Ministerie van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer Postbus 90801
2509 LV Den Haag
der Staten-Generaal Anna van Hannoverstraat 4
Binnenhof 1a Telefoon (070) 333 44 44
Telefax (070) 333 40 33
2513 AA Den Haag
Uw brief Ons kenmerk
FEZ/BGZ/2003/85388
Onderwerp Datum
Beantwoording Kamervragen op de SZW- 7 november 2003
begroting 2004
Hierbij doe ik u, mede namens Staatssecretaris Rutte, de antwoorden toekomen op de
vragen gesteld door de leden van de Vaste Commissie voor Sociale Zaken en
Werkgelegenheid over de begroting 2004.
De Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid,
(mr. A.J. de Geus)
---
29 200 XV, nr. ... Antwoorden op vragen ontwerp-begroting 2004 SZW
Nr Vraag Blz
van tot
1 Wat zijn de gevolgen voor de begroting SZW voor 2004 van de afspraken, gemaakt tijdens het 0
Najaarsoverleg met sociale partners op 16 oktober jl.?
Antwoord
Op 17 oktober jl. heeft het kabinet de Tweede Kamer per brief geïnformeerd over het Najaarsakkoord.
In deze brief zijn de beleidsbijstellingen gemeld in de vorm van concrete maatregelen en de daarbij
behorende financiële effecten (bijlage) onder voorwaarde van acceptatie van de bonden. De afspraken
met betrekking tot de koppeling, de WW en WAO zijn van belang voor de uitgaven vallend onder het
SZA-kader. De WW-uitgaven zullen met 100 miljoen in 2004 en 150 miljoen vanaf 2005 hoger
uitvallen doordat de regering afziet van indiening van het wetsvoorstel Anticumulatie
ontslagvergoedingen WW. De WAO-uitgaven zullen met 10 miljoen in 2007(structureel 300
miljoen) hoger uitvallen wegens het vervallen van de partnertoets voor niet werkende gedeeltelijk
arbeidsongeschikten. Dit zijn uitgavenverhogingen in de premiegefinancierde uitgaven, die niet op de
begroting van SZW worden verantwoord.
De ontkoppeling voor 2005 op basis van de wettelijke gronden en het herstel van de koppeling vanaf
2006 leidt tot lagere uitgaven van 280 miljoen in 2005 en ruim 0,3 miljard in 2007. Deze
uitgavenverlaging slaat voor ongeveer 20% neer in de begroting van SZW en 80% bij de
premiegefinancierde uitgaven.
Wat betreft de bijstellingen in het kabinetsbeleid laat het budgettaire overzicht gevoegd bij de brief
van 17 oktober zien dat in samenhang met de nullijn voor 2004/2005 het budgettair beeld nagenoeg
sluitend is, waardoor het EMU-saldo nauwelijks wordt beïnvloed. Voorts hebben de
beleidsbijstellingen in de WW en WAO een beperkt opwaarts effect op de volume-ontwikkelingen.
2 Wat zijn in VBTB-termen (meerjarig) de gevolgen van het Najaarsakkoord d.d. 14-10-2003 voor de 0
SZW-begroting en wat zijn de macro-economische gevolgen? Kan daarbij met name aandacht
geschonken worden aan de gevolgen voor de WW en de arbeidsongeschiktheidsregelingen?
Antwoord
Wat betreft de macro-economische gevolgen van het Najaarsakkoord is de afspraak om de lonen in de
marktsector in 2004 en 2005 niet te verhogen van belang. Het Centraal Planbureau heeft een raming
gemaakt van de te verwachten economische effecten van deze afspraak (zie CPB Notitie van 15
oktober 2003). In 2004 heeft de loonafspraak geen invloed op de economische groei, in 2005 komt de
groei 0,1%-punt lager uit, en in 2007 komt de groei 0,2%-punt hoger uit. De werkgelegenheid in de
marktsector zal in het eerste jaar met 0,1% verbeteren, in 2005 met 0,4% en in 2007 met 0,6%. Als
gevolg hiervan zal de werkloosheid minder hoog uitkomen (0,1%-punt verschil in 2004, 0,3%-punt in
2005 en 0,5%-punt in 2007).
Zie verder antwoord vraag 1.
3 Kan de regering een overzicht verschaffen van de verschillende reïntegratietrajecten en - middelen, 0
uitgesplitst naar doelgroep en wet over de periode 2000-2007?
Antwoord
Zie het overzicht in bijlage 1.
4 Kan een overzicht worden gegeven van de verschillende kinderregelingen op de verschillende 0
begrotingen, de beleidswijzigingen en mogelijke koopkrachteffecten over de periode 2003-2007
Antwoord
Voor een overzicht van regelingen met betrekking tot kinderen wordt verwezen naar de brief van de
---
toenmalige minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 9 oktober 2000 (SZW0000873). De
belangrijkste regelingen gericht op kinderen betreffen:
· Kinderbijslag
· WTOS
· Fiscale kinderkortingen
· Kinderopvang
Voor de kinderbijslag betreffen de beleidswijzigingen de aangepaste indexering in de jaren 2004 en
2005 en de afschaffing van de bijzondere verhoging kinderbijslag voor het eerste kind. Hier wordt
nader op ingegaan in het antwoord op vraag 142.
Op het gebied van de tegemoetkoming uit de WTOS voor ouders van schoolgaande kinderen staan
geen beleidswijzigingen gepland voor de periode tot 2007.
Voor de fiscale kinderkortingen geldt dat in de periode tot 2005-2007 nog een intensivering van 200
miljoen beschikbaar is voor stroomlijning en verhoging. De vormgeving van deze intensivering komt
aan de orde in het kader van de begrotingsvoorbereiding 2006. Daarnaast is in de periode 2005-2007
nog 200 miljoen beschikbaar voor intensivering van de (gerichte) combinatiekorting.
De belangrijkste beleidswijziging op het terrein van de kinderopvang is de invoering van de Wet
basisvoorziening kinderopvang (Wbk) per 1 januari 2005. Op grond van deze wet kunnen ouders een
tegemoetkoming ontvangen in de kosten van het kinderopvanggebruik. De Wbk kent een uniforme
bekostigingsstructuur en komt in de plaats van een groot aantal regelingen op het gebied van
kinderopvang. Op deze manier wordt de rechtsgelijkheid van ouders versterkt. Voor het beleidsterrein
kinderopvang zijn voor de periode 2003-2007 de volgende regelingen en bedragen aan de orde:
2003 2004 2005 2006 2007
Begrotingsuitgaven
Uitbreiding capaciteit, 164
toezicht, voorbereiding Wbk
Instandhouding capaciteit, 254
toezicht, voorbereiding Wbk
Gemeentefonds 123 (*) (*) (*)
Fiscaal
Afdrachtvermindering 175 245
Aftrek buiengewone lasten 156 179
Wbk (**) 702 736 766
Totaal 618 678 702 736 766
(*) Vanaf 2005 wordt een nader te bepalen budget toegevoegd aan het gemeentefonds voor de
bekostiging van het gemeentelijke aandeel in de kosten van een aantal specifieke gebruikersgroepen.
(**) Vanaf 2005 komt op grond van het hoofdlijnenakkoord een aanvullend bedrag van 100 mln
beschikbaar voor invoering van de Wbk.
Verder onderzoekt het kabinet op dit moment de mogelijkheden om verschillende kindgerelateerde
regelingen te integreren.
5 In de hele begroting zijn VBTB-paragrafen (Van Beleidsbegroting tot Beleidsverantwoording) 0
opgenomen. Waarom wordt als informatie beschikbaar is over een specifieke operationele doelstelling
deze niet in deze paragraaf gepresenteerd?
Antwoord
Streefwaarden voor het jaar 2004 en verdere jaren die betrekking hebben op specifieke operationele
doelstellingen worden toegelicht in de paragraaf operationele doelstellingen.
De VBTB-paragraaf bevat conform de begrotingsvoorschriften alle informatie over de verbeteringen
in het artikel die de komende jaren noodzakelijk zijn om te komen tot een artikel conform de eisen van
VBTB.
6 Kan per cliënt, met recht op een WAO en/of WW-uitkering, van het Uitvoeringsinstituut 0
Werknemersverzekeringen (UWV) worden toegelicht wat de gemiddelde kosten van het UWV zijn
voor (1a) de uitkering zelf, (1b) de administratie- en overhead-kosten hiervan, (2a) de reïntegratie en
(2b) de overheadkosten hiervan en (3) de algemene overheadkosten van de UWV's? Kan eenzelfde
---
overzicht worden verstrekt als het gaat om de Algemene Bijstandswet (Abw) en de Wet
Inkomensvoorziening Kunstenaars (WIK) (sociale diensten) en voor wat betreft (1) en (3) de
Algemene nabestaanden wet (ANW), de Algemene kinderbijslagwet (AKW) en de AOW (SVB)?
Antwoord:
Met de inwerktreding van de SUWI-wet per 1 januari 2002 zijn de vijf uitvoeringsinstanties en het
Lisv samengevoegd tot UWV. Kenmerk van het UWV als ZBO is dat de organisatie zelf
verantwoordelijk is voor de uitvoering van zijn taken op het terrein van werk en inkomen. Vanuit zijn
ministeriële verantwoordelijkheid geeft de Minister richting aan de uitvoeringsinstantie door in de
Meibrief heldere kaders mee te geven aan de uitvoering. Het jaarplan en het bijbehorende budget zijn
de instrumenten voor het maken van afspraken over de te leveren prestaties en de financiële kaders.
Essentieel is dat het hier een financieringsvorm betreft die uitgaat van een totaalbudget (per
organisatie) dat wordt verstrekt na goedkeuring door de Minister van een aan wettelijke voorwaarden
gebonden en door SZW getoetst jaarplan, bijbehorende begroting en toelichting. In dit budget zitten
kosten opgenomen voor zowel het primaire proces als voor overhead, zoals kosten voor personeel,
huisvesting en automatisering.
Indien deze kaders meegegeven zijn en de afspraken gemaakt zijn, dan valt het binnen de eigen
verantwoordelijkheid van het ZBO om inhoud te geven aan de uitvoering van het jaarplan en de
inrichting en de beheersing van de processen. Hiertoe behoort ook de opbouw van de interne kostprijs.
Het UWV bepaalt zelf de verhouding tussen de vaste en de variabele kosten middels de keuzes voor
centrale en decentrale processen, de verhouding tussen al dan niet geautomatiseerde verwerking en
dergelijke.
De bestuurders van de ZBO's leggen gedurende het jaar via kwartaalverslagen en aan het einde van
het jaar middels het jaarverslag en de jaarrekening verantwoording af aan de Minister over de stand
van zaken van de uitvoering van het jaarplan. Een uitsplitsing naar de interne processen is echter een
interne aangelegenheid van de ZBO's en wordt derhalve niet opgenomen in de verantwoording. De
gevraagde nadere specificatie is dus niet bij SZW beschikbaar.
Overigens bedroegen de gemiddelde uitvoeringskosten WAO in 2002 735,6 miljoen (zijnde 6,1%
van de totale uitgaven t.b.v. de WAO) en de gemiddelde uitvoeringskosten WW 523,3 miljoen
(zijnde 13,3% van de totale uitgaven t.b.v. de WW). Inzake de ANW, de AKW en de AOW gaat het
om 36 mln (2,2% van ANW-lasten), 79 mln. (2,3% van AKW-lasten) en 105 mln (0,5% van
AOW-lasten).
Gemeenten voeren Abw en WIK in medebewind uit. Voor de uitvoeringskosten Abw ontvangen
gemeenten een bijdrage uit het Gemeentefonds. Voor 2004 is dit bedrag 880 miljoen. Dit bedrag is
niet geoormerkt. In het antwoord op vraag 127 wordt nader ingegaan op de uitvoeringskosten bijstand.
De gemiddelde kosten voor een WIK-uitkering kunnen worden afgeleid uit tabel 8.4 op blz. 101 van
de begroting en bedragen ongeveer 11.000,- per jaar. Uit dezelfde tabel blijkt dat de
uitvoeringskosten voor de WIK voor 2004 voor de gemeenten geraamd zijn op 2 miljoen, per cliënt
zijn deze kosten 998 voor de gemeenten (incl. overhead).
7 Deelt de regering de mening van de staatssecretaris van het ministerie van Financiën (Wijn) dat in het 0
regeringsbeleid moet worden uitgegaan van het besteedbaar gezinsinkomen in plaats van de
individuele inkomens?
Antwoord:
De regering deelt de mening van staatssecretaris Wijn, dat het huishoudinkomen de juiste maatstaf
vormt voor draagkracht bij de inkomensafhankelijke regelingen, zoals de huursubsidie en de
tegemoetkoming voor kosten van kinderopvang. Bij het fiscale stelsel geldt het individuele inkomen
als de meest relevante indicator van de draagkracht, mede om de arbeidsparticipatie van vrouwen te
stimuleren.
Zoals aangegeven in het kabinetsstandpunt "Interdepartementaal Beleidsonderzoek uitvoering
inkomensafhankelijke regelingen en rapportage werkgroep Harmonisatie" heeft de regering besloten
om verschillende inkomensafhankelijke regelingen te harmoniseren zodat gezamenlijke uitvoering in
één loket mogelijk wordt. Het inkomensbegrip is één van de aspecten die zal worden geharmoniseerd.
De regering heeft gekozen om het verzamelinkomen te hanteren als maatstaf voor draagkracht. Het
verzamelinkomen is een bruto-inkomensbegrip dat in diverse adviezen en onderzoeken in de
afgelopen jaren, waaronder het rapport "Armoede en armoedeval" van de Interdepartementale
commissie Harmonisatie Inkomensafhankelijke Regelingen in 1997 (commissie Derksen I), naar
voren is gekomen als meest geschikte indicator voor draagkracht. Het is daarnaast ook de meest
---
praktische, omdat de uitvoering van enkele inkomensafhankelijke regelingen (waaronder de
huursubsidie, de zorgtoeslag en de WBK) wordt ondergebracht bij een uitvoeringsinstantie die aan de
Belastingdienst is gelieerd.
Deze keuze voor het verzamelinkomen bij de uitvoering laat onverlet dat bij de vormgeving van
beleid het kabinet de inkomenseffecten van regelgeving beoordeelt op basis van het besteedbaar
inkomen (de zogenaamde "koopkrachtplaatjes").
8 Is de regering bereid om ook in de sociale zekerheid uit te gaan van het besteedbare gezinsinkomen? 0
Hoe staat de regering in dit verband tegenover de invoering van de partnertoets in de WAO en in de
WW?
Kan de regering toelichten hoeveel geld kan worden bezuinigd bij de invoering van de partnertoets in
de WAO, respectievelijk de WW?
Antwoord:
Voor wat betreft de WAO verwijs ik naar mijn brief van 17 oktober over het Najaarsoverleg. Omdat
het partnerinkomen voor de uitvoering van de WW niet aan de orde is zijn hierover geen gegevens
bekend.
De WAO-uitgaven zullen als gevolg van het niet invoeren van de partnertoets in 2007 10 mln hoger
uitvallen (structureel 300 mln).
9 Hoeveel geld wordt er door het Rijk in totaliteit (vanuit SZW, gemeentefonds, via de belastingen) aan 0
kinderopvang uitgegeven?
Antwoord:
Zie antwoord vraag 4.
10 Wat is de titel van beleidsartikel 2? Is dat stimulering en kwaliteitsbevordering van arbeidsaanbod 4
zoals in de begrotingsstaat wordt vermeld of is dat stimulering en kwaliteitsbevordering van
arbeidsparticipatie zoals dat in de Memorie van Toelichting staat? Waarom deze keuze en wat is het
verschil tussen beide?
