Ministerie van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer Postbus 90801
2509 LV Den Haag
der Staten-Generaal Anna van Hannoverstraat 4
Binnenhof 1a Telefoon (070) 333 44 44
2513 AA `s-GRAVENHAGE Telefax (070) 333 40 33
Uw brief Ons kenmerk
Project
Walvis/SUB/2003/77340
Onderwerp Datum
Eindrapport Samenwerking UWV- 7 november 2003
Belastingdienst
Hierbij bied ik u, mede namens de Staatssecretaris van Financiën, de antwoorden op een
schriftelijk overleg met betrekking tot het eindrapport samenwerking UWV-belastingdienst d.d. 1-
7-2003 (Soza-03-451) aan.
De Minister van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid,
(mr. A.J. de Geus)
---
Vragen CDA-fractie
1.
Welke gevolgen heeft het voor de samenwerking indien er tijdens de separate politieke
besluitvorming niet besloten wordt tot tijdvaksystematiek voor de premieheffing
werknemersverzekeringen?
Antwoord:
Bij brief van 1 juli jl., kenmerk SOZA-03-451, hebben wij aangegeven dat de uitwerking in
wetgeving reeds in belangrijke mate vorm heeft gekregen in de wetsvoorstellen Wet financiering
sociale verzekeringen (Wfsv) en de Invoeringswet Wfsv. De regering omarmt het voorstel tot het
invoeren van een tijdvakkensystematiek en heeft het in de Invoeringswet Wfsv opgenomen.
Zie ook het antwoord op vraag 26, indien in het verdere traject alsnog zou worden besloten om
niet tot een tijdvakkensystematiek te komen.
2.
Welke andere kritieke beslispunten, die de effectiviteit van de samenwerking kunnen
bedreigen, doen er zich gedurende het implementatietraject mogelijk nog voor?
Antwoord:
De regering maakt van deze gelegenheid gebruik om de verhouding tussen de wetsvoorstellen
Walvis1 en de Aansluitingswet Walvis2 en het wetsvoorstel Wfsv nader te verduidelijken.
In de wetsvoorstellen Walvis en de Aansluitingswet Walvis worden het fiscale loonbegrip en het
socialeverzekeringsloonbegrip geharmoniseerd. Het wetsvoorstel Walvis is daarom primair te
beschouwen als een wijziging van de materiewetten.
Naast de toelichting op de gevolgen van de wijziging van het loonbegrip is in de memorie van
toelichting op het wetsvoorstel Walvis in beleidsmatige zin ingegaan op het voorgestelde
aangiftesysteem: premie-inning op nominatieve aangifte achteraf (PANA).3
De wettelijke verankering van dit voorstel wordt echter niet in het wetsvoorstel Walvis geregeld,
maar in het wetsvoorstel Wfsv. Dit laatste wetsvoorstel heeft vooral het karakter van een
`organisatiewet'.
Gezien het vorenstaande kan besluitvorming over de wetsvoorstellen Walvis en Aansluitingswet
Walvis separaat van het wetsvoorstel Wfsv plaatsvinden.
Spoedige besluitvorming over de wetsvoorstellen Walvis en Aansluitingswet Walvis is gewenst om
marktpartijen (werkgevers, accountantskantoren en softwareleveranciers van salarisadministraties)
1 Kamerstukken II, 01/02, 28 219
2 Kamerstukken II, 01/02, 28 371
3 Kamerstukken II, 01/02, 28 219, nr 3, blz. 84 e.v.
---
zo tijdig mogelijk duidelijkheid te geven over het nieuwe loonbegrip. Uitblijven van deze
duidelijkheid zal het implementatiescenario onder druk zetten.
Daarnaast zou hierdoor ook bewerkstelligd worden dat er per 1 januari 2005 een administratieve
lastenverlichting kan worden bereikt als gevolg van het invoeren van een gewijzigd premieloon (zie
ook het antwoord op vraag 3).
Om duidelijkheid aan UWV, de Belastingdienst en de marktpartijen te bieden over de nog in te
dienen wetsvoorstellen Wfsv en de Invoeringswet Wfsv is spoedige besluitvorming in 2004
hierover te zijner tijd gewenst. Op deze wijze kunnen de ontwikkeling en de realisatie van
processen en geautomatiseerde voorzieningen voor de implementatie per 1 januari 2006 worden
gehaald.
Dit geldt in het bijzonder voor de ontwikkeling van de polisadministratie. De Europese
aanbestedingsprocedure voor de bouw van de polisadministratie dient volgens plan te verlopen.
Cruciale momenten in deze procedure zijn de vaststelling begin januari 2004 van een volledig
functioneel ontwerp van de polisadministratie en de definitieve gunning eind april 2004.
Indien tijdens de aanbestedingsprocedure, of nadien, substantiële wijzigingen of aanvullingen
zouden moeten worden aangebracht, dan kan dat tot gevolg hebben dat de procedure moet
worden overgedaan. Het gevolg daarvan is dat de aanbesteding van de polisadministratie en
mogelijk de bouw van de nieuwe heffings- en inningsadministratie aanzienlijk wordt vertraagd en
invoering per 1 januari 2006 niet kan worden gerealiseerd. De implementatiekosten stijgen
hierdoor en de aangegeven besparingen en de verlaging van de administratieve lasten zouden eerst
later kunnen worden gerealiseerd (zie ook het antwoord op vraag 26).
