Hoge Raad der Nederlanden

Uitspraak Hoge Raad LJN-nummer: AG3813 Zaaknr: 01752/02


Bron: Hoge Raad der Nederlanden 's-Gravenhage Datum uitspraak: 30-09-2003
Datum publicatie: 30-09-2003
Soort zaak: straf -
Soort procedure: cassatie

30 september 2003
Strafkamer
nr. 01752/02
PB/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 15 februari 2002, nummer 20.000915.00, in de strafzaak tegen:
, geboren te op 1966, wonende te .


1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch van
15 september 1999 - de verdachte ter zake van "het zich in het openbaar mondeling opzettelijk beledigend uitlaten over Somaliërs wegens hun ras" veroordeeld tot zes weken gevangenisstraf voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.


2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. W.P. de Leeuw, advocaat te 's-Hertogenbosch, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing van de zaak naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.


3. Beoordeling van het middel


3.1. De Hoge Raad begrijpt het middel aldus dat het onder meer de klacht bevat dat de bewezenverklaring, voorzover deze inhoudt dat de verdachte zich "in het openbaar" opzettelijk beledigend heeft uitgelaten, ontoereikend is gemotiveerd, althans dat het Hof aan die term een onjuiste betekenis heeft toegekend.


3.2. Het Hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat zij:
"in of omstreeks de periode van 02 februari 1999 tot en met 03 februari 1999 te 's-Hertogenbosch en/of elders in Nederland, zich in het openbaar, namelijk tegen een journalist tijdens de opname van een vraaggesprek en tijdens een radio-uitzending van het programma De Karavaan (Radio 1), mondeling, opzettelijk beledigend heeft uitgelaten over een groep mensen, te weten (een groep) Somaliërs, wegens hun ras, door opzettelijk beledigend in een tijdens die radio-uitzending uitgezonden (eerder opgenomen) gesprek tegen de interviewer mede te delen dat als er een Somalisch gezin in de buurt zou komen wonen zij, verdachte, de spandoeken al klaar zou hebben en dat daarop zou komen te staan dat Hitler er een paar vergeten is."


3.3. Blijkens de gebezigde bewijsmiddelen heeft het Hof, voorzover hier van belang, het navolgende vastgesteld.
(i) De verdachte is op 2 februari 1999 aan de deur van haar woning benaderd door een journalist van het radioprogramma "De Karavaan" die, naar zij even tevoren had vernomen, bandopnames maakte voor een op een later tijdstip uit te zenden radioprogramma met als thema "tolerantie/intolerantie".
(ii) Het was de journalist bekend dat de verdachte woonde in een woning die aan een Somalisch gezin was toegewezen, welk gezin de woning niet had betrokken omdat het door de buurtbewoners was weggepest.
(iii) In het van de verdachte, in aanwezigheid van haar echtgenoot, afgenomen interview heeft de verdachte onder meer het volgende gezegd: Journalist: "Als er een nieuw Somalisch gezin hier in de buurt zou komen wonen, hebt u de spandoeken al klaar?"
Verdachte: "Als de buurt meedoet, wel ja. Dan doe ik absoluut mee." Journalist: "Tekst in uw hoofd?"
Verdachte: "Moet ik dat echt zeggen? Dat Hitler er een paar vergeten is."
(iv) de onder (iii) weergegeven uitlatingen zijn vervolgens op 3 februari 1999 via Radio 1 uitgezonden.


3.4. Ter terechtzitting van het Hof van 11 juli 2001 heeft de verdachte blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal onder meer verklaard, zakelijk weergegeven:
"Ik vind het verschrikkelijk wat ik gezegd heb. Ik ben wel van mening dat de journalist de door mij gedane uitlatingen heeft uitgelokt. Hij vroeg mij namelijk of ik de spandoeken al klaar had liggen en of ik al een tekst in mijn hoofd had. Ik wist niet wat ik moest zeggen en ik heb toen iets heel doms gezegd. Ik heb meteen tegen die journalist gezegd dat ik het niet zo bedoeld had. (...) Ik heb aldus een correctie op mijn uitspraak willen maken. Ik heb de journalist uitgelegd hoe ik het eigenlijk bedoeld had, maar dat wilde hij niet opnemen. Hij zette de opnameknop van de bandrecorder tijdens het interview steeds aan en uit. (...) Ik heb de journalist ook wel drie keer gevraagd om de bewuste passages niet uit te zenden. Dat weigerde hij echter. Er is door mij voordat het interview begon, niet de voorwaarde gesteld dat ik het eens moest zijn met hetgeen zou worden uitgezonden."


