Hoge Raad der Nederlanden

Uitspraak Hoge Raad LJN-nummer: AF8254 Zaaknr: C01/264HR


Bron: Hoge Raad der Nederlanden 's-Gravenhage Datum uitspraak: 12-09-2003
Datum publicatie: 12-09-2003
Soort zaak: civiel - civiel overig
Soort procedure: cassatie

12 september 2003
Eerste Kamer
Nr. C01/264HR
RM/AT

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:


---
wonende te ,
EISERES tot cassatie,
advocaat: aanvankelijk mr. M.E.M.G. Peletier, thans mr. A.G. Castermans,

t e g e n


---
gevestigd te ,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. A.J. Swelheim.


1. Het geding in feitelijke instanties

Eiseres tot cassatie - verder te noemen: - heeft bij exploit van 6 april 2000 verweerster in cassatie - verder te noemen:
- gedagvaard voor de Kantonrechter te Breda en gevorderd voor recht te verklaren dat aansprakelijk is voor het aan overkomen arbeidsongeval, met veroordeling van tot betaling van de reeds geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.
heeft de vordering bestreden.
De Kantonrechter heeft bij vonnis van 12 juli 2000 de vordering afgewezen.
Tegen dit vonnis heeft hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Breda.
Bij vonnis van 22 mei 2001 heeft de Rechtbank het bestreden vonnis bekrachtigd.
Het vonnis van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.


2. Het geding in cassatie

Tegen het vonnis van de Rechtbank heeft beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en aan de zijde van mede door mr. M.C.J. Jehee, advocaat bij de Hoge Raad. De conclusie van de Advocaat-Generaal C.L. de Vries Lentsch-Kostense strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot verwijzing ter verdere behandeling en beslissing.


3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan, ten dele veronderstellenderwijs, van het volgende worden uitgegaan.
(i) is op 1 december 1994 als schoonmaakster in dienst getreden bij . verrichtte haar werkzaamheden in dienst van in een gebouw van Philips aan de Kapittelweg te Breda.
(ii) Op 25 september 1996 verrichtte de gebruikelijke schoonmaakwerkzaamheden in het Philipsgebouw. Op enig moment zag zij dat een beker koffie op een bureau was omgevallen en dat de koffie naar beneden was gedropen. Naast het bureau stond een plant op een tafeltje. verzette de plant voorzover haar dit mogelijk was, boog zich over het tafeltje heen, steunde met haar linkerhand op het bureau en veegde met een doek die zij in haar rechterhand hield, de vies geworden plek schoon. Daarbij verloor zij haar evenwicht en verwondde de wijsvinger van de hand waarmee zij aan het schoonmaken was (hierna: het ongeval). Nadien is een posttraumatische dystrofie ontstaan.

3.2 heeft haar onder 1 weergegeven vordering gebaseerd op art. 7:658 BW. heeft de vordering bestreden. Zij voerde aan dat zij haar verplichtingen, bedoeld in art. 7:658 lid 1, is nagekomen en voegde daaraan toe dat het ongeval niet voorkomen had kunnen worden door het treffen van (specifieke) veiligheidsmaatregelen.

3.3 Nadat de Kantonrechter de vordering had afgewezen, heeft de Rechtbank dit vonnis bekrachtigd. Zij overwoog daartoe met name dat uit de door gestelde toedracht van het ongeval niet is af te leiden dat - als gevolg van onvoldoende of ondeugdelijke instructies - de koffievlek ten onrechte heeft verwijderd, haar werkzaamheden op een gevaarlijke manier heeft uitgevoerd of haar evenwicht heeft verloren door te haastig te werken. De verplichting van haar werknemers aanwijzingen te geven gaat niet zo ver dat zij voor elke mogelijk te verrichten handeling gedetailleerde voorschriften moest geven. Gelet op de periode gedurende welke al ter plaatse werkte en het feit dat het verwijderen van de koffievlek tot haar gewone werkzaamheden behoorde, valt in redelijkheid niet in te zien dat zij advies aan een leidinggevende had willen of moeten vragen voordat zij de koffievlek verwijderde (rov. 3.8). Evenmin valt in te zien dat een zorgplicht jegens heeft geschonden waarvan de nakoming het ongeval had kunnen voorkomen. Ook was geen sprake van een situatie die als gevaarlijk had behoren te onderkennen en waarvoor zij krachtens de wet of de toepasselijke CAO had dienen te waarschuwen en/of met het oog waarop zij maatregelen had dienen te nemen en/of aanwijzingen had behoren te geven (rov. 3.9). is dus niet tekortgeschoten in de naleving van de op haar jegens rustende zorgplicht (rov. 3.10).

3.4 Bij de beoordeling van het hiertegen gerichte middel wordt vooropgesteld dat met art. 7:658 lid 1 BW niet is beoogd een absolute waarborg te scheppen voor de bescherming van de werknemer tegen het gevaar van arbeidsongevallen. Deze bepaling heeft tot strekking een zorgplicht in het leven te roepen en verplicht de werkgever voor het verrichten van arbeid zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te geven als redelijkerwijs nodig om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt (HR 10 juni 1983, nr. 12.038, NJ 1984, 20; HR 4 oktober 2002, nr. C01/304, JAR 2002, 259).