3.
Kan de regering in een overzicht een nadere specificatie geven van zowel de kosten en baten
als van de administratieve lastenverlichting gedurende de verschillende implementatiefasen
van de Samenwerking tussen UWV en Belastingdienst?
Antwoord:
In het eindrapport is aangegeven dat de implementatiekosten in totaal 435,1 mln. bedragen.
Hiervan ziet 161,4 mln. op de kosten voor het sociaal plan voor UWV en Belastingdienst
Onderstaand overzicht geeft een nader inzicht in de kosten. De kosten betreffen de inzet voor
ontwerp, bouw en implementatie van de processen, infrastructuur en voorzieningen, alsmede
overige kosten zoals voor hardware, software, licenties, en dergelijke.
Nader overzicht kosten SUB/Walvis in miljoenen Euro's
2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011-19 Totaal
ICT 27,5 75,7 63,1 10,5 0 13,3 13,3 13,3 0 216,7
Sociaal Plan 3,3 7,1 5,7 33,0 48,9 25,7 15,6 9,3 12,8 161,4
Overig 8,7 13,3 16,9 5,0 1,0 0 0 0 0 44,9
Communicatie 1,8 2,5 4,3 3,5 0 0 0 0 0 12,1
Totaal 41,3 98,6 90,0 52,0 49,9 39,0 28,9 22,6 12,8 435,1
---
De baten vinden hun oorsprong in de afvloeiing van personeel bij UWV. Zoals in het eindrapport is
aangegeven blijven er structureel 500 fte bij UWV ten behoeve van de polisadministratie.
Daarnaast worden in de periode 2006 t/m 2008 circa 400 medewerkers ingezet om
aanloopproblemen bij de Polisadministratie op te vangen en zijn er in de periode 2006 t/m 2010
een niet onbelangrijk aantal medewerkers nodig om premie-inning oude jaren en onderhoud
basisregistraties te verzorgen. Nog eens 100 fte zullen worden ingezet bij opsporing van fraude in
de uitkeringssfeer. In eerste aanleg zullen 1.700 fte verdwijnen bij de collecterende functie.
Daarnaast verdwijnen 400 fte bij de distribuerende functie als gevolg van het wetsvoorstel Walvis.
In onderstaande tabel is de fasering van de af te vloeien fte's weergegeven. Deze fasering is
gebaseerd op aannames. Gezien de complexiteit van de operatie kunnen de aantallen door de jaren
heen afwijken. Wel is duidelijk dat er in totaal uiteindelijk 2.600 fte's structureel zullen afvloeien.
Nader cumulatief overzicht van af te vloeien fte's
Jaar Fte's (afgerond) Besparing in x
mln (afgerond)
2005 200 13
2006 1.200 70
2007 2.000 119
2008 2.500 152
2009 e.v. 2.600 156
Daarnaast gaan er 800 fte over naar de Belastingdienst. De overgang zal gefaseerd plaatsvinden.
Per 1 juli 2005 gaan 475 fte over, hoofdzakelijk werkzaam in de looncontroles en bijzonder
onderzoek. Per 1 januari 2006 gaan nog eens 125 fte over, per 1 januari 2007 gevolgd door de
resterende 200.
Ten aanzien van de administratieve lastenverlichting kan het volgende worden toegelicht.
In totaal is de lastenverlichting vanaf 2006 276 mln. per jaar. Door de voorgestelde fasering
wordt dit bedrag in twee stappen bereikt.
Het voornemen is om per 1 januari 2005 het premieloon in te voeren. Dit levert inclusief de tweede
nota van wijziging een administratieve lastenverlichting op van 196 mln. Daar komt bij dat de
invoering van het nieuwe aangiftesysteem een jaar later plaatsvindt. Dit levert nog eens 20 mln
op. In totaal wordt per 1 januari 2005 een administratieve lastenverlichting bereikt van 216 mln.
Per 1 januari 2006 wordt de samenwerking geëffectueerd. Op deze datum wordt ook het nieuwe
uitkeringsloon ingevoerd. Dit levert in totaal een additionele administratieve lastenverlichting op van
60 mln.
De omvang van de administratieve lastenverlichting is gebaseerd op het onderzoeksmodel van het
EIM. Het EIM heeft een model ontwikkeld waarin de administratieve lasten van werkgevers in
beeld zijn gebracht. Het EIM heeft een dergelijk model ontwikkeld voor zowel het sociale als het
fiscale domein.
In het model wordt de tijdsbesteding van bepaalde handelingen vermenigvuldigd met de prijs. Op
deze wijze worden de kosten inzichtelijk gemaakt. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen
---
werkgevers die de administratie zelf doen of uitbesteden. Zowel het tijdsbeslag, als de prijs, zijn
gebaseerd op empirisch onderzoek van EIM.
Het onderzoek van het EIM dateert uit 2000. Het aan dat onderzoek ontleende bedrag aan
vermindering van administratieve lasten is gebaseerd op de gegevens uit dat jaar uitgedrukt in
prijspeil 2000. Het kabinet heeft besloten voor de vaststelling van de vermindering van de
administratieve lasten in de lopende kabinetsperiode de situatie per ultimo 2002 als uitgangspunt te
kiezen en het prijspeil naar 2002 aan te passen. Om die reden worden de modellen op dit moment
geactualiseerd.