3.5. Het Hof heeft in het verkorte arrest een namens de verdachte gevoerd verweer als volgt samengevat en verworpen: "De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat in ieder geval de echtgenoot van verdachte na opname van het vraaggesprek de journalist heeft verzocht het betreffende beledigende stuk niet uit te zenden en dat er daarom sprake is van een vrijwillige terugtred. Vervolgens heeft de raadsman betoogd dat de uitzending van het betreffende beledigende stuk het correctierecht van verdachte op het uit te zenden vraaggesprek miskent. Verdachte zou mitsdien van het tenlastegelegde moeten worden vrijgesproken.

Het hof verwerpt deze verweren. Het hof is van oordeel, dat verdachte, nu deze wist dat het om een in het openbaar uit te zenden vraaggesprek ging - en een algemeen correctierecht waarop de raadsman zich heeft beroepen, geen steun vindt in het recht - het na het uitspreken van de gewraakte bewoordingen niet meer in haar macht had om de uitzending daarvan te voorkomen. De verdachte heeft de beledigende taal vervolgens tijdens de opname gebezigd. Hier doet niet aan af dat verdachtes echtgenoot de journalist heeft verzocht het beledigende stuk niet uit te zenden. Het hof heeft hierbij in aanmerking genomen dat er voorafgaande aan deze opname geen afspraak is gemaakt omtrent enig correctierecht van verdachte. Derhalve werd het delict van artikel 137c van het Wetboek van Strafrecht gepleegd op het moment dat verdachte de beledigende woorden uitte, zij het dat het eerst werd voltooid door de uitzending daarvan."


3.6. Het onderhavige geval wordt hierdoor gekenmerkt dat de verdachte de gewraakte uitlatingen heeft gedaan tegenover een journalist, die die uitlatingen, naar de verdachte wist, op een band heeft opgenomen om deze op een later tijdstip voor de radio uit te zenden, hetgeen vervolgens ook daadwerkelijk is geschied. 's Hofs oordeel dat in een zodanig geval het delictsbestanddeel "in het openbaar" eerst is vervuld door de uitzending van de desbetreffende uitlatingen, is juist. Voorts heeft het Hof kennelijk en terecht geoordeeld dat voor een veroordeling ter zake van het bij art. 137c Sr voorziene misdrijf is vereist dat het opzet van de verdachte erop is gericht geweest dat zijn uitlatingen ter kennis van het publiek zouden komen.


3.7. Hetgeen door de verdachte is aangevoerd - hiervoor onder 3.4 weergegeven - kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als behelzende het verweer dat haar opzet niet was gericht op openbaarmaking van de desbetreffende uitlatingen. Hetgeen het Hof ter verwerping van het verweer heeft geoordeeld komt erop neer dat het bestaan van bedoeld opzet louter dient te worden beoordeeld naar het moment waarop de uitlatingen tegenover de journalist zijn gedaan, zodat daaraan niet kan afdoen dat de verdachte na dat moment, doch vóór de openbaarmaking van de uitlatingen, de journalist heeft laten weten die uitlatingen te willen corrigeren en openbaarmaking in de oorspronkelijke vorm niet te wensen en evenmin de door het Hof vastgestelde omstandigheid dat de echtgenoot van de verdachte - kennelijk namens haar - de journalist heeft verzocht de beledigende passage niet uit de zenden. Dat zou naar de kennelijke opvatting van het Hof alleen anders zijn indien vooraf een afspraak zou zijn gemaakt omtrent enig correctierecht. Die oordelen geven blijk van een onjuiste rechtsopvatting. De bewezenverklaring is dus ontoereikend gemotiveerd, zodat het middel, voorzover het daarover klaagt, terecht is voorgesteld.


4. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, de overige klachten van het middel geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.


5. Beslissing

De Hoge Raad:
Vernietigt de bestreden uitspraak;
Verwijst de zaak naar het Gerechtshof te Arnhem, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren F.H. Koster, J.P. Balkema, B.C. de Savornin Lohman en W.A.M. van Schendel, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 30 september 2003.


*** Conclusie ***

Nr.01752/02
Mr. Jörg
Zitting 10 juni 2003

Conclusie inzake:


1. Verzoekster is door het gerechtshof te 's-Hertogenbosch bij arrest van 15 februari 2002 wegens het zich in het openbaar mondeling opzettelijk beledigend uitlaten over een groep mensen wegens hun ras (Somaliërs) veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes weken voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.


2. Namens verzoekster heeft mr. W.P. de Leeuw, advocaat te 's-Hertogenbosch, bij schriftuur één middel van cassatie voorgesteld.


3. Het middel komt, blijkens de daarop gegeven toelichting, met diverse klachten op tegen het onder 1 weergegeven oordeel.


4. Ten laste van verzoekster is bewezenverklaard dat: "zij in de periode van 02 februari 1999 tot en met 03 februari 1999 te 's-Hertogenbosch en/of elders in Nederland, zich in het openbaar, namelijk tegen een journalist tijdens de opname van een vraaggesprek en tijdens een radio-uitzending van het programma De Karavaan (Radio
1), mondeling, opzettelijk beledigend heeft uitgelaten over een groep mensen, te weten Somaliërs, wegens hun ras, door opzettelijk beledigend in een tijdens die radio-uitzending uitgezonden (eerder opgenomen) gesprek tegen de interviewer mede te delen dat als er een Somalisch gezin in de buurt zou komen wonen zij, verdachte, de spandoeken al klaar zou hebben en dat daarop zou komen te staan dat Hitler er een paar vergeten is."


