Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport


Kamerstuk, 07-11-2003

Om het kamerstuk op te halen: Zie het origineel http://www.minvws.nl/document...er=393&page=20557


Toezending rapport ZonMw Toepassing van de genetica in de gezondheidszorg

De Voorzitter van de Tweede Kamer
der Staten-Generaal
Postbus 20018
2500 EA DEN HAAG

IBE/E-2428159

7 november 2003

Hierbij zend ik u het rapport van ZonMw naar de Toepassing van de genetica in de gezondheidszorg. Het onderzoek is in opdracht van VWS verricht en vormt de follow up van de Nota Toepassing van genetica in de gezondheidszorg van 5 december 2000. In die Nota alsmede in het overleg met de Kamer heeft minister Borst indertijd aangekondigd ZonMw te vragen om een aantal zaken rond de rechtspositie van de patiënt in verband met genetica nader te verkennen.
In de Nota De toepassing van genetica in de gezondheidszorg werd het volgende opgemerkt over de vragen rond de positie van de patiënt: De uitgangspunten van zelfbeschikking en keuzevrijheid dienen belangrijke aandachtspunten te zijn bij de toepassing van genetica. Zij betreffen onder meer het recht om te weten en het recht om niet te weten. Slechts in uitzonderlijke gevallen kan er aanleiding zijn om zelfbeschikking en keuzevrijheid in te perken, bijvoorbeeld in het belang van derden (familieleden). Deze uitgangspunten zijn bijvoorbeeld aan de orde bij de regel dat goedkeuring van de betrokken persoon nodig is om diens genetische data en lichaamsmateriaal al of niet te laten opslaan en te benutten voor bijvoorbeeld wetenschappelijk onderzoek. Het vastleggen, bewaren en verwerken van lichaamsmateriaal en van persoonsgegevens brengt immers het risico mee van aantasting van de persoonlijke levenssfeer en het recht op privacy. Uitgangspunt voor het gebruik van erfelijkheidsgegevens en lichaamsmateriaal buiten de individuele behandelingssituatie blijft de expliciete, in vrijheid gegeven toestemming van de betrokkene. De vragen op ethisch, juridisch en maatschappelijk vlak zijn hiermee niet uitputtend aangegeven. Met name de vragen rond de positie van de patiënt en diens familie en vragen rond dwang en uitsluiting van werk en verzekeringen zijn weerbarstig. In het kader van het programma evaluatie regelgeving gezondheidszorg zal aan deze problematiek nader aandacht worden besteed.
Het onderhavige rapport gaat nader op bovenstaande vragen in. De problematiek is opgeknipt in verschillende themas, respectievelijk rond de toepassing van genetica binnen de zorg en daarbuiten. Achtereenvolgens komen aan de orde de toepassing van genetica in het kader van de hulpverlening, het wetenschappelijk onderzoek en de screening; de themas van toepassing buiten de zorg betreffen de toepassing van genetica in het kader van een arbeids- of verzekeringsovereenkomst en de opslag van erfelijkheidsgegevens en lichaamsmateriaal.

Het rapport vormt een uitstekende verkenning van de problematiek en bevat de nodige conclusies en aanbevelingen, die ik bij mijn verdere beleid ter harte zal nemen. Een conclusie wil ik toch even wat nadrukkelijker na voren halen, de conclusie bij de toepassing van de genetica in het kader van de hulpverlening (hoofdstuk 2). Deze conclusie luidt als volgt: Het huidige wettelijk kader biedt gelet op recente en binnenkort te verwachten ontwikkelingen op het terrein van genetisch onderzoek (farmacogenetica, multiple testing en multifactorieel bepaalde aandoeningen) in principe voldoende bescherming. Juist de complexiteit van de casuïstiek en de verscheidenheid aan genetisch beïnvloede aandoeningen en ziektebeelden lijken zich te verzetten tegen eenduidige oplossingen in de regelgeving anders dan in de vorm van globale normstelling. Op veel punten vergt het verrichten van genetisch onderzoek wel specifieke toepassing van bestaande regelgeving die recht doet aan de aard van de materie; daarbij is tevens behoefte aan nadere invulling, soms in de rechtspraak, vaak (ook) in de vorm van professionele richtlijnen, op te stellen met betrokkenheid van ouder- respectievelijk patiëntenorganisaties. Met andere woorden het huidige wettelijke kader voor de toepassing van genetica in de hulpverlening is toereikend, wel dient er aandacht te zijn voor verdere toespitsing en invulling met name door het veld zelf.

Ik kan u de lezing van het rapport van harte aanbevelen.

De Staatssecretaris van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport,

drs. Clémence Ross-van Dorp