In het voorjaar van 2004 zal het kabinet de taakstellingen voor de verschillende departementen
vaststellen. Op dat moment zullen ook de gegevens voor de onderhavige operatie worden
geactualiseerd.
4.
Het wetsvoorstel Walvis4 is nog niet aangenomen op 1 oktober 2003. Kan de regering nader
specificeren hoe de temporisering van de aanbevolen scenario's en het overzicht van
plateaus en mijlpalen zich verhouden tot volledige implementatie van de premie-inning en
de polisadministratie?
Antwoord:
Zie antwoord vraag 2.
Vragen PvdA-fractie
5.
Waardoor ontstaat precies de besparing van 156 miljoen?
Antwoord:
Zie antwoord vraag 3.
6.
Zijn de invoeringskosten van de samenwerking UWV en Belastingdienst (SUB) in de
begroting 2004 en 2005 opgenomen?
Antwoord:
De kosten en baten van de samenwerking UWV en de Belastingdienst zijn meerjarig ingeboekt in
de begrotingen van SZW en Financiën voor het jaar 2004. Voor SZW zijn deze kosten en baten
verwerkt in de uitvoeringskosten van de premiegefinancierde sociale verzekeringsuitgaven voor de
WW en de WAO. Dit is vermeld op pagina 163 en 172 van de Begroting SZW.5
4 Kamerstukken II, 2001/02, 28 219 nrs. 1-3
5 Kamerstukken II, 2003/04, 29 200, Hoofdstuk XV, nr. 2
---
In de begroting van Financiën zijn de invoeringskosten opgenomen in de meerjarenraming van
beleidsartikel 1.6
De invoeringskosten zijn ook opgenomen in de Voorjaarsnota 2003.7 De afzonderlijke bedragen
voor de Belastingdienst en UWV zijn vermeld op pagina 20 en 50.
7.
Zijn de liquiditeitskosten van 1,4 miljard opgenomen in het meerjarenbeeld bij de
begroting 2004 en de lasten daarvan in verdere jaren?
Antwoord:
Het eenmalige liquiditeitstekort van 1,4 miljard heeft geen invloed op het meerjarig uitgavenbeeld
van de begroting van SZW. Dit tekort hangt namelijk samen met het feit dat de premies
werknemersverzekeringen (premieontvangsten) op kasbasis later zullen binnen komen bij de
fondsen voor de WW en de WAO.
Doordat de premie-ontvangsten zoals gebruikelijk op transactiebasis worden gemeten, wordt de
kasvertraging niet zichtbaar in de premieontvangsten en het exploitatiesaldo van de sociale fondsen.
Aangezien het exploitatiesaldo van de sociale fondsen ook meetelt voor het EMU-saldo geldt dit
mutatis mutandis ook voor het EMU-saldo.
Het eenmalige liquiditeitstekort zal ten laste komen van de vermogensreserves van de fondsen.
8.
Wat is het effect op de staatsschuld in 2005, 2006 en verdere jaren in cijfers als het
liquiditeitstekort uit de reserves sociale verzekeringen wordt genomen?
In welk jaar zou dat dan precies plaatsvinden?
Antwoord:
Zoals bij het antwoord op vraag 7 al is aangegeven zal het liquiditeitstekort ten laste komen van de
vermogensreserves van de fondsen. Voor ultimo 2004 wordt het vermogensoverschot van de
UWV-fondsen geraamd op 7,2 miljard zoals is aangegeven op pagina 301 van de Begroting van
SZW. Deze overschotten zullen lager uitvallen doordat het liquiditeitstekort hiervan ten laste wordt
gebracht.
Aangezien deze reserves meetellen voor de berekening van de Staatsschuld zal deze schuldpositie
met 1,4 miljard verslechteren. Het liquiditeitstekort treedt op met de invoering van het nieuwe
aangiftesysteem per 1 januari 2006.
9.
Wat zijn de effecten op de loonkosten indien via premieverhoging het liquiditeitstekort
wordt gefinancierd? Hoeveel moet voor welke regeling de premie verhoging zijn?
Antwoord:
6 Kamerstukken II, 2003/04, 29 200, Hoofdstuk IXB, nr. 2
7 Kamerstukken II, 2002/03, 28 929, nr. 1
---
Een verhoging van het werkgeversdeel van de premie AWF met 1% en werkgeverspremie WAO
met 0,5% levert op jaarbasis een bedrag op gelijk aan het liquiditeitstekort. Een tijdelijke verhoging
(gedurende 1 jaar) van de premies is dan voldoende om het liquiditeitstekort op te vangen. De
hiermee samenhangende stijging van de loonkosten varieert van +½% rond het niveau van het
minimumloon tot ongeveer +¾% voor lonen rond modaal. Omdat het een tijdelijke verhoging zou
betreffen zullen de loonkosten het jaar daarop in dezelfde mate kunnen dalen.
In de beantwoording op de vragen 7 en 8 is evenwel aangegeven dat het tekort ten laste zal komen
van de vermogensreserves van de fondsen, waardoor deze premiemutaties niet optreden.