5. Voordat ik overga tot behandeling van de in het middel vervatte klachten zal ik ingaan op twee (voor) vragen die de stukken van het geding oproepen: (1) dient bij dit delict het opzet gericht te zijn op de openbaarheid van de uitlatingen en (2) wanneer is dit delict voltooid: op het moment dat de beledigende uitlating wordt gedaan of wanneer deze openbaar wordt gemaakt? Uit de jurisprudentie, wetsgeschiedenis en literatuur blijkt dat deze vragen verschillend kunnen worden beantwoord.


6. In het algemeen wordt aangenomen dat het opzet slechts betrekking heeft op alle bestanddelen die na het opzetvereiste in de delictsomschrijving zijn opgenomen (H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, 1881, p. 72, r.k., De Hullu, Materieel strafrecht, 2000, p. 207). Voor het onderhavige geval zou dat betekenen dat geen opzet op de openbaarheid is vereist. Deze opvatting verwoordt Van der Neut in Discriminatie en strafrecht, 1986, p. 66. Ik meen echter dat enige vorm van bewustheid aangaande het bestanddeel 'in het openbaar' noodzakelijk is, en meen voor deze opvatting steun te vinden in de hierna te bespreken jurisprudentie over art. 137d Sr en art. 266 Sr.


7. In art. 137d Sr komt het woord 'opzettelijk' niet voor. Opzet ligt evenwel besloten in de delictshandeling 'aanzetten'. Nu de woorden 'in het openbaar' aan het woord 'aanzetten' voorafgaan, zou men op grond van de hierboven genoemde algemene regel moeten aannemen dat opzet op de openbaarheid niet is vereist (zie T&C art. 137d Sr, aant. 7). Uit het arrest van 29 mei 2001, NJ 2001, 694, m.nt. DHdJ kan worden afgeleid dat voor het in het openbaar aanzetten tot haat, discriminatie of geweld als bedoeld in art. 137d Sr enigerlei vorm van bewustheid is vereist ten aanzien van de omstandigheid dat de uitlatingen in het openbaar zijn gedaan. In deze zaak oordeelde de Hoge Raad dat de verklaring van verdachte - die als voorzitter van CP'86 een toespraak op een vergadering van die partij hield, inhoudende onder meer dat hij "enkele personen van de pers herkende, maar er niet bij stil heeft gestaan", en waarvan het cassatiemiddel bestreed dat deze laatste zinsnede redengevende kracht had - zo moet worden verstaan dat vanaf dat moment het voorwaardelijk opzet op het doen van de uitlatingen in het openbaar bewijsbaar aanwezig was. Uit HR 2 april 2002, NJ 2002, 421, m.nt. PMe kan opnieuw worden afgeleid dat de Hoge Raad de vraag of de verdachte in die zaak opzet op de openbaarheid had, niet irrelevant achtte. Anders had de Raad immers niet behoeven stil te staan bij de vraag of de verdachte opzettelijk de openbaarheid had gezocht (de verdachte had de tekst van zijn in de gemeenteraad gehouden redevoering aan een journalist overhandigd).


8. Het komt mij voor dat uit het voorgaande de conclusie kan worden getrokken dat enigerlei vorm van bewustheid ten aanzien van de openbaarheid in de delictsomschrijving van art. 137d Sr moet worden ingelezen. Waarom zou dat niet tenminste voorwaardelijk opzet mogen zijn?


9. Voor eenvoudige belediging - waarbij volgens NLR art. 266, aant. 2, het opzet geen betrekking heeft op de openbaarheid - blijkt uit HR 30 oktober 2001, NJ 2002, 129 niet voldoende dat een brief met beledigende passages aan geadresseerden en de burgemeester ter kennis komt, indien de beledigende passage er niet ook op was gericht ter kennis van anderen te komen. Ik meen dat deze formulering door de Hoge Raad erop wijst dat, hoewel ook voor art. 266 Sr geen opzet op de openbaarheid is vereist, een zekere intentie om het publiek te bereiken bewijsbaar moet zijn.


