Nederlands Uitgeversverbond


Jaarrede van voorzitter drs. C.G.G. Spaan van de Groep Nederlandse Dagbladpers (NDP), uitgesproken tijdens de openbare vergadering op 11 september 2003 in Hotel Okura Amsterdam

---

De bedrijfstak staat voor grote problemen. Daarmee vertel ik u niets nieuws. De actuele situatie krijgt enig perspectief door een paar cijfers over de advertentie- en oplagemarkt. Uit onderzoek door BBC De Media en Reclame Bank blijkt dat de netto mediabestedingen in de eerste helft van 2003 met 8% zijn gedaald. De mediabestedingen in de dagbladen nemen meer dan evenredig af met 17% ten opzichte van dezelfde periode in 2002. De prognose voor geheel 2003 is niet veel beter. (-/- 15%) De belangrijkste oorzaken zijn de daling in het personeelsvolume -/- 42% en rubrieksadvertenties -/- 17% ten opzichte van 2002. Internet is een achterliggende oorzaak.

Gelukkig kunnen we vaststellen dat dagbladuitgevers vorderingen maken met de businessmodellen op internet. Een tweede lichtpunt vormt de ontwikkeling van het nationale advertentievolume. Dat stijgt over het eerste halfjaar van 2003 met 3%. En is in het tweede kwartaal goed voor 37% van het dagbladvolume. Een groot aantal merken- en dienstenadverteerders heeft vertrouwen in het mediumtype dagbladen. Goed beschouwd dan ook nog het enige echte massamedium, dat in staat is in korte tijd een hoog bereik op te bouwen en tegelijkertijd een hoge contactfrequentie te realiseren.

De oplageontwikkeling is eveneens in mineur. Na een daling in 2001 van
1½ % is de oplage in 2002 opnieuw gedaald, met ruim 2%. Een daling van ruim 100.000 exemplaren. Ook het eerste kwartaal van 2003 laat nog geen verbetering zien. (-/-2%) Geen feestelijke situatie dus. Je zou het bijna een uitdaging noemen. Laten we echter niet vergeten dat er elke dag nog 4,2 miljoen betaalde dagbladen worden verspreid. Aan nieuwe initiatieven overigens geen gebrek. Deelabonnementen, magazines, zondagskranten en pogingen tot regionalisering van landelijke dagbladen. Het zijn reacties op de veranderende functie van het dagblad in relatie met andere media.

In het geweld van deze ontwikkeling heeft de NDP Cebuco gereorganiseerd. De verkoop van het co-adverteren (COAD) ten behoeve van de regionale kranten is overgedragen aan de Nationale Regio Pers. Cebuco concentreert zich inmiddels vooral op effectonderzoek en het opbouwen van een database met relevante gegevens uit reclame reactie onderzoeken. Een antwoord op de behoefte van adverteerders eisen te stellen aan accountability. Voor het merk Hooghoudt was effectonderzoek begin dit jaar een succes dat uitgebreid in de vakmedia is besproken. Dagbladadvertenties scoren uitstekend zeker als onderdeel van een multimediacampagne.

U herinnert zich ongetwijfeld de collectieve dagbladcampagne: Dit is die campagne Een voorbeeld van het nieuwe PR en Promotiebeleid van Cebuco.

De vrije pers kan alleen gedijen in een vrije markt waarin gezonde ondernemingen borg staan voor continuïteit. Er zijn structurele veranderingen aan de orde en dan geldt eens te meer dat continuïteit tijdige aanpassing vereist en daar hebben we nog al eens moeite mee. Bedrijfseconomische omstandigheden dwingen tot bijstellingen. En die komen er dus ook. Overigens niet zonder slag of stoot. De analyse van de oorzaken van de huidige tegenspoed en dus ook de mening over het beleid is binnen de bedrijfstak allerminst eenduidig. Dat geldt zowel voor uitgevers als hoofdredacties. Ook in de politieke omgeving zijn uiteenlopende opvattingen te vernemen. Het is overigens goed dat vanuit het parlement bezorgdheid opklinkt over de toekomst van kranten maar dat kan niet vrijblijvend zijn. Ik kom daar later nog op terug.

