Speech van Staatssecretaris Van Geel op een bijeenkomst van de
Vereniging Internationaal Recht op vrijdag 7 november 2003.
Dames en heren,
Ik ben blij dat VROM vanmiddag uw gastheer mag zijn. Ik ben dan wel
geen jurist, maar ik kan de twee pre-adviezen over internationaal
recht die hier worden gepresenteerd zeker op hun waarde schatten.
Daarom ga ik er ook graag op in.
Ik denk dat het internationale milieurecht een aantal belangrijke
positieve ontwikkelingen doormaakt. De belangrijkste is misschien wel
dat internationale milieuverdragen steeds concreter, preciezer en
zakelijker worden. Belangrijke voorbeelden hiervan zijn het Biosafety
Protocol, het Kyoto Protocol, het Verdrag van Rotterdam over
chemicaliën, en het Verdrag van Stockholm over moeilijk afbreekbare
organische stoffen. Het zijn geen vage goede voornemens. Deze
verdragen leiden tot concrete veranderingen, waarvan de economische en
sociale gevolgen groot zijn. Zo grijpt het Kyoto-protocol in op vele
sectoren van de economie.
Een tweede positieve ontwikkeling in het internationale milieurecht is
dat er steeds meer aandacht komt voor controlemechanismen voor de
naleving. Praktisch alle milieuverdragen bevatten tegenwoordig
aangrijpingspunten voor het geval dat landen hun
verdragsverplichtingen niet nakomen. Aan de hand van de
nalevingsprocedures wordt de oorzaak geïdentificeerd, en wordt gezocht
naar realistische en concrete oplossingen. Ook dat is belangrijke
kwaliteitswinst.
Na lezing van het pre-advies van Prof Schrijver, wil ik echter afstand
nemen van de suggestie in zijn verhaal dat 'milieu' juridisch
inmiddels voldoende is geregeld. Gezien het aantal milieuverdragen,
denk ik dat er de afgelopen 15 jaar veel is bereikt. Maar er zijn nog
wel degelijk onvolkomenheden en hiaten. Ik ondersteun de suggestie van
professor Schrijver dus niet, dat de internationale juridische
inspanningen zich nu op ontwikkeling moeten concentreren, als dat ten
koste gaat van het milieu-aspect.
Ik denk overigens wél met professor Schrijver dat het recht op
ontwikkeling beter kan worden verankerd. Zijn bijdrage onderbouwt de
conclusie dat de instrumenten veel te wensen over laten.
We moeten ons realiseren dat zich bij het recht op ontwikkeling in
derdewereldlanden vragen en morele dilemma's voordoen. Hun
industrialisering kan de emissies van onder meer broeikasgassen enorm
doen toenemen. Voor veel van deze landen gelden nog geen
emissieplafonds, maar ze doen wél al een aanslag op de natuurlijke
hulpbronnen van de internationale gemeenschap. Als ze niet voor
duurzame ontwikkeling kiezen, dan zal hun snelle groei de mondiale
milieuproblematiek dramatisch verergeren.
Wat is hierbij de taak van het westen, en wat kunnen we doen om die
landen te helpen bij de transities waardoor deze landen hun
achterstand kunnen inlopen zonder het milieu aan te tasten? We willen
niemand het recht op ontwikkeling ontzeggen, maar het is in ieders
belang dat die ontwikkeling zo duurzaam mogelijk is. Daarom dienen de
ontwikkelingsdimensie en de milieudimensie samen op te gaan. Dat
uitgangspunt heeft Nederland handen en voeten gegeven in de begroting
voor internationale samenwerking. In totaal besteden we 0,8% van het
bruto nationaal product aan ontwikkelingssamenwerking. Daarvan gaat
0,1% naar milieu- en natuurbeleid. Ik zie dat als een belangrijke
verworvenheid. Als we dat geld goed besteden, kan het een belangrijke
rol spelen bij het veiligstellen van de natuurlijke bronnen voor de
toekomst.
Maar zoals ik al zei, het is zeker niet zo dat het internationale
milieurecht pas op de plaats kan maken. Een belangrijk aandachtspunt
is dat de verschillende verdragen onvoldoende op elkaar aansluiten.
Daardoor wordt de synergie ertussen onvoldoende benut. Ook bestaat het
risico dat het ene milieuprobleem in een ander milieuprobleem wordt
omgezet. Een voorbeeld is de verschraling van biodiversiteit door de
aanleg van monoculturen om kooldioxide vast te leggen.
Ik merk dat er internationaal zeker behoefte is aan een homogener
bouwwerk van milieuverdragen. Belangrijk is dat er bij nieuwe
verdragen meer rekening gehouden wordt met de vier C's: coordination,
coherence, compliance and capacity building.
Professor Schrijvers' bijdrage gaat uitgebreid in op de relatie tussen
milieubescherming en armoedebestrijding. Ik denk dat die relatie niet
alleen sterk is, maar dat we hem ook verder moeten uitbouwen. Het is
zaak om te zorgen voor zoveel mogelijk synergie tussen ontwikkeling en
milieu. Milieu en ontwikkeling moeten - in navolging van Brundtland -
gelijk opgaan.