10. Dan kom ik nu op art. 137c Sr, waar het hier om gaat. Mijn voormalig ambtsgenoot Van Dorst merkt in NLR, art. 137c Sr, aant. 6, op dat uit HR NJ 2001, 694, kan worden afgeleid dat ook voor art. 137c Sr geldt dat het opzet gericht moet zijn op de openbaarheid van de beledigende uitlatingen. Hoewel de vraag in deze vorm nog niet aan de Hoge Raad is voorgelegd wil ik mij bij zijn opvatting graag aansluiten. Ik meen dat wanneer zou worden aangenomen dat geen opzet op de openbaarheid is vereist, dit tot onaanvaardbare situaties zou leiden. Ik denk dan bijvoorbeeld aan het gemeenteraadslid dat zich in een onderonsje met de burgemeester van Amsterdam waande en zich negatief uitliet over een allochtone bevolkingsgroep, hetgeen werd opgevangen door de pers en vervolgens werd uitgezonden. Het dwangbuis van de politieke correctheid zou wel erg knellend worden als ook uitlatingen van mensen die zich 'onbespied' mogen wanen, tot vervolging en veroordeling aanleiding zouden kunnen geven. Ik zie anders een nog rijkere toekomst voor de afluisterbranche voor me. Mensen zouden wel heel gemakkelijk kunnen worden gechanteerd met een strafbaar feit voor in privé gedane uitlatingen.


11. De tweede voorvraag is wanneer het delict is voltooid: op het moment dat de beledigende uitlating wordt gedaan of op het moment van openbaarmaking daarvan. Bij formeel omschreven delicten ('gedragsdelicten') zoals opruiing en belediging is het gedrag als zodanig strafbaar gesteld, zodat in beginsel het delict is voltooid op het moment dat de opruiende of beledigende woorden zijn gesproken en voor poging (en dus ook voor vrijwillige terugtred) weinig ruimte lijkt te zijn. Ten aanzien van opruiing stelde Noyon in de vierde druk van NLR dan ook dat het misdrijf is voltooid zodra de woorden die opruiing inhouden zijn uitgesproken.


12. In de zevende druk van NLR echter stelt Van Dorst dat dit iets te ver gaat (aant. 6 op art. 131). Hij meent dat wanneer bijvoorbeeld het rumoer zo hevig is dat de spreker door het publiek niet te verstaan is, zijn machteloos trachten om zich verstaanbaar te maken niet onder 'in het openbaar opruien' valt, maar slechts een poging daartoe is. Voorts merkt hij op dat opruiing door een vooraf gereed gemaakt geschrift pas kan zijn voltooid, wanneer het geschrift onder het publiek is gebracht. Het schrijven is nog geen strafbare opruiing wanneer het zodanig geschiedt dat men niet kan zeggen dat het in het openbaar plaats vindt. Steun voor deze door mij onderschreven opvatting, biedt HR NJ 2002, 421. In deze zaak kon het hof uit de verklaring van verdachte, dat hij blij was met de publiciteit rond zijn redevoering, afleiden dat de redevoering ook daadwerkelijk was openbaar gemaakt. Ik meen dat hetzelfde moet gelden voor art. 137c Sr: van strafbare belediging als hier bedoeld is sprake wanneer de beledigende uitlating is openbaar gemaakt. Of iemand daadwerkelijk naar de uitzending heeft geluisterd doet uiteraard niet ter zake. Wel, of door een storing in de zendmast het desbetreffende gedeelte van de tape niet is uitgezonden.


13. De consequentie van het niet per definitie samenvallen van uiting en openbaarmaking is dat delicten van deze categorie(ën) pas met openbaarmaking of openbaarheid worden voltooid, en dat zich tussen uiting en openbaarmaking het gebied van de strafbare poging kan bevinden. De uiting is in deze opvatting het begin van uitvoering, terwijl de voltooiing van het delict al dan niet door omstandigheden van de wil van de dader afhankelijk kan uitblijven. Van de wil van de dader onafhankelijk is het door Van Dorst beschreven geval van het rumoer waardoor de beledigende uiting onverstaanbaar is, of mijn voorbeeld van de storing in de zendmast. Van de wil afhankelijk is het geval van de opruiende brief die door de dader zelf niet is verzonden. Het komt mij voor dat men de dader niet de ruimte kan ontzeggen om te verhinderen dat zijn uiting in de openbaarheid komt. Anders zou hier de pogingsvariant van het délit manqué gelden (zie HRS 15e, p. 391), en dat lijkt mij niet gerechtvaardigd voor degene die moeite doet om het laatste wettelijke bestanddeel, de openbaarheid, niet in vervulling te doen gaan. Ik wijs ook op het delict meineed, dat niet is voltooid door het enkele uitspreken van leugens. Er is gelegenheid voor vrijwillig terugtreden, waardoor de strafbaarheid komt te vervallen.


14. Of sprake is van vrijwillig terugtreden vergt een feitelijk onderzoek naar de omstandigheden van het geval, van de context waarin de uitlating is gedaan en wat na de uitlating nog is gezegd of gedaan. Ik kan mij dus niet vinden in de opmerking van de advocaat-generaal in de onderhavige zaak, inhoudende dat het feit dat iemand tussen zijn gedane uitspraken en de uitzending daarvan zijn woorden terug zou mogen nemen, tot gevolg zou hebben dat men straffeloos beledigende of discriminerende uitspraken in het openbaar kan doen, omdat de betreffende uitlatingen natuurlijk toch worden uitgezonden. Dit gaat wel erg van de kwade trouw van de journalistiek uit, en van principiële onwil om iemand zijn 'slip of the tongue' te laten redresseren.