Antwoord:
De titel van beleidsartikel 2 is stimulering en kwaliteitsbevordering van arbeidsparticipatie. Het
verschil tussen aanbod en participatie zit in de actieve deelname aan het arbeidsproces. Een kwalitatief
goed en voldoende aanbod is een randvoorwaarde om daadwerkelijk de participatie te kunnen
verhogen. Het stimuleren van de arbeidsparticipatie is een outcome gerichte doelstelling waar het
stimuleren van het arbeidsaanbod meer een instrumentele doelstelling is. Toenemende participatie is
het einddoel en daarmee de titel van beleidsartikel 2.
11 Waarom is het verschil in participatie in voltijdsequivalenten ten opzichte van landen in Scandinavië 11
zo groot? Wat kan de regering van hun beleid rond participatie leren?
Antwoord:
In de Scandinavische landen is werken of niet werken geen vraag. Als werknorm wordt gehanteerd dat
"iedere volwassene van normale leeftijd, betaald werk moet verrichten en op die manier moet
bijdragen aan zijn/haar eigen reproductie en die van de samenleving".1 Uitgangspunt bij deze
werknorm is een voltijdbaan. Hierdoor worden weinig (kleinere0 deeltijdbanen aangeboden in
tegenstelling tot in Nederland waar deeltijdwerk juist zeer populair is.
Ten tweede speelt de sociale zekerheid een rol. Deze staat ten dienste van de arbeidsmarkt. Via hoge
uitkeringen en een relatief lange uitkeringsduur wordt gestimuleerd dat werknemers vaak van baan
wisselen. Hierdoor ontstaan extra baanopeningen die voor inactieven kansen bieden op betaald werk.
Van hen wordt een actieve opstelling verwacht op straffe van verlies van de uitkering. Activerende
sociale zekerheid, hoge uitkeringen en een hoge participatie-graad gaan zodoende samen. De prijs die
hiervoor wordt betaald zijn hoge sociale zekerheidsuitgaven. Om dit te financieren is het nodig dat
veel personen fulltime deelnemen aan het arbeidsproces.
1 H. Hansen, J. Lind, I. Hornemann Moller, Werken of niet werken: dat is geen vraag in Denemarken,
Tijdschrift voor Arbeid en participatie 1999, vol. 21 no. 2 en 3, p 138.
2 OECD, Employment Outlook 2003, p. 131
---
Tot slot speelt ook het aanbod van kinderopvangvoorzieningen een rol. In de meeste landen trekken
vrouwen zich geheel (vooral laagopgeleide) terug van de arbeidsmarkt of zetten hun voltijdbaan om in
een deeltijdbaan (beter opgeleide vrouwen). In de Scandinavische landen daarentegen, gebeurt dit niet
of nauwelijks. Het "familiebeleid" voorziet in ruime kinderopvangvoorzieningen waardoor nauwelijks
een negatief effect op het arbeidsaanbod van vrouwen ontstaat, wanneer zij kinderen krijgen c.q. jonge
kinderen hebben.2
In de Scandinavische landen zijn een activerende sociale zekerheid, de verplichte deelname aan
rentegratietrajecten en uitgebreide kinderopvangvoorzieningen belangrijke succesfactoren. Hieruit
mag niet geconcludeerd worden dat deze drie factoren ook in Nederland (en andere EU-landen) tot
een met de Scandinavische landen vergelijkbare participatiegraad zouden leiden. De institutionele
setting van een economie (CAO's, arbeidsmarktregulering, replacementrates etcetera) en het
overheidsbeleid (waaronder arbeidsmarktbeleid) spelen evenzeer een rol.
12 De regering licht toe dat wanneer onze huidige arbeidsparticipatie zou stijgen tot het Deense niveau de 12
kosten voor de sociale zekerheid beter kunnen worden gespreid. Is dit niveau dan ook voldoende om
de problemen van de Nederlandse vergrijzing op te vangen?
Antwoord:
De vergrijzing resulteert in een toename van het aantal mensen boven de 65 van 2 miljoen nu naar 4
miljoen in 2040. De verzorgingsstaat is, gegeven de vergrijzing, financieel houdbaar wanneer de
bestaande overheidsvoorzieningen kunnen meegroeien met de welvaart, zonder dat de lasten
verzwaard hoeven te worden of de staatsschuld fors gaat oplopen. Door de overheidsschuld nu te
verminderen, nemen de rentelasten af en ontstaat er ruimte om de budgettaire last van de vergrijzing
op te vangen. Ook bij een gunstigere ontwikkeling van de arbeidsparticipatie blijft vermindering van
de overheidsschuld nodig om via lagere rentelasten ruimte op de begroting vrij te spelen. Een hogere
participatie verlaagt de benodigde schuldreductie voor budgettair houdbare overheidsfinanciën
daarom maar beperkt. Wel is het zo dat een hogere participatiegraad het realiseren van schuldreductie
gemakkelijker maakt, doordat de collectieve inkomsten stijgen en collectieve uitgaven kunnen dalen,
zeker wanneer de hogere arbeidsparticipatie wordt gevoed door uitstroom uit de sociale zekerheid.
Naast groei van de arbeidsparticipatie spelen ook andere factoren een rol bij de financierbaarheid van
de vergrijzing, zoals de ontwikkeling van de productiviteit. De onzekerheid over groei van de
productiviteit en van de participatie zijn groter dan de onzekerheid over demografische
ontwikkelingen: de noodzaak van schuldreductie blijft daarom voorop staan, waarbij het vergroten
van participatie en productiviteit het totstandkomen daarvan vergemakkelijkt.
13 Door welke oorzaken, anders dan de toename van deeltijdwerk, is de participatiestijging van vrouwen 12
te verklaren?
Antwoord:
Aan de toename van de arbeidsdeelname van vrouwen liggen diverse factoren ten grondslag. In de
eerste plaats de gunstige economische ontwikkeling in de jaren negentig waardoor ook de
werkgelegenheid fors is toegenomen. Van de werkgelegenheidsgroei hebben met name vrouwen
geprofiteerd.
Ten tweede spelen emancipatie-trends een rol. Anders dan enkele decennia geleden blijven thans veel
vrouwen werken als zij kinderen krijgen. Het aantal tweeverdieners is hierdoor toegenomen.
Ten derde is het arbeidsmarktbeleid uit de jaren negentig een verklarende factor. Volgens de OECD
(Employment Outlook 2003) is alleen in Nederland en het Verenigd Koninkrijk sprake geweest van
een evenwichtige werkgelegenheidsgroei. Volgens de OECD zijn in Nederland zowel het aantal
laagbetaalde als midden en hoogbetaalde banen vanaf 1993 toegenomen met elk 15 tot 20
procentpunten toegenomen (terwijl in andere EU-landen de groei zich concentreerde onder midden
en/of hoog betaalde banen). In het kader van de participatiestijging van vrouwen is vooral de groei
van laagbetaalde banen belangrijk, omdat de groei van de participatie van vrouwen vooral
laagopgeleide vrouwen betrof.
Niet alleen de vraag naar arbeidskrachten (waaronder vrouwen) is in de jaren negentig met (actief
arbeidsmarkt)beleid gestimuleerd, maar ook het arbeidsaanbod. Beleidsmaatregelen die volgens het
CPB3 van invloed zijn geweest op het arbeidsaanbod van vrouwen zijn o.a de bestrijding van de
armoedeval (verhogingen arbeidskorting), kinderopvangsubsidies, de wet aanpassing arbeidsduur, de
3 CPB-notitie, Arbeidsparticipatie van vrouwen, nr. 01/18.
---
uitbreiding van kinderopvangvoorzieningen en verloffaciliteiten (zoals zorgverlof, ouderschapsverlof
en verlofsparen) bijgedragen aan de arbeidsparticipatiegroei. Hierbij heeft natuurlijk de mogelijkheid
om in deeltijd te werken bijgedragen.
14 Welke doelstelling heeft de regering voor ogen ten aanzien van de participatiegraad van de 12,
beroepsbevolking voor 2004 en volgende jaren? 33
Antwoord:
In Europees verband zijn doelstellingen overeengekomen ten aanzien van de arbeidsparticipatie in
2010. De totale arbeidsparticipatie zou in 2010 minimaal 70 procent moeten bedragen. In Nederland
ligt de arbeidsparticipatie, gemeten naar de Europese definitie, sinds 1999 reeds boven dit niveau.
Nederland heeft zichzelf geen aanvullende doelstellingen op het gebied van de totale participatie
opgelegd.
Tegelijkertijd wordt er wel naar gestreefd de participatie van doelgroepen verder te verhogen. De
participatie van etnische minderheden, 51 procent in 2001, moet jaarlijks met ¾ procentpunt omhoog
naar 54 procent in 2005. Ten aanzien van ouderen wordt er naar gestreefd de dalende trend uiterlijk in
2007 om te keren in een stijgende trend en om uiterlijk in 2020 een participatie te bereiken van 50
procent (37 procent in 2002). De participatie van vrouwen, 54 procent in 2002, zou in 2010 minimaal
65 procent moeten bedragen.
Het kabinet heeft geen bepaald arbeidsparticipatieniveau voor ogen. In plaats van een maximale
participatiegraad, is het streven gericht op een optimale participatiegraad. Het gaat erom dat zij die
willen en kunnen deelnemen aan het arbeidsproces hiertoe de mogelijkheid krijgen. Nog te veel
groepen -zoals laagopgeleiden, etnische minderheden en ouderen- kennen een lage participatiegraad.
Het buitenland laat zien dat een hogere participatiegraad voor deze groepen mogelijk is. Bovendien
noodzaakt de -als gevolg van de vergrijzing en ontgroening- structureel lagere groei van het
arbeidsaanbod in de komende jaren tot activering van het beschikbare (nog) niet actieve
arbeidspotentieel.
15 De arbeidsparticipatie van niet-Westerse allochtonen is gemiddeld lager dan die van autochtonen. 13
Vooral allochtone vrouwen begeven zich relatief weinig op de arbeidsmarkt. Kan de regering een
overzicht verschaffen van de maatregelen die zij neemt om de arbeidsparticipatie onder deze groep te
vergroten?
Antwoord:
Door het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wordt allereerst algemeen
arbeidsmarktbeleid ontwikkeld, dat ook vrouwen uit etnische minderheidsgroepen raakt. Door
prikkels die uitgaan van de Wet Werk en Bijstand wordt gestuurd op een effectieve aanpak teneinde
arbeidsparticipatie in het algemeen te vergroten. Tevens wordt specifiek beleid ontwikkeld voor de
doelgroep vrouwen uit etnische minderheidsgroepen, die specifieke belemmeringen ervaren bij het
betreden van de arbeidsmarkt. Hieronder volgen ingezette maatregelen om de arbeidsparticipatie van
deze groep te vergroten:
De commissie PaVEM
In juli 2003 heeft het kabinet de Commissie Participatie van Vrouwen uit Etnische
Minderheidsgroepen (PaVEM) ingesteld. Deze gaat gemeenten ondersteunen bij het vergroten van
zowel de arbeids- als maatschappelijke participatie van vrouwen uit etnische minderheden.
Convenanten voor herintreders
Met het doel om in de periode 2002-2005 50.000 herintreedsters aan betaald werk te helpen, is het
Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) in 2002 van start gegaan met een
convenantenoffensief `herintredende vrouwen', zowel op landelijk als op regionaal niveau. Met
zoveel mogelijk relevante partijen worden op concreet niveau afspraken gemaakt om herintreedsters te
kunnen plaatsen op betaalde banen, waarbij nadrukkelijk aandacht is voor allochtone vrouwen.
Emancipatie en integratie
Het Plan van Aanpak ''emancipatie en integratie'' is op 28 oktober 2003 naar de Tweede Kamer
gestuurd.
Inburgeringsbeleid nieuwe stijl
---
Het kabinet acht een effectieve inburgering een essentiële eerste stap in de integratie van nieuwkomers
en oudkomers. Bij de vormgeving van het nieuwe inburgeringsbeleid wordt uitgebreid stilgestaan bij
de wijze waarop dit beleid het beste ingevuld kan worden ten behoeve van allochtone vrouwen.
Kinderopvang
Het ministerie van SZW gaat er vanuit dat ondernemers in de kinderopvang een passend aanbod tot
stand brengen, rekening houdend met culturele verscheidenheid van ouders en hun kinderen die leiden
tot een uiteenlopende vraag naar kinderopvang. Het ministerie gaat er vanuit dat de markt zijn werk
zal doen. Rondom de invoering van de Wet Basisvoorziening Kinderopvang zal een gerichte
voorlichtingscampagne voor allochtone vrouwen worden geïnitieerd.
16 Hoe komt het dat vooral allochtone vrouwen zich relatief weinig op de arbeidsmarkt begeven? Welke 13
oorzaken, anders dan de sterke gerichtheid op onafhankelijkheid van bijvoorbeeld Surinaamse
vrouwen, bepalen de grote verschillen binnen de groep allochtone vrouwen wat betreft de
arbeidsparticipatie?
Antwoord:
De arbeidsparticipatie van allochtone vrouwen is t.o.v. autochtone vrouwen relatief laag maar heeft de
laatste jaren een sterke stijging doorgemaakt. Bij Marokkaanse vrouwen steeg de participatie van 20
tot 30%, bij Turkse vrouwen was sprake van een verdubbeling van 16 tot 32%4. Er is dus sprake van
een emancipatieproces onder deze groepen vrouwen. De oorzaken voor achterblijvende
arbeidsparticipaties zijn divers. Bij Turkse en Marokkaanse niet-werkende vrouwen gaat het
overwegend om de eerste generatie. Ze zijn in het kader van gezinshereniging dan wel -vorming naar
Nederland gekomen. In hun land van herkomst werkten zij zelden buitenshuis en ook in Nederland
zorgen zij met name voor de opvoeding van hun kinderen. Hun overwegend lage opleidingsniveau en
hun taalachterstand vormen belemmeringen om te gaan werken. Hun leven speelt zich voornamelijk
binnenshuis, enigszins geïsoleerd, af. Daarnaast spelen soms religieuze en culturele factoren een
belemmerende rol.5 Gaat het om vluchtelingen, dan speelt onbekendheid van werkgevers en instanties
met hun kwalificaties en competenties een rol, alsmede psychosociale problematiek voortvloeiend uit
hun vlucht en asielprocedure.
17 In welke gevallen leidt financiële druk en tijdgebrek ertoe dat mensen zich terugtrekken van de 13
arbeidsmarkt? Zijn er nadere gegevens bekend? Welke groepen (opgedeeld naar leeftijd,
inkomensniveau) trekken zich terug om deze redenen?
Antwoord:
Voor vooral laagopgeleide vrouwen is de inkomenselasticiteit groot. Dit betekent dat vooral voor deze
groep, die vanwege een laag opleidingsniveau een relatief laag inkomenspotentieel heeft, de
armoedeval een rol speelt. Deze groep haakt meestal ook volledig af indien zij kinderen krijgen,
enerzijds uit financiële overwegingen (kosten kinderopvang) en anderzijds vanwege tijdgebrek.6
Voorts geldt dat veel (beter opgeleide) mensen in de leeftijd tussen 30 en 50 jaar het zogenoemde
spitsuur van het leven moeite hebben om arbeid en zorg naar wens te combineren. Financiële druk
en tijdgebrek vormen voor deze groep de belangrijkste belemmeringen om arbeid en zorg te
combineren. Niet bekend is in welke mate deze situatie ertoe leidt dat mensen zich terugtrekken van
de arbeidsmarkt.
18 Hoeveel procent van de ruim 50.000 vrouwen die in 2002 in de WAO belandden, kwamen daar 14
terecht vanwege psychische klachten? Is daarvan een opdeling bekend naar leeftijd, beroep en
inkomensniveau?
Antwoord:
In bijna 40% (19.519) van de instroom van vrouwen (50.000) was de diagnose psychische klachten. In
onderstaande tabel wordt een overzicht gegeven voor de diagnose psychische klachten van de WAO-
instroom en het instroomrisico naar leeftijd en geslacht in 2002.
4 Rapportage minderheden 2003, SCP, Den Haag, oktober 2003.
5 (Potentiële) herintreedsters onder de loep genomen. B&A groep, oktober 2001
6 OECD, Employment Outlook 2003, p. 133-135.
---
Diagnose WAO-instroom 2002 WAO-instroomrisico 2002
psychische klachten Man Vrouw Totaal Man Vrouw Totaal
Gegevens over beroep en inkomensniveau van de WAO-instroom 2002 zijn niet beschikbaar.
19 Welke concrete beleidsmaatregelen gaat de regering nemen om de economische zelfstandigheid van 16
vrouwen te verhogen van 38% naar 60% in 2010? In welke mate moet elke afzonderlijke
beleidsmaatregel daaraan een bijdrage gaan leveren en hoe?
Antwoord:
In 2004 worden de arbeidskorting en de combinatiekorting verhoogd. De verhoging van de
combinatiekorting komt specifiek ten goede aan de minst verdienende partner in een huishouden. In
2005 treedt de Wet Basisvoorziening Kinderopvang (Wbk) in werking, die door de vraaggerichte
benadering tweeverdieners met kinderen en alleenstaande ouders meer mogelijkheden biedt voor
maatwerk om kinderopvang in te kopen. Voor ouders in een reïntegratietraject en nieuwkomers die
een verplichte inburgeringscursus volgen komt eveneens op grond van de Wbk financiering voor het
kinderopvanggebruik beschikbaar. Dit stimuleert de toeleiding tot de arbeidsmarkt en dus de
economische zelfstandigheid voor deze ouders. Verder heeft het kabinet het voornemen om een
levensloopregeling te introduceren, waarmee periodes van onbetaald verlof tijdens de levensloop
kunnen worden gefinancierd en economische zelfstandigheid (tot op zekere hoogte) behouden kan
blijven. Het kabinet heeft naar aanleiding van het Sociaal Akkoord de Tweede Kamer bij brief d.d. 17
oktober jl. aangegeven dat de voorstellen in het belastingplan 2004 voor de invoering van een
levensloopregeling worden aangehouden. Dit in afwachting van nader overleg tussen het kabinet en
Stichting van de Arbeid over de invulling van het gehele stelsel van fiscale faciliëring voor
VUT/prepensioen en levensloop.
20 In welke mate vormen vrouwenhandel, gedwongen huwelijken en zwangerschappen, eerwraak en 16
genitale verminking in Nederland een groeiend probleem? Welke meest recente cijfers zijn hierover
bekend?
Antwoord:
De Nationaal Rapporteur Mensenhandel heeft in haar tweede rapport gegevens gepubliceerd over aard
en omvang van mensenhandel in Nederland. Over eerwraak, gedwongen huwelijken en
zwangerschappen zijn geen kwantitatieve gegevens bekend.
De Minister van SZW zal vóór 1 december het onderzoeksrapport toezenden, getiteld "Strategieën ter
voorkoming van besnijdenis bij meisjes, inventarisatie en aanbevelingen". Dit onderzoeksrapport
bevat de resultaten van een kwalitatieve studie naar het verschijnsel meisjesbesnijdenis.
21 Hoe wordt voorkomen dat risico-inventarisaties en evaluaties ter voorkoming van 18
arbeidsongeschiktheid binnen bedrijven en instellingen leiden tot aanzienlijke lastenverzwaringen?
Antwoord:
Bij de Europees verplichte risico-inventarisatie en -evaluatie is de rol van de arbodienst wettelijk
voorgeschreven. Een arbodienst moet het document toetsen op juistheid en volledigheid, en op
actualiteit van verwerking van inzichten over adequate arbeidsomstandigheden, alsmede adviseren
over het plan van aanpak met maatregelen in verband met de geconstateerde risico's. Werkgevers
kunnen zelf, met hun werknemers, een groot deel van het ri&e-proces verzorgen en de kosten van de
arbodienst beperkt houden tot het wettelijk verplichte. Zeker sinds de totstandkoming van de website
rie.nl zijn er signalen dat dat in toenemende mate gebeurt; blijkens de arbomonitor 2001 van de
Arbeidsinspectie7 is het ri&e-proces in hoogstens 15 procent van de gevallen aan alleen maar de
7 Arbeidsinspectie, Arbomonitor 2001.
10
arbodienst overgelaten. Genoemde website, en inspanningen van het departement in onder meer
arboconvenanten en met MKB-Nederland zijn erop gericht deze zelfwerkzaamheid van werkgevers -
en hun werknemers - verder te versterken.
Werkgevers die ten hoogste 40 uur per week arbeid doen verrichten, zijn verplicht tot opstellen van
een ri&e, maar zijn vrijgesteld van de plicht een arbodienst in te schakelen voor de toetsing en
advisering.
In het Arbo Platform Nederland is overeenstemming bereikt over een andere aanpak van de toetsing
door arbodiensten als binnen arbeidsorganisaties zelf een ri&e is opgesteld op basis van een branche-
ri&e. Arbodiensten zullen bij werkgevers met maximaal 25 werknemers een aangepaste procedure
toepassen (zoals in beginsel geen bedrijfsbezoek, minder brede deskundige inzet) wanneer de
werkgever gebruik heeft gemaakt van een branche-ri&e-instrument. Het Arbo Platform Nederland zal
op basis van de bereikte overeenstemming het aan dhr. Spit, voorzitter van de Stichting Beheer
Certificatie Arbodiensten (SBCA) verzoeken om dit per 1 januari 2004 vast te leggen in een wijzing
van de certificatieregeling arbodiensten die private partijen onderhouden.
Aan de SER is advies gevraagd over een mogelijke wetswijziging8. Het kabinet wil CAO-partijen de
mogelijkheid bieden in hun sector verantwoordelijkheid op zich te nemen voor vaststellen van
standaard-ri&e-instrumenten voor kleine bedrijven, zoals tot maximaal 10 werknemers; bij gebruik
daarvan door de werkgever is inschakeling van de arbodienst bij de ri&e niet nodig. Een afzonderlijke
werkgever kan daar desgewenst nog wel voor kiezen.
Ook geldt het naar de mening van het kabinet als noodzakelijk dat binnen de certificatieregeling
arbodiensten meer maatvoering voor de kleine werkgevers wordt toegepast. Verder is de SER en de
RWI advies gevraagd over de mogelijkheid van `deelcertificaten arbodienstverlening'. Dat maakt het
mogelijk dat bijv. een brancheorganisatie die daartoe een gecertificeerde preventiedienst opricht, in
samenhang met andere dienstverlening aan leden en derden in de sector, ook de toetsing en advisering
rond de ri&e kan verzorgen.
Langs deze lijnen zet het kabinet voor bedoelde werkgevers enerzijds in op vermindering van lasten
verbonden aan inschakeling van arbodiensten, terwijl anderzijds de verantwoordelijkheid en
mogelijkheden van sectoren en werkgevers toenemen, zodat de nodige preventiecultuur niet meer kan
worden overgelaten aan de externe arbo- of preventiedienst.
22 Waarom sluit de stelselherziening in de WAO niet in overwegende mate aan bij het SER-advies en het 18
rapport van de Adviescommissie Arbeidsongeschiktheid en wat zijn de consequenties van de
afspraken zoals gemaakt tijdens het Najaarsoverleg met de sociale partners op het al dan niet
aansluiten?
Antwoord:
De Tweede Kamer is een Hoofdlijnennotitie toegezonden over het nieuwe stelsel van
arbiedsongeschiktheidsverzekeringen. Het kabinet heeft de Tweede Kamer tijdens het debat op 6
november nader daarover geïnformeerd, waarin ook de uitkomsten van het najaarsoverleg met sociale
partners zijn aangegeven. In de brief van 5 november heeft het kabinet de Tweede Kamer aangegeven
in genoemd debat in te kunnen gaan op het proces van besluitvorming en wetgeving.
23 Nederland zal zich tijdens het EU- voorzitterschap inzetten voor duurzame economische groei, voor 18
werkgelegenheidsgroei en voor invulling van de sociale beleidsagenda. Dit in het kader van de
Lissabonstrategie. Kan de regering wat betreft haar sociale beleidsagenda meer zeggen over haar
insteek bij de verschillende beleidspunten?
Antwoord:
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft tijdens het Algemeen Overleg met de
Tweede Kamer van 28 mei 2003 toegezegd om tijdens het algemeen overleg van 27 november 2003
nader in te gaan op de voornemens van de Regering wat betreft het programma voor het Nederlands
Voorzitterschap op het terrein van Werkgelegenheid en Sociale Zaken. (Verslag van Algemeen
Overleg 28 mei 2003 ter voorbereiding van de Raad WSBVC. Kamerstuk 21 501-31, nummer 21 (dd
18 juni 2003).
24 Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) heeft een aantal preventieve 18
8 Adviesaanvraag "Arbodienstverlening: aansturen op vraag" d.d. 4 april 2003; door staatssecretaris Rutte aan
de Kamer aangeboden d.d. 4 april 2003, AVB/AIS/03 26392.
---
programma's opgestart om arbeidsrisico's te verminderen. Zijn hiervan al eerste resultaten bekend? En
zo ja, wat zijn deze resultaten?
Antwoord:
Door de recente start van de programma's zijn er nog geen resultaten beschikbaar. De kamer zal
jaarlijks worden geïnformeerd over de voortgang van het programma.
25 Branchegewijze ontwikkeling van het RI&E (risicoinventarisaties en evaluaties)- instrument in 18
combinatie met algemene voorlichting kan de verzuimpreventie bevorderen. Wat is de stand van
zaken met betrekking tot de ontwikkeling van het RI&E-instrument per branche?
Antwoord:
Bijna vier vijfde van de werkgevers in Nederland beschikt over het document; de achterstand is er in
vooral het kleinbedrijf; van de werkgevers met minder dan 10 werknemers in 2002 heeft 26 procent
geen ri&e. Onder meer in arboconvenanten en met MKB-Nederland wordt gewerkt aan verbetering.
Op de website rie.nl zijn meer dan 100 modellen en instrumenten samengebracht. Brancheorganisaties
werken aan vernieuwing of actualisering van instrumenten, of kiezen voor ontwikkeling van een
nieuw instrument dat (nog) meer is toegesneden op de specifieke situatie van een werksoort. Daarmee
wordt de gunstige werking van het ri&e-proces verder in de hand gewerkt. Ook hierbij geldt dat onder
meer in arboconvenanten en met MKB-Nederland ontwikkelingen gesteund worden door het
departement. In 29 arboconvenanten zijn afspraken gemaakt over een branchespecifieke ri&e(of een
branchespecifieke module in de ri&e).
26 Met het nieuwe WAO stelsel wil de regering de instroom van het aantal duurzaam 19
arbeidsongeschikten beperken tot maximaal 25.000 per jaar. Kan de regering uitleggen waarop dat
aantal gebaseerd is?
Antwoord:
De regering sluit hiermee aan op de doelstelling uit het SER-advies inzake de WAO. De SER
becijferde in dat advies dat jaarlijks 40.000 mensen duurzaam en volledig arbeidsongeschikt worden,
en dat door aanscherping van het WAO-criterium dat aantal met ongeveer 40% gereduceerd kan
worden.
27 Per 1 juli 2004 wordt het schattingsbesluit WAO aangepast, welke gevolgen heeft dit voor de 19
instroom in de WAO en de herkeuring van bestaande gevallen?
Antwoord:
Zie antwoord vraag 22.
28 Welke verschillende regels in de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (Wet Rea) zijn 19
volgens de regering overtollig. Hoeveel geld is er gemoeid met het afschaffen van reïntegratietrajecten
in het eerste en tweede ziektejaar en hoe verhoudt dit zich tot de opmerking dat er niet bezuinigd
wordt op reïntegratietrajecten voor uitkeringsgerechtigden?
Antwoord:
Het kabinet heeft de Tweede Kamer tijdens het debat op 6 november geïnformeerd over de
hoofdlijnen van het nieuwe stelsel van arbeidsongeschiktheidsverzekeringen, waarin de uitkomsten
van het najaarsoverleg met sociale partners zullen zijn verwerkt. Onderdeel van dat stelsel is ook een
nieuwe opzet van de reïntegratie van arbeidsgehandicapten. Vooruitlopend op de invoering van het
nieuwe stelsel zullen volgend jaar, in het kader van de deregulering, reeds enkele wijzigingen
plaatsvinden. Deze betreffen onder meer de subsidies voor werkgevers en de reïntegratie-uitkering.
Verwezen wordt naar de brief aan de Tweede Kamer en de voortgangsrapportage actieplan
vereenvoudiging SZW regelgeving van 15 oktober.
Met het afschaffen van de tweede spoorsubsidie is een structureel bedrag van 80 miljoen gemoeid.
De subsidie voor scholing, training en begeleiding (eerste spoor) bedraagt 2 miljoen. De werkgever
gaat, in lijn met de vergroting van de eigen verantwoordelijkheid, zelf de reïntegratie van de
medewerkers financieren. Op de reïntegratiegelden die beschikbaar zijn voor uitkeringsgerechtigden
die thans langer dan twee jaar ziek zijn (huidige zittend bestand WAO) wordt niet omgebogen. Dit
12
budget wordt zelfs geïntensiveerd met 100 miljoen over 4 jaar.
29 Op welke manier wordt er voor gezorgd dat gedeeltelijk arbeidsgeschikten gelijke kansen krijgen bij 19
de toegang tot de arbeid?
Antwoord:
Zie antwoord vraag 22.
30 Hoe denkt de regering op de werkvloer de cultuuromslag te bereiken dat het goed is dat ouderen 21
langer blijven werken?
Antwoord:
Het kabinet heeft in juni 2001 een "Taskforce Ouderen en Arbeid" geïnstalleerd voor een periode van
twee jaar. De Taskforce richt zich onder meer op het bevorderen van een mentaliteitsverandering bij
werkgevers en werknemers ten opzichte van het werken door ouderen, en heeft hierin een
aanjaagfunctie. De Taskforce is breed samengesteld en bestaat uit vertegenwoordigers van
werkgevers- en werknemersorganisaties, bedrijfsleven, minderheden, ouderenbonden, wetenschap,
politiek en media. Deze brede samenstelling van de Taskforce biedt de mogelijkheid om de
cultuuromslag in brede lagen van de samenleving te weeg te brengen.
Op basis van de eindaanbevelingen van de Taskforce in december 2003 zal een kabinetsstandpunt aan
de Tweede Kamer worden aangeboden waarin de richting voor de komende jaren zal worden
aangeven.
31 Wat is de stand van zaken met betrekking tot de invoering van de Wet basisvoorziening kinderopvang 22
(Wbk)? Wanneer kan de Tweede Kamer definitieve stukken tegemoet zien?
Antwoord:
De nota naar aanleiding van het nader verslag en de tweede nota van wijziging worden uw Kamer
naar verwachting de eerste helft van november toegezonden.
32 De commissie Participatie Vrouwen uit Etnische Minderheidsgroepen (PaVEM) heeft tot doel de 22
arbeidsparticipatie onder etnische minderheden te vergroten. Wat zijn de concreet meetbare
doelstellingen van deze commissie en wat zijn de mijlpalen?
Antwoord:
De commissie PaVEM is op 3 juli 2003 ingesteld en heeft een bredere doelstelling: het bieden van
ondersteuning op gemeentelijk niveau bij het bevorderen van de participatie van vrouwen uit etnische
minderheidsgroepen en bij het vormgeven van de lokale regierol op dit terrein. Daarnaast zal de
commissie het kabinet kritisch volgen bij de uitvoering van de landelijke actiepunten uit de
kabinetsreactie op het advies van de commissie AVEM. Deze doelstellingen zijn verder uitgewerkt in
activiteiten in het werkplan van de commissie. Via inventariserende werkbezoeken aan gemeenten in
het najaar van 2003 wil de commissie zicht krijgen op de thema's waarop de gemeenten
ondersteuning vragen. Voor het eind van het jaar zal de commissie een programma presenteren van de
thema's waarop zij zich zal richten gekoppeld aan concrete doelen.
33 Wanneer komt de commissie PaVEM met haar advies en komt er überhaupt een advies? 22
Antwoord:
De commissie zal in juli 2005 een eindrapportage aan de minister presenteren, dat kan worden
opgevat als een advies, waarin de resultaten van de activiteiten van de commissie worden beschreven.
34 Hoe ziet de planning voor het plan van aanpak voor emancipatie en integratie van allochtone meisjes 22
en vrouwen eruit? Wanneer komt het plan van aanpak naar de kamer?
Antwoord:
Het plan van aanpak is u op 28 oktober jl. toegestuurd.
35 Kan een overzicht worden gegeven van de effecten van de armoedeval voor de verschillende 23
doelgroepen?
13
Antwoord:
De begroting geeft op pagina 213 de effecten van de armoedeval voor verschillende doelgroepen. De
ontwikkeling van het financiële verschil tussen uitkering en werk wordt daar gegeven in procenten
van het besteedbaar inkomen uit een uitkering. In de brief van 28 oktober 2003 wordt voor de
onderscheiden doelgroepen het verschil in euro's getoond. Onderstaande tabel geeft een samenvatting.
Uit de tabel blijkt dat in 2004 voor de alleenstaande en de kostwinner met kinderen de armoedeval
afneemt. De achteruitgang in inkomen (54 euro voor een alleenstaande en 657 euro voor een
kostwinner met kinderen) bij het aanvaarden van een baan op het niveau van het minimumloon wordt
beperkt. Dit wordt met name veroorzaakt door de beperking van het gemeentelijke categoriale beleid
en de bijzondere bijstand. Voor een alleenstaande ouder neemt de armoedeval in 2004 toe (van 4½%
naar 6¼%). Dit wordt veroorzaakt door het feit dat de werkende alleenstaande ouder, vanwege de al
bestaande fiscale kortingen voor deze groep, geen belasting betaald en dus geen voordeel heeft van de
verhoging van de arbeidskorting en kinderkorting. De niet werkende alleenstaande ouder profiteert
wel van de verhoging van de kinderkorting.
Tabel Ontwikkeling armoedeval 2003-2004
Armoedeval Effect 2004 Armoedeval
2003 2004
Alleenstaande -54 (-½%) +492 (4%) +438 (3½%)
Alleenstaande ouder -811 (-4½%) -130 (-1¾%) -941 (-6¼%)
Kostwinner met kinderen -657 (-3½%) +196 (1½%) -461 (-1¾%)
36 Wanneer wordt de onafhankelijke visitatiecommissie voor het emancipatiebeleid opgesteld? Wie gaan 23
daarin zitting nemen? Hoe zal de toetsing plaats gaan vinden? Jaarlijks?
Antwoord:
Vóór 1 december wordt de Tweede Kamer geïnformeerd over het instellen van de visitatiecommissie
en de wijze van toetsing. Op dit moment kan ik nog geen mededelingen doen over de samenstelling
van de commissie, omdat de betreffende personen nog niet allemaal zijn benaderd.
37 Op welke manier "bekijkt de regering" of geld uit het Europees Sociaal Fonds (ESF) kan worden 24
gebruikt voor het vervolg van het vacatureoffensief door de CWI's? Wat is de stand van zaken?
Antwoord:
SZW heeft CWI er op geattendeerd dat, indien zou worden besloten tot een vervolg van het
vacatureoffensief, dit zich in beginsel leent voor ESF-subsidiëring. Door SZW is dit ook in Brussel
nagegaan; daarbij kwam naar voren dat onder condities het vacature-offensief kansrijk kan zijn. CWI
is op basis van deze positieve bevindingen dan ook geadviseerd om een subsidieaanvraag in te dienen
Inmiddels heeft CWI een subsidieaanvraag ingediend; deze wordt thans door het Agentschap
beoordeeld.
38 De regering gaat een verkennende nota over de toekomstbestendigheid van werkloosheidsregelingen 24
opstellen. Wanneer is deze gereed?
Antwoord:
De verkennende nota over de toekomstbestendigheid van de werkloosheidsregelingen zal januari 2004
gereed zijn en vervolgens voor advies aan de SER worden aangeboden.
39 Verandert het Najaarsakkoord d.d. 14-10-2003 iets aan het voornemen en de timing van een 24
verkennende nota over de toekomstbestendigheid van werkloosheidsregelingen? Wordt in zo'n
verkennende nota ook gekeken naar de relatie met eventuele private verzekeringsvormen en scholing?
Antwoord:
De verkennende nota over de toekomstbestendigheid van de werkloosheidsregelingen zal januari 2004
gereed zijn en vervolgens voor advies aan de SER worden aangeboden.
De nota zal ondermeer ingaan op knelpunten, arbeidsmarktontwikkelingen en de relatie met
levensloopregelingen. Daarbij zal ook de relatie met eventuele private verzekeringsvormen en
scholing aan bod komen.
14
40 Wat zijn de effecten van het Najaarsakkoord op de koopkracht van mensen met een minimum- 25
inkomen op het niveau van de bijstand en de AOW? Kan dit worden uitgesplitst naar mensen met en
zonder kinderen, en naar een- en meerpersoonshuishoudens?
Antwoord:
In de brief aan de Kamer van 22-10-2003 "Inkomensbeeld na Najaarsoverleg" (ASEA/78866) is het
koopkrachtbeeld gepresenteerd waarin de effecten zijn verwerkt van het niet invoeren van de
medicijnknaak en van het Najaarsakkoord (waaronder de verlaging van de ziekenfondspremie met
200 miljoen). De effecten van het najaarsakkoord zijn daarin voor de genoemde groepen berekend op
+¼%.
41 Gaat de verlaging van de I/A-ratio in de Wet Koppeling met Afwijkingsmogelijkheid (WKA) door, 25
ondanks de afspraken in het najaarsakkoord over de loonmatiging in 2004 en 2005?
Antwoord:
Zodra het Stichtingsakkoord en de bijbehorende kabinetsreactie definitief zijn, gelden de daarin
gemaakte afspraken over de toepassing van de koppeling. Dit betekent dat vanaf dan de wettelijke
afwijkingsgronden doorslaggevend zijn voor de toepassing van de koppeling en niet langer het niveau
van de I/A-ratio.
42 Kan een overzicht worden gegeven van de maatregelen welke worden genomen om de koopkracht van 26
ouderen, chronisch zieken en gehandicapten op peil te houden?
Antwoord:
Voor de genoemde groepen zijn, inclusief verwerking van de afspraken in het najaarsakkoord, de
volgende maatregelen genomen:
· verhoging van de ouderenkorting met 63
· verlaging van de nominale ZFW-premie met ongeveer 25
· verlaging van de procentuele ZFW-premie met 0,45%-punt
· tegemoetkomingsregeling buitengewone uitgaven
43 Hoe zal de koopkracht van sociale minima (in zowel bijstand als AOW) zich ontwikkelen in de jaren 26
2004, 2005 en 2006, indien de persoon of het huishouden in kwestie (1) een huurwoning heeft van
400,- en hiervoor huursubsidie ontvangt en (2) een maximaal eigen risico voor ziektekosten moet
betalen? Kan dit worden uitgesplitst naar één- en meerpersoonshuishoudens?
Antwoord:
Onderstaande tabel geeft een overzicht van de koopkrachtontwikkeling in 2004 voor de gevraagde
groepen. Hierbij is rekening gehouden met de wijzigingen in het koopkrachtbeeld naar aanleiding van
de afspraken in het najaarsoverleg. Het koopkrachtbeeld voor 2005 en 2006 is nog niet bekend en
sterk afhankelijk van de uitkomsten van de begrotingsvoorbereidingen voor die jaren en de endogene
ontwikkeling van lonen en prijzen voor die jaren.
Tabel Koopkrachtontwikkeling 2004
Generieke koopkracht-
Koopkrachtcijfers ontwikkeling 2004 Effect huursubsidie Totaal
Sociale minima
paar mk 1/4 -1/2 -1/4
alleenstaande 0 -1 -1
AOW (alleenstaand)
Alleenstaand 3/4 -3/4 -1/4
paar zonder kinderen 1/4 -1/2 -1/4
44 Kan de regering aantonen dat de administratieve lastenverlichting en deregulering zoals afgesproken 27
in het Hoofdlijnenakkoord daadwerkelijk worden gehaald?
Antwoord:
15
Voor wat betreft de deregulering zijn de concrete voornemens op het terrein van het ministerie van
SZW neergelegd in het Actieplan vereenvoudiging SZW regelgeving (TK 28 600 XV, nr. 24). Op 15
oktober jl. heb ik u de eerste voortgangsrapportage over dit Actieplan aangeboden, waarin wordt
gemeld dat inmiddels een kwart van de oorspronkelijke voorstellen al is gerealiseerd.
Voor wat betreft de administratieve lasten voor het bedrijfsleven heeft de minister van Financiën het
voornemen de Tweede Kamer in het voorjaar een plan van aanpak te doen toekomen met concrete
taakstellingen per departement. Overigens bent u al geïnformeerd over enkele substantiële voorstellen
door SZW op het terrein van de sociale verzekeringen (TK 28 219) en de arbeidsomstandigheden (TK
24 036, nr. 271).
De aanpak door het kabinet van de administratieve lasten van burgers bevindt zich nog in het eerste
stadium van voorbereiding in het kader van het BZK-programma Modernisering van de Overheid.
45 Kan cijfermatig worden onderbouwd waarom in de komende jaren, zonder aanvullend beleid, 29
gevreesd wordt voor een daling van de arbeidsparticipatie van ouderen (55-64)?
Antwoord:
In beleidsartikel 2 (pagina 51) staat dat de regering ernaar streeft `de dalende trend van de netto
arbeidsparticipatie van ouderen (55-64 jaar), die gezien de stand van de conjunctuur kan worden
verwacht, uiterlijk in 2007 om te keren in een stijgende trend'.
De ervaring leert dat het aantal werkende jongeren en werkende ouderen in een periode van
laagconjunctuur sterker onder druk staat dan het aantal werkenden van `middelbare leeftijd' (35-54
jaar).
Als we bijvoorbeeld kijken naar het jaar 1993, nam de werkloosheid met 70 duizend mensen toe.
Terwijl de werkgelegenheid in dat jaar gemeten in arbeidsjaren in totaal ongewijzigd bleef, daalde de
netto arbeidsparticipatie bij ouderen met 0,7%-punt (8 duizend). In 1994 trok de economische groei
weer aan. De netto arbeidsparticipatie van ouderen nam dat jaar ook met 0,8% toe.
De werkgelegenheid ontwikkelt zich in 2003 en 2004 ongunstiger dan in 1993 en 1994 (gemiddeld
min 65 duizend arbeidsjaren in 2003 en 2004 versus gemiddeld min 8 duizend arbeidsjaren in 1993 en
1994). Gezien deze ontwikkeling, en de ervaringen uit het verleden, wordt zonder nader beleid
gevreesd voor een daling van de netto arbeidsparticipatie van ouderen.
46 Kan de regering in tabel 2.1 van de beleidsagenda, de posten Rijksbijdrage BIKK (Bijdrage in de 31
kosten van kortingen) AOW, Rijksbijdrage BIKK ANW en Storting ouderdomsfonds over de jaren
2003 t/m 2007 nader toelichten?
Antwoord
De afzonderlijke cijfersreeksen rijksbijdragen BIKK AOW en Anw voor de periode 2003-2007 (in
tabel 2.1 op pagina 31) zijn in zijn totaliteit juist weergegeven. De verdeling over de twee
rijksbijdragen niet. De juiste reeks luidt:
2003 2004 2005 2006 2007 2008
Rijksbijdrage BIKK AOW -123,4 -83,2 -3.892,0 -3.815,3 -3.903,6 -3.859,1
Rijksbijdrage BIKK ANW -12,7 0,1 -51,4 -29,9 -19,2 -7,1
In de Nota van Verbetering wordt deze reeks opgenomen.
De conjuncturele ontwikkeling heeft zijn weerslag op de vermogensoverschotten van de centrale
fondsen. Per ultimo 2002 had de volksverzekering AWBZ een vermogenstekort van ca. 4 miljard.
Om de vermogenspositie van de AWBZ te verbeteren wordt dit en komend jaar de AWBZ-premie
verhoogd bij een gelijktijdige belastingverlaging in de eerste twee schijven. Door deze
premieverhogingen en de pakketverkleiningen wordt het vermogenstekort van de AWBZ
teruggedrongen.
De AWBZ premieverhogingen hebben een neerwaarts effect op de rijksbijdragen BIKK AOW en
Anw en een verhogend op de rijksbijdrage BIKK AWBZ. De aanpassingen vanaf 2005 worden
veroorzaakt doordat de fiscalisering van de AOW niet zal plaatsvinden.
De stortingen in het ouderdomsfonds zijn bij nota van wijziging op de begroting 2003 doorgevoerd.
De stortingen hebben tot doel ervoor te zorgen dat het fonds geen tekorten laat zien.
47 Wat zijn de instrumenten die de Centrale Organisatie Werk en Inkomen (CWI) heeft om specifiek 33
hoger opgeleiden weer aan het werk te krijgen?
16
Antwoord:
CWI heeft geen specifieke instrumenten voor hoger opgeleiden. De verschillende instrumenten die
CWI inzet zijn gerelateerd aan de afstand tot de arbeidsmarkt van de werkzoekende. Hierbij moet
gedacht worden aan instrumenten voor zelfwerkzaamheid (zoals de `beursvloer' en werk.nl),
bemiddelings- en activeringsgesprekken, reintegratie-advies etc.
48 Hoeveel mensen worden per saldo wetenschappelijk aantoonbaar door CWI aan een baan geholpen 33 40
die zonder CWI geen baan zouden hebben, en hoeveel vacatures worden per saldo wetenschappelijk
aantoonbaar dankzij CWI vervuld die zonder CWI niet vervuld zouden worden?
Antwoord:
Een dergelijk wetenschappelijk onderzoek is nooit uitgevoerd. Het antwoord op deze vraag is derhalve
niet te geven.
49 Waarom is de indicator klanttevredenheid over dienstverlening door het CWI niet langer een 35
operationele doelstelling?
Antwoord:
Er is voor gekozen om het aantal operationele doelstellingen en prestatie-indicatoren in de begroting
te beperken. Bij CWI zijn de operationele doelstellingen met name afgeleid van de algemene
doelstelling werk boven inkomen. Dat wil niet zeggen dat CWI zelf niet op klanttevredenheid stuurt.
In het jaarplan 2004 is klanttevredenheid een van de prestatie-indicatoren waarover CWI aan mij
verantwoording gaat afleggen.
50 Wat wordt bedoeld met een "minimaal evenredige bemiddeling naar arbeid" bij etnische 35
minderheden?
Antwoord:
Iedere bij het CWI ingeschreven werkzoekende dient passende activerende dienstverlening
aangeboden te krijgen in de vorm van bemiddeling naar werk, zodat werkzoekenden op een zo kort
mogelijke termijn aan het arbeidsproces kunnen deelnemen. De navolgende indicatoren zijn opgesteld
waaraan afgemeten kan worden of CWI aan voornoemde doelstelling afdoende invulling geeft:
· De preventiequote geeft het percentage potentieel uitkeringsgerechtigden (WW en Abw) aan dat
uitstroomt vóór overdracht aan de ketenpartners UWV en gemeenten.