10.
Welke garanties bestaan er dat de berekende besparingen en de geraamde invoeringskosten
daadwerkelijk gehaald zullen worden? Wie loopt daarvoor de risico's en wie is
verantwoordelijk?
Antwoord:
De besparingen en invoeringskosten zijn voor beide organisaties taakstellend. Dat wil zeggen dat
de geraamde bedragen zijn verwerkt in de budgetten van de organisaties.
De invoeringskosten van de Polisadministratie zijn door UWV op een planmatige en zorgvuldige en
reproduceerbare wijze tot stand gekomen en getoetst door externe deskundigen.
De invoering van de samenwerking geschiedt aan de hand van deelprojecten, die ieder een eigen
budget hebben. Over de voortgang van de deelprojecten en de uitputting van het budget wordt
periodiek gerapporteerd. Op deze wijze kunnen dreigende budgetoverschrijdingen worden
gesignaleerd en vroegtijdig maatregelen hiertegen worden getroffen. Naar verwachting bieden deze
maatregelen een afdoende waarborg om de berekende besparingen te realiseren en binnen het
kader van de geraamde invoeringskosten te blijven. De kwaliteit van de processen die daaraan ten
grondslag liggen, zijn en worden onderworpen aan audits van UWV en Belastingdienst.
De verantwoordelijkheid en risico's voor de invoeringkosten en de besparingen liggen bij UWV en
Belastingdienst, ieder voor hun deel van de samenwerking.
11.
Hoe verhoudt zich de ruime invoeringsperiode van Walvis van 1 januari 2005 tot 2008 met
de uiterst korte invoeringsperiode van de Wet Werk en Bijstand8 (WWB) voor gemeenten
(minder dan 3 maanden tot 15 maanden) terwijl daar ook geheel nieuw administraties
moeten worden opgezet?
Antwoord:
De WWB is een (wettelijke) decentralisatieoperatie waarbij als randvoorwaarde is gesteld dat de
implementatie van, voor en door gemeenten dient te gebeuren. De WWB bevat namelijk vele
8 Kamerstukken II, 2002/03, 28 870, nr. 1-3
---
aspecten waarbij de gemeenten zelf het beleid formuleren. Bovendien leidt de WWB tot
deregulering. Tevens is door het kabinet besloten om de WWB gefaseerd in te voeren. Dit
faseringsvoorstel biedt volgens het Uitvoeringspaneel Gemeenten voldoende ruimte om de WWB
in 2004 op een goede manier in te voeren.9 Uiterlijk 1 januari 2005 zal de WWB in alle gemeenten
volledig zijn ingevoerd.10
Ten aanzien van de samenwerking tussen UWV en de Belastingdienst geldt dat er twee geheel
nieuwe automatiseringssystemen moeten worden gebouwd (heffings- en inningssadministratie en
polisadministratie) en een aantal automatiseringssystemen bij UWV en de Belastingdienst moeten
worden aangepast. De nieuwe systemen moeten in staat zijn om zo'n 140 tot 160 mln regels per
jaar digitaal te kunnen verwerken en op te slaan. Deze digitale aanlevering moet geschieden door
de werkgevers die daar hun administraties op moeten gaan aanpassen. In totaal zullen zo'n
600.000 werkgevers hun administraties moeten gaan aanpassen.
Zowel de bouw van de nieuwe systemen van UWV en de Belastingdienst, als de aanpassingen die
werkgevers aan hun administraties moeten verrichten vergen de nodige voorbereidingstijd. Deze
voorbereidingsactiviteiten voor UWV en Belastingdienst zijn in principe per 1 januari 2006
afgerond. De periode tussen 2006 en 2008 wordt gebruikt om de gesloten bedrijfsvoering bij
UWV te realiseren. Voor de gesloten bedrijfsvoering is een voldoende gevulde Polisadministratie
noodzakelijk, die in het tijdsbestek tot 2008 zijn beslag krijgt.
12.
Hoeveel formatieplaatsen verdwijnen in welk jaar als gevolg van Walvis en de premie-
inning belastingdienst bij het UWV (blz. 2)?
Antwoord:
Zie antwoord vraag 3.
13.
Wat is invloed van de verlaging van het aantal formatieplaatsen UWV op de
gebouwencapaciteit van het hoofdkantoor waar voor 10 jaar huurovereenkomsten zijn
aangegaan? In hoeverre is geanticipeerd op de verlaging van de formatie?
Antwoord:
De gevolgen van de verlaging van de arbeidsplaatsen bij UWV heeft geen grote gevolgen voor de
bezettingsgraad van het hoofdkantoor van UWV. In totaal zullen er in 2003 en 2004 2.300 tot
2.500 fte op het hoofdkantoor gehuisvest worden. Als gevolg van de samenwerking zullen hiervan
100 fte verdwijnen. Overigens is in de huurcontracten het recht op onderverhuur opgenomen.
14.
9 Kamerstukken II, 2002/03, 28 870, nr. 13, blz 19
10 Staatsblad 2003, nr. 386
---
Wat is er waar van de geruchten dat de regering de uitvoering van de Wet
inkomensvoorziening en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) bij
de gemeenten weg wil halen en bij het UWV wil onderbrengen als compensatie voor het
formatieverlies van Walvis en SUB?