15. Na het behandelen van de voorvragen, met als uitkomst dat het delictsbestanddeel 'in het openbaar' een vorm van opzet vereist en dat het delict ook ten aanzien van de dader en diens uitlating pas is voltooid wanneer de uiting openbaar is gemaakt, keer ik terug naar de onderhavige zaak.


16. Voor een goed begrip van de zaak geef ik kort de feiten weer zoals die blijken uit de stukken. Verzoekster is woonachtig in het huis dat eerder aan een Somalisch gezin was toegewezen, dat voordat het daarin zijn intrek wilde nemen reeds was weggepest door de buurt. Op 2 februari 1999 belde een journalist aan bij verzoekster, met de vraag of hij haar mocht interviewen. Verzoekster heeft de journalist binnengelaten en is geïnterviewd. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de journalist verzoekster heeft gevraagd of zij de spandoeken al klaar had als er een nieuw Somalisch gezin in de buurt zou komen wonen. Verzoekster zei daarop: "Als de buurt meedoet, wel ja, dan doe ik absoluut mee". De journalist vroeg daarop: "Heeft u al een tekst in uw hoofd?", waarop verzoekster zei: "Moet ik dat echt zeggen?" Op het bevestigende antwoord van de journalist antwoordde zij vervolgens: "Dat Hitler er een paar vergeten is."(1) Op 3 februari 1999 is het interview uitgezonden op de radio.


17. Dan kom ik nu toe aan het middel. Het middel, en de toelichting daarop, bevat vele klachten, die niet allemaal even helder zijn en waarvan enkele zich niet lenen voor behandeling in cassatie. Het is altijd jammer als in een principiële kwestie (als de onderhavige) niet een gerenommeerde cassatieadvocaat in de arm wordt genomen, teneinde het debat op het hogere plan te brengen dat de zaak verdient.


18. De eerste klacht houdt in dat het hof niet heeft beraadslaagd op de grondslag van de tenlastelegging.


19. Het hof heeft blijkens het arrest als volgt overwogen: "Het hof leest om taalkundige redenen het tenlastegelegde feit verbeterd, met dien verstande dat in de derde regel van de tenlastelegging de in eerste aanleg bij tenlastelegging gewijzigde zinsnede "tegen een journalist tijdens de opname van een vraaggesprek" geplaatst wordt vóór de zinsnede "tijdens een radio-uitzending van het programma De Karavaan (Radio 1)". De verdachte is door deze verbetering niet in haar verdediging geschaad."


20. De klacht houdt in dat verzoekster hierdoor wel in haar belang is geschaad omdat door de wijziging deelname aan een niet openbaar vraaggesprek strafbaar wordt.


21. Ik kan de steller van het middel hierin niet volgen. Ik meen dat het hof de zinsneden heeft omgewisseld omdat het vraaggesprek chronologisch voorafgaat aan de uitzending daarvan. Dat het hof daardoor een andere, voor verzoekster negatief uitvallende betekenis aan de tenlastelegging heeft gegeven zie ik niet in. Overigens verdient het belang van verzoekster bij een onjuiste tenlastelegging rechtens geen bescherming. De klacht faalt.


22. De tweede klacht begrijp ik aldus dat deze opkomt tegen het oordeel van het hof, dat uit het feit dat verzoekster wist dat zij met een journalist sprak en wist dat deze het interview zou uitzenden moet worden afgeleid dat zij opzet had op openbaarmaking van haar uitlatingen en dat, nu geen sprake is van een algemeen correctierecht en zij niet voorafgaand aan het interview met de journalist een correctierecht was overeengekomen, vrijwillige terugtred was uitgesloten.


23. Opzettelijk handelen is willens en wetens handelen. De rechter kan het opzet vaststellen op basis van menselijke ervaringsregels in combinatie met de feitelijke gegevens van het geval, waaronder de verklaringen van de verdachte (zie NLR, Inleiding, Opzet, aant. 5, en De Hullu, Materieel strafrecht, 2000, p. 229). Volgens De Hullu gaat het om een evenwicht tussen normatieve componenten (de betekenis die aan de gedraging moet worden toegekend met behulp van menselijke ervaringsregels) en psychische componenten (de betekenis die aan de gedraging moet worden toegekend op basis van de verklaring van verdachte over wat hij heeft gewild en geweten).