· De uitstroomquote geeft aan het percentage werkzoekenden (waarvoor een uitkeringsrecht WW
of Abw is geïndiceerd) dat binnen zes maanden na de eerste werkloosheidsdag bij CWI
uitstroomt.
Voor de groep etnische minderheden geldt als doelstelling een minimaal evenredig
bemiddelingsresultaat naar arbeid. Wordt gekeken naar de preventiequote dan is op basis van het
percentage werkzoekende etnische minderheden in het fase-1-bestand op 1 januari 2003 een
evenredigheidsnorm van 16,8% vastgesteld.
Op basis van het tweede kwartaalverslag van CWI blijkt de realisatie 18,4% te zijn, dit percentage ligt
ruim boven de norm van 16,8%. Dit betekent dat er procentueel meer etnische minderheden door het
CWI op vacatures worden geplaatst dan er procentueel als werkzoekend in het totale fase-1-bestand
staan ingeschreven. Over de resultaten wordt per kwartaal aan de Kamer gerapporteerd middels het
Kwartaalbericht Arbeidsmarkt en aanbieding van de kwartaalverslagen van CWI.
51 Wat is de huidige stand van zaken wat betreft actieve bemiddeling voor specifieke doelgroepen als 35
etnische minderheden, herintredende vrouwen, bestrijding jeugdwerkloosheid en sollicitatieplicht 57,5
jarige en ouder?
Antwoord:
Etnische minderheden
In het kader van het jaarplan 2003 zijn afspraken gemaakt met het CWI over de inbedding van de op
maatwerk gerichte één-op-één aanpak van het MKB-minderhedenconvenant in de reguliere werkwijze
van CWI. Afgesproken is dat CWI in 2003 extra dienstverlening verleent voor allochtone fase-1
werkzoekenden. Zo wordt aan werkgevers die etnische minderheden willen aannemen, door CWI
17
intensieve dienstverlening geboden in de vorm van een aantal aanvullende werkprocessen zoals
persoonlijke introductie bij de werkgever en inwerkbegeleiding. Richting etnische minderheden wordt
door CWI vacaturegerichte ondersteuning gegeven en wordt zwaarder ingezet op frequentie en duur
van de bemiddelingsactiviteiten. Afgesproken is dat CWI voor iedere allochtone werkzoekende per
saldo ca. 2 uur aan extra diensten inzet. Ook in het kader van het vacatureoffensief wordt extra
aandacht gegeven aan etnische minderheden zodat naar evenredigheid plaatsingsresultaten worden
geboekt. Op basis van het tweede kwartaalverslag van CWI kan geconcludeerd worden dat aan deze
doelstelling wordt voldaan; procentueel worden er meer etnische minderheden door CWI op vacatures
worden geplaatst dan er procentueel als werkzoekend in het totale fase-1-bestand staan ingeschreven.
Herintredende vrouwen
In het kader van het convenant herintredende vrouwen zijn, geldend vanaf 2002, in kwalitatieve zin
afspraken met het CWI gemaakt over een specifieke benaderingswijze van deze groep met speciale
aandacht voor allochtone herintreedsters, stimulering van inschrijving, actieve bemiddeling en
maatwerk door het CWI. Voorts zal het CWI zich inspannen om wervings - en voorlichtingsacties in
samenwerking met de betrokken partijen uit te voeren.
Afhankelijk van de wensen en capaciteiten van vrouwen, biedt het CWI hen één of meerdere
workshops (oriëntatie op loopbaan en betaald werk) en/ of individuele begeleiding aan. Uitgaande van
de nieuwe definitie: "een vrouwelijke niet-werkende werkzoekende van 23 jaar of ouder zonder
uitkering die geen schoolverlater is", hebben zich in de periode 1/1/2003 t/m 30/09/03 16.723
vrouwen ingeschreven bij het CWI. Ruim de helft daarvan behoort tot een etnische minderheid en een
merendeel daarvan meldt zich in eerste instantie voor een inburgeringstraject. In 2003 zijn 692
vrouwen aan het werk geholpen, waarvan 219 uit een etnische minderheid. Van vrouwen die aan het
werk zijn geholpen waren er 367 ingedeeld in fase 1.
Jeugdwerkloosheid
In het Plan van aanpak jeugdwerkloosheid wordt uiteengezet op welke wijze CWI mede door middel
van het zelf inzetten van drempelslechtingsbudgetten werkzoekenden snel kan bemiddelen naar
(leer)werkplekken. De drempelslechtingen zijn bedoeld voor jongeren tot 23 jaar, zonder
startkwalificatie zoals vastgelegd in de RMC-wet. Bij het inzetten van het budget ligt de nadruk op
jongeren die zonder inzet hiervan niet aan een baan zouden komen. Per jongere kan CWI een
drempelslechtingsbudget inzetten van gemiddeld 1000,-. Maximaal kan een bedrag van 2.000,- per
jongere voor drempelslechting worden ingezet .Voor de uitvoering is in principe voor de periode
2003-2007 in totaal een bedrag beschikbaar van 35 mln. Voor het jaar 2003 is een bedrag van 3
mln beschikbaar. Hiervoor zal CWI 3.000 jongeren met behulp van drempelslechtingen naar werk
bemiddelen. Voor de jaren 2004-2007 is een bedrag van jaarlijks 8 mln beschikbaar voor 8.000
drempelslechtingen. Per jaar zal in overleg met CWI worden bezien wat een reëel niveau is voor de
drempelslechtingen. In de kwartaalverslagen wordt gerapporteerd over de inzet en het resultaat van de
drempelslechtingen.
Ouderen
De sollicitatieplicht voor ouderen van 57.5 jaar en ouder is voorzien voor 1 januari 2004 vanaf dat
moment is de actieve bemiddeling voor deze categorie ouderen aan de orde. Gelet op de
inwerkingtreding van de WWB per 1 januari 2004 zal de categorale ontheffing voor
bijstandsgerechtigden van 57,5 jaar en ouder vanaf dat moment niet meer gelden.
52 Wat wordt concreet bedoeld met "passende activerende dienstverlening"? 35
Antwoord:
Onder passende dienstverlening aan werkzoekenden wordt verstaan het opstellen van een klantprofiel,
het voeren van bemiddelings- en activeringsgesprekken, het voeren van gesprekken over
sollicitatiegedrag en bijbehorende verplichtingen en het opstellen van een reïntegratieadvies.
53 Waarom zijn er geen streefcijfers voor de uitstroomquote WW en Abw voor 2003 opgenomen? 36
Antwoord:
De uitstroomquote werd in 2003 voor het eerst toegepast. Omdat er tot voor kort er geen cijfers van
het CBS beschikbaar waren was het niet goed mogelijk een streefcijfer op te nemen. Voor 2004 zijn
de streefwaarden in de begroting opgenomen.
18
54 Kan de regering de reden toelichten waarom de streefwaarde voor de preventiequote WW 2004 is 36
aangepast?
Antwoord:
Op grond van de realisaties 2003 heeft CWI geconcludeerd dat het streefcijfer voor de preventiequote
WW onder de huidige economische omstandigheden te hoog was geformuleerd. Voor 2004 is dit
cijfer op een meer realistisch niveau vastgesteld.
55 Hoe stimuleert CWI het aanmelden van vacatures door werkgevers bij deze organisatie. 36
Antwoord:
In het kader van het vacatureoffensief wordt een uitgebreide communicatiecampagne gevoerd die er
op gericht is om werkgevers meer vacatures te laten melden. Om dat melden gemakkelijker te maken
heeft het CWI een landelijk 0800 nummer ingesteld waarop vacatures gemeld kunnen worden.
56 Waarom is de behandeling van ontslagaanvragen niet opgenomen in de operationele doelstellingen 36
van de CWI?
Antwoord:
Er is voor gekozen om het aantal operationele doelstellingen en prestatie-indicatoren in de begroting
te beperken. Bij CWI zijn de operationele doelstellingen met name afgeleid van de algemene
doelstelling werk boven inkomen. De behandeling van ontslagaanvragen valt daar niet onder. CWI
levert aan de minister wel verantwoordingsinformatie over dit onderwerp.
57 In 2003 was het streven voor marktbereik vacatures nog 42% wat zijn de oorzaken voor de bijstelling 37
van dit streven naar 30 %?
Antwoord:
De reden voor de bijstelling is dat in 2003 duidelijk werd dat het streven voor 2003 te hoog was.
Overigens is van belang dat CWI in het jaarplan 2004 de definitie van de indicator marktbereik
vacatures heeft gewijzigd. Deze wijziging kon niet meer meegenomen worden in de begroting 2004.
Voorheen ging het alleen om vacatures die door werkgevers bij CWI worden gemeld om via het
voorwerk van CWI vervuld te worden. Nu worden ook de vacatures die in werk.nl zijn opgenomen
meegenomen in de prestatie-indicator, daarbij gaat het ook om complete vacaturebestanden die door
derden aan CWI worden geleverd ten behoeve van werk.nl. CWI heeft op basis van de gewijzigde
definitie in het jaarplan voor 2004 een streefwaarde van 50% geformuleerd.
58 Waarom zijn aan de prestatie-indicator `reïntegratieadviezen die voldoen aan kwaliteitseisen' 37
(operationele doelstelling 3) geen streefwaarden verbonden?
Antwoord:
De ketenpartners hebben met elkaar en met mij afspraken gemaakt over een aantal onderwerpen die
het hart van de samenwerking raken. E.e.a. is vastgelegd in het Programma Ketenresulaten 2003 -
2004. Het Programma bevat onder meer afspraken over de uitkeringsintake, het reïntegratie-advies en
de kennisgevingen verwijtbaar gedrag. Daarnaast bevat het programma bijvoorbeeld
prestatieafspraken over het voorkomen van instroom in de Abw en de WW (de preventiequote) en de
doorstroom uit de WW naar de Abw (de doorstroomqoute). De afspraken uit het Programma hebben
een landelijk karakter en dienen op lokaal of regionaal niveau verder te worden uitgewerkt in
serviceniveau overeenkomsten (SNO). In de SNO kunnen partijen streefwaarden op maat afspreken.
De kwaliteitseisen die aan het reintegratie-advies worden gesteld zijn overigens aan verandering
onderhevig. Per 1 oktober jl. is een nieuw reintegratieadvies van CWI ingevoerd. Dit is in nauwe
samenwerking tussen CWI, UWV en gemeenten ontwikkeld.
59 De prestatie-indicator tijdigheid van overdragen dossiers (binnen 8 werkdagen) bij de derde 37
operationele doelstelling is gesteld op 80% terwijl het een wettelijke verplichting is om ieder dossier
binnen 8 dagen over te dragen ook als zij nog niet volledig zijn. Wat zijn de redenen dat niet voor
100% kan worden voldaan aan overdracht van de dossiers binnen 8 dagen?
19
Antwoord:
Bij het operationaliseren van de doelstelling is rekening gehouden met de implementatietermijn van
SUWI. Uitgangspunt is dat SUWI in 2006 100% functioneert. Voor de resultaten in 2003 verwijs ik u
naar de beantwoording van vraag 61.
60 Welke sancties zijn er als de CWI het nalaat een dossier binnen 8 werkdagen over te dragen aan de 37
gemeente of UWV?
Antwoord:
Er zijn geen sancties.Wel kunnen partijen afspraken maken over het gezamenlijk verrichten van
metingen naar de prestaties en eventuele noodzakelijke verbeteringen. Zoals ook in de Nota naar
aanleiding van het verslag bij het wetsvoorstel WWB aan de orde is geweest, kan van financiële
sancties tussen de ketenpartners geen sprake zijn. Financiële sancties passen naar de mening van het
kabinet ten principale niet in een werkrelatie tussen twee publieke uitvoeringsorganisaties.
61 Hoe vaak komt het nu voor dat uitkeringsdossiers niet binnen acht werkdagen na indiening van de 37
aanvraag juist en volledig worden opgebouwd, gecontroleerd en overgedragen aan het UWV of
gemeenten?
Antwoord:
Op basis van informatie van CWI (2e kwartaalrapportage 2003) maak ik op dat richting gemeenten in
meer dan 95% van de gevallen een overdracht plaatsvindt binnen 8 werkdagen nadat de
uitkeringsintake heeft plaatsgevonden. Bij UWV ligt het percentage boven 75%, maar nog onder de
norm van 80%.
De in het eerste halfjaar gerealiseerde tijdigheid is respectievelijk: WW 76,0%, Abw 95,4% en Ioaw
97,2%. Voor de WW betreft het hier dossiers die binnen 8 werkdagen na het opstellen van het
klantprofiel c.q. eerste werkloosheidsdag worden overgedragen aan UWV. Ten opzichte van het einde
van het eerste kwartaal is de tijdigheid WW en Ioaw toegenomen (was respectievelijk 73,9% en
96,9%) en de tijdigheid Abw stabiel gebleven (was 96.0%).
Ten aanzien van volledigheid kan ik constateren dat de resultaten in het tweede kwartaal hoger zijn
dan in het eerste kwartaal over 2003.
In het 1e halfjaar 2003 zijn 208.326 WW-dossiers en 62.341 Abw-dossiers overgedragen. In de
Lijnmonitor is over 96% van de in het eerste halfjaar verzonden WW-dossiers en over 93% van de
Abw-dossiers verantwoording afgelegd. Daaruit is gebleken dat 83,0% van de WW-dossiers en 75,2%
van de Abw-dossiers volledig is overgedragen. In het eerste kwartaal bedroeg de volledigheid WW en
Abw respectievelijk 80,2% en 73,2%.
62 Heeft het niet overdragen van dossiers binnen 8 werkdagen te maken met de stand van zaken met 37
betrekking tot de automatisering bij CWI, UWV en gemeenten? Welke knelpunten zijn er precies?
Antwoord:
In antwoord op vraag 61 is aangegeven dat de de tijdigheid richting gemeenten met ruim 95% ligt
boven de norm van 80% en bij UWV met 75% iets onder de norm van 80%. Bij overdracht aan UWV
is sprake van een toename van de tijdigheid en is de verwachting dat in 2004 de norm van 80% zal
worden gehaald. Hieruit kan worden opgemaakt dat eventuele knelpunten in het kader van de
automatisering niet van doorslaggevend belang zijn bij het realiseren van een tijdige
gegevensoverdracht.
63 Welke stappen moeten exact door wie worden genomen voor het verkrijgen van een 38
tewerkstellingsvergunning voor een vluchteling die langer dan 6 maanden in de procedure voor een
verblijfsvergunning zit? Hoeveel dagen neemt deze procedure minimaal en maximaal in beslag?
Welke afdracht van verdiend loon is gebruikelijk voor zorg en verblijf in het COA centrum en op
welke wijze wordt "waterdicht" voorkomen dat misbruik wordt gemaakt van de vergunning danwel
het sofinummer?
Antwoord:
De procedure ziet er als volgt uit:
1. Asielzoekers die rechtmatig in Nederland verblijven (beschikken over een zogenoemd W-
document, dit is een document afgegeven namens de minister van Justitie waaruit rechtmatig verblijf
20
van de asielzoeker in Nederland blijkt), en waarvan de asielaanvraag tenminste 6 maanden in
behandeling is, en aan wie door COA opvang wordt geboden, kunnen binnen een tijdsbestek van 52
weken maximaal 12 weken onder marktconforme voorwaarden werken, mits de werkgever voor hen
over een tewerkstellingsvergunning beschikt. Voor de beantwoording van de vraag, of de asielzoeker
aan de hiervoor genoemde eisen voldoet, is een verklaring van de minister van Justitie (voorheen
COA-verklaring) nodig.