Nogmaals: het lijkt mij niet verstandig als we ons eenzijdig op de
ontwikkelingsdimensie zouden concentreren. Dat lijkt aantrekkelijk: de
VN heeft met de Millenniumdoelen immers al een aantal duidelijk
omschreven ontwikkelingsdoelen vastgelegd. Maar ook daarin is jammer
genoeg minder aandacht voor milieu als essentiële basis voor
ontwikkeling.
Ik kan niet genoeg benadrukken dat ontwikkelingslanden niet alleen
moeten worden geholpen om zich te ontwikkelen, maar óók om het
wereldmilieu in stand te houden. Ik ben dan ook blij dat de WSSD in
Johannesburg een aantal duidelijke milieu-doelstellingen heeft
toegevoegd.
In oktober stuurde mijn collega van Ontwikkelingssamenwerking de Nota
"Aan elkaar verplicht" naar de Tweede Kamer. Daarin staat hoe
Nederland ontwikkelingslanden wil helpen, met de Millenniumdoelen van
de VN als leidraad. We zullen in elk geval de internationaal
overeengekomen actieprogramma's uitvoeren. Daarbij moeten we goed
omgaan met de spanning tussen de ambities voor ontwikkeling en milieu.
Eén zo'n terrein waar die spanning zich kan voordoen is op
energiegebied. Daarvoor zijn intelligente en internationale
oplossingen nodig. Vandaar dat mijn collega Van Ardenne en ik een
internationale conferentie over dit thema zullen organiseren. Die zal
in 2004 plaatsvinden, onder de noemer 'Energy for Development'.
Internationale eensgezindheid over de noodzaak om de relatie tussen
armoedebestrijding en milieubeleid verder te versterken is een
basisvoorwaarde. Vervolgens komt de vraag welke
besluitvormingsprocedures daarvoor nodig zijn. Onderdelen daarvan zijn
in de komende jaren zeker aan vernieuwing toe.
Dat brengt mij op de bijdrage van Prof. Ellen Heij. Zij concentreert
zich in haar pre-advies vooral op het institutionele aspect van
duurzame ontwikkeling. Daarbij laat ze zien hoe ingewikkeld het is om
het begrip handen en voeten te geven. Daar komt nog eens bij dat de
internationale besluitvormingsprocedures gecompliceerd zijn, niet in
het minst vanwege de invulling van het begrip legitimiteit. Het gaat
dan om zaken als good governance en de participatie van
belanghebbenden.
Dat zijn allemaal thema's waar veel over te doen is. Ze hangen direct
samen met de vraag of ontwikkelingslanden wel gelijkwaardig mee kunnen
praten als internationale instellingen besluiten nemen over duurzame
ontwikkeling. Ik moet het helaas met professor Heij eens zijn dat dat
lang niet altijd het geval is. Daarmee wil ik niet zeggen dat ik denk
dat multilaterale instellingen in het algemeen legitimiteit zouden
ontberen, of niet besluitvaardig zijn. Toch zijn er wel verbeteringen
nodig, en daarvan zijn ze zich gelukkig bewust. Dat blijkt
bijvoorbeeld uit de manier waarop de stemverhouding is vormgegeven
tussen ontvangende en donorlanden in de Global Environment Facility,
of GEF.
Als het over multilaterale instellingen gaat, gebeurt dat soms met de
term 'het multilaterale kanaal'. Dat suggereert een samenhang die er
niet is. Het gaat om een groot aantal verschillende multilaterale
fondsen, programma's, banken en initiatieven. Ze hebben allemaal hun
eigen karakter en prioriteiten.
Er worden voortdurend stappen in de goede richting gezet. Maar het
caleidoscopische karakter is niet altijd bevorderlijk voor de
slagvaardigheid. We moeten dan ook voortdurend alert zijn op manieren
om de effectiviteit van de instellingen te vergroten. Ook hier geldt:
effectiviteit in termen van milieu én ontwikkeling!
Terug naar het pre-advies van professor Heij. Dat is uitdagend, omdat
het ons dwingt om na te denken over het effect van de mondialisering
op het internationale recht. Eén van de gevolgen van de globalisering
is de emancipatie van de wereldburgers. Daardoor kunnen we niet langer
volstaan met afspraken tussen overheden. De internationale gemeenschap
eist dat alle belangrijke partijen transparant zijn over hun afspraken
en over de wijze waarop die worden nagekomen. Burgers en actiegroepen
stappen steeds makkelijker naar de rechter als ze het ergens niet mee
eens zijn. De architectuur van het internationaal recht zal daarop
moeten inspelen. U heeft daar vast afgeronde ideeën over, waar ik zeer
in geïnteresseerd ben.
Dames en heren,
Ik wil professor Heij en professor Schrijver danken voor de manier
waarop ze de discussie met hun pre-adviezen hebben aangejaagd. Ik hoop
dat u hier vanmiddag veel nieuwe inspiratie opdoet voor een
internationaal recht dat zich bezighoudt met ontwikkeling én met
milieu. Ik zie dat als een onmisbare basis voor onze inzet voor
mondiale duurzaamheid. Daarom wens ik u een interessante en
productieve middag. Ik dank u voor de aandacht.
Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer