Hoge Raad der Nederlanden

Uitspraak Hoge Raad LJN-nummer: AK3618 Zaaknr: 00410/03


Bron: Hoge Raad der Nederlanden 's-Gravenhage Datum uitspraak: 21-10-2003
Datum publicatie: 23-10-2003
Soort zaak: straf -
Soort procedure: cassatie

21 oktober 2003
Strafkamer
nr. 00410/03
SCR/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 26 november 2001, nummer 23/003417-00, in de strafzaak tegen:
(verdachte), geboren te (geboorteplaats) op (geboortedatum) 1970, wonende te (woonplaats), ten tijde van de aanzegging in cassatie gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Lelystad" te Lelystad.


1. De bestreden uitspraak


1.1. Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Haarlem van 6 november 2000 - de verdachte ter zake van 1. "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder A van de Opiumwet gegeven verbod", 2. "medeplegen van: om een feit, bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, door zich en/of een ander middelen en inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en vervoermiddelen en gelden voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd" en
3. "deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven" veroordeeld tot vijf jaren gevangenisstraf, met teruggave als in het arrest omschreven.


1.2. Het verkorte arrest en de aanvulling daarop als bedoeld in art.
365a, tweede lid, Sv zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.


2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. A.A. Franken, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak doch uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging, tot vermindering van de opgelegde straf en tot verwerping van het beroep voor het overige.


3. Beoordeling van het eerste middel


3.1. Het middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden.


3.2. De verdachte, die zich in voorlopige hechtenis bevindt, heeft op
6 december 2001 beroep in cassatie ingesteld. Blijkens een op de inventaris van de stukken geplaatst stempel zijn deze op 27 februari
2003 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. De zaak is ter terechtzitting van de Hoge Raad van 26 augustus 2003 voor de eerste maal behandeld, hetgeen ertoe leidt dat de Hoge Raad uitspraak doet nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep.
Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Het middel is dus terecht voorgesteld. Dit moet leiden tot strafvermindering.


4. Beoordeling van het tweede middel


4.1. Het middel bevat de klacht dat het Hof ten aanzien van het onder
1 bewezenverklaarde bewijsmiddelen heeft gebezigd die daarvoor niet redengevend kunnen zijn omdat deze bewijsmiddelen betrekking hebben op handelingen die zijn verricht nadat de cocaïne in beslag was genomen, althans dat het Hof ten onrechte heeft bewezenverklaard dat de verdachte en zijn mededaders een vervoermiddel ter beschikking hadden voor het verdere vervoer van die cocaïne, althans dat het Hof het onder 1 bewezenverklaarde niet naar de eis der wet met redenen heeft omkleed.


4.2. Ten laste van de verdachte heeft het Hof onder 1 bewezenverklaard dat hij:
"op of omstreeks 30 augustus 1999 te Schiphol, in de gemeente Haarlemmermeer, en/of te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, (als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet), ongeveer
116 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet bijbehorende lijst I, immers hebben verdachte en zijn mededaders toen en daar telkens opzettelijk handelingen verricht, gericht op het verdere vervoer en/of de opslag en/of de aflevering van voornoemde cocaïne en van de voorwerpen waarin die cocaïne verpakt was, die per vliegtuig vanuit Zuid-Amerika binnen het grondgebied van Nederland was gebracht, door regelingen te treffen voor/bij de aankomst en de ontvangst en de aflevering van die cocaïne en de voorwerpen waarin die cocaïne verpakt was en door gegevens te laten verstrekken en te laten ontvangen met betrekking tot het vrachtplaatnummer voor het onderkennen/herkennen van de cocaïne en de voorwerpen waarin die cocaïne verpakt was en door een buzzernummer te laten geven en te laten ontvangen, waarmee/waardoor contact moest/kon worden opgenomen met betrekking tot die cocaïne en die voorwerpen waarin die cocaïne was verpakt en door een vervoermiddel te huren en toen en daar voor het verdere vervoer van die cocaïne en die voorwerpen waarin die cocaïne verpakt was, ter beschikking te laten hebben."