3.5 Onderdeel 1.1 is gericht tegen rov. 3.8 van het door de Rechtbank gewezen vonnis. Het onderdeel voert in de eerste plaats aan dat deze overweging onbegrijpelijk is, nu heeft aangevoerd dat zij niet in staat was de haar opgedragen werkzaamheden binnen de daarvoor gegeven tijd te verrichten, op welke stelling de Rechtbank niet is ingegaan. Deze klacht mist belang nu de Rechtbank feitelijk en niet onbegrijpelijk heeft overwogen dat uit de door gestelde toedracht van het ongeval niet is af te leiden dat zij haar evenwicht heeft verloren door te haastig werken.
Het onderdeel betoogt voorts dat zich mede erop heeft beroepen dat zij niet wist dat zij twee collega's had kunnen vragen haar te helpen met het versjouwen van het tafeltje met de plant en dat slechts incidenteel werd besproken welke prioriteiten dienden te worden gesteld. De Rechtbank heeft deze gronden van de vordering kennelijk verworpen met haar overweging dat uit de door gestelde toedracht van het ongeval niet is af te leiden dat zij, bijvoorbeeld als gevolg van onvoldoende of ondeugdelijke instructies, de koffievlek ten onrechte heeft verwijderd. Dit met de feiten verweven oordeel is niet onbegrijpelijk en kan in cassatie niet verder worden getoetst.
Het onderdeel voert ten slotte aan dat de bestreden overweging onbegrijpelijk is nu de Rechtbank heeft miskend dat de onderhavige schoonmaakactiviteit werd verricht op een lastig te bereiken plaats en uiteindelijk tot resultaat had dat haar evenwicht verloor. In de overweging van de Rechtbank dat uit de door gestelde toedracht van het ongeval niet valt af te leiden dat zij voor een gevaarlijke wijze van uitvoering van de werkzaamheden heeft gekozen, ligt echter besloten dat wat betreft de omstandigheden waaronder het ongeval heeft plaatsgevonden jegens niet is tekortgeschoten in de op haar krachtens art. 7:658 lid 1 BW rustende zorgplicht door in zoverre geen instructies te geven, maatregelen te treffen of toezicht te houden. Ook dit oordeel is niet onbegrijpelijk en kan, verweven met waarderingen van feitelijke aard als het is, in cassatie niet verder worden getoetst.
Onderdeel 1.1 faalt mitsdien in zijn geheel.

3.6 Onderdeel 1.2 stelt dat de Rechtbank blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door de rechtsplicht van haar werknemers zoals instructies te geven, te beperken tot gedetailleerde instructies. Deze rechtsplicht omvat echter mede het geven van algemene aanwijzingen ter zake van werkhouding, het verplaatsen van zware voorwerpen of het omgaan met werkdruk, mede gezien het feit dat art. 7:658 BW juist ook bescherming biedt tegen onoplettendheid bij vaak voorkomende, routinematig uitgevoerde, werkzaamheden. Zou de Rechtbank in zoverre wél zijn uitgegaan van een juiste rechtsopvatting, dan heeft zij haar oordeel onvoldoende gemotiveerd, aldus nog steeds het onderdeel.
Het onderdeel mist feitelijke grondslag omdat de Rechtbank met haar impliciete oordeel dat geen sprake is geweest van onvoldoende of ondeugdelijke instructies, kennelijk mede het oog heeft gehad op instructies van algemene aard zoals door het onderdeel bedoeld.

3.7 Onderdeel 2 strekt in de kern ten betoge dat reeds het enkele feit dat in het bedrijf van een bijgewerkte en geëvalueerde risicoinventarisatie in de zin van art. 4 (oud) Arbeidsomstandighedenwet ontbrak, meebrengt dat zij niet heeft voldaan aan haar verplichting gemotiveerd te stellen dat zij haar in art. 7:658 lid 1 BW bedoelde zorgplicht jegens is nagekomen. Deze klacht berust op een onjuiste rechtsopvatting. Het is immers afhankelijk van de omstandigheden van het geval of de in art. 7:658 lid 1 bedoelde zorgplicht meebrengt dat een werkgever vooraf een inventarisatie van de veiligheidsrisico's dient te maken betreffende het werk waarvoor hij zijn werknemer inzet en of de werkgever een interne regeling dient te hebben die ertoe strekt de werknemers duidelijk te maken op welke wijze in hun werk onveilige situaties vermeden kunnen en moeten worden en op welke wijze veiligheidsrisico's moeten worden bepaald (HR 16 mei 2003, nr. C 01/156, RvdW 2003, 94). De op dit onjuiste uitgangspunt voortbouwende verdere klachten van het onderdeel behoeven, voorzover zij al feitelijke grondslag hebben, derhalve geen bespreking.
De door het onderdeel voorts nog naar voren gebrachte klacht dat art. 7:658 lid 1 BW geen causaal verband vereist tussen de door de werkgever redelijkerwijs te treffen veiligheidsmaatregelen en het ongeval dat tot de schade heeft geleid, berust eveneens op een onjuiste rechtsopvatting. Al aangenomen dat het ontbreken van een bijgewerkte en geëvalueerde risicoinventarisatie in de zin van art. 4 Arbeidsomstandighedenwet in het concrete geval een tekortkoming van de werkgever tegenover de werknemer zou inhouden, kan de werkgever immers ook in dat geval aan zijn aansprakelijkheid ontkomen door aan te tonen dat een risicoinventarisatie die aan de daaraan te stellen eisen voldeed, het ongeval niet zou hebben voorkomen (vgl. HR 10 december 1999, nr. C98/202, NJ 2000, 211).


4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;
veroordeelt in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van begroot op EUR 286,89 aan verschotten en EUR 1.365,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G.G. van Erp Taalman Kip-Nieuwenkamp als voorzitter en de raadsheren J.B. Fleers, D.H. Beukenhorst, P.C. Kop en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 12 september 2003.


*** Conclusie ***

Rolnummer C01/264HR
mr. De Vries Lentsch-Kostense
Zitting 25 april 2003

Conclusie inzake

tegen

Inleiding


1. In deze zaak heeft thans eiseres tot cassatie - hierna: - haar werkgeefster - thans verweerster in cassatie, hierna:
- op de voet van art. 7:658 BW aangesproken tot vergoeding van de schade die zij in de uitoefening van haar werkzaamheden als schoonmaakster heeft geleden. De Rechtbank is tot de slotsom gekomen dat niet is tekortgeschoten in de op haar rustende zorgplicht met betrekking tot de veiligheid van de werkzaamheden en de werkomgeving van . Tegen dat oordeel heeft cassatieberoep ingesteld.


