvaardigd om die zorg op zich te nemen. In
1990, toen de kinderen zelfstandiger waren geworden, is de vrouw parttime gaan werken. Naar het oordeel van het hof heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat zij niet reeds vanaf dat moment fulltime had kunnen werken. Het hof acht het aannemelijk dat er op dat moment fysieke noch sociale beperkingen voor de vrouw om fulltime te gaan werken. Van de vrouw had in redelijkheid kunnen worden verlangd dat zij vanaf 1990 reserveringen had getroffen voor een oudedagsvoorziening. Hoewel de vrouw stelt mede ten gevolge van een auto-ongeluk arbeidsongeschikt te zijn geworden en niet in staat te zijn haar inkomsten te verhogen, komt dit naar het oordeel van het hof voor haar rekening en risico, nu zij hiervoor een arbeidsongeschiktheidsverzekering had kunnen afsluiten. Het is niet billijk dit risico op de man af te wentelen. De redelijkheid brengt met zich mede dat er voor de man uitzicht komt op een beëindiging van de alimentatieverplichting. Het hof zal teneinde een ingrijpende wijziging in een keer te voorkomen, de alimentatie voor de vrouw geleidelijk verminderen om haar de mogelijkheid te geven zich aan de nieuwe situatie aan te passen."


8. De vrouw is tegen de beschikking van het Hof (tijdig) in cassatie gekomen met een uit vier onderdelen opgebouwd middel. De man heeft een verweerschrift in cassatie ingediend en daarbij het middel bestreden. Hij heeft de Hoge Raad verzocht het cassatieberoep van de vrouw te verwerpen. Voorts heeft de man van zijn kant voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld met één middel. Bij verweerschrift in het incidenteel cassatieberoep heeft de vrouw dit middel bestreden en de Hoge Raad verzocht het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep te verwerpen.

Het principaal beroep


9. Onderdeel 1 van het in het principaal beroep voorgestelde middel klaagt dat de beschikking van het Hof heeft miskend dat het hier - niettegenstaande de vastgestelde afbouwregeling - gaat om een beslissing die tot gevolg heeft dat de alimentatie definitief eindigt; volgens het onderdeel voldoen de in de beschikking neergelegde gronden niet aan de hoge motiveringseisen die aan een dergelijke beslissing moeten worden gesteld, en trouwens ook niet aan de algemene motiveringseis.


10. Het verzoek van de man is gegrond op art. II lid 2 WLA. Op grond van deze bepaling beëindigt de rechter in "oude gevallen", d.w.z. alimentaties die, zoals in het onderhavige geval, door de rechter zijn vastgesteld vóór de inwerkingtreding van de WLA (1 juli 1994), op verzoek van de alimentatieplichtige de verplichting indien deze vijftien jaar heeft geduurd, tenzij hij van oordeel is dat de beëindiging van de uitkering van zo ingrijpende aard is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de alimentatiegerechtigde kan worden gevergd. Aan beslissingen waarin een beroep van de alimentatiegerechtigde op de te ingrijpende aard van de beëindiging wordt verworpen, dan wel slechts voor een beperkte termijn en met uitsluiting van de mogelijkheid van verlenging van de termijn wordt gehonoreerd, moeten hoge motiveringseisen worden gesteld, waarbij alle relevante omstandigheden van het geval in aanmerking dienen te worden genomen. Vgl. HR 26 maart 1999, NJ 1999, 653 t/m 655 nt. S.F.M. Wortmann. Deze hoge motiveringseisen brengen mee dat de rechter, indien de alimentatiegerechtigde voldoende gemotiveerd stelt dat voor toepassing van de uitzondering grond is en de feiten waarop deze stelling steunt bij betwisting, althans voor zover het gaat om omstandigheden aan de zijde van de alimentatiegerechtigde, aannemelijk maakt, bij het nemen van een beslissing als hiervoor bedoeld moet doen uitkomen welke omstandigheden hij in aanmerking heeft genomen en hoe hij deze in zijn afweging heeft betrokken. Zie HR 26 maart 1999, NJ
1999, 654, r.o. 3.3.