4.3. Het Hof heeft blijkens de bewijsmiddelen onder meer vastgesteld dat:
(i) de verdachte en zijn mededaders op en voorafgaand aan 30 augustus
1999 ten aanzien van het transport van cocaïne telefonisch contact hebben gelegd, afspraken hebben gemaakt, ontmoetingen hebben geregeld, besprekingen hebben gevoerd en inlichtingen hebben ingewonnen; (ii) de verdachte op 29 augustus 1999 vanaf het terrein van een autoverhuurbedrijf te Hoofddorp is weggereden met een bedrijfsauto en op 30 augustus 1999 die bedrijfsauto in Hoofddorp heeft bestuurd en korte tijd later die bedrijfsauto op de luchthaven Schiphol geparkeerd heeft gestaan (bewijsmiddelen 46 en 47);
(iii) de cocaïne op 30 augustus 1999 door douaneambtenaren in beslag is genomen en is overgedragen aan het Cargoteam te Schiphol (bewijsmiddel 2);
(iv) medeverdachten na de inbeslagneming daarover in verhullende termen met elkaar via de telefoon hebben gesproken (bewijsmiddelen 41 t/m 45);
(v) de vrachtwagen na de inbeslagneming is teruggebracht naar het verhuurbedrijf, waarbij naast de verdachte ook medeverdachten zijn waargenomen (bewijsmiddel 47).


4.4. Bewijsmiddelen 41 tot en met 45 betreffen tapverslagen van op 30 augustus 1999, tussen 14.15 uur en 17.49 uur en op 6 september 1999 gevoerde telefoongesprekken. Bewijsmiddel 47 is een observatie-procesverbaal, opgemaakt door observatierechercheurs van het Kernteam Randstad Noord en Midden betreffende op 30 augustus 1999 van 12.37 tot 15.13 uur verrichte observaties.


4.5. Het middel berust op de opvatting dat genoemde bewijsmiddelen betrekking hebben op "handelingen die zijn verricht nadat op 30 augustus de cocaïne in beslag is genomen" en dat uit het arrest van de Hoge Raad van 17 maart 1998, NJ 1998, 515 voortvloeit dat handelingen die zijn verricht nadat de cocaïne in beslag is genomen niet meer kunnen strekken tot het verdere vervoer, de opslag en de aflevering van die cocaïne.


4.6. Het Hof heeft op grond van de gebezigde bewijsmiddelen kennelijk geoordeeld dat de onder 1 bewezenverklaarde gedragingen - dus ook het huren en het "ter beschikking laten hebben" van het in de bewezenverklaring onder 1 genoemde vervoermiddel - hebben plaatsgevonden voordat de cocaïne in beslag is genomen. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk. De omstandigheid dat de in de bewijsmiddelen 41 tot en met 45 vervatte telefoongesprekken en in bewijsmiddel 47 bij observaties waargenomen gedragingen na die inbeslagneming zouden hebben plaatsgevonden, doet daaraan niet af. Het Hof heeft die bewijsmiddelen ook in zoverre kennelijk gebezigd tot het bewijs van de onder 1 bewezenverklaarde, aan de inbeslagneming van de cocaïne voorafgaande, betrokkenheid van de verdachte en zijn mededaders bij de invoer van cocaïne. Dat stond het Hof vrij, terwijl zijn oordeel dienaangaande niet onbegrijpelijk is. Het middel beroept zich dan ook tevergeefs op genoemde uitspraak van de Hoge Raad van 17 maart 1998. Het gaat hier immers, anders dan het geval was in de zaak die tot dat arrest heeft geleid, niet om bewezenverklaarde gedragingen die zijn verricht nadat de cocaïne in beslag is genomen.


4.7. Het middel is dus vruchteloos voorgesteld.


5. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt het vorenoverwogene mee dat als volgt moet worden beslist.


6. Beslissing

De Hoge Raad:
Vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
Vermindert deze in die zin dat deze vier jaren en zeven maanden beloopt;
Verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren F.H. Koster en G.J.M. Corstens, in bijzijn van de waarnemend-griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 21 oktober 2003.


*** Conclusie ***

Nr. 00410/03
Mr Wortel
Zitting:9 september 2003 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:
(verzoeker=verdachte)


1. Verzoeker is door het Gerechtshof te Amsterdam wegens 1. "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder A van de Opiumwet gegeven verbod", 2. "medeplegen van: om een feit, bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, door zich en/of een ander middelen en inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en vervoermiddelen en gelden voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd" en 3 "deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaar.