Antwoord:
Het kabinet is thans bezig met de uitwerking van de contouren van het nieuwe stelsel van
arbeidsongeschiktheidsregelingen, die bij brief van 16 september jl.11 aan de Tweede Kamer zijn
geschetst. Bij deze uitwerking zal rekening worden gehouden met de afspraken in het
najaarsakkoord over gedeeltelijk arbeidsongeschikten die niet werken. Het onderbrengen van de
IOAW bij het UWV als compensatie voor het formatieverlies als gevolg van de wetsvoorstellen
Walvis en Wfsv speelt bij de uitwerking van de contouren van het nieuwe stelsel geen rol.
15.
Wat zijn de effecten van de verder gaande wijzigingen van het loonbegrip in de Nota van
Wijziging op de individuele werknemers. In welke mate is er dan sprake van
inkomensverlies. Aan welke compensatie wordt daarbij gedacht?
Antwoord:
De tweede nota van wijziging op het wetsvoorstel Walvis leidt tot een verruiming van het
loonbegrip ten opzichte van het oorspronkelijke wetsvoorstel.12 Ook alle individueel toe te rekenen
variabele en incidentele loonelementen zullen tot het nieuwe SV-loon gaan behoren (zoals
overwerk, winstuitkering etc.). Door de verruiming van het SV-loon neemt de uitkeringsgrondslag
toe en ook de premiegrondslag neemt toe ten opzichte van het oorspronkelijke voorstel. De
premiegrondslag blijft hierdoor in hoge mate gelijk aan de huidige grondslag. De aanvankelijk
voorziene grondslagversmalling treedt dus niet op. Hierdoor is het niet meer nodig om de premies
te verhogen. Dit betekent dat ook de voorziene inkomenseffecten als gevolg van de
premieverhoging en de grondslagversmalling niet optreden. Het ging hier om een negatief
inkomenseffect voor alle premiebetalenden van -0,1 tot -0,3% en een positief inkomenseffect voor
degenen met loonelementen die van premieheffing zouden worden vrijgesteld.
De verruiming van het loonbegrip heeft daarnaast het effect dat de negatieve inkomenseffecten van
de invoering van het historisch dagloon gedempt worden. Op macroniveau wegen deze effecten
nagenoeg geheel tegen elkaar op. De tweede nota van wijziging kan ten opzichte van het
oorspronkelijke voorstel alleen negatief uitwerken op de uitkeringsgrondslag voor werknemers die
ervoor kiezen om aanspraken voor een verlofspaarregeling op te bouwen. De aanspraak voor een
verlofspaarregeling is namelijk het enige loonelement dat in het oorspronkelijke wetsvoorstel wel
tot het SV-loon hoorde, maar nu door de harmonisatie met het fiscale loon niet meer.
Aangezien na de tweede nota van wijziging de inkomenseffecten van Walvis neutraal uitpakken, is
deze vraag niet meer aan de orde.
16.
11 Kamerstukken II, 2003/04, 28 333, nr. 2
12 Kamerstukken II, 2002/03, 28 219, nr. 10
10
Zijn de vakbonden akkoord met de voorgenomen aanscherping van het loonbegrip aan
fiscale regelgeving en de inkomenseffecten daarvan? Wanneer heeft daarover overleg
plaatsgevonden?
Antwoord:
De tweede nota van wijziging op het wetsvoorstel Walvis leidt tot een verruiming van het
loonbegrip. Deze wijziging komt in die zin dan ook tegemoet aan kritiek van de FNV op het
oorspronkelijke wetsvoorstel. De inkomenseffecten uit het oorspronkelijke voorstel worden op
macroniveau gedempt door de positieve inkomenseffecten van de tweede nota van wijziging (zie
ook het antwoord op vraag 15).
17.
In het oorspronkelijke voorstel WALVIS werd rekening gehouden met individuele
inkomensverschillen op basis van de vereenvoudiging van het loonbegrip van WAO -1 tot -
2%, WW van 0 tot 0,5%. Individueel kan het om substantiële verlagingen gaan (zeevaart
soms -14% tot -20%). Heeft de aanpassing van het loonbegrip op de fiscale systematiek
zoals in de Nota van Wijziging wordt voorgesteld invloed op de individuele verschillen in het
loon? Is er sprake van een aanvullende verlaging? Zo ja welke is dat? Voor welke
categorieën? Gaarne nadere uitwerking.
Antwoord:
De tweede nota van wijziging op het wetsvoorstel Walvis leidt tot een verruiming van het
loonbegrip. Hierdoor neemt ook de uitkeringsgrondslag toe. De negatieve inkomenseffecten als
gevolg van de invoering van het historisch dagloon (en de versmalling van de uitkeringsgrondslag in
het oorspronkelijke voorstel) worden gedempt door de tweede nota van wijziging. Op
macroniveau zijn de inkomenseffecten van Walvis na deze nota van wijziging neutraal.