2. Een asielzoeker die wil werken gaat naar een front-office van een COA-opvang.
3. Het front-office registreert de aanvraag en geeft hem door aan een back-office.
4. Het back-office geeft de vraag door aan de IND. De IND bekijkt in haar elektronische bestand
(INDIS) of de vreemdeling al minimaal 6 maanden in procedure is (door het COA wordt opgevangen)
en of deze niet in een uitzetprocedure zit.
5. De IND verstrekt de benodigde informatie naar het COA back-office.
6. Het back-office geeft het bericht door naar het front-office, die de asielzoeker een verklaring geeft.
7. Met de verklaring kan een asielzoeker naar een werkgever, die daarop een werkvergunning bij het
CWI kan aanvragen.
De totale tijd die de COA/IND procedure inneemt bedraagt minimaal 6 en maximaal 8 weken. De
benodigde tijd voor CWI om te beslissen op het verzoek is maximaal 5 weken.
Ik heb in het Algemene Overleg met de vaste commissies voor SZW en voor Financiën op 10
september jl. toegezegd dat de Tweede Kamer in november wordt geïnformeerd over de voorstellen
van de werkgroep verbetering werkafspraken van Justitie, Centraal orgaan Opvang Asielzoekers
(COA), Centrale organisatie Werk en Inkomen (CWI) en Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND).
De voorstellen van deze werkgroep hebben betrekking op de versnelling van de procedure rond de
aanvraag van tewerkstellingsvergunningen, die nu maximaal 13 weken duurt, waarbij de werkgroep
tevens zal aangeven welke voornemens er zijn met betrekking tot handelen in noodsituaties.
Misbruik van de tewerkstellingsvergunning wordt voorkomen door veldcontroles (bij bedrijven) door
de Arbeidsinspectie. Een TWV wordt afgegeven aan de werkgever voor een specifieke vreemdeling,
en voor een specifieke functie. De werkzame persoon heeft niet de TWV (maar wel een kopie
daarvan). De AI moet controleren bij de werkgever of hij een TWV voor de vreemdeling in kwestie
heeft. De naam hierop wordt vergeleken met het paspoort of de ID van de vreemdeling.
Daarnaast vraagt u, welke afdracht van verdiend loon gebruikelijk is voor zorg en verblijf in COA.
Deze bijdrage is neergelegd in de "Regeling eigen bijdrage asielzoekers met inkomen en vermogen
(Reba-regeling). De bijdrage is afhankellijk van de individuele situatie.
64 Hoe is de gegevensuitwisseling in België en Duitsland vormgegeven? In welke opzichten wijkt dit af 38
van de situatie in Nederland en in hoeverre is het beleid in genoemde landen succesvol voor wat
betreft efficiëntie en handhaving?
Antwoord:
De rol die het BKWI (Bureau Keteninformatisering Werk en Inkomen) is toebemeten in de
Nederlandse sociale zekerheid lijkt sterk op de rol van de Belgische Kruispuntbank van de Sociale
Zekerheid en is daar ook door geïnspireerd. Verschil met België is dat de Kruispuntbank al vanaf
1991 bestaat en daardoor inmiddels ook meer functies vervult op gebied van informatie-infrastructuur
voor uitvoeringsorganisaties dan BKWI hier. Het BKWI is pas sinds de invoering van SUWI (2002)
operationeel. In België is sprake van een gefragmenteerde zorg en sociale zekerheid en zijn veel meer
instellingen op de Kruispuntbank aangesloten. Bovendien heeft men in België een wettelijk verbod op
de uitvraag van reeds bekende gegevens bij de burger uitgevaardigd, waardoor de
uitvoeringsinstanties verplicht zijn reeds bekende cliëntgegevens bij elkaar op te halen. De
waarborgen voor privacy zijn er even zwaar als in Nederland, maar bestuurlijk is het in de
Kruispuntbank-regelgeving wat anders ingebed. Omdat handhaving in België nooit het perspectief is
geweest om keteninformatisering aldus in gang te zetten, zijn de effecten van de Belgische
systematiek op dat terrein niet in geld uit te drukken. Wel zijn er aanwijzingen dat eenmalige
registratie van gegevens van burgers in authentieke registers een prima incentive is voor burgers om
bij de instellingen goed en dus maar op één manier - geregistreerd te staan. Van de winst in
efficiency die de Belgen hebben behaald bestaan op macro-niveau evenmin gegevens, voor zover mij
thans bekend. Kwalitatief is de sprong op dit terrein wel aannemelijk, omdat overbodige uitvraag en
dubbel beheer van gegevens op grote schaal wordt voorkomen. Deze doelstellingen liggen overigens
ook aan SUWI-net ten grondslag.
De vergelijking met Duitsland is moeilijker te maken. Per Bundesland verschilt de situatie iets.
Duitsland geldt momenteel niet als gidsland op dit gebied, België, Ierland en de Scandinavische
21
landen wel. Met enige regelmaat vinden er overigens ambtelijke oriëntaties plaats op internationale
ontwikkelingen op dit terrein.
65 Op basis van welke indicatoren worden de jaarlijkse middelen voor de dienstverlening CWI 39
vastgesteld?
Antwoord:
De indicatoren op basis waarvan de jaarlijkse middelen voor de dienstverlening CWI worden
vastgesteld zijn "het geraamde aantal met werkloosheid bedreigden met (gedeeltelijke)
sollicitatieplicht", "het aantal geraamde niet uitkeringsgerechtigden en het aantal werkgevers met
vacatures, dat zich meldt voor persoonlijke dienstverlening". Daarnaast zijn de aantallen ontslag- en
tewerkstellingsvergunningen indicatoren.
66 Waarom is de grens van daling aandeel werkenden en werklozen zonder startkwalificatie in de 41
beroepsbevolking van 25-64 jaar tot minder dan 20 procent in 2010 niet bij 23 jaar gelegd?
Antwoord:
Gelet op de jeugdwerkloosheid en het grote aantal voortijdig schoolverlaters, wordt in lijn met de
Europese doelstellingen (Lissabon) op dit punt een onderscheid gemaakt in jongeren en volwassenen.
De leeftijd van 24 jaar is internationaal bepaald.
Ten aanzien van jongeren (tot en met 24 jaar) geldt de volgende doelstelling: Het aantal ingezetenen
tot 24 jaar zonder startkwalificatie moet worden gehalveerd. Hierbij streeft het kabinet ernaar samen
met partijen op landelijk en regionaal niveau het aantal jongeren dat zonder startkwalificatie het
onderwijs dreigt te verlaten terug te brengen: in 2006 met 30 procent ten opzichte van het aantal in
1999, en in 2010 met 50 procent ten opzichte van het aantal in 2000. Voor de daling van het aandeel
werkenden en werklozen zonder startkwalificatie van 25-64 jaar, is de ontwikkeling van het aantal
jongeren zonder startkwalificatie natuurlijk mede bepalend.
67 Hoeveel mensen worden per saldo wetenschappelijk aantoonbaar door de instrumenten van het 41 57
werkgelegenheidsbeleid onder artikel 2 (Stimulering en kwaliteitsbevordering van arbeidsparticipatie)
aan een baan geholpen die zonder dit beleid geen baan zouden hebben?
Antwoord:
Het is niet mogelijk eenduidig aan te geven hoeveel mensen per saldo door de instrumenten van het
werkgelegenheidsbeleid aan een baan zijn geholpen die zonder dit beleid geen baan zouden hebben.
Studieresultaten ten aanzien van de zogenaamde dead weight loss variëren substantieel. Dit geldt
zowel voor nationale als internationale studies terzake.
Ten aanzien van de werkgelegenheidseffecten van arbeidsmarktinstrumenten kan wel het volgende
worden opgemerkt. In Nederland wordt, in vergelijking met andere Europese landen, relatief veel geld
uitgegeven aan actief arbeidsmarktbeleid. Het blijkt dat dit ook zijn vruchten afwerpt. Uit de
Employment Outlook 2003 van de OECD komt naar voren dat in de periode 1993-2001 Nederland, na
Ierland en Spanje, de hoogste werkgelegenheidsgroei heeft gehad. Bovendien heeft alleen in
Nederland (en het Verenigd Koninkrijk) iedereen in gelijke mate geprofiteerd van deze
werkgelegenheidsgroei, dat wil zeggen zowel laag, midden en hoog opgeleiden. Dit blijkt uit de groei
van laagbetaalde respectievelijk midden en hoogbetaalde banen. Deze drie soorten banen zijn in
Nederland vanaf 1993 met elk 15 tot 20 procentpunten gestegen. In de meeste andere EU-landen zijn
vooral het aantal hoogbetaalde banen gegroeid.
Voorts blijkt uit de OECD Employment Outlook 2003 dat de uitkeringsafhankelijkheid in Nederland
meer dan in de meeste andere Europese landen is gedaald in de periode 1990-1999. In de meeste
landen is de uitkeringsafhankelijkheid in genoemde periode zelfs toegenomen.
Ten derde behoort de werkloosheid onder laagopgeleiden in Nederland tot de laagste in Europa.
Uiteraard kunnen deze gunstige ontwikkelingen niet alleen worden toegeschreven aan het
Nederlandse arbeidsmarktbeleid. Ook andere ontwikkelingen, zoals deeltijdarbeid en de economische
ontwikkeling spelen hierin een rol. Niettemin is ook in andere landen arbeidsmarktbeleid gevoerd,
zonder dat daar dezelfde resultaten zijn bereikt. Derhalve kan worden geconcludeerd dat factoren,
waaronder het arbeidsmarktbeleid, geresulteerd hebben in een zeer goede prestatie van de
Nederlandse arbeidsmarkt in internationaal perspectief.
---
Overigens wordt momenteel in lijn met het IBO-rapport "Aan de slag" door SZW gewerkt aan betere
en eenduidigere evaluatiemethoden die een adequaat inzicht geven in de effectiviteit van
arbeidsmarktinstrumenten. Hierbij worden ook externe deskundigen betrokken..
68 Waarom zijn de beschikbare reïntegratiemiddelen vanuit het ESF in 2004 19 miljoen euro lager dan in 42
2003, terwijl ingezet wordt op meergebruik?
Antwoord:
De beschikbare ESF middelen worden op basis van de door de Europese Commissie vastgestelde
verdeelsleutel en voorafgaande aan de programmaperiode toegekend aan Nederland in gelijke
budgetten per jaar. De beschikbare middelen voor de periode 2000 2006 zijn reeds in 1999
vastgesteld. Het budget groeit jaarlijkse met 2% als gevolg van indexering.
Aan het begin van de periode, in 1999, heeft de EC voor alle lidstaten drie gelijke bedragen
ingehouden op de laatste drie jaarbudgetten. De totale inhouding bedraagt 4% van het totale budget,
de zogenaamde prestatiereserve. Deze 4% wordt eerst halverwege de looptijd van het programma
definitief toegewezen, voor de jaren 2004, 2005 en 2006. Het betreft (inclusief de eveneens geldende
indexering) een reserve van 76 miljoen.
De 241,7 miljoen in de begroting van 2004 wordt na toekenning van de prestatiereserve van 24,2
miljoen in 2004 omgezet in een stijging van 5,2 miljoen. Het totale budget na toekenning van
prestatiereserve en inclusief indexering is 265,9 miljoen voor 2004. Dit bedrag is nog niet in de
begroting opgenomen omdat de prestatiereserve nog niet is toegewezen.
69 Wat is de omvang van de beoogde afname van de langdurige werkloosheid? Welke indicatoren en 43
streefcijfers worden daar conform VBTB gebruikt?
Antwoord:
Er wordt gesproken over een afname van de langdurige werkloosheid. De langdurige werkloosheid
bedraagt in het eerste kwartaal van 2003 0,9% van de beroepsbevolking (3,3% van de totale
werkloosheid). Dit betekent dat in 2004 de langdurige werkloosheid minder moet zijn dan 0,9% van
de beroepsbevolking. Doel van de sluitende aanpak is om de instroom in langdurige werkloosheid te
voorkomen.
70 Wat wordt er precies bedoeld met "de minister zal in de evaluatie van de WWB de werking van het 43
systeem betrekken"? Wanneer werkt het systeem niet? Als het systeem niet werkt moet er dan een
nieuw systeem komen en is de minister dan nog wel verantwoordelijk? Wordt er nu al vanuit gegaan
dat het systeem niet gaat werken?
Antwoord:
De WWB is gebaseerd op een geheel (systeem) van bestuurlijke en beleidsmatige uitgangspunten. De
(uit)werking van deze uitgangspunten in de gemeentelijke uitvoeringspraktijk vormt onderdeel van de
evaluatie. Het plan van aanpak evaluatie WWB wordt voor de zomer 2004 aan u toegezonden.
71 Waarom wordt de bestrijding van de jeugdwerkloosheid niet genoemd bij het overzicht om een 43
afname van langdurige werkloosheid te bereiken?
Antwoord:
Er is voor gekozen de bestrijding van de jeugdwerkloosheid te behandelen onder de derde
operationele doelstelling: Vergroten van de netto-arbeidsparticipatie van doelgroepen. Hierin is
onderkend dat er een relatie is met de langdurige werkloosheid. De jeugdwerkloosheid wordt nu
aangepakt om te voorkomen dat deze van langdurige aard wordt. Bij het feitelijk terugdringen van de
bestaande langdurige werkloosheid moet echter eerst aan andere instrumenten, zoals die genoemd zijn
in de begroting, worden gedacht.
72 Waarom zijn voor de instrumenten Wet Werk en Bijstand (WWB), Tijdelijke Stimuleringsregeling 43 48
regulier maken ID-banen, SVWW/Raad voor Werk en Inkomen, Praktijkscholing, Europees Sociaal
Fonds en EQUAL geen indicatoren en streefwaarden geformuleerd in de begroting voor 2004? Kan de
regering deze alsnog aan de Tweede Kamer doen toekomen?
Antwoord:
23
De genoemde instrumenten moeten allen uiteindelijk bijdragen aan het realiseren van de algemene
doelstelling, een toename van de arbeidsparticipatie en wel via een afname van de langdurige
werkloosheid. (zie ook antwoord 69).
Voor de Wet Werk en Bijstand specifiek staat een algemene doelstelling opgenomen, omdat de
minister verantwoordelijk is voor de werking van het systeem. Als streefwaarde staat opgenomen een
streven naar 5% minder bijstandslasten in 2006, dan zonder de WWB het geval zou zijn. Daarnaast
heeft de regering in de beleidsagenda aangegeven dat zij de effectiviteit van het reïntegratiebeleid
algemeen wil vergroten. De regering heeft zich daarbij concreet tot doel gesteld dat er 25% meer
uitstroom moet plaatsvinden uit reïntegratietrajecten, naar regulier werk in 2007 (t.o.v. 2003). Met
behulp van de WWB beoogt de regering de effectiviteit van reïntegratietrajecten voor gemeenten te
vergroten (en daarmee de uitstroom naar regulier werk). Andere prestatie-indicatoren zijn niet
opgenomen voor de WWB, omdat de verantwoordelijkheid voor de uitvoering bij gemeenten ligt.
De Tijdelijke stimuleringsregeling regulier maken 10.000 ID-banen geldt alleen voor 2003 en kent
daarom alleen voor dit jaar een streefwaarde. Werkgevers moeten vóór 1 januari 2004 de ID-baan
regulier hebben gemaakt. De subsidie voor werkgevers die een ID-baan regulier hebben gemaakt,
wordt uitgekeerd in twee tranches: 10.500 in 2003 en 6.500 in 2004. Vandaar dat er budget voor de
stimuleringsregeling in de begroting 2004 is opgenomen.