De tucht van de markt dwingt dagbladen tot kostenbesparingen en natuurlijk leidt dat tot druk op arbeidsvoorwaarden en de interne organisatie. Het aantal arbeidsplaatsen in de branche is de afgelopen 20 maanden met 10%, dus ongeveer 1500 teruggelopen waaronder tussen de 3 á 400 journalistieke arbeidsplaatsen. Dat voltrekt zich natuurlijk niet zonder intensief overleg met de vakorganisaties. Ook de NVJ lijkt inmiddels overtuigd van de noodzaak tot ingrijpen als gevolg van ontwikkelingen op de lezers en adverteerdersmarkt. Loonkostenmatiging blijft onverminderd van belang. Voor een doelmatige redactieorganisatie en een betere beheersing van de loonkosten is het eveneens van belang dat het overleg met de NVJ over de loonstructuur dat nu gaande is tot marktconforme resultaten leidt.

Levensvatbare kranten passen zich aan. Ze gaan er wel anders uitzien. Verandering moet niet te snel als verlies worden ervaren. Als dat het geval is blijven we steken in de vergelijking met een schimmig, als ideaalbeeld, voortlevend verleden. Het zijn de lezers en in hun kielzog de adverteerders die bepalen over welke middelen uitgeverijen en redacties kunnen beschikken. Als die basis krimpt omdat er minder gelezen wordt en adverteerders uitwijken naar andere media komen we er niet omheen onze activiteiten anders in te richten. De mogelijkheid met minder middelen steeds hetzelfde te blijven doen is eindig. Op dit punt onderscheiden dagbladen zich van de publieke omroep. Als bij kranten inkomsten teruglopen dan verandert er iets in de structuur van de bedrijfstak. Kranten worden dunner, er wordt gefuseerd, redacties gaan samenwerken, uitgeverijen worden samengevoegd, Spits en Metro ontstaan, het Parool gaat over in andere handen of er wordt een zondagskrant begonnen. Als bij de publieke omroep de inkomsten teruglopen dan verandert er eigenlijk in vergelijking met de dagbladsector maar betrekkelijk weinig. Omroeporganisaties blijven zelfstandig, cultiveren een identiteit uit het verleden en de daarbij horende overhead en herhalen programmas. In het mediakatern van de Volkskrant beschreef Wilma de Rek dit onlangs met de kinderprogrammering als voorbeeld.