In het verslag van het wetsvoorstel Walvis zijn vragen gesteld over de gevolgen op microniveau van
de aanpassing van het loonbegrip.13 De beantwoording hiervan is tegelijkertijd met het concept
Dagloonbesluit en de tweede nota van wijziging aan de Kamer aangeboden.14
Om de effecten van de tweede nota van wijziging op microniveau weer te geven is er een aantal
rekenvoorbeelden (waaronder enkele rekenvoorbeelden van de FNV) uitgewerkt. Uit deze
rekenvoorbeelden blijkt dat de oorspronkelijke (door de FNV berekende) effecten van Walvis
door de tweede nota van wijziging sterk worden gecompenseerd. Het resterende effect van de
aangehaalde voorbeelden uit de zeevaart is na de tweede nota van wijziging nog -4,4% resp. -
2,6%. Dit effect wordt veroorzaakt doordat loon in natura pas tot het nieuwe SV-loon wordt
gerekend boven de 200 per maand.
Alleen voor werknemers die ervoor kiezen om aanspraken voor een verlofspaarregeling op te
bouwen, kan de tweede nota van wijziging een negatief effect op de uitkeringsgrondslag hebben
ten opzichte van het oorspronkelijke voorstel.
13 Kamerstukken II, 2002/03, 28 219, nr. 5
14 Kamerstukken II, 2002/03, 28 219, nr. 11
---
Deze verlaging kan echter niet aan bepaalde categorieën worden toegeschreven.
18.
Mag de belastingdienst of UWV werknemersgegevens aan private verzekeraars verstrekken
ten behoeve van door de werkgever gesloten bovenwettelijke of private verzekeringen?
Mag dat zonder schriftelijke toestemming van de werknemer?
Antwoord:
Met artikel 73, eerste lid onderdeel d, van de Wet SUWI, indien deze uitbreiding opgenomen in
het wetsvoorstel Verzamelwet SV 2003 wordt aangenomen, wordt het voor UWV mogelijk op
verzoek bepaalde gegevens waarvoor UWV de verantwoordelijke is in de zin van de Wet
bescherming persoonsgegevens (WBP), te verstrekken aan een private verzekeraar bij wie het
risico van loondoorbetaling tijdens ziekte en/of het Pemba-risico is verzekerd, zonder dat de
werknemer in de gelegenheid is gesteld tegen die gegevensverstrekking bezwaar te maken.
Door deze wijziging hoeft de werkgever niet langer een machtiging aan zijn werknemers te vragen.
Het gaat hier hoofdzakelijk om algemene gegevens zoals de totale loonsom van de werkgever,
aantallen werknemers die uitvallen wegens ziekte en de bijbehorende loonsom en
(leeftijds)opbouw van het personeelsbestand. Dergelijke gegevens zijn eerder door de werkgever
zelf aan UWV aangeleverd in het kader van de werknemersverzekeringen.
Het is niet uit te sluiten dat deze gegevens in sommige gevallen wèl te herleiden zijn tot individuele
werknemers. Deze wijziging ziet niet op het verstrekken van medische gegevens (gegevens met
betrekking tot de ziekte en arbeidsongeschiktheid). Daarvoor geldt het regime zoals neergelegd in
artikel 21 van de WBP.
Tot aan de invoering van de Wfsv en de Invoeringswet Wfsv per 1 januari 2006 kan UWV
ervaring opdoen met een dergelijke gegevensverstrekking aan private verzekeraars.
Op basis van deze ervaringen zal in 2005, nader worden bezien of ook in het kader van de Wfsv
de bepaling zou moeten worden ingevoerd en wordt meer in algemene zin bezien welke UWV-
gegevens uit de Polisadministratie voor welk doel aan derden worden verstrekt, waaronder ook de
gegevensverstrekking aan de private verzekeraars. Het gaat dan om gegevens waar UWV de
verantwoordelijke voor is in de zin van de WBP.
Voor gegevens waarvoor de minister van Financiën verantwoordelijke is in de zin van de WBP
blijft de bestaande regelgeving van toepassing.
19.
Wat is de raming voor de ICT investeringen in beide organisaties voor Walvis en SUB. Is in
de meerjarenbegroting voor deze investeringen geraamd? Zij deze kosten meegenomen in
SUWI? Welke ICT-kosten zijn verbonden aan de bouw van de polisadministratie totaal?
Antwoord:
De ICT investeringen voor SUB en Walvis bedragen in totaal 216,7 mln. inclusief de realisatie
(ontwikkeling, bouw en technische implementatie) van de polisadministratie. In het belang van een
12
zorgvuldige aanbestedingsprocedure van de polisadministratie kan geen informatie worden
verstrekt over de hoogte van het bedrag voor de polisadministratie.
Voor de financiering van de investeringen bij het UWV wordt voor 85 mln. gebruik gemaakt van
gelden die reeds ten tijde van de SUWI-wet ter beschikking zijn gesteld. Dit betreft grotendeels
ICT- en ICT-gerelateerde kosten. Zie ook antwoord vraag 3.
20.
Wat is de terugverdientijd voor SUB als saldo van de totale investering versus de
besparing? Wanneer worden de besparingen bereikt?
Antwoord:
Voor Walvis en SUB samen wordt in totaal 435,1 mln. aan invoeringskosten voorzien. Ruwweg
een derde van dit bedrag bestaat uit investeringen bij het UWV, een derde uit investeringen bij de
Belastingdienst en een derde uit het opvangen van de personele consequenties.