11. Wat is te verstaan onder "een beperkte termijn"? Gelden de verhoogde motiveringseisen ook nog als de termijn - zoals in het onderhavige geval - meer dan tien jaar beloopt? En is daarbij van belang dat gedurende de termijn een afbouwregeling is vastgesteld? Zie over deze kwestie de conclusie van A-G Bakels voor en de noot van Wortmann onder HR 22 september 2000, NJ 2001, 228. Bakels bepleit de termijn te stellen op vijf jaar, Wortmann kiest voor een open benadering en wil de vraag of er sprake is van een beperkte termijn laten afhangen van de omstandigheden die in het concrete geval een beroep op de uitzondering rechtvaardigen. Ik zou menen dat niet de duur van de termijn, doch de beperking daarvan zonder de mogelijkheid van verlenging beslissend is voor de vraag of de verhoogde motiveringsplicht geldt. De verhoogde motiveringsplicht berust immers op het definitieve karakter van de beëindiging van de alimentatieplicht (vgl. HR 11 juni 1982, NJ 1983, 595 en 596 nt. EAAL; HR 1 juli 1982, NJ 1983, 15). Ongeacht of de rechter het moment van beëindiging bepaalt op een kortere of langere termijn wordt door zijn beslissing om verlenging van de termijn uit te sluiten de alimentatieverplichting definitief beëindigd. Daarom mag ook bij een definitieve beëindiging op termijn van de rechter worden gevergd dat hij zich nauwkeurig verstaat met de feiten en omstandigheden welke de alimentatiegerechtigde heeft aangevoerd ter ondersteuning van zijn of haar beroep op de uitzonderingsbepaling van art. II lid 2 WLA en met de overige relevante omstandigheden van het geval. Het onderdeel neemt daarom naar mijn oordeel terecht tot uitgangspunt dat ook in een geval als het onderhavige, waar de rechter de alimentatieplicht op termijn definitief beëindigt, een verhoogde motiveringsplicht geldt.


12. De stelling dat het Hof aan deze verhoogde motiveringsplicht niet heeft voldaan werkt het onderdeel uit onder punt 1 van het cassatierekest.


13. In de eerste plaats (onder 1.3) wordt geklaagd over 's Hofs motivering dat de vrouw niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij niet reeds vanaf 1990 full time had kunnen gaan werken. Het Hof zou daarbij hebben miskend dat het niet aan de vrouw is om dit aannemelijk te maken, doch dat het aan de man is om aannemelijk te maken dat de vrouw wèl reeds vanaf 1990 full time had kunnen gaan werken.


14. De klacht faalt m.i. In een geval als het onderhavige, waarin het gaat om toepassing van de uitzonderingsregel van art. II lid 2 WLA, is het aan de alimentatiegerechtigde om feiten en omstandigheden te stellen die toepassing van de uitzonderingsregel kunnen rechtvaardigen en bij betwisting, althans voor zover het gaat om omstandigheden aan de zijde van de alimentatiegerechtigde, aannemelijk te maken. Zie HR
26 maart 1999, NJ 1999, 654, r.o. 3.3.


15. In de tweede plaats (onder 1.4) wordt, als ik het goed begrijp, geklaagd dat het Hof zich onvoldoende heeft verstaan met het betoog van de vrouw dat zij in haar arbeidsvermogen en verdiencapaciteit wordt gehandicapt door oude rugklachten en thans door de gevolgen van een ongeval. Voorts wordt geklaagd dat het Hof ten onrechte geen aandacht heeft besteed aan de vraag of het, in de gegeven omstandigheden, zo kort na de scheiding, mede gelet op de in haar kring bestaande maatschappelijke opvattingen, van de vrouw gevergd kon worden om hele dagen te gaan werken.


16. De eerstbedoelde klacht mist feitelijke grondslag. Het Hof heeft bij zijn oordeelsvorming de slechte gezondheidstoestand van de vrouw in aanmerking genomen (r.o. 12) en aangegeven hoe hij deze omstandigheid in zijn afweging heeft betrokken (r.o. 13). Ook de andere klacht kan niet slagen. Het Hof heeft aan bedoelde vraag aandacht besteed in r.o. 13 en heeft dienaangaande overwogen dat van de vrouw in 1985, toen de kinderen negen en veertien jaar oud waren en nog zorg behoefden, niet gevergd kon worden dat zij full time ging werken, maar dat dit in 1990, toen de kinderen zelfstandiger waren geworden, anders was en dat de vrouw niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij toen niet full time had kunnen gaan werken. Dit oordeel berust op een aan het Hof voorbehouden feitelijke waardering en is niet onbegrijpelijk. Voor zover het onderdeel zich in dit verband beroep op "de gegeven omstandigheden" en "de in de kring van de vrouw bestaande maatschappelijke opvattingen" moet daaraan voorbijgegaan worden, nu niet wordt aangegeven op welke omstandigheden en opvattingen wordt gedoeld en het onderdeel ook niet verwijst naar vindplaatsen in de gedingstukken waar een en ander is gesteld en uitgewerkt.


17. Voorts wordt geklaagd (onder 1.5) dat het Hof zich ten onrechte niet de vraag heeft gesteld of de door het Hof aan de vrouw toegedachte full time baan daadwerkelijk door de vrouw was te krijgen.