2. Tussen partijen staat het volgende vast (zie rechtsoverweging 3.3 van het bestreden vonnis).
i) is op 1 december 1994 in de functie van schoonmaakster in dienst getreden bij . verrichte haar werkzaamheden in dienst van in een gebouw van Philips aan de Kapittelweg te Breda.
ii) werkte op maandag, dinsdag, donderdag en vrijdag van 08.30 tot 11.00 uur in de fabriek en kantoren; van 11.00 tot 12.00 uur maakte zij schoon in de personeelswinkel. Op woensdag werkte zij van 08.00 tot 11.00 uur.
iii) Op 25 september 1996 heeft bij het verwijderen van een koffievlek in een van de door haar schoon te maken kantoorruimten letsel opgelopen aan haar rechterwijsvinger. Nadien is posttraumatische dystrofie ontstaan.


3. Bij inleidende dagvaarding van 6 april 2000 heeft gevorderd voor recht te verklaren dat aansprakelijk is voor het aan haar overkomen arbeidsongeval met veroordeling van tot betaling van de reeds geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade, op te maken bij staat. heeft daartoe de volgende omschrijving gegeven van de toedracht van het ongeval. Op het moment dat het ongeval plaatsvond was ongeveer een half uur aan het werk. Zij was een kantoor binnengekomen en zag meteen dat er een beker koffie was omgevallen; de koffie was vanaf een bureau naar beneden gedropen. Op een lager tafeltje naast het bureau stond een plant. (Bij de stukken bevindt zich een situatieschets; zie de conclusie van antwoord, productie 1.) verzette de plant voorzover als dat gezien het gewicht van de plant voor haar mogelijk was ( spreekt over een soort palm in een grote bloembak), boog zich over het tafeltje heen, steunde met haar linkerhand op het bureau en maakte met haar rechterhand de koffievlek schoon. Al schoonmakend verloor zij het evenwicht, viel op de wijsvinger van de hand waarmee zij aan het schoonmaken was en beschadigde deze vinger.
heeft zich op het standpunt gesteld dat is tekortgeschoten in de op haar rustende zorgverplichting van art. 7:658 lid 1 BW en derhalve aansprakelijk is voor het haar ( ) overkomen ongeval.


4. heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Zij heeft betoogd dat tussen partijen hoegenaamd geen verschil van mening bestaat over de toedracht van het ongeval, doch wel over de vraag of zij is tekortgeschoten in wat redelijkerwijs aan maatregelen van haar mocht worden gevergd. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat zij geen - redelijkerwijs van haar te vergen - maatregelen had kunnen nemen waarmee dit ongeval, evenwichtsverlies bij het schoonmaken van een koffievlek, had kunnen worden voorkomen, in welk verband zij aanvoerde dat het voor haar als werkgever eenvoudigweg niet mogelijk is om alle denkbare risico's uit te sluiten. Voorts betoogde dat zij alle veiligheidsmaatregelen, voorzover van haar te vergen ter voorkoming van soortgelijke ongevallen, heeft getroffen. In dat verband voerde zij aan dat op de werklocatie altijd een "voorwerkster" aanwezig is tot wie de schoonmakers zich kunnen wenden ingeval zich bij werkzaamheden problemen en/of vragen voordoen, dat de schoonmakers mondeling werden genstrueerd dat zij plaatsen die moeilijk bereikbaar waren niet behoefden schoon te maken, dat zij - ingeval een slecht bereikbare plaats toch moest worden schoongemaakt - voor zware til- en sjouwwerkzaamheden een beroep moesten doen op de daarvoor aangestelde "corveeërs" en dat zij in geval van twijfel over de vraag of een bepaalde plaats schoongemaakt moest worden, zich konden wenden tot de aanwezige voorwerkster, in casu . Bovendien, zo stelde , verstrekte zij sinds januari 1993 bij iedere salarisspecificatie een personeelskrantje waarin onder meer aandacht wordt besteed aan veiligheidsaspecten. heeft bewijs aangeboden van haar stelling dat aan de schoonmakers de instructie is gegeven om slechts de bereikbare plaatsen schoon te maken, om zich bij onduidelijkheden dan wel vragen over de te verrichten werkzaamheden te wenden tot de voorwerkster en om zelf geen zwaar kantoormeubilair te verplaatsen doch zich daarvoor te wenden tot de daarvoor aanwezige corveeërs.


5. heeft niet meer op de inhoud van de conclusie van antwoord gereageerd. De Kantonrechter te Breda heeft uit het uitblijven van een reactie van de zijde van afgeleid dat haar vordering niet langer wenste te handhaven en heeft op die grond de vordering van afgewezen bij vonnis van 12 juli 2000.


6. heeft vervolgens hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Breda onder aanvoering van twee grieven, inhoudende dat de Kantonrechter ten onrechte uit de processuele houding van heeft afgeleid dat haar vordering niet langer wenste te handhaven respectievelijk dat de Kantonrechter deze vordering ten onrechte heeft afgewezen. Zij heeft aangevoerd dat de voorwerkster ten tijde van het ongeval niet aanwezig was, dat zij niet wist dat zij de corveeërs rechtstreeks kon benaderen voor hulp bij het verplaatsen van zware voorwerpen en dat de veiligheidstips in het personeelskrantje niet dan sporadisch werden gepubliceerd. Zij heeft betoogd dat haar nimmer duidelijke instructies heeft gegeven omtrent de wijze waarop zij haar werkzaamheden diende te verrichten en omtrent de prioriteiten die daarbij moesten worden gesteld; zo stelt zij slechts tussen de bedrijven door te hebben gehoord dat zij niet op een bureau behoefde te klimmen (bijvoorbeeld) om een kast of een vensterbank schoon te maken omdat zij toevallig hoorde dat [betrokkene
1] een dergelijke aanwijzing aan een uitzendkracht gaf die op een tafel klom. heeft aangevoerd dat slechts sprake was van "hapsnap instructies", gegeven op het moment waarop binnenkwam, dat een hoge mate van zelfstandige invulling van het werk werd verwacht, dat sprake was van stilzwijgende verwachtingen die niet uitdrukkelijk werden uitgesproken en dat geen evaluatiebesprekingen plaatsvonden. Zij heeft voorts betoogd dat er stevig doorgewerkt moest worden en dat het door haar te verrichten werk in feite niet in de daarvoor gestelde tijd klaar was te krijgen. Voorts betoogde zij dat in het bedrijf van geen bijgewerkte en geëvalueerde risico-inventarisatie regeling in de zin van art. 4 Arbeidsomstandighedenwet (oud) aanwezig was en dat niet, althans niet tijdig, een ongevalsrapportage heeft doen opmaken.