24. Het hof heeft blijkens de bewijsmiddelen vastgesteld dat verzoekster wist dat het om een in het openbaar uit te zenden vraaggesprek ging. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 11 juli 2001 heeft verzoekster verklaard dat zij direct na het doen van haar uitspraak heeft gezegd dat ze het niet zo had bedoeld en de journalist daarom vervolgens heeft gevraagd de bewuste passages niet uit te zenden. Nu het hof de juistheid van deze verklaring in het midden heeft gelaten en deze niet wordt weersproken door de bewijsmiddelen, dient in cassatie van de juistheid ervan te worden uitgegaan.


25. Blijkens het arrest van 15 februari 2002 heeft het hof, naar aanleiding van een door de raadsman van verzoekster gevoerd verweer, in een bewijsoverweging als volgt overwogen:
"De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat in ieder geval de echtgenoot van verdachte na opname van het vraaggesprek de journalist heeft verzocht het betreffende beledigende stuk niet uit te zenden en dat er daarom sprake is van een vrijwillige terugtred. Vervolgens heeft de raadsman betoogd dat de uitzending van het betreffende beledigende stuk het correctierecht van verdachte op het uit te zenden vraaggesprek miskent. Verdachte zou mitsdien van het tenlastegelegde moeten worden vrijgesproken.
Het hof verwerpt deze verweren. Het hof is van oordeel, dat verdachte, nu deze wist dat het om een in het openbaar uit te zenden vraaggesprek ging - en een algemeen correctierecht waarop de raadsman zich heeft beroepen, geen steun vindt in het recht - het na het uitspreken van de gewraakte bewoordingen niet meer in haar macht had om de uitzending daarvan te voorkomen. De verdachte heeft de beledigende taal vervolgens tijdens de opname gebezigd. Hier doet niet aan af dat verdachtes echtgenoot de journalist heeft verzocht het beledigende stuk niet uit te zenden. Het hof heeft hierbij in aanmerking genomen dat er voorafgaande aan deze opname geen afspraak is gemaakt omtrent enig correctierecht van verdachte. Derhalve werd het delict van artikel 137c van het Wetboek van Strafrecht gepleegd op het moment dat verdachte de beledigende woorden uitte, zij het dat het eerst werd voltooid door de uitzending daarvan."


26. Om te kunnen beoordelen of van opzet op openbaarheid sprake was, moet worden nagegaan of zowel het kennis- als het wilselement bij verzoekster aanwezig was. Voor wat betreft het kenniselement kan ik kort zijn: uit de bewijsmiddelen volgt dat verzoekster wist dat het om een in het openbaar uit te zenden vraaggesprek ging en derhalve wist dat wat zij zou zeggen in beginsel openbaar zou worden gemaakt (de psychische component). Ook op grond van menselijke ervaringsregels kan worden vastgesteld dat wanneer iemand een beledigende uitlating doet ten overstaan van een journalist, wetende dat het om een in het openbaar uit te zenden vraaggesprek gaat, hij weet dat deze beledigende uitlating uitgezonden kan worden (de normatieve component; zie ook NLR art. 137c Sr, aant. 6, waar wordt opgemerkt dat van opzet op de openbaarheid van beledigende uitlatingen sprake zal zijn wanneer de uitlatingen zijn gedaan tegenover of in aanwezigheid van een journalist die deze vervolgens publiceert, omdat de normale gang van zaken is dat die uitlatingen in de pers komen zodat men daarmee rekening moet hebben gehouden).


27. De volgende vraag is of het wilselement aanwezig was. Was niets bekend geweest over de geestesgesteldheid van verzoekster, dan zou de omstandigheid dat zij met een journalist heeft gesproken terwijl zij wist dat het om een in het openbaar uit te zenden vraaggesprek ging, voldoende zijn om vast te stellen dat zij die openbaarheid dan ook gewild zal hebben, althans rekening moet hebben gehouden met de mogelijkheid dat wat zij zou zeggen zou worden uitgezonden (de normatieve component).
Er is echter wel een en ander bekend over de geestesgesteldheid van verzoekster, namelijk dat zij direct nadat ze de uitlating had gedaan heeft gezegd dat ze het niet zo had bedoeld en de journalist heeft verzocht de uitlating niet uit te zenden. Voor zover de wil dus aanwezig was op het moment dat de uitlating werd gedaan, was deze direct na het doen van die uitlating - en dus ruim vóór de openbaarmaking daarvan - niet meer aanwezig.


28. De volgende vraag is dan in hoeverre van belang is dat verzoekster geen opzet meer had op de openbaarheid van haar uitlating nadat ze deze ten overstaan van een journalist had gedaan. In de visie van het hof heeft verzoekster alles gedaan wat van haar kant nodig was om het delict te voltooien. Het hof stelt zich ten aanzien van het moment van voltooiing van het delict op hetzelfde standpunt als Noyon bij de opruiing van art. 131 Sr. Zoals boven (in 12) reeds aangegeven wordt dit standpunt niet door recente literatuur en rechtspraak ondersteund.


