Uitspraak Hoge Raad LJN-nummer: AN7739 Zaaknr: 38006
Bron: Hoge Raad der Nederlanden 's-Gravenhage
Datum uitspraak: 7-11-2003
Datum publicatie: 7-11-2003
Soort zaak: belasting -
Soort procedure: cassatie
Nr. 38.006
7 november 2003
SD
gewezen op het beroep in cassatie van burgemeester en wethouders van
de gemeente Hilversum (hierna: B en W) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof te Amsterdam van 24 augustus 2001, nr. P00/00598,
betreffende na te melden ten aanzien van X B.V. te Z genomen
beschikking als bedoeld in artikel 22, lid 1, van de Wet waardering
onroerende zaken.
1. Beschikking, bezwaar en geding voor het Hof
Ten aanzien van belanghebbende is bij beschikking de waarde van de
onroerende zaak b-straat 1 te R voor het tijdvak 1 januari 1997 tot en
met 31 december 2000 vastgesteld op f 21.429.000.
Na door belanghebbende daartegen gemaakt bezwaar heeft het hoofd van
de afdeling belastingen van de Bestuursdienst van de gemeente
Hilversum (hierna: het hoofd) bij uitspraak de waarde nader
vastgesteld op f 19.528.000.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van het hoofd
vernietigd, de waarde van de onroerende zaak vastgesteld op f
18.474.000, en de gemeente Hilversum veroordeeld tot vergoeding aan
belanghebbende van de door haar geleden schade tot een bedrag van f
8630. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
B en W hebben tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld.
Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt
daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van de klachten
3.1. Belanghebbende heeft ter zitting van het Hof verzocht het hoofd
te veroordelen tot vergoeding van door haar geleden schade, bestaande
uit de kosten van het door een deskundige laten uitbrengen van een
taxatierapport in de bezwaarfase. Het Hof heeft dit verzoek
gehonoreerd.
3.2. De primair aangevoerde klacht strekt ten betoge dat het Hof heeft
miskend dat de onderhavige door belanghebbende in de bezwaarfase
gemaakte kosten slechts voor vergoeding in aanmerking kunnen komen als
sprake is van een door het bestuursorgaan tegen beter weten in genomen
onrechtmatig besluit.
De klacht faalt. Er bestaat geen grond om voor de toewijsbaarheid van
een verzoek ingevolge artikel 8:73 Awb tot vergoeding van in verband
met de behandeling van een bezwaarschrift gemaakte kosten andere eisen
te stellen dan die welke gelden voor de toewijsbaarheid van een
vordering tot schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad. Tot
laatstbedoelde eisen behoort niet dat sprake moet zijn van een
onrechtmatig handelen tegen beter weten in (HR 17 december 1999, nr.
C98/80, NJ 2000, 87).
3.3. De secundair aangevoerde klacht kan evenmin tot cassatie leiden.
Zulks behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke
organisatie, geen nadere motivering, nu