2. Deze zaak hangt samen met de zaken met de griffienummers 00411/03 en 00413/03, waarin ik heden eveneens concludeer.


3. Namens verzoeker heeft mr. A.A. Franken, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.


4. Het eerste middel klaagt over schending van de redelijke termijn in de cassatiefase.


5. De verdachte, die in het kader van deze zaak in voorlopige hechtenis verblijft, heeft op 6 december 2001 beroep in cassatie ingesteld. Blijkens een op de inventaris van de stukken geplaatst stempel zijn deze op 27 februari 2003 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. De zaak is ter terechtzitting van de Hoge Raad van 26 augustus 2003 voor de eerste maal behandeld, hetgeen er toe leidt dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep.


6. Dat brengt mee dat de redelijke termijn is overschreden, waaraan naar mijn inzicht niet af kan doen dat het uitwerken van de bewijsmiddelen in deze zaak een bewerkelijke taak is geweest. Het middel is terecht voorgesteld en de geconstateerde termijnoverschrijding dient te leiden tot strafvermindering.


7. Het tweede middel bevat de klacht dat de bewezenverklaring ter zake van het onder 1. tenlastegelegde feit steunt op bewijsmiddelen die niet redengevend kunnen zijn, daar zij betrekking hebben op handelingen die zijn verricht nadat de cocaïne in beslag was genomen, en/of ten onrechte bewezen is verklaard dat verzoeker en zijn mededaders met het oog op het verdere vervoer van die cocaïne een vervoermiddel ter beschikking hebben gehad.


8. Het Hof heeft onder 1. ten laste van verzoeker bewezenverklaard dat hij:
"op of omstreeks 30 augustus 1999 te Schiphol, in de gemeente Haarlemmermeer, en/of te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, (als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet), ongeveer
116 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet bijbehorende lijst I, immers hebben verdachte en zijn mededaders toen en daar telkens opzettelijk handelingen verricht, gericht op het verdere vervoer en/of de opslag en/of de aflevering van voornoemde cocaïne en van de voorwerpen waarin die cocaïne verpakt was, die per vliegtuig vanuit Zuid-Amerika binnen het grondgebied van Nederland was gebracht, door regelingen te treffen voor/bij de aankomst en de ontvangst en de aflevering van die cocaïne en de voorwerpen waarin die cocaïne verpakt was en door gegevens te laten verstrekken en te laten ontvangen met betrekking tot het vrachtplaatnummer voor het onderkennen/herkennen van de cocaïne en de voorwerpen waarin die cocaïne verpakt was en door een buzzernummer te laten geven en te laten ontvangen, waarmee/waardoor contact moest/kon worden opgenomen met betrekking tot die cocaïne en die voorwerpen waarin die cocaïne was verpakt en door een vervoermiddel te huren en toen en daar voor het verdere vervoer van die cocaïne en die voorwerpen waarin die cocaïne verpakt was, ter beschikking te laten hebben."


9. De steller van het middel wijst er op dat de cocaïne blijkens de bewijsmiddelen op 30 augustus 1999, de dag waarop die cocaïne als vliegtuiglading op Schiphol arriveerde, in beslag is genomen, terwijl uit HR NJ 1998, 515 volgt dat handelingen die zijn verricht na strafvorderlijke inbeslagneming van verdovende middelen per definitie niet meer kunnen strekken tot het verdere vervoer, de opslag of de aflevering daarvan.


10. In de toelichting op het middel wordt verder betoogd dat in ieder geval de bewijsmiddelen 41 tot en met 45 en 47 betrekking hebben op handelingen die na de inbeslagneming van de cocaïne zijn verricht. Nu slechts uit bewijsmiddel 47 valt af te leiden dat verzoeker en zijn mededaders een vervoermiddel ter beschikking hebben gehouden voor het verdere vervoer van de cocaïne is, zo wordt betoogd, de bewezenverklaring in dit opzicht onvoldoende met redenen omkleed.


11. De bewijsmiddelen 41 tot en met 45 zijn weergaven van afgeluisterde telefoongesprekken waarin andere mededaders kennelijk in verhullende termen spreken over het inbeslagnemen van de partij cocaïne. Bewijsmiddel 47 is een weergave van door de politie uitgevoerde observaties, samengevat inhoudend dat verzoeker op 30 augustus 1999 een vrachtwagen met het kenteken (AA-00-AA) heeft bestuurd, die enige tijd op de luchthaven Schiphol geparkeerd heeft gestaan en vervolgens is teruggebracht naar het verhuurbedrijf. Daarbij is de vrachtwagen gevolgd door twee personenauto's, terwijl naast verzoeker ook andere, als mededader aangemerkte, personen zijn waargenomen.