29. Omdat de uitlating nog niet openbaar was gemaakt was het delict nog niet voltooid, zodat vrijwillige terugtred mogelijk was. Dat het delict alsnog is voltooid komt niet doordat verzoekster dat wilde, maar doordat de journalist de uitspraak heeft uitgezonden, ondanks het feit dat verzoekster dat uitdrukkelijk niet wilde. Ik meen dat in een zaak als de onderhavige de context waarin de beledigende uitlating is gedaan van groot belang is.(2) Uit de context blijkt mijns inziens dat het wilselement ontbrak. De context zoals die uit de stukken blijkt en waarin de onderhavige beledigende uitlating moet worden geplaatst, is als volgt:

- de beledigende uitlating is gedaan tijdens een vraaggesprek van een half uur;

- verzoekster is direct teruggekomen op deze uitlating;
- verzoekster heeft nog tijdens het vraaggesprek de journalist verzocht de uitlating niet uit te zenden;

- verzoekster heeft niet zelf de openbaarheid opgezocht: de journalist is op (zijn) eigen initiatief bij haar langsgekomen;
- het vraaggesprek heeft in een vertrouwelijke omgeving, namelijk bij verzoekster thuis, plaatsgevonden, en niet in een studio;
- verzoekster heeft zich niet op het vraaggesprek kunnen voorbereiden omdat dit plaatsvond direct nadat haar was gevraagd mee te werken aan het interview;

- het vraaggesprek werd niet live uitgezonden; de redactie was van oordeel dat de op band opgenomen reportage in het VARA-programma 'De Karavaan' paste (verklaring tijdens de zitting van 1 februari 2002, p-v p. 3).


30. In het oordeel van het hof ligt besloten dat niet van belang is dat verzoeksters opzet direct na het doen van de uitlating niet (meer) gericht was op de openbaarheid daarvan. Ik begrijp het oordeel van het hof aldus, dat nu geen algemeen correctierecht bestaat en verzoekster niet voorafgaand aan het interview een correctierecht was overeengekomen, voor het vaststellen van verzoeksters opzet op openbaarheid slechts van belang is het moment waarop de uitlating werd gedaan en niet de context waarin deze werd gedaan. Dit oordeel acht ik onbegrijpelijk. De omstandigheden dat geen sprake is van een algemeen correctierecht - waarop ik overigens later terugkom - en dat verzoekster in concreto geen correctierecht is overeengekomen, kunnen mijns inziens niet de geestesgesteldheid van verzoekster (namelijk dat zij niet wilde dat haar uitlating openbaar werd gemaakt) zomaar opzij zetten, te meer nu verzoekster direct èn duidelijk te kennen heeft gegeven dat haar opzet niet op openbaarheid was gericht. Was het anders dan zou ieder in een microfoon gesproken woord op een goudschaaltje moeten worden gewogen, omdat men niet het afdwingbare recht zou hebben zichzelf te verbeteren, te nuanceren, etc. De bedreiging die hiervan uitgaat op de vrije verwoording van gedachten en gevoelens zou aanzienlijk zijn.


31. Het hof is dan ook ten onrechte tot een bewezenverklaring gekomen, zodat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven.


32. Graag maak ik nog enkele opmerkingen over de rol van de journalist, het algemeen correctierecht en het gewicht dat het hof toekent aan de omstandigheid dat verzoekster voorafgaand aan het interview geen correctierecht is overeengekomen.


33. In de eerste plaats wijs ik erop dat verzoekster niet erom heeft gevraagd geïnterviewd te worden en zich daarop niet heeft kunnen voorbereiden, omdat het interview is gestart direct nadat de journalist bij haar had aangebeld, zodat het mij onjuist voorkomt verzoekster zo zwaar aan te rekenen dat zij geen correctierecht is overeengekomen. Dat bij leden van een gerechtshof wèl meteen de alarmschellen rinkelen als een journalist ten tonele verschijnt moet niet doen vergeten dat dit bij de gewone man of vrouw die bovendien mogelijk voor het eerst in zijn of haar leven wordt geïnterviewd in de regel niet het geval zal zijn.(3)


34. In de tweede plaats merk ik op dat hoewel een algemeen correctierecht inderdaad niet wettelijk is geregeld, dit niet betekent dat een journalist vrij is geheel naar eigen goeddunken te doen en laten met hetgeen hem ter ore is gekomen; een journalist dient zich uiteraard wel aan algemene fatsoensnormen en eisen van zorgvuldigheid te houden. Ik ben voor de voor journalisten geldende normen te rade gegaan bij de uitspraken van de Raad voor de Journalistiek (hierna: de Raad) en wijs op de beslissing van de Raad van 30 maart 2000 inzake de klacht van tegen en de hoofdredacteur van het Nieuw Kamper Dagblad, die van 20 juli 1999 inzake [betrokkene
4] tegen en de hoofdredacteur van Vrij Nederland en die van 19 april 1988 inzake tegen de directeur van VPRO Radio (te vinden op http://www.rvdj.nl/uitspraken).