Ten aanzien van de uitvoeringskosten geldt dat het zwaartepunt van de uitgaven valt in de jaren
2004 en 2005. Vanaf 2005 worden ook de baten geïncasseerd die in 2009 het structurele niveau
bereiken. Vanaf 2006 zijn de jaarlijkse baten hoger dan de jaarlijkse lasten. Het break-even punt
tussen de totale baten en totale lasten wordt naar het huidige inzicht in het tweede kwartaal van
2009 bereikt.
Indien ook de administratieve lastenverlichting in ogenschouw wordt genomen, dan wordt het
break-evenpunt eerder bereikt. Naar huidige inzichten is dat het tweede kwartaal van 2006.
21.
Wat is de terugverdientijd van de investeringen van WALVIS als saldo van de totale
investeringen versus de besparingen? Wanneer worden de besparingen bereikt?
Antwoord:
Zie antwoord vraag 20.
22.
Wordt met het experiment bedoeld de invoering van het sofinummer als informatiedrager
voor het Ziekenfonds? Zo neen, wat dan wel? (blz 13 van het rapport)
Antwoord:
De tekst van het rapport op pag. 13 heeft betrekking op twee van elkaar onderscheiden
experimenten of pilots.
Ten eerste, het experiment dat afgelopen jaar is gestart om gegevens van verzekerden uit de
Verzekerdenadministratie (VZA) van UWV op basis van het sofi-nummer elektronisch door te
geven aan de ziekenfondsen. Hierdoor wordt het mogelijk om de gegevensverstrekking van
werkgevers aan ziekenfondsen (de zogenoemde VVW) te beëindigen, wat de administratieve
13
lasten vermindert. De proef is uitgevoerd in nauwe samenwerking met grote uitzendbureaus. Alle
grote werkgevers (met 70% werknemerspopulatie) uit deze branche leveren al via het Reflex-
systeem wekelijks gegevens aan UWV in het kader van de werknemersverzekeringen die UWV
uitvoert. Vanuit de VZA worden ZFW-relevante gegevens nu elektronisch doorgegeven aan de
ziekenfondsen. Het experiment is succesvol gebleken. Daarom wordt deze werkwijze in
2004/2005 landelijk ingevoerd.
De invoering van de wetsvoorstellen Wfsv en Invoeringswet Wfsv verandert deze
gegevensstromen niet. Onderzocht wordt of de Reflex-systematiek van wekelijkse aanlevering van
gegevens in het kader van het wetsvoorstel Wfsv gecontinueerd kan worden, of uitgebreid met
andere groepen van werkgevers.
Ten tweede, het experiment dat in 2003 gestart zal worden met de eerstedagsmelding (EDM). In
het hoofdlijnenakkoord heeft het kabinet zich voorgenomen om illegale tewerkstelling en daarmee
samenhangende fraude krachtiger aan te pakken, onder meer door verplichte aanmelding van
werkgevers van dienstverbanden. De maatregel wordt gehandhaafd met boetes.15
Eerder was bij het wetsvoorstel Walvis aangekondigd dat de Melding Sociale Verzekeringen bij
invoering van Walvis vervangen kan worden door een EDM.16 Hierdoor kunnen de administratieve
lasten additioneel verminderen.
In het Handhavingsprogramma 2003-2006 is afgesproken dat UWV in 2003 een pilot zal starten
met EDM om er ervaring mee op te doen. Daarnaast laat het Ministerie van SZW in 2003 een
implementatiestudie EDM verrichten. De uitkomsten van de implementatiestudie en van deze pilot
worden betrokken bij de verdere vormgeving en wettelijke invoering van EDM.
23.
Ontstaat er voor de Belastingdienst rentewinst nu de Belastingdienst met de premie-inning
belast is in plaats van het UWV? Zo ja hoeveel en ten gunste van welke organisatie wordt
die geboekt?
Antwoord:
Bij de samenwerking tussen UWV en de Belastingdienst zijn twee soorten rente-opbrengsten
denkbaar.
In de eerste plaats betreft het de rente die samenhangt met de processen van heffing en inning, de
zogeheten heffings- en invorderingsrente. Verwacht wordt dat inning door de Belastingdienst leidt
tot een beperkte meeropbrengst van enkele miljoenen euro's. Dit is mede het gevolg van de
inrichting van dit proces bij de Belastingdienst. De hogere rente-opbrengsten zullen ten gunste
komen van de fondsen werknemersverzekeringen.
In de tweede plaats betreft het de rente samenhangend met het ontvangen van de premies
werknemersverzekeringen in de schatkist, die overgeboekt moeten worden naar de verschillende
sociale fondsen. Mogelijke rente-effecten zijn afhankelijk van de afspraken tussen UWV en
Belastingdienst over het heffingsproces en het daarmee samenhangende ritme van de ontvangsten.
Uitgangspunt is wel dat het overboekingsmoment van de premies zoveel mogelijk gesynchroniseerd
15 Hoofdlijnenakkoord, bijlage Financieel kader, blz. 3, maatregel 9
16 Kamerstukken II, 2001/02, 28 219, nr 3, blz. 91 en 105
14
wordt met het ontvangstmoment van premies bij de Belastingdienst.
Vragen VVD-fractie
24.