7. heeft in appel de toedracht betwist, aanvoerende dat de lezing van op het eerste gezicht niet erg waarschijnlijk lijkt aangezien op het bijzettafeltje waarover zich naar haar zeggen heeft gebogen, een grote plant stond en de ruimte achter dit tafeltje zeer beperkt was (20-30 cm volgens de situatieschets); zij heeft in dat verband gesteld dat aanvankelijk repte over het stoten van haar vinger en niet over het verliezen van haar evenwicht. Zij is verder bij haar verweer veronderstellenderwijze uitgegaan van de juistheid van de lezing van , daarbij overigens betogend dat geen sprake was van een moeilijk schoon te maken plaats; zij heeft herhaald dat voor het schoonmaken van een koffievlek bepaald geen extra veiligheidsvoorzieningen of instructies nodig zijn, dat , zoals alle schoonmakers, wel degelijk mondeling was geïnstrueerd over de wijze waarop zij moest schoonmaken, waaronder de instructie dat zij de plaatsen die moeilijk bereikbaar waren niet behoefde schoon te maken, dat eenmaal per maand een werkoverleg plaatsvond waarbij de veiligheid aan de orde kwam - terwijl overigens ook wel tussendoor over de veiligheid werd gesproken
- en dat zij, , geen maatregelen had kunnen nemen waarmee het onderhavige ongeval voorkomen had kunnen worden.


8. De Rechtbank heeft - in rechtsoverweging 3.7 - vooropgesteld veronderstellenderwijs uit te gaan van de juistheid van de door gegeven, maar door betwiste, lezing van de toedracht van het ongeval (zoals hiervoor onder 3 omschreven) en is vervolgens op grond van de volgende overwegingen tot de slotsom gekomen dat niet is tekortgeschoten in de krachtens art. 7:658 lid 1 BW op haar rustende zorgplicht:
"3.8 Uit de door gestelde toedracht van het ongeval is niet af te leiden dat - bijvoorbeeld als gevolg van onvoldoende of ondeugdelijke instructies - ten onrechte tot verwijdering van de koffievlek is overgegaan of dat zij voor een gevaarlijke wijze van uitvoering van de werkzaamheden heeft gekozen en evenmin dat zij door te haastig werken haar evenwicht heeft verloren. De verplichting van om aanwijzingen te verstrekken in het kader van haar zorgplicht gaat niet zover dat zij voor iedere door haar werknemers mogelijk te verrichten handeling gedetailleerd zou moeten voorschrijven hoe die handeling dient te worden verricht. werkte reeds gedurende een zodanige periode op de betreffende locatie dat zij geacht kon worden zelf te beslissen dat, en op welke wijze, zij de door haar in een kantoorruimte aangetroffen koffievlek zou schoonmaken. In redelijkheid valt niet in te zien dat een schoonmaakster zoals het advies van een leidinggevende zou willen of moeten inroepen alvorens tot verwijdering van de aangetroffen koffievlek over te gaan. Of voor de praktische mogelijkheid bestond om voorafgaande aan het verwijderen van de koffievlek daaromtrent het advies van een leidinggevende in te winnen is derhalve niet relevant. Het verwijderen van een koffievlek behoorde, zoals ook zelf stelt, tot haar gewone werkzaamheden.

3.9 De rechtbank ziet niet in welke op rustende verplichtingen zou kunnen hebben geschonden, waarvan de nakoming het overkomen ongeval zou kunnen hebben voorkomen. De door geleden en te lijden schade is het gevolg van het door tijdens het verrichten van haar werkzaamheden verliezen van haar evenwicht als gevolg waarvan zij een vinger kwetste, waarna een posttraumatische dystrofie is opgetreden. Dergelijk evenwichtsverlies kan uiteraard ook optreden tijdens het verrichten van op zich ongevaarlijke werkzaamheden als de onderhavige. Van een door vooraf te onderkennen gevaarlijke situatie waarvoor krachtens de wet of toepasselijke CAO had dienen te waarschuwen en/of in verband waarmee zij ter voorkoming van door te lijden schade maatregelen had dienen te treffen en aanwijzingen had dienen te verstrekken was geen sprake. Op de enkele grond dat geen ongevalsrapportage heeft doen opmaken kan niet worden geoordeeld dat zij niet aan de op haar rustende stelplicht heeft voldaan. Hetgeen stelt komt erop neer dat van haar in redelijkheid te vergen maatregelen die het ongeval hadden kunnen voorkomen niet denkbaar zijn. Gelet op hetgeen heeft gesteld omtrent de toedracht van het ongeval is niet tekort geschoten in haar stelplicht."

Op grond van deze overwegingen concludeerde de Rechtbank dat de Kantonrechter de vordering van terecht heeft afgewezen; zij bekrachtigde het vonnis van de Kantonrechter.


9. heeft tijdig cassatieberoep ingesteld. heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Beide partijen hebben de zaak vervolgens schriftelijk toegelicht waarna nog heeft gerepliceerd.

