Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

bloedvoorziening

Kamerstuk, 07-11-2003

Om het kamerstuk op te halen: Zie het origineel http://www.minvws.nl/document...er=393&page=20558


Toezending evaluatierapport Wet inzake bloedvoorziening

De Voorzitter van de Tweede Kamer
der Staten-Generaal
Postbus 20018
2500 EA DEN HAAG

GMT/MT 2421778

7 november 2003

Hierbij zend ik u het rapport betreffende de evaluatie van de Wet inzake bloedvoorziening (Wibv) dat door Zonmw is uitgevoerd. Hierbij is uitvoering gegeven aan het gestelde in artikel 25 van de Wibv waarin gesteld is dat de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) binnen vijf jaar na inwerkingtreding van de wet aan de Staten-Generaal verslag uitbrengt over de doeltreffendheid en doelmatigheid hiervan. Reeds bij schrijven van 15 april 2002 heb ik u op de hoogte gesteld van de vertraging die het onderzoek heeft opgelopen.

Het onderzoek is verricht door de sectie Gezondheidsrecht van het Molengraaff Instituut voor Privaatrecht, Juridische faculteit, Universiteit Utrecht, de sectie Gezondheidsrecht van de Afdeling Sociale Geneeskunde, AMC/Universiteit van Amsterdam en het NIVEL, onderzoeksinstituut voor de gezondheidszorg. De projectgroep is bijgestaan door een inhoudelijk adviseur, prof. Dr. J. Sixma.

De onderzoekers hebben geconcludeerd dat de resultaten van de evaluatie, voor wat betreft het te bereiken doel van de Wibv, duidelijk positief zijn. Zo heeft de Wibv geleid tot uniformiteit in de financieringsstructuur en in het veiligheids- en kwaliteitsbeleid. Daar staat tegenover dat onder meer voor donoren en afnemers de afstand met de producent is vergroot.
In het kader van de herstructurering is de reorganisatie nog niet geheel voltooid. Het is daarom bij dit evaluatie onderzoek nog niet mogelijk om de uiteindelijke effecten van de nieuwe inrichting van de bloedvoorziening te kunnen meten.
Om over enige jaren te kunnen beoordelen of de bloedvoorziening door de Wibv in alle opzichten daadwerkelijk doelmatig en doeltreffend functioneert, dient volgens de onderzoekers nu een nulmeting in gang te worden gezet. De in de Wibv verankerde
verantwoordelijkheidsverdeling (de minister is eindverantwoordelijk, Sanquin is operationeel verantwoordelijk) is volgens de onderzoekers helder, ook al kan het in de praktijk spanningen oproepen. De onderzoekers zien geen reden om de huidige
verantwoordelijkheidsverdeling te wijzigen, mede gezien het publiekrechtelijke karakter van de bloedvoorziening. Voorts concluderen de onderzoekers dat er een discrepantie bestaat tussen het door Sanquin respectievelijk de minister gewenste veiligheidsniveau. Volgens de onderzoekers komt dat doordat Sanquin als producent aansprakelijk kan worden gesteld voor een gebrekkig product.

Indien de minister alle baten en lasten afwegend een door Sanquin voorgestelde veiligheidsmaatregel heeft afgewezen, dan zal de minister volgens de onderzoekers ook de eventuele financiële gevolgen hiervan moeten dragen.
Tot slot concluderen de onderzoekers dat het rapport geen aanleiding biedt om de Wibv in de kern te wijzigen. Wel worden er enkele aanpassingen op het gebied van (de cyclus van) de in de wet vervatte procedures gewenst.

Ik verwacht u uiterlijk in januari 2004 een standpunt op het rapport mede te kunnen delen.

De Minister van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport,

H. Hoogervorst