De toegenomen druk op het rendement van de bedrijfstak wordt stellig mede veroorzaakt door het ontbreken van een samenhangend en toekomstgericht mediabeleid. Om misverstanden te voorkomen wil ik wel meteen gezegd hebben dat ik niet pleit voor directe subsidies. Wel voor meer afstemming van overheidsbeleid dat doorwerkt op uiteenlopende aspecten van de krantenexploitatie en de verlies en winst rekening van de uitgeverijen. Ik zal er een aantal noemen. Bepalingen in de mediawet beperken de mate waarin dagbladondernemingen kunnen uitgroeien met betrekking tot radio en televisie. Het wordt hoog tijd dat voorwaarden worden geschapen die samenwerking tussen kranten en omroepen, ook publieke omroepen, mogelijk maakt. De barrières die worden opgeworpen door de bepalingen ten aanzien van cross ownership voor de dagbladuitgevers zouden in ieder geval geslecht moeten worden. NDP en NVJ pleiten er voorts samen voor om het BTW nultarief voor de krant in te voeren. Ook de lezersmarkt voor digitale edities zou aanmerkelijk kunnen toenemen door het digitale equivalent van de krant niet in het hoge BTW tarief te plaatsen.Een speciale fiscale faciliteit zou de aantrekkelijkheid voor adverteerders van de dagbladen kunnen verhogen. Het ministerie van financiën concentreert zich echter liever op het belasten van het gratis abonnement voor onze medewerkers. De arbeidstijdenwet en de ARBO-regels beïnvloeden in belangrijke mate het kostenpeil en de effectiviteit van de dagbladbezorging. Initiatieven zoals de vorming van een gemeenschappelijk landelijk bezorgbedrijf worden echter weer ernstig gecompliceerd door de NMA. Wie is ooit een ondernemer tegengekomen die een commercieel dagbladbezorgingsbedrijf wil starten. Toch veronderstelt de NMA zonder enig realiteitsgehalte op dit punt een markt en dus potentiële marktverstoring. Vorige week is bekend geworden dat het gemeenschappelijke bezorgexperiment door GBB in Midden Nederland niet zal leiden tot een landelijke uitrol in de oorspronkelijk beoogde vorm. Het optreden van de NMA is een van de oorzaken. Het feit dat het Telegraafconcern als een van de oorspronkelijke partners te veel onzekerheden ziet belemmert PCM, Wegener en NDC gelukkig niet om op de ingeslagen weg door te gaan. De ontwikkeling van het auteursrecht en het optreden van de overheid als marktconforme afnemer van nieuws mag in deze opsomming niet ontbreken. Inmiddels betalen de private aanbieders van knipselkranten voor het secundaire gebruik van kranten. De rijksoverheid zou dit voorbeeld dienen te volgen.
Meer en meer wordt duidelijk dat de STER concurreert met de reclame-inkomsten voor kranten en andere media. Waarom niet teruggekeerd naar de vroegere regeling in de Mediawet die een deel van de STER-opbrengst terugsluisde naar dagbladen? De financiering van de publieke omroep heeft inmiddels ook de aandacht getrokken van Brussel. De invloed van de Europese Unie groeit sowieso op vele beleidsterreinen, wat weer dwingt tot intensivering van de lobbyactiviteiten via de European Newspaper Publishers Association die trouwens net als de EU zelf in 2004 te maken krijgt met een aantal nieuwe leden en de daarmee gepaard gaande extra inspanningen. Het wordt hoog tijd de gevolgen van alle deelmaatregelen in onderlinge samenhang in studie te nemen. Dat is waarop de NDP al sinds de brief van Staatssecretaris Van der Ploeg eind 2001 aan de Kamer heeft gehamerd. Daarom hecht de NDP zo aan het onderzoek dat de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid deze herfst start naar de ontwikkelingen in de mediasector. We mogen, naar ik hoop, van het Kabinet verwachten dat er geen vrijblijvendheid zal bestaan ten aanzien van de beoogde herijking van het persbeleid. Het onderzoek van de WRR moet recht doen aan het publieke belang van de dagbladpers daarop worden kranten ook met grote regelmaat door de overheid aangesproken.
Tegen deze achtergrond kan het Bedrijfsfonds voor de Pers een belangrijke rol spelen. Het Bedrijfsfonds zou meer kunnen worden toegespitst op het faciliteren van projecten die bijdragen aan de structuur van de mediasector. Dat is doelmatiger dan onvermijdelijk beperkte steun aan noodleidende titels en beginners. De ervaring leert ons immers dat op de middellange en langere termijn de pluriformiteit van de pers met het huidige beleid niet echt wordt gediend. De steun van het Bedrijfsfonds aan het vooronderzoek over de gezamenlijke dagbladbezorging en collectieve activiteiten van het Cebuco zijn voorbeelden van bijzonder nuttige en stimulerende maatregelen. Experimenten op het gebied van beleid met betrekking tot immigranten behoren daar ook toe. Het is ook voorstelbaar dat het Bedrijfsfonds zou deelnemen in de bekostiging van de Raad voor de Journalistiek. De eerste verantwoordelijkheid voor het voortbestaan van de dagbladen ligt echter bij uitgevers en hoofdredacties. Zelfkritiek is ook op zijn plaats. Is de wijze waarop we kwaliteit beleven en definiëren nog wel het resultaat van een effectieve terugkoppeling naar onze lezers. En tot die lezers behoren zeker en vooral de leden van de jury voor de Prijs voor de dagbladjournalistiek die zojuist is uitgereikt. De kwaliteit van de laureaten is aansprekend en er moet ons veel aan gelegen zijn die kwaliteit te stimuleren. Er bestaat echter over het profiel en de kwaliteit van de beroepsgroep ook enige zorg. Die kwam ook tot uitdrukking in de reactie vanuit het Genootschap van Hoofdredacteuren n.a.v. het laatste visitatierapport over de journalistieke opleidingen. Voorts is de vraag op zijn plaats of onze professie ook niet een taboe koestert? Wordt efficiënt redactioneel management niet te veel gehinderd door een te snel beroep op het redactiestatuut waarvan de functie toch vooral is het verzekeren van onafhankelijkheid van nieuwsverschaffing ten dienste van een gevarieerde opinievorming?

Dames en heren ik ben met grote stappen door de actualiteit gegaan. De verwachtingen voor volgend jaar zijn niet hooggespannen. U kent die oude grap het gaat slecht maar misschien altijd nog veel beter dan volgend jaar. Ik wil zeker niet al te somber zijn. Er zijn tekenen dat de economie over het dieptepunt heen is en het is geruststellend dat de uitgeverijen resoluut hebben ingegrepen. Wat dat betreft zijn we klaar voor de toekomst. Daar zal de spreker na mij, Professor Klaus Schönbach, aandacht voor vragen. Hij zal zich in het bijzonder op basis van zijn bevindingen uit wetenschappelijk onderzoek regionale dagbladuitgevers, redacties en marketingmensen een spiegel voorhouden.