12. Uit voorafgaande bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de als mededaders aangemerkte personen op en voorafgaand aan 30 augustus
1999, de dag waarop de partij van ongeveer 116 kilogram cocaïne bevattend materiaal met een vliegtuig op Schiphol werd aangevoerd en (kennelijk) inbeslaggenomen (bewijsmiddelen 2, 3 en 4), de in de bewezenverklaring genoemde maatregelen hebben getroffen teneinde die cocaïne vanaf Schiphol verder te vervoeren. Er is telefonisch gesproken over het beschikbaar krijgen van papieren en een telefoonnummer (bewijsmiddelen 23 en 24), en over "pakhuizen" voor "die kolossale partij" (bewijsmiddel 26). Op 28 augustus 1999 is telefonisch besproken dat het een dag later dan verwacht zou gaan gebeuren (bewijsmiddelen 27, 28, 29 en 30). Het opnemen en doorgeven van een nummer is geregeld (bewijsmiddelen 31, 33, 34, 35, 36 en 37, vgl ook bewijsmiddel 2: het op 30 augustus 1999 te 02.28 uur naar een 'buzzer' verstuurde bericht "9011" stemt overeen met het nummer van de laadvloer waarop de bewuste zending naar een vrachtstation is overgebracht), en de vrachtwagen die de politie blijkens bewijsmiddel
47 op 30 augustus naar en van de luchthaven heeft zien rijden is geregeld.


13. Verzoekers aandeel in deze voorbereidingen van het verdere vervoer van de cocaïne is blijkens de bewijsmiddelen gelegen geweest in het huren (op verzoek van zekere Diebel, bewijsmiddel 1) en naar de luchthaven rijden (bewijsmiddel 47) van de vrachtwagen. Zie ook de bewijsmiddelen 22, 29 en 32.


14. Klaarblijkelijk, en niet onbegrijpelijk, heeft het Hof de bewijsmiddelen 41 tot en met 45 en 47 voor het bewijs van feit 1 van belang geacht omdat de deelnemers zich in de afgeluisterde telefoongesprekken uitsluitend in omfloerste bewoordingen hebben uitgelaten over het door hen beoogde feit, en hun na de inbeslagneming van de cocaïne gevoerde telefoongesprekken alsmede de in bewijsmiddel
47 vastgelegde waarnemingen van de politie bevestigen dat de tot aan het moment van de inbeslagneming verrichte handelingen gericht waren op het in bewuste samenwerking verder vervoeren, opslaan en/of afleveren van de binnen Nederland gebrachte en vervolgens inbeslaggenomen partij cocaïne.


15. Voorts merk ik op dat de in de aanvulling op het verkorte arrest opgenomen 86 bewijsmiddelen zijn gebezigd tot bewijs van de drie bewezenverklaarde feiten, met dien verstande dat het Hof heeft vermeld dat die bewijsmiddelen telkens zijn gebezigd ten bewijze van het feit waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben. Samengevat betreffen deze drie feiten het medeplegen van binnen Nederland brengen, in de zin van art. 1, vierde lid, Ow, van 116 kilogram cocaïne bevattend materiaal op of omstreeks 30 augustus 1999 (feit 1), het medeplegen van het verrichten van voorbereidingshandelingen als bedoeld in art. 10a Ow in de periode van
1 oktober 1999 tot en met 15 december 1999 (feit 2) en het deelnemen aan een criminele organisatie waarvan het oogmerk was gericht op het voorbereiden en/of bevorderen van in het derde of vierde lid van art.
10 Ow strafbaar gestelde feiten en op het opzettelijk binnen Nederland brengen van hoeveelheden cocaïne, in de uitgebreide betekenis van art.
1, vierde lid, Ow, in de periode van 1 augustus 1999 tot en met 31 maart 2000 (feit 3).


16. Het Hof kon de bewijsmiddelen 41 tot en met 45 en 47 mede redengevend achten voor het bewijs van de als feit 3 bewezenverklaarde deelneming, in de periode van 1 augustus 1999 tot en met 31 maart
2000, aan een organisatie die het invoeren van cocaïne en het voorbereiden of bevorderen van in art. 10, derde of vierde lid, Ow strafbaar gesteld feiten tot oogmerk had.


17. Het middel is derhalve vruchteloos voorgesteld. Naar mijn inzicht leent het zich voor toepassing van art. 81 RO.


18. Nu ik ambtshalve geen gronden tot cassatie heb aangetroffen, concludeer ik tot vernietiging van de bestreden uitspraak doch uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging, tot vermindering van de opgelegde straf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,