Ten aanzien van de SVWW/Raad voor Werk en Inkomen en Praktijkscholing zijn geen specifieke
kwantitatieve indicatoren en streefwaarden geformuleerd. De RWI-subsidieregeling (SVWW) wordt
afgebouwd, ten einde de financiële taakstelling te realiseren. De lopende verplichtingen worden
nagekomen.
Ten aanzien van de HVS ligt de prestatie in het verzorgen en verder ontwikkelen van de HVS
methodiek. Dit betreft ook de kosten van de overname en inordening van de van de Stichting Centrum
Vakopleiding overgenomen HVS-activiteiten en personeel, in de ROC-organisatie.
De streefwaarde voor EQUAL is de inzet van 6,9 miljoen per jaar, gedurende de tweede tranche van
het programma tot 2007. Het betreft inzet van beleidsgelden voor projectuitvoering onder coördinatie
van SZW (zie tabel 2.7 pag 53 en toelichting blz 54). De inhoudelijke indicatoren en streefwaarden
zijn afhankelijk van de aanvragen die worden gedaan en daarmee de programma's die worden
uitgevoerd, alles binnen de programmavoorwaarden van EQUAL, en zijn daarom niet opgenomen in
de begroting voor 2004.
73 Welke activiteiten gericht op arbeid kunnen behoren tot de sluitende aanpak? Wat gebeurt er als men 44
het aanbod negeert?
Antwoord:
Alle reïntegratieactiviteiten gericht op arbeid kunnen tot de sluitende aanpak behoren. Dit varieert van
een sollicitatietraining, scholing tot sociale activering. Afhankelijk van de afstand tot de arbeidsmarkt
van de uitkeringsgerechtigde zet de uitvoeringsinstelling een activiteit in.
Als een uitkeringsgerechtigde een aanbod negeert, kan de uitvoeringorganisatie - afhankelijk van de
reden van weigering - verschillende maatregelen treffen. In het zwaarste geval kan de
uitvoeringsorganisatie ervoor kiezen om te sanctioneren via korting op de uitkering.
74 Waarom denkt de regering dat de uitvoeringsorganisaties in 2004 wel de ambitie om een sluitende 44
aanpak van 100% te realiseren zullen halen? En hoe zal dat de komende jaren zijn als er opnieuw
allerlei veranderingen in de uitvoering zullen plaatsvinden?
Antwoord:
De verwachting ten aanzien van 100% sluitende aanpak is gebaseerd op de ambitie van en afspraken
met de uitvoerders. De uitvoerders streven in 2004 een sluitende aanpak na.
De gemeenten krijgen met de invoering van de WWB een financiële prikkel om een sluitende aanpak
te realiseren. De WWB schrijft gemeenten geen sluitende aanpak voor, maar biedt gemeenten wel de
ruimte voor het realiseren ervan. Gemeenten hebben door de WWB, er nog meer belang bij
uitkeringsgerechtigden in een vroegtijdig stadium "op te pakken" en te voorkomen dat zij een beroep
op bijstand moeten doen. Door de WWB kunnen gemeenten (nog) beter maatwerk bieden: door het
24
vervallen van regels zijn er meer mogelijkheden om een Sluitende Aanpak te bewerkstelligen dan in
de huidige situatie. Daarnaast zijn in de Agenda voor de Toekomst bestuurlijke afspraken gemaakt
over het realiseren van een sluitende aanpak (deze afspraken lopen tot en met 2006). Gemeenten
hebben zich aan deze afspraken gecommiteerd.
UWV zet zich eveneens in voor een sluitende aanpak. Met UWV worden afspraken gemaakt en
vastgelegd in het jaarplan UWV 2004. UWV heeft aangegeven ook in de toekomst zo veel mogelijk
invulling te geven aan een sluitende aanpak WW.
In welke mate de uitvoeringsorganisaties er daadwerkelijk in slagen om een sluitende aanpak te
realiseren, is op voorhand niet aan te geven. Evenmin als de wijze waarop eventuele nieuwe
veranderingen in de uitvoering hierop hun invloed hebben. Nederland blijft in Europees verband ook
in de toekomst rapporteren over de realisatie van de sluitende aanpak, in het Nationaal Actieplan
Werkgelegenheid.
75 Heeft de evaluatie van de Regeling Schoonmaakdiensten Particulieren (RSP) ook plaatsgevonden (of 45
vindt deze plaats)? Deze regeling zou namelijk in 2003 geëvalueerd worden.
Antwoord:
De Regeling schoonmaakdiensten particulieren is in 2000 geëvalueerd. Een nieuwe evaluatie is niet
voorzien. Op grond van artikel 4:24 AWB dient overigens een evaluatie van een wettelijke regeling
om de vijf jaar plaats te vinden.
76 Waarom is er met betrekking tot de toekomst van de RSP sprake van een "herbezinning"? 46
Antwoord:
Over de toekomst en de herbezinning daarop van de RSP heb ik in antwoord op een Kamervraag van
het lid Bussemaker (PvdA) (TK, 2001-2002, aanhangsel van de handelingen, 2010212870) mijn
mening gegeven. Deze bezinning zal nu in 2004 plaatsvinden.
77 Wat is de actuele stand van zaken met betrekking tot het regulier maken van I/D-banen met de 45
Tijdelijke Stimuleringsregeling? Kan dit worden uitgesplitst naar (1) gemeenten en (2) sectoren?
Hoeveel geld is voor deze regeling nu nog beschikbaar?
Antwoord:
Er zijn per 24 oktober 3.242 aanvragen ingediend. Er van uitgaande dat deze aanvragen grotendeels
worden toegekend betekent dit een uitputting van ca. 55 mln ( 17.000 * 3242) van de in totaal
beschikbare 170 mln. Er is dus nog ca. 115 mln beschikbaar. In onderstaande tabellen is de stand
van het aantal aanvragen naar sector, gemeenteklasse, provincie en de G25 te vinden. In de
voortgangsrapportage van 4 november jl. heb ik u reeds geïnformeerd over de afspraken die zijn
gemaakt tijdens het bestuurlijk overleg van 31 oktober jl. met de convenantpartijen over een eindspurt.
Stand aantal aanvragen en toekenningen per 24 oktober 2003
Sector aanvragen toegekend In behandeling
Beheer openbare ruimten 188 121 64
Cultuur 108 76 28
Jeugdhulpverlening 21 10 10
Kinderopvang 278 173 86
Onderwijs 427 228 184
Openbare Veiligheid 579 480 99
Overig 101 62 34
Sport 15 9 6
Welzijn 344 196 128
Zorg 1181 777 348
Totaal 3242 2132 987
Tabel gebruik stimuleringsregeling naar G-klasse en provincie
25
Gemeenten van Gebruik stimuleringsregeling
t.o.v. beginstand 2003
Nederland 5,93%
G4 5,48%
G26 5,31%
G86 5,63%
Groningen 10,25%
Friesland 9,64%
Drenthe 5,41%
Overijssel 4,06%
Gelderland 4,41%
Utrecht 4,42%
Noord-Holland 7,98%
Zuid-Holland 5,14%
Zeeland 5,70%
Noord-Brabant 4,16%
Limburg 5,07%
Flevoland 7,96%
* In totaal kan ten opzichte van de beginstand 19,5% van de ID-banen regulier worden gemaakt
Tabel Gebruik ID-regeling G25
Gebruikspercentage
Gemeente Beginstand 2003 tov beginstand
Amsterdam 6761 8,70%
Den Haag 3873 3,15%
Rotterdam 7077 4,55%
Utrecht 2020 2,43%
´s-Hertogenbosch 701 3,14%
Almelo 510 5,10%
Arnhem 1278 3,44%
Breda 677 3,40%
Deventer 534 7,49%
Dordrecht 661 6,20%
Eindhoven 936 2,24%
Enschede 1081 1,02%
Groningen 1731 10,23%
Haarlem 472 5,08%
Heerlen 462 4,76%
Helmond 290 4,48%
Hengelo (Ov) 396 7,07%
Leeuwarden 706 10,76%
Leiden 310 5,16%
Maastricht 683 3,22%
Nijmegen 1251 3,92%
Schiedam 308 6,49%
Tilburg 1094 4,94%
Venlo 255 3,92%
Zwolle 488 2,25%
Landelijk gemiddelde 5,93%
26
78 Op welke wijze worden gemeenten ondersteund en voorgelicht voor wat betreft de Wet Werk en 45
Bijstand? Zijn er na aanvaarding van de wet door de Eerste Kamer nog signalen van gemeenten
binnen gekomen dat invoering per 1 januari 2004 op problemen zal stuiten? Hoe reëel acht de regering
eventueel gesignaleerde problemen?
Antwoord:
Gemeenten hebben een beperkte periode om zich goed voor te bereiden op de invoering van de WWB
per 1 januari 2004. Om ze daarbij te ondersteunen is per 1 juli 2003 het WWB Implementatie
Steunpunt (WIS) in het leven geroepen. WIS wil bereiken dat gemeenten tijdig geïnformeerd zijn over
de consequenties van de WWB voor de uitvoering en dat gemeenten in staat zijn om met behulp van
deze kennis en de geboden ondersteuning de gestelde termijnen in de invoeringswet te halen. Het
project heeft de volgende functies: faciliteren, aanjagen, oplossen, signaleren, monitoren, coördineren
en ontwikkelen. Hierbij wordt samengewerkt met VNG en DIVOSA.
Via deelprojecten worden diverse activiteiten ontwikkeld, voorbeelden hiervan zijn 8 handreikingen
aan gemeenten waarin men ondersteund wordt om de implementatie van de wet concreet vorm te
geven. Er zijn bijvoorbeeld handreikingen voor het opstellen van een reïntegratiebeleid, uit- en
aanbesteinding, rechten en plichten enz. De regionale WWB-teams ondersteunen gemeenten door
inzet van kennis, expertise en het onderhouden van een netwerk tussen gemeenten per regio.
Tweewekelijks verschijnt een nieuwsbrief, steeds over een bepaald thema van de wet. Gemeentedagen
en andere (regionale) bijeenkomsten zijn bedoeld voor informatieuitwisseling en het bevorderen
discussie tussen betrokken partijen. Het project reïntegratie richt zicht op o.a. het thema vormgeving
loonkostensubsidies en gesubsidieerde arbeid. Daarnaast heeft SZW de VNG gesubsidieerd voor een
project Verantwoord Sturen door gemeenteraden en een voorlichtingsproject specifiek gericht op
gemeenteraadsleden. Verder is een informatielijn ingesteld (070 333 4130), waar gemeenten met
hun vragen over de WWB terecht kunnen. De hoofdlijnen van het WIS-project zijn uitgewerkt in het
Hoofdlijnenplan WWB Implementatie Steunpunt.
Gemeenten blijken een zeer grote bereidheid te hebben nu aan de slag te gaan met de implementatie
van de wet. Vooral de gefaseerde invoering blijkt de nodige ruimte aan de uitvoering te geven voor de
implementatie. De toezeggingen van de staatssecretaris in het kader van de EK-behandeling, o.a. de
verruiming van de looptijd voor het vaststellen van verordeningen, bieden gemeenten ruimte om een
eigen ritme voor de invoering te vinden. Tevens bieden de producten van SZW en de informatiedagen
voor gemeenten die SZW organiseert veel gelegenheid om problemen te bespreken en in
samenwerking met VNG en Divosa naar oplossingen te zoeken. Zo wordt de rol van de gemeenteraad,
die veel vragen opriep, nu in het kader van het project Verantwoord sturen (VNG en Divosa) en
voorlichten opgepakt. Er wordt een instrument ontwikkeld om gemeenten te helpen bij de sturing en
er worden in de periode half november/half december een aantal regionale bijeenkomsten voor raad en
wethouders georganiseerd.
Het kabinet acht de inhoud van de WWB en de daarbij behorende budgetten en het toegezegde budget
voor de invoeringskosten dusdanig, dat uitvoering door gemeenten zonder grote problemen mogelijk
zou moeten zijn. De diverse evaluaties en onderzoeken die zijn toegezegd om de uitvoering en
doeltreffendheid van de wet te meten, zullen zonodig leiden tot nadere besluitvorming.
79 Met hoeveel moet het aantal alleenstaande ouders dat ofwel deelneemt aan een (KOA) traject, ofwel 46
parttime werkt naast de uitkering, in 2004 zijn toegenomen ten opzichte van de huidige situatie?
Welke maatregelen en ontwikkelingen zijn hiervoor verantwoordelijk?
Antwoord:
De ambitie om het aantal alleenstaande ouders dat in 2004 deelneemt aan een traject of parttime werkt
naast de uitkering verder te laten toenemen ten opzichte van 2003 is verbonden aan de KOA- regeling,
en niet geformuleerd als zelfstandige doelstelling. Alleenstaande ouders vormen een deel van de totale
populatie bijstandsgerechtigden. In de WWB is de categoriale ontheffing van alleenstaande ouders
met kinderen jonger dan vijf jaar vervallen. Het kabinet streeft ernaar in 2006 5% minder
bijstandslasten te hebben dan zonder de WWB het geval zou zijn. Vanzelfsprekend wordt ervan
uitgegaan dat deze daling evenredig toe te schrijven zal zijn aan een vermindering van het aantal
alleenstaande ouders in de bijstand.
80 Aan wat voor een waarde (zowel absoluut als relatief) moet er worden gedacht bij de zinsnede: "Het 47
27
aantal alleenstaande ouders dat ofwel deelneemt aan een traject, ofwel parttime werkt naast de
uitkering moet in 2004 zijn toegenomen ten opzichte van de huidige situatie?"
Antwoord:
Bij het formuleren van de doelstelling van de KOA- regeling voor 2004 is bewust afgezien van het
benoemen van concrete streefwaarden. Het opnemen van specifieke streefcijfers zou immers
impliceren dat er voor alleenstaande ouders in de bijstand categoriaal beleid beoogd wordt. Dit is niet
aan de orde (zie ook vraag 79). De KOA- regeling maakt deel uit van het flankerend beleid. Een
causale relatie tussen de werking van de KOA- regeling en het aantal alleenstaande ouders dat zich
inspant om uit te stromen uit de bijstand kan daarbij niet worden verondersteld. Er is daarom voor
gekozen om als indicaties voor de werking van de KOA- regeling twee aspecten te noemen, die in
samenhang met elkaar een beeld geven van de effecten van de KOA- regeling. Deze twee aspecten
zijn: in de eerste plaats een toename van het aantal alleenstaande ouders dat deelneemt aan een traject
of parttime werkt, en ten tweede een betere benutting van de middelen die bestemd zijn voor
uitvoering van de KOA- regeling. Dit zou bijvoorbeeld betekenen dat het aantal alleenstaande ouders
in de bijstand dat part time werkt in 2004 hoger komt te liggen dan 15 % (CBS 2002).
81 Is er bij het verminderen van het aantal mensen zonder startkwalificatie rekening mee gehouden dat er 48
inmiddels jaarlijks 71.000 voortijdig schoolverlaters zonder startkwalificatie bij komen?
Antwoord:
Alhoewel de urgentie van het aanpakken van voortijdig schoolverlaten groter wordt met elke
voortijdig schoolverlater die erbij komt zijn de maatregelen die worden genomen ter bestrijding van
het aantal VSV-ers (zie plan van aanpak jeugdwerkloosheid) niet afhankelijk van het aantal VSV-ers.
De staatssecretaris van OCW zal nog voor de begrotingsbehandeling van OCW een brief sturen aan de
Kamer wat de stijging in het aantal VSV-ers betekent voor de doelstelling.
82 Betekent "wat betreft de werkloosheid er minimaal voor moet worden gezorgd dat de winst die de 49
afgelopen jaren is behaald wordt vastgehouden", dat alle bestaande middelen beschikbaar blijven en
dat de regering extra beleid rond etnische minderheden gaat ontwikkelen?