Het cassatiemiddel


10. Middelonderdeel 1 komt op tegen rechtsoverweging 3.8. Subonderdeel
1.1 klaagt dat deze overweging onbegrijpelijk is gelet op de stelling van dat zij in feite niet in staat was de haar opgedragen reguliere werkzaamheden binnen de daarvoor gegeven tijd te verrichten, dat zij onbekend was met de mogelijkheid dat zij twee collega's rechtstreeks had kunnen vragen haar te helpen met het versjouwen van de tafel met plant en dat niet anders dan incidenteel werd besproken hoe prioriteiten moesten worden gesteld. Voorts acht het middelonderdeel de bestreden overweging onbegrijpelijk in het licht van het gegeven dat het in de door beschreven toedracht - waarvan in cassatie moet worden uitgegaan - niet louter ging om het verwijderen van een koffievlek, doch om het verwijderen van een koffievlek op een moeilijk bereikbare plaats en dat de bewuste schoonmakactiviteit uiteindelijk tot resultaat had dat haar evenwicht verloor. Subonderdeel 1.2 strekt ten betoge dat de Rechtbank, die "haar onderzoek klaarblijkelijk heeft beperkt tot de zorgplicht om gedetailleerde aanwijzingen te geven met het oog op iedere door haar werknemers mogelijk te verrichten handeling", blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting voorzover zij heeft gemeend dat de in art. 7:658 lid 1 BW neergelegde zorgplicht geen betrekking heeft op het geven van algemene aanwijzingen terzake van werkhouding, het verplaatsen van zware voorwerpen en het omgaan met werkdruk, ook aan schoonmaaksters als die al enige tijd op de plaats van het bedrijfsongeval werkzaam was aangezien art. 7:658 BW juist ook beoogt bescherming te bieden tegen onoplettendheid bij veel voorkomende, routinematig uitgevoerde werkzaamheden.


11. Bij de beoordeling van dit middelonderdeel moet het volgende worden vooropgesteld. Zoals ook de Rechtbank tot uitgangspunt nam, geldt met betrekking tot de aansprakelijkheid van de werkgever voor arbeidsongevallen het volgende. De werkgever is uit hoofde van art. 7:658 lid 1 BW verplicht voor het verrichten van de arbeid zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt. Ingevolge de regels van stelplicht en bewijslast van het tweede lid van art. 7:658, kan de werknemer die zijn werkgever aansprakelijk wil stellen voor een hem overkomen ongeval, ermee volstaan te stellen en zo nodig te bewijzen dat het ongeval hem in de uitoefening van de hem opgedragen werkzaamheden is overkomen en dat hij daardoor schade heeft geleden. Om aan aansprakelijkheid te ontkomen zal de werkgever dan - behoudens in het hierna te bespreken geval van bewijs van "opzet of bewuste roekeloosheid" - moeten stellen en zo nodig bewijzen dat hij heeft voldaan aan de uit het eerste lid van deze bepaling voortvloeiende plicht om zodanige veiligheidsmaatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken als redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat zijn werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt: indien de werkgever in zijn verplichting tot het treffen van voldoende veiligheidsmaatregelen is tekortgeschoten, althans niet kan aantonen dat hij deze verplichting heeft nageleefd, moet ervan worden uitgegaan dat causaal verband tussen dit tekortschieten en het aan de werknemer overkomen ongeval bestaat, en dat de werkgever derhalve aansprakelijk is, tenzij hij aantoont dat de veiligheidsmaatregelen die redelijkerwijs van hem konden worden gevergd, het ongeval niet zouden hebben voorkomen. (Zie HR 22 maart 1991, NJ 1991, 420; HR 20 september 1996, NJ 1997, 198, m.nt. PAS en HR 10 december 1999, NJ 2000, 211, m.nt. PAS). Een beroep op het ontbreken van oorzakelijk verband op de in lid 2 van art. 7:658 omschreven grond dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer (zodat de werknemer die schade zelf moet dragen) zal de werkgever niet spoedig baten: van bewust roekeloos handelen van een werknemer is slechts sprake indien de werknemer zich tijdens het verrichten van zijn onmiddellijk aan het ongeval voorafgaande gedraging van het roekeloze karakter van die gedraging daadwerkelijk bewust is geweest, terwijl het ongeval slechts in belangrijke mate aan de opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer is te wijten ingeval de gedragingen van de werknemer die opzet of bewuste roekeloosheid opleveren, in zodanige mate tot het ongeval hebben bijgedragen dat het tekortschieten van de werkgever in diens verplichtingen daarbij als oorzaak in het niet valt. (Zie HR 20 september 1996, NJ 1997, 198, m.nt. PAS; HR 11 september 1998, NJ 1998, 870 en HR 9 november 2001, NJ 2002, 79 m.nt. PAS.) Niet behoeft vast te staan aan welke oorzaak het ongeval te wijten is. Die oorzaak is wel in zoverre van belang dat de werkgever - zoals gezegd - zal kunnen volstaan met aan te tonen hetzij dat hij heeft voldaan aan alle verplichtingen die ingevolge lid
1 op hem rustten teneinde een ongeval zoals aan de werknemer overkomen, te voorkomen, hetzij dat nakoming van die verplichtingen het ongeval niet zou hebben voorkomen. Zie: HR 10 december 1999, NJ 2000, 211, m.nt PAS en voorts HR 22 maart 1991, NJ 1991, 420 en HR 20 september 1996, NJ 1997, 198, m.nt. PAS.
De omvang van de op de werkgever rustende verplichtingen is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waaronder met name de aard van de werkzaamheden, de kenbaarheid van het gevaar, de te verwachten oplettendheid van de werknemer en de bezwaarlijkheid van het treffen van maatregelen, waarbij aantekening verdient dat de werkgever rekening dient te houden met het ervaringsfeit dat het dagelijks verkeren in een bepaalde werksituatie tot een vermindering van de ter voorkoming van ongevallen raadzame voorzichtigheid leidt. Zie HR 27 juni 1975, NJ 1976, 81, m.nt. GJS; HR 9 januari 1987, NJ 1987, 948, m.nt. PAS; HR 20 september 1996, NJ 1997, 198, m.nt. PAS; HR 4 oktober 2002, JOL 2002, 514 en JAR 2002, 259. Zie ook Bolt, pre-advies NJV 1996, p. 86 en 95 en Lindenbergh, Arbeidsongevallen en beroepsziekten, 2002, p. 31-40. Hierbij geldt als richtsnoer dat de zorgplicht van de werkgever ruim moet worden uitgelegd, zodat van hem een hoge mate van zorg wordt gevergd, ook voor onoplettendheid van de werknemer. Anderzijds mag niet uit het oog worden verloren dat art. 7:658 BW ertoe strekt te bewerkstelligen dat de werknemer tegen het oplopen van schade als in deze bepaling bedoeld wordt beschermd voorzover als redelijkerwijs in verband met de aard van de arbeid kan worden gevorderd maar dat deze bepaling niet beoogt een absolute waarborg te scheppen tegen het gevaar dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt. Zie HR 10 juni 1983, NJ 1984, 20, m.nt. PAS; HR 24 juni 1994, NJ 1995, 137, m.nt. PAS; HR 19 oktober 2001, NJ 2001, 663; HR 4 oktober 2002, JOL 2002, 514 en JAR 2002, 259.