18. Ook deze klacht komt mij niet aannemelijk voor. De motiveringsplicht van het Hof bracht niet mee dat het Hof op die vraag had moeten ingaan, nu uit de gedingstukken niet blijkt - het middel noemt ook geen vindplaatsen - dat de vrouw zich erop heeft beroepen dat, ondanks sollicitaties, voor haar een full time baan niet te vinden was. Voor zover het onderdeel zich erop beroept dat het oordeel van het Hof niet valt te rijmen met het oordeel dat de gezondheidstoestand van de vrouw slecht is, verliest het oog dat het laatstbedoelde oordeel betrekking heeft op de gezondheidstoestand van de vrouw ten tijde van de door het Hof gegeven beschikking en mede gerelateerd is aan het na 1990 aan de vrouw overkomen ongeval. Van een ongerijmdheid is geen sprake.


19. Voortbordurend op de vorige klacht wordt het Hof tevens verweten (onder 1.6) evenmin te zijn ingegaan op de vraag of de vrouw na afloop van de afbouwperiode door arbeid geheel in eigen levensonderhoud kan voorzien en of zij tijdens die periode daartoe in steeds toenemende mate in staat is.


20. De klacht mist feitelijke grondslag. Het Hof heeft geoordeeld dat de vrouw niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij niet reeds vanaf 1990 full time had kunnen gaan werken en dat, nu zij dit heeft nagelaten, het voor haar rekening en risico komt dat zij thans niet meer in staat is haar inkomsten te verhogen. Daarin ligt besloten dat het Hof niet is voorbij gegaan aan de vraag of de vrouw gedurende de afbouwperiode en na afloop daarvan door arbeid in eigen levensonderhoud kan voorzien, doch heeft geoordeeld dat, ook indien zulks niet mogelijk zou zijn, dit niet in de weg staat aan beëindiging op termijn van de alimentatieverplichting. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk en getuigt ook niet van een onjuiste rechtsopvatting: de regeling van art. II lid
2 WLA impliceert immers dat enkel een terugval in inkomsten aan de zijde van de alimentatiegerechtigde als gevolg van de beëindiging van de alimentatieverplichting geen grond is om een uitzondering te maken op de hoofdregel. Uit dit laatste vloeit voort dat ook het onder 1.7 aan het Hof gemaakte verwijt, dat voortbouwt op de onderhavige klacht, geen doel kan treffen.


21. Ten slotte wordt geklaagd - onder 1.8 - dat uit de bestreden beschikking onvoldoende blijkt of en, zo ja, in hoeverre het Hof de perspectieven van de vrouw heeft afgewogen tegen de mogelijkheden van de man. Met name zou het Hof niet hebben gemotiveerd waarom, gegeven de welstand van de man en de slechte vooruitzichten van de vrouw, de redelijkheid met zich meebrengt dat er uitzicht komt op een beëindiging van zijn alimentatieverplichting.


22. De klacht faalt. Zij ziet eraan voorbij dat de regeling van art. II lid 2 WLA tot uitgangspunt neemt dat de alimentatieverplichting eindigt indien deze 15 jaar heeft geduurd en dat de uitzondering op dit uitgangspunt niet berust op een afweging van de behoefte van de alimentatiegerechtigde aan de ene kant en de draagkracht van de alimentatieplichtige aan de andere kant, maar op omstandigheden die meebrengen dat de beëindiging van de uitkering van zo ingrijpende aard is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de alimentatiegerechtigde kan worden gevergd. Het Hof heeft de door de vrouw aangevoerde omstandigheden ten betoge dat voor toepassing van de uitzondering grond is (kort gezegd: dat haar gezondheid slecht is en dat haar arbeidsverleden en opleiding niet optimaal zijn) onderzocht en aangegeven hoe hij deze, in het licht van de overige omstandigheden van het geval, heeft betrokken in zijn afweging die heeft geleid tot de beslissing om de alimentatieverplichting op langere termijn te beëindigen en het bedrag aan onderhoud geleidelijk te verminderen. Daarmee heeft het Hof aan zijn - in gevallen als het onderhavige - te stellen motiveringsplicht voldaan en niet blijk gegeven van een onjuiste opvatting van de strekking van de regeling van art. II lid 2 WLA.


23. Onderdeel 2 van het middel neemt stelling tegen het oordeel van het Hof - in r.o. 13 - dat van de vrouw in redelijkheid had kunnen worden verlangd dat zij vanaf 1990 reserveringen had getroffen voor een oudedagsvoorziening. Volgens het onderdeel getuigt deze beslissing van een onjuiste rechtsopvatting en is zij in ieder geval, in het licht van de hier geldende hoge motiveringseisen, onvoldoende gemotiveerd. De klacht wordt uitgewerkt onder punt 2 van het cassatierekest. Aldaar wordt met een beroep op HR 28 januari 1999, NJ
2000, 392 betoogd dat het Hof nauwkeurig en gemotiveerd had dienen aan te geven welk deel van haar inkomen de vrouw daartoe had moeten en kunnen aanwenden en nader had behoren aan te geven dat en waarom dat tot een genoegzame oudedagsvoorziening zou hebben kunnen leiden.


24. Het onderdeel is m.i. tevergeefs voorgesteld. Het verliest uit het oog dat het Hof in het onderhavige geval, anders dan in het geval dat ter berechting stond in genoemde beschikking van de Hoge Raad, niet is uitgegaan van de werkelijke financiële omstandigheden van de vrouw, maar van de financiële omstandigheden die hadden kunnen bestaan indien de vrouw, zoals naar 's Hofs oordeel van de vrouw verlangd had mogen worden, vanaf 1990 full time was gaan werken. Onder dit uitgangspunt was het niet mogelijk en was het Hof dus ook niet gehouden om exact aan te geven welk deel van het inkomen de vrouw had moeten en kunnen aanwenden voor een genoegzame oudedagsvoorziening.


25. Onderdeel 3 van het middel komt op tegen het oordeel van het Hof - in r.o. 13 - dat de gevolgen van het door de vrouw getelde auto-ongeluk voor rekening en risico van de vrouw komen, nu zij hiervoor een arbeidsongeschiktheidsverzekering had kunnen afsluiten en het niet billijk is dit risico op de man af te wentelen. Het onderdeel acht dit oordeel getuigen van een onjuiste rechtsopvatting, althans onvoldoende gemotiveerd.


26. Voor zover in de uitwerking van de klacht onder punt 3 van het cassatierekest wordt betoogd dat het Hof niet kon volstaan met de algemene overweging dat de vrouw een arbeidsongeschiktheidsverzekering had moeten afsluiten, maar nauwkeurig had dienen aan te geven hoe de vrouw uit haar alimentatie en inkomen uit arbeid zo'n verzekering zou hebben moeten realiseren, strandt de klacht op dezelfde grond als onderdeel 2: nu het Hof niet is uitgegaan van de werkelijke inkomenspositie van de vrouw, maar van de inkomenspositie die had kunnen bestaan indien de vrouw, zoals volgens het Hof van haar verlangd had mogen worden, vanaf 1990 full time was gaan werken, was het niet mogelijk en was het Hof dus ook niet gehouden om nauwkeurig aan te geven op welke wijze de vrouw zo'n verzekering financieel had kunnen realiseren.


27. Voor zover het onderdeel de klacht doet steunen op de stelling dat op geen enkele wijze is gebleken, en door de man ook niet is gesteld, dat in het convenant rekening is gehouden met het treffen van een voorziening voor het intreden van arbeidsongeschiktheid van de vrouw, kan het evenmin doel treffen. De bestreden beschikking biedt geen aanknopingspunt voor de veronderstelling dat het Hof de grondslag voor zijn oordeel dat de vrouw een arbeidsongeschiktheidsverzekering had moeten afsluiten, heeft gezocht in hetgeen al dan niet in het convenant was voorzien. Het oordeel van het Hof berust klaarblijkelijk enkel op de algemene overweging dat de behoefte van de alimentatiegerechtigde niet ten laste van de alimentatieplichtige kan worden gebracht, indien de alimentatiegerechtigde in de gelegenheid is geweest om inkomensvermindering te voorkomen, maar deze gelegenheid niet heeft benut. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. Vgl. HR 29 januari 1988, NJ 1988, 1031 nt. EAAL en HR
24 april 1998, NJ 1998, 603.


28. Onderdeel 4 van het middel beklaagt zich over de beslissing van het Hof om de wettelijke indexering uit te sluiten. De enkele motivering "gelet op het karakter van de afbouwregeling" getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en is in ieder geval ontoereikend, aldus het onderdeel.


29. Het onderdeel is tevergeefs voorgesteld. Het strookt met het karakter van de afbouwregeling, waarin het verband met de behoefte van de alimentatiegerechtigde wordt prijsgegeven, dat indexering achterwege blijft. Zowel de rechts- als de motiveringsklacht faalt derhalve.


30. De slotsom is dat het in het principaal beroep voorgestelde middel in al zijn onderdelen faalt.

Het incidenteel beroep


31. Nu de in het principaal beroep aangevoerde klachten niet tot cassatie van de bestreden beschikking kunnen leiden, is de voorwaarde waaronder het incidenteel beroep is ingesteld niet vervuld en behoeft dit beroep geen behandeling.

Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het principaal beroep.

De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,