Antwoord:
De werkloosheid onder etnische minderheden is teruggebracht van 22% in 1996 tot 10% in 2002. De
ambitie is om deze winst ondanks de verslechterende arbeidsmarkt vast te houden. De lopende
activiteiten uit het plan van aanpak arbeidsmarktbeleid etnische minderheden zijn daartoe aangevuld
met enkele nieuwe acties waarvoor aanvullend budget is vrijgemaakt.
83 Wat zijn de resultaten van de Stimuleringsprojecten Allochtone Groepen (SPAG) tot nu toe en wat 49
gaat er gebeuren als deze regeling medio 2004 afloopt?
Antwoord:
Kwalitatieve resultaten
De stimuleringsprojecten zijn succesvol in het bereiken van etnische minderheden die niet of moeilijk
bereikt worden door het reguliere instrumentarium. Door de projecten zijn diverse methoden
ontwikkeld en inzichten opgedaan om het bereik onder de doelgroep te vergroten. De projecten
schenken aandacht intensieve en persoonlijke aandacht aan een groep allochtone werkzoekenden met
meervoudige problemen (laag opleidingsniveau, slechte beheersing van het Nederlands,
schuldenproblematiek, huisvestingsproblematiek, alleenstaand moederschap), die deze aandacht
anders waarschijnlijk niet hadden gekregen.
Kwantitatieve resultaten
In de periode 1 mei 2001 - 1 mei 2003 zijn in de 40 projecten in totaal ruim 4800 deelnemers
ingestroomd. Van 4676 deelnemers is de actuele status bekend. Hiervan is 56% nog steeds deelnemer
aan een project, 30% uitgestroomd naar werk, scholing of een combinatie van werk en scholing en
14% voortijdig uitgevallen. Veruit de meeste deelnemers (79%) die zijn uitgestroomd naar werk,
hebben een baan voor tenminste 4 dagen per week. Een derde van de deelnemers die zijn
uitgestroomd naar werk, is uitgestroomd naar regulier werk.
28
Na 1 mei 2004
De SPAG-regeling loopt 1 mei 2004 af. In de beschikking is destijds overeengekomen dat tijdens de
looptijd van SPAG zodanige voorwaarden gecreëerd dienen te worden dat de ontwikkelde kennis en
gehanteerde methodiek na beëindiging van de projectduur op 1 mei 2004 een structurele plaats krijgen
in het reguliere, lokale activeringsbeleid van de gemeente. De implementatievereiste van SPAG is
tijdens het 2de en 3de projectjaar een belangrijk aandachtspunt. In het werkplan voor het 3de projectjaar
(1 mei 2003-1 mei 2004) hebben de gemeenten aangegeven op welke wijze de implementatie van
SPAG in het reguliere activeringsbeleid gestalte gaat krijgen.
84 De regering heeft de SER en de RWI gevraagd om voor 1 oktober 2003 een advies uit te brengen 49
inzake duale trajecten. Wat is de stand van zaken met betrekking tot dit punt?
Antwoord:
Het kabinet heeft een maand uitstel verleend aan de SER en de RWI om hen in de gelegenheid te
stellen de contouren van het nieuwe inburgeringsbeleid (zoals aangeboden aan de Tweede Kamer door
minister Verdonk op Prinsjesdag) mee te nemen in het advies, alsmede de resultaten van het
onderzoek dat in opdracht van het ministerie van SZW is verricht naar de praktijk van duale trajecten.
Het definitieve advies wordt op korte termijn verwacht, u wordt direct na ontvangst geïnformeerd.
85 Welke concrete doelstelling en streefwaarde(n) stelt de regering voor 2004 betreffende de 50
jeugdwerkloosheid? Waarom is deze niet in de begroting opgenomen? Zal in de verantwoording over
2004 worden aangegeven of deze doelstelling/streefwaarde(n) is behaald?
Antwoord:
De doelstelling betreffende de jeugdwerkloosheid staat in de begroting onder operationele doelstelling
3: Vergroten van de netto-arbeidsparticipatie van doelgroepen. Jongeren vormen hier een aparte
doelgroep.
De doelstelling voor de aanpak van de jeugdwerkloosheid staat tevens benoemd in het plan van
aanpak Jeugdwerkloosheid: Een jeugdwerkloosheid die niet meer bedraagt dan het dubbele van de
totale werkloosheid, binnen een bandbreedte tussen 10 en 15 procent. Over het realiseren van deze
doelstelling zal tot het einde van deze kabinetsperiode jaarlijks gerapporteerd worden in de
kwartaalrapportage Arbeidsmarkt (in mei) en zo mogelijk in het jaarverslag.
86 Welke afspraken met andere partijen zijn er op dit moment gemaakt om de jeugdwerkloosheid te 50
beperken tot een percentage van 10% tot 15%? Hoe staat het met de implementatie van de 30.000
(leer)werkplekken?
Antwoord:
Over de afspraken die worden gemaakt met betrekking tot de terugdringing van de jeugdwerkloosheid
en resultaten daarvan zal de Tweede Kamer worden geïnformeerd middels het kwartaalbericht
Arbeidsmarkt (in mei). De jeugdwerkloosheidscijfers tot en met 22 jaar zijn namelijk geen
standaardcijfers van het CBS. Deze moet het CBS apart berekenen.
Over de installatie van de Taskforce Jeugdwerkloosheid onder leiding van de heer de Boer is de
Tweede Kamer op 5 november jl. geïnformeerd. De Taskforce zal zich richten op de totstandkoming
van de benodigde leerwerkplekken voor jongeren.
Momenteel wordt gewerkt aan een soort "barometer" waarmee op gezette tijden de voortgang van de
benodigde leerwerkplekken wordt aangegeven.
87 Is het bedrag van 35 miljoen euro tot 2007 dat de CWI beschikbaar heeft voor drempelslechting alleen 50 51
bedoeld voor de groep risico-jongeren of maken meerdere groepen gebruik van dit budget? Om welke
groepen gaat het dan en op welk percentage van het budget kunnen zij een beroep doen?
Antwoord:
De drempelslechtingen zijn bedoeld voor jongeren tot 23 jaar, zonder startkwalificatie zoals
vastgelegd in de RMC-wet. Bij het inzetten van drempelslechtingsbudgetten ligt de nadruk op
jongeren die zonder inzet van een drempelslechtingsbudget niet aan een baan zouden komen.
88 Welke concrete doelstelling en streefwaarde(n) stelt de regering voor 2004 betreffende de 51
29
arbeidsparticipatie voor ouderen? Waarom is deze niet in de begroting opgenomen? Zal in de
verantwoording over 2004 worden aangegeven of deze doelstelling/streefwaarde(n) is behaald?
Antwoord:
Het kabinet heeft de doelstellingen ten aanzien van de arbeidsparticipatie van ouderen voor de hele
kabinetsperiode geformuleerd. Het kabinet streeft er naar, de dalende trend van de netto-
arbeidsparticipatie van ouderen (55-64 jaar), die gezien de stand van de conjunctuur kan worden
verwacht, uiterlijk in 2007 om te keren in een stijgende trend. Gezien de huidige slechte
arbeidsmarktconjunctuur acht het kabinet het niet realistisch om ten aanzien van de arbeidsparticipatie
van ouderen voor 2004 concrete doelstellingen en streefwaarde(n) te formuleren. Dit is ook de reden
waarom dit niet in de begroting staat. In het jaarverslag over 2004 zal gerapporteerd worden over
stand van zaken met betrekking tot arbeidsparticipatie van ouderen.
89 Welke concrete doelstelling en streefwaarde(n) stelt de regering voor 2004 betreffende de 51
arbeidsdeelname van vrouwen? Waarom is deze niet in de begroting opgenomen? Zal in de
verantwoording over 2004 worden aangegeven of deze doelstelling/streefwaarde(n) is behaald?
Antwoord:
Voor de arbeidsdeelname van vrouwen zijn in beleidsartikel 12 Coördinatie Emancipatiebeleid de
doelstelling en bijbehorende streefwaarden voor de jaren tot en met 2010 opgenomen. Voor 2004
geldt de concrete streefwaarde voor de arbeidsdeelname van vrouwen van 57,3% (blz. 114, tabel
12.1). Uiteraard zal in het jaarverslag 2004 worden aangegeven of deze streefwaarde is gehaald of
niet.
Voor wat betreft herintredende vrouwen geldt de kwantitatieve doelstelling om in de periode 2002-
2005 50.000 herintreedsters aan betaald werk (>12 uur/ wk) te hebben geholpen. Daartoe moeten in
2004 25 regionale convenanten "herintredende vrouwen" met afspraken over plaatsing op betaald
werk, zijn gesloten. In de financiële verantwoording over 2004 zal worden aangegeven of het beoogde
aantal van 25 convenanten is behaald, en in welke mate dit heeft geleid tot plaatsing op betaald werk
van herintredende vrouwen.
90 Wat is de stand van zake bij het onderzoek naar de mogelijkheden van het inzetten van ESF-gelden? 51
In hoeverre is de helpdesk ESF voor werkgevers en werknemers ingesteld en wat zijn de ervaringen?
Antwoord:
Zie bijlage 2 en de antwoorden op Kamervragen van Van Gent (GL) (TK, 2003-2004, aanhangsel van
de handelingen, 2030401500).
91 Tot 2007 verwacht de regering een dalende arbeidsparticipatie van ouderen (55-64 jaar) gezien de 51
conjunctuur. Betekent dit dat de regering het acceptabel vindt dat ouderen uit sociale overwegingen
eerder afvloeien dan jongeren? Zo ja, is dit gelet op het verbod op leeftijdsdiscriminatie mogelijk?
Antwoord:
Het kabinet acht het niet wenselijk dat de ene groep afvloeit ten gunste van de participatie van een
andere groep. Gezien de toenemende vergrijzing en ontgroening is het zowel voor de komende
periode als voor de langere termijn sociaal wenselijk en economisch noodzakelijk dat iedereen zoveel
mogelijk aan het arbeidsproces deelneemt. Dit geldt dus ook voor jongeren en ouderen. Als de
arbeidsparticipatie van ouderen niet wordt vergroot, ontstaat een samenleving waarin steeds minder
jongeren de inkomens en voorzieningen voor een groeiend aantal ouderen in stand moet houden.
Hiermee vermindert het draagvlak voor het sociale stelsel. Het is mede daarom van groot belang
ouderen te stimuleren zolang mogelijk door te blijven werken en te bevorderen dat ouderen zonder
werk de weg terug weten te vinden naar de arbeidsmarkt.
Het kabinet vindt het dus niet acceptabel dat ouderen uit sociale overwegingen eerder afvloeien dan
jongeren. Strijdigheid met het verbod op leeftijdsdiscriminatie is daarom niet aan de orde.
92 Welk effect hebben de afspraken tijdens het najaarsoverleg over Prepensioen en VUT op de 51
participatiedoelstellingen zoals door de regering geformuleerd?
Antwoord:
30
Het effect op de participatiedoelstellingen is nog niet bekend, omdat in het najaarsoverleg is
afgesproken dat het kabinet en de Stichting van de Arbeid nog zullen overleggen over het gehele
stelsel van fiscale faciliëring van VUT en prepensioen, dat het kabinet op 1 januari 2006 wil invoeren.
Ook zal worden gesproken over eventuele overgangsregelingen.
93 Welke concrete gevolgen heeft naar het oordeel van de regering afschaffing van fiscale faciliëring van 51
VUT- en prépensioenregelingen voor de arbeidsdeelname van ouderen? Heeft de regering alternatieve
maatregelen op het oog, als ten gevolge van de afspraken in het Najaarsoverleg vooralsnog wordt
afgezien van deze afschaffing?
Antwoord:
Zie het antwoord op vraag 92.
94 Wanneer komt de Taskforce Ouderen en Arbeid (TOA) met haar aanbevelingen? Is dat nog voor de 51
begrotingsbehandeling?
Antwoord:
De Taskforce Ouderen en Arbeid biedt op 10 december 2003 de eindrapportage met aanbevelingen
aan het kabinet aan. Dit is dus na de geplande behandeling van de SZW-begroting 2004.
95 Hoe is de overgang van de regeling Kinderopvang en buitenschoolse opvang (KOA-regeling) naar de 53
Wbk geregeld, hoeveel geld is hiermee gemoeid en wat gebeurt er als de invoering van de Wbk per 1
januari 2005 niet lukt?
Antwoord:
Bij ingang van de Wbk zullen de ouders die nu een KOA-plaats bezetten op grond van de Wbk een
beroep kunnen doen op een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang die zij dan zelf inkopen.
Gemeenten, die onder de huidige KOA-regeling de kinderopvang inkopen, moeten er rekening mee
houden dat zij contracten aangaan tot aan de invoering van de Wbk.
Vanaf de invoering van de Wbk zal het budget van de KOA-regeling worden gebruikt voor de
financiering van de Wbk. Het gaat om een bedrag van 84,5 mln in 2004. Overigens wordt er van
uitgegaan dat de Wbk per 1 januari 2005 van kracht wordt.
96 Over de periode 2004 tot en met 2007 zijn binnen de SZW-begroting extra middelen vrijgemaakt voor 54
de uitvoering van het Plan van aanpak jeugdwerkloosheid? Welke verschillende bedragen voor welke
verschillende maatregelen zijn er vrijgemaakt voor jeugdwerkloosheid, vallend onder
doelgroepenbeleid?
Antwoord:
In tabel 2.8 op p. 54 van de SZW begroting is het bedrag vermeld dat is vrijgemaakt voor de aanpak
van de jeugdwerkloosheid. Van de 11,4 miljoen is in 2004 8 mln gereserveerd voor het
drempelslechtingsbudget van het CWI. Hiermee kan het CWI korte activiteiten voor jongeren, gericht
op drempelslechting, financieren. De resterende 3,4 mln is bestemd voor de taskforce o.l.v. Hans de
Boer die de gemeenten zal ondersteunen in de aanpak van de jeugdwerkloosheid, voorlichting zal
organiseren voor jongeren en hun ouders en tenslotte ook afspraken zal trachten te maken over de
creatie van extra leerwerkplekken bij werkgevers.
Overigens wordt er op gewezen dat geld beschikbaar is bij het Europees Sociaal Fonds voor goede
projectinitiatieven op het lokale niveau. Onlangs is door Brussel formeel bevestigd dat ESF ook
ingezet kan worden t.b.v. de sluitende aanpak voor jongeren tot 23 jaar.
Tevens wordt de WVA(Wet Vermindering Afdracht)-startkwalificatie uitgebreid naar werkenden
onder de 23 jaar. De WVA-startkwalificatie is een ondereel van de WVA-onderwijs. Het betreft een
fiscale faciliteit (1.500,-) voor werkgevers die voormalig werklozen scholen tot
startkwalificatieniveau. Deze uitbreiding wordt budgetneutraal vormgegeven via aanpassing van de
WVA-startkwalificatie en WVA-onderwijs.
97 Waar zijn de bedragen in tabel 2.9 rond de "Afdrachtvermindering scholing w.v. WVA 54
startkwalificatie" op gebaseerd? Hoeveel mensen zijn daarbij betrokken? Om hoeveel mensen gaat het
thans bij de SPAK/VLW?
31
Antwoord:
Het bedrag in tabel 2.9 is gebaseerd op het aantal mensen dat naar verwachting gebruik zal maken van
de WVA-startkwalificatie en de hoogte van de vermindering. Het subsidiebedrag bedraagt 1.500 in
2003. Uitgegaan is van een verhoging van het aantal gebruikers van de WVA-startkwalificatie omdat
deze per 1 januari 2004 ook toegepast kan worden op jongeren zonder startkwalificatieniveau.
Momenteel geldt de regeling uitsluitend voor personen van 23 jaar en ouder.