12. De Rechtbank heeft in rechtsoverweging 3.8 vooropgesteld dat uit de door gestelde toedracht van het ongeval niet kan worden afgeleid dat - bijvoorbeeld als gevolg van onvoldoende of ondeugdelijke instructies - ten onrechte tot verwijdering van de koffievlek is overgegaan of dat zij voor een gevaarlijke wijze van uitvoering van de werkzaamheden heeft gekozen en evenmin dat zij door te haastig werken haar evenwicht heeft verloren, om vervolgens te overwegen dat de verplichting van om aanwijzingen te verstrekken in het kader van haar zorgplicht niet zo ver gaat dat zij voor iedere door haar werknemers mogelijk te verrichten handeling gedetailleerd zou moeten voorschrijven hoe die handeling dient te worden verricht en voorts dat het verwijderen van de koffievlek behoorde tot de gewone werkzaamheden van . Mede op grond van deze overwegingen is de Rechtbank kennelijk in rechtsoverweging 3.9 tot de slotsom gekomen dat niet valt in te zien welke op haar rustende verplichtingen zou kunnen hebben geschonden waarvan de nakoming het overkomen ongeval zou hebben kunnen voorkomen en dat van een door vooraf te onderkennen gevaarlijke situatie waarvoor had dienen te waarschuwen geen sprake was, om vervolgens in rechtsoverweging 3.10 tot het eindoordeel te komen dat niet is tekortgeschoten in de op haar rustende zorgplicht.


13. De in middelonderdeel 1.1 tegen rechtsoverweging 3.8 gerichte motiveringsklacht slaagt. Gezien de door gegeven omschrijving van de toedracht van het haar tijdens de uitoefening van haar werkzaamheden op de werkplek overkomen ongeval - van de juistheid van welke omschrijving de Rechtbank veronderstellenderwijs is uitgegaan - is het oordeel van de Rechtbank dat uit die toedracht niet is af te leiden dat "ten onrechte" tot verwijdering van de koffievlek is overgegaan of dat zij voor een gevaarlijke wijze van uitoefening van haar werkzaamheden heeft gekozen - een oordeel dat impliceert dat de door verrichte werkzaamheid moet worden gekwalificeerd als een werkzaamheid die behoorde tot de gewone routinehandelingen - onbegrijpelijk. Immers, heeft met betrekking tot die toedracht betoogd dat het niet louter ging om het verwijderen van een koffievlek, doch om het verwijderen van een koffievlek op een moeilijk bereikbare plaats; dat wél voor een gevaarlijke uitvoering van haar werkzaamheden heeft gekozen, blijkt ook uit het ongeval dat haar bij de uitvoering van die werkzaamheden is overkomen. Middelonderdeel 1.1 dat over onbegrijpelijkheid van de kwalificatie door de Rechtbank klaagt, voert in dat verband voorts terecht aan dat heeft gesteld dat zij onbekend was met de mogelijkheid dat zij twee collega's (rechtstreeks) had kunnen vragen haar te helpen met het versjouwen van de tafel met plant en dat de vraag hoe terzake prioriteiten dienden te worden gesteld niet anders dan incidenteel werd besproken, stellingen die onderdeel uitmaakten van het betoog van dat aan haar geen instructies zijn gegeven over de wijze waarop zij haar werkzaamheden diende uit te voeren. heeft het betoog van betwist met de stelling dat wel degelijk instructies had ontvangen waaronder de instructie op moeilijk bereikbare plaatsen niet schoon te maken, een stelling waarmee tevens lijkt aangegeven welke veiligheidsmaatregelen ter voorkoming van het ongeval getroffen hadden kunnen worden.
Zoals gezegd, is de door middelonderdeel 1.1 terecht bestreden vooropstelling voor de Rechtbank kennelijk mede redengevend geweest voor de daarop volgende overweging dat de verplichtingen van om aanwijzingen te verstrekken in het kader van haar zorgplicht niet zo ver gaat dat zij met betrekking tot iedere door haar werknemers mogelijk te verrichten handeling gedetailleerd zou moeten voorschrijven hoe die handeling moet worden verricht. Middelonderdeel 1.2 klaagt - tegen de achtergrond van de slagende motiveringsklacht van middelonderdeel 1.1 - terecht dat de Rechtbank "doordat zij haar onderzoek klaarblijkelijk heeft beperkt tot de zorgplicht om gedetailleerde aanwijzingen te geven met het oog op iedere door haar werknemers mogelijk te verrichten handeling", hetzij heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting voorzover zij heeft gemeend dat de in art. 7:658 lid 1 BW geen betrekking heeft op het geven van algemene aanwijzingen, hetzij haar oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd. Gegeven het aan tijdens de uitvoering van haar werkzaamheden op de werkplek overkomen ongeval en gegeven de door gegeven omschrijving van de toedracht van dat ongeval van de juistheid waarvan de Rechtbank veronderstellenderwijs is uitgegaan, had de Rechtbank - gezien de met betrekking tot art. 7:658 BW geldende regels van stelplicht en bewijslast en gezien het hiervoor weergegeven debat van partijen - moeten ingaan op de tussen partijen omstreden vraag of in verband met de op haar rustende zorgplicht aan algemene instructies had moeten geven die het ongeval hadden kunnen voorkomen (zoals bijvoorbeeld de instructie dat niet op moeilijk bereikbare plaatsen mocht worden schoongemaakt) en of had moeten toezien op het naleven van deze instructies en in hoeverre deze maatregelen heeft getroffen.