35. In de eerste uitspraak oordeelde de Raad dat het in strijd met de normen van fatsoen was om - ondanks het feit dat betrokkenen geen afspraken hadden gemaakt over enigerlei vorm van autorisatie of correctie - te liegen (over het productieproces van een schriftelijk uitgewerkt interview) toen klager wijzigingen wilde laten aanbrengen op wat hij daarbij had gezegd.


36. In de tweede zaak had tijdens een interview de fractievoorzitter van D'66 in de Utrechtse gemeenteraad een acute dwarslaesie toegewenst, welke uitlating vervolgens werd gepubliceerd. s klacht tegen publicatie daarvan werd gegrond verklaard. Hoewel in deze zaak voorafgaand aan het interview afspraken over correctie waren gemaakt (maar niet nagekomen), merk ik op dat de Raad uitdrukkelijk overweegt dat de desbetreffende uitspraak reeds tijdens het interview was teruggenomen en de interviewer kon weten dat de publicatie van dat citaat in moeilijkheden zou kunnen brengen.


37. De laatste uitspraak betreft een telefonische reactie van een luisteraar, te weten "Ik vind het heel jammer dat gisteren bij het treffen met de opstandelingen niet geraakt is. Wat zeg ik, dat hij niet doorzeefd is met kogels, heel jammer", welke reactie vervolgens werd uitgezonden. De Raad overwoog dat het hier ging om de vraag waar voor een journalist de grens behoort te liggen bij het doorgeven van reacties van anderen. Slechts omdat de reactie zich beperkte tot een negatief oordeel over klager en geen oproep tot gewelddadigheid inhield, oordeelde de Raad dat betrokkene niet onzorgvuldig had gehandeld.


38. Uit deze uitspraken blijkt wel dat het enkele feit dat geen algemeen correctierecht bestaat en geen correctierecht was overeengekomen niet betekent dat voor een journalist geen fatsoens- en zorgvuldigheidsnormen gelden. Met andere woorden: de verantwoordelijkheid van de journalist houdt niet op wanneer hij een 'sappige' uitlating heeft geregistreerd, maar omvat het respecteren van (kort) nadien gedane redelijke verlangens van geïnterviewden, geuit als reactie op hun eigen primaire, vaak: primitieve, uitlatingen.


39. Over de overige klachten die ik in de toelichting lees kan ik kort zijn. Het is mij geheel onduidelijk wat de steller van het middel bedoelt met het beroep op de Auteurswet dat verzoekster zou toekomen. Ook de klacht dat het delictsbestanddeel 'wegens hun ras' niet is onderzocht treft geen doel, nu hierop in feitelijke aanleg geen beroep is gedaan. De overige opmerkingen zijn van feitelijke aard en komen dan ook niet voor behandeling in cassatie in aanmerking.


40. Wel wil ik hier kwijt dat ook ik mij de (feitelijke) vraag heb gesteld waarom het hof de zaak heeft aangehouden omdat hij het in het belang van het onderzoek noodzakelijk vond dat een transcriptie werd gemaakt van de moederband, waarop het gehele op 2 februari 1999 opgenomen interview stond (inclusief het volgens verzoekster gedane verzoek de uitlating niet uit te zenden) om vervolgens, toen bleek dat de band inmiddels was vernietigd en een transcriptie niet beschikbaar was, tot een bewezenverklaring te komen op grond van de omstandigheid dat verzoekster na het doen van de uitlating daarop niet meer terug kon komen. Dat oordeel impliceert immers dat voor de bewezenverklaring niet van belang is of uit de transcriptie van de moederband kon blijken dat verzoekster de journalist had verzocht de uitlating niet uit te zenden, terwijl het hof de zaak eerder juist had aangehouden omdat het noodzakelijk was om dat te onderzoeken!


41. Het middel slaagt. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.


42. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing van de zaak naar een aangrenzend hof teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG


1 Ik voeg een krantenknipsel van NRC Handelsblad van 27 mei 2003 bij waarin verslag werd gedaan van het geringe historische benul van de doorsnee Nederlander.

2 Uit de jurisprudentie volgt dat bij godsdienstige uitingen of uitingen in het kader van artistieke expressie het mogelijk is dat de context en de bijzondere omstandigheden aan het op zichzelf beledigende karakter de strafbaarheid kunnen ontnemen (vgl. HR 14 januari 2003, NJ 2003, 261, m.nt. PMe). Ook in het voorliggende geval is de context van belang, niet omdat deze de strafbaarheid aan het beledigende karakter van de uitlating kan ontnemen, maar in het kader van de benodigde opzet op openbaarheid.

3 Geheel buiten de orde rees bij mij overigens de vraag of gezien de persoonlijke omstandigheden de hand van vervolging en voortgezette vervolging wel helemaal gelukkig is geweest.