Kan de regering nader ingaan op de gevolgen van de samenwerking tussen UWV en de
Belastingdienst voor het personeel? De Regering licht toe dat binnen de collecterende sector
ongeveer 1700 arbeidsplaatsen vervallen en 400 arbeidsplaatsen in de distribuerende
functies. Kan de regering verduidelijken welke stappen zij onderneemt om te proberen deze
mensen zoveel mogelijk een ander baan te bezorgen binnen de Rijksoverheid?
Antwoord:
In de aanloop naar de samenwerking en Walvis is het van belang om de kwaliteit voor het
collecterende proces bij UWV op peil te houden. Om de kwaliteit te waarborgen is flankerend
beleid voor het zittende personeel noodzakelijk.
Op hoofdlijnen zijn tussen Belastingdienst en UWV reeds nu afspraken gemaakt om negatieve
personele consequenties te beperken:
§ voor vacatures in de collecterende sector UWV geldt een vacaturestop. Vacatures die vervuld
moeten worden omdat anders risico's ontstaan voor rechtmatigheid of kwaliteit van het
primaire proces worden zoveel mogelijk ingevuld met tijdelijke arbeidskrachten;
§ de Belastingdienst kwalificeert vanaf de overgang de achterblijvende medewerkers van UWV
als herplaatsingskandidaat voor eventuele extern te vervullen vacatures;
§ UWV en Belastingdienst voelen zich vanaf de overgang gezamenlijk verantwoordelijk voor de
groep achterblijvende medewerkers;
§ UWV en Belastingdienst leiden hun medewerkers over en weer op voor elkaars werkproces.
Deze hoofdlijnen worden thans in onderling overleg nader uitgewerkt. De afspraken tussen UWV
en de Belastingdienst zullen worden vastgelegd in een convenant.
Binnen UWV wordt een programma voorbereid waarin reeds in 2004 volop wordt gestart met
ondersteuning van het personeel om de arbeidsmarktpositie te verbeteren met als doel om iedereen
van werk naar werk te begeleiden. Aandachtspunt daarbij is dat voldoende capaciteit beschikbaar
blijft om de primaire processen bij UWV te blijven uitvoeren tot aan de overname van activiteiten
door de Belastingdienst
25.
Kan de regering nader ingaan op de grote risico's die zij signaleert bij de invoering van de
samenwerking, waardoor de implementatie van de samenwerking in 2005 onmogelijk is. De
regering geeft aan dat:
· europese aanbesteding van de ontwikkeling van de nieuwe Polisadministratie
onmogelijk is;
15
· als gevolg van een uiterst kritische planning van de fase van ontwerp en bouw de tijd
ontbreekt om de aanlevering van aangiftegegevens zorgvuldig te testen;
· de ruimte ontbreekt om tegenvallers bij de implementatie op te vangen;
· beheerste gefaseerde implementatie onmogelijk is. De daarmee samenhangende
invoeringsrisico's zijn daarvoor te groot.
Kan de regering per risico toelichten waarom zij denkt dat ondanks de ernst van de
risico's implementatie van de samenwerking per 1 januari 2006 wél mogelijk is.
Antwoord:
Ten aanzien van de oorspronkelijke invoeringsdatum gold dat deze naar het oordeel van UWV en
de Belastingdienst te krap was om de bouw van de nieuwe polisadministratie en de heffings- en
inningssystematiek te kunnen realiseren.
De verschuiving van de invoeringsdatum met een jaar geeft UWV en Belastingdienst de
mogelijkheid ontwerp, uitbesteding en de ontwikkeling en implementatie planmatig verantwoord uit
te werken en dus ook meer zekerheid dat de hiervoor geschetste risico's op een verantwoorde
wijze kunnen worden opgevangen.
Er is daardoor ook meer gelegenheid af te stemmen met de markt van softwareleveranciers,
salarisservicebureau's en werkgevers, waardoor er meer zekerheid is dat de markt op tijd klaar is
en de kwaliteit van de aan te leveren gegevens van voldoende kwaliteit is.
Van belang daarbij is wel, dat de behandeling en de besluitvorming over de wetsvoorstellen
alsmede de aanbestedingsprocedure polisadministratie geen vertraging ondervinden.
26.
De regering duidt aan dat een belangrijke notie is het feit dat wijzigingen in de wetgeving
mogelijk van invloed zijn op het bouwtraject. Kan de regering voorbeelden aandragen van
wijzigingen die zij in dit kader bedoelt? Wat kunnen de risico's zijn voor het bouwtraject
wanneer dergelijke wijzigingen zich voordoen? En voorziet de regering in dit kader nu reeds
veranderingen in het bouwtraject?
Antwoord:
Het gaat dan om wijzigingen die van substantiële invloed zijn op het bouwtraject. Te denken valt
hierbij bijvoorbeeld een andere wijze van heffen of een andere inrichting van de polisadministratie.
Als dat zou gebeuren, dan zou de bouw gestopt moeten worden en moet de
aanbestedingsprocedure opnieuw gestart worden. De gevolgen hiervan zijn dat de implementatie
zal moeten worden uitgesteld, waardoor de invoering van (onderdelen van) de samenwerking en in
het verlengde daarvan de beoogde effecten pas later gerealiseerd kunnen worden.
De regering voorziet thans geen wezenlijke veranderingen in het bouwtraject (zie ook het antwoord
op vraag 2).