14. Middelonderdeel 2 komt met rechts- en motiveringsklachten die zijn verdeeld over zeven subonderdelen, op tegen rechtsoverweging 3.9 van het vonnis van de Rechtbank. Het middelonderdeel stelt voorop dat uitgangspunt in cassatie moet zijn dat in het bedrijf van een bijgewerkte en geëvalueerde risico-inventarisatie in de zin van art. 4 Arbeidsomstandighedenwet (oud) ontbrak nu heeft gesteld dat een risico-inventarisatie ontbrak en in dat kader heeft volstaan met een blote betwisting. Het middel strekt - als ik het goed zie - ten betoge dat een werkgever die niet kan aantonen dat hij heeft voldaan aan de in art. 4 Arbeidsomstandighedenwet (oud) neergelegde verplichting een bijgewerkte en geëvalueerde risico-inventarisatie in zijn bedrijf voorhanden te hebben - mede gelet op het fundamentele karakter van deze publiekrechtelijke bepaling - reeds uit dien uit hoofde geacht moet worden zijn zorgplicht te hebben geschonden.


15. Bij de beoordeling van dit middelonderdeel moet het volgende worden vooropgesteld. De in het eerste lid van art. 7:658 BW omschreven zorgplicht voor de veiligheid van de werkomgeving van de werknemer omvat in elk geval de verplichtingen die op de werkgever rusten krachtens de Arbeidsomstandighedenwet en andere publiekrechtelijke regelingen ter zake van arbeidsomstandigheden. Zie: Van der Grinten, Arbeidsovereenkomstenrecht, 2002, hoofdstuk 16, par. 2; Verhulp, T&C Arbeidsrecht, 2002, art. 7:658, aant. 2; Bier, VR 2001, p. 193 e.v. en Christe, Losbl. Arbeidsovereenkomst aant. 3 en 8 met verdere verwijzingen. Het zal daarbij - zeker wanneer de krachtens art. 7:658 BW ter zake van een arbeidsongeval aangesproken werkgever zijn verweer toespitst op het concrete ongeval - moeten gaan om voorschriften die zien op de concrete werkzaamheden, althans om voorschriften die bescherming beogen te bieden tegen het specifieke gevaar dat zich in casu heeft gerealiseerd. Het verzuim een dergelijk voorschrift na te leven wordt de werkgever zwaar aangerekend; alsdan zal hem in beginsel slechts de mogelijkheid resten aan te tonen dat naleving van het voorschrift het ongeval niet had kunnen voorkomen: vgl. HR 14 april 1978, NJ 1979, 245.
In de onderhavige zaak, waarin vaststaat dat schade heeft geleden in de uitoefening van haar werkzaamheden, doe het middel ter adstructie van zijn betoog dat de op haar rustende zorgplicht heeft geschonden, met name een beroep op art. 4 van de Arbeidsomstandighedenwet; deze bepaling hield ten tijde van het ongeval en voorzover in cassatie van belang het volgende in:


1. Bij het voeren van zijn algemeen ondernemingsbeleid moet de werkgever dit beleid mede richten op een zo groot mogelijke veiligheid, een zo goed mogelijke bescherming van de gezondheid en het bevorderen van het welzijn van de werknemer binnen het bedrijf of de inrichting; dat beleid behelst de middelen waarmee en de wijze waarop deze doelstelling moet worden bereikt, legt de onderscheiden bevoegdheden en verantwoordelijkheden vast die in dit verband op de bij de werkgever werkzame personen rusten, en dient gebaseerd te zijn op een deugdelijke en op schrift gestelde inventarisatie en evaluatie van alle gevaren die de arbeid voor de veiligheid, de gezondheid en het welzijn van de werknemers met zich brengt. Onder die gevaren worden onder meer begrepen de gevaren van de werktuigen, machines, toestellen en andere hulpmiddelen bij de arbeid, de stoffen of preparaten waarmee wordt gewerkt en de inrichting van de arbeidsplaats. De inventarisatie en evaluatie dienen tevens die gevaren te omvatten, die niet kunnen worden vermeden alsmede de gevaren voor categorieën van werknemers die als bijzonder kunnen worden aangemerkt. Voorts moet daarin zijn aangegeven welke maatregelen zullen worden genomen in verband met de bedoelde gevaren en de samenhang daartussen, een en ander overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.


2. De werkgever moet het beleid gericht op veiligheid, gezondheid en welzijn regelmatig toetsen aan de ervaringen die daarmee zijn opgedaan. Dit beleid alsmede de inventarisatie en evaluatie, bedoeld in het eerste lid, moeten worden aangepast zo dikwijls als de daarmee opgedane ervaring of gewijzigde werkmethoden of werkomstandigheden daartoe aanleiding geven ofwel zich op het gebied van de algemeen erkende regelen der techniek of in de stand van de bedrijfsgezondheidszorg dan wel in de stand van de ergonomie en die van de arbeids- of bedrijfskunde belangrijke wijzigingen voordoen. (..)

4. De werkgever zorgt er voor dat iedere werknemer desgewenst kennis kan nemen van de inventarisatie en evaluatie.

Deze bepaling, ingevoerd bij Wet van 23 november 1995, Stb. 598 (Iwtr.
1 januari 1996) ter uitvoering van de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 juni 1989 betreffende de tenuitvoerlegging van maatregelen ter uitvoering ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en gezondheid van de werknemers op het werk (Pb EG 1989 L 183), strekte tot bevordering van een doeltreffend arbeidsomstandighedenbeleid zoveel mogelijk toegespitst op het bedrijf van de werkgever. De verplichting had een categorisch karakter; de mogelijkheid tot ontheffing voor kleine ondernemingen is door de wetgever als minder passend bij voornoemde Richtlijn van de hand gewezen: TK 1992-1993, 22 898, nr. 8, p. 3. De in art. 4 neergelegde verplichting tot het opmaken en voorhanden hebben van een bijgewerkt en geëvalueerde risico-inventarisatie is inmiddels opgenomen in art. 5 Arbeidsomstandighedenwet.


16. Het tweede middelonderdeel strekt - zoals gezegd - ten betoge dat een werkgever die niet kan aantonen dat hij de in art. 4 Arbeidsomstandighedenwet (oud) neergelegde verplichting tot het voorhanden hebben van een bijgewerkte en geëvalueerde risico-inventarisatie heeft nageleefd, reeds uit dien uit hoofde - mede gelet op het fundamentele karakter van de publiekrechtelijke bepaling van art. 4 Arbeidsomstandighedenwet (oud) - geacht moet worden zijn zorgplicht te hebben geschonden. Naar mijn oordeel gaat deze opvatting in haar algemeenheid te ver daar de bepaling van art. 4 geen specifieke veiligheidsvoorschriften bevat, doch veronderstelt dat de werkgever deze zelf zo gericht mogelijk vaststelt en zo nodig bijstelt, zulks aan de hand van de specifieke risico's verbonden aan de werkzaamheden die hij in zijn bedrijf laat verrichten. In zoverre voegt het artikel dus niets toe aan de verplichting van art. 7:658 BW om - kort gezegd - die maatregelen te nemen als redelijkerwijs nodig om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt. Toont de werkgever aan dat hij deze maatregelen heeft getroffen dan wel dat deze het ongeval niet hadden kunnen voorkomen, dan biedt de enkele schending van de in art. 4 Arbeidsomstandighedenwet (oud) neergelegde verplichting naar mijn oordeel geen grondslag voor aansprakelijkheid van de werkgever. De in art. 4 Arbeidsomstandighedenwet (oud) neergelegde verplichting om ieder risico te inventariseren, ook die risico's welke niet kunnen worden voorkomen, heeft voor de werkgeversaansprakelijkheid van art. 7:658 BW met name deze betekenis dat de werkgever zich in het kader van de lid 2 van die bepaling omschreven stelplicht in beginsel niet erop kan beroepen dat hij het risico dat zich ten nadele van zijn werknemer heeft verwezenlijkt, niet kende. Dat is slechts anders ingeval het gaat om gevaren die de werkgever - ook ingeval een risico-inventarisatie was gemaakt - niet had kunnen kennen zoals gevaren die in wetenschappelijke zin niet bekend waren: vgl. HR 25 juni 1993, NJ 1993, 686 m.nt PAS. Voor de beantwoording van de vraag welke specifieke maatregelen redelijkerwijs van de werkgever kunnen worden gevergd in het kader van de op hem rustende zorgplicht, biedt de bepaling van art. 4 - zoals gezegd - verder geen aanknopingspunten. Overigens ben ik met de steller van het middel van oordeel dat de omstandigheid dat de werkgever niet voldoet aan de verplichting een risico-inventarisatie op te maken en te evalueren, te denken kan geven omtrent de wijze waarop hij invulling geeft aan het door hem te voeren veiligheidsbeleid.


17. De centrale rechtsklacht van middelonderdeel 2 zoals die met name in de subonderdelen 2.1, 2.2 en 2.4 wordt aangevoerd, luidende dat de werkgever die de verplichting van art. 4 Arbeidsomstandighedenwet (oud) niet heeft nageleefd reeds uit dien hoofde niet geacht kan worden te hebben voldaan aan zijn verplichting te stellen en zo nodig te bewijzen dat hij zijn in lid 1 omschreven verplichting is nagekomen, vindt blijkens het bovenstaande in haar algemeenheid geen steun in het recht. De klacht van de onderdelen 2.1 en 2.6 dat art. 7:658 lid 1 BW geen causaal verband vereist tussen de door de werkgever redelijkerwijs te treffen maatregelen en het concrete geval, berust evenzeer op een onjuiste rechtsopvatting omdat - zoals volgt uit hetgeen hiervoor onder 11 werd vooropgesteld - een dergelijk vereiste wel degelijk in dat wetsartikel ligt besloten. De in onderdeel 2.7 vervatte rechtsklacht faalt reeds bij gemis aan feitelijke grondslag omdat de Rechtbank - anders dan het onderdeel veronderstelt - niet heeft geoordeeld dat de stelling van omtrent het ontbreken van een bijgewerkte en geëvalueerde risico-inventarisatie gemotiveerd heeft betwist. Ook de motiveringsklachten van het tweede middelonderdeel treffen geen doel aangezien zij berusten op de onjuiste rechtsopvatting dat het ontbreken van een risico-inventarisatie aansprakelijkheid van de werkgever meebrengt.


18. Nu middelonderdeel 1 doel treft en de door middelonderdeel 1 terecht bestreden oordelen kennelijk mede redengevend zijn geweest voor het oordeel dat niet valt in te zien welke verplichting zou kunnen hebben geschonden waarvan de nakoming het overkomen ongeval zou hebben kunnen voorkomen en dat aan de op haar rustende zorgplicht heeft voldaan, kan het vonnis van de Rechtbank niet in stand blijven en zal verwijzing moeten volgen.

Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot verwijzing ter verdere behandeling en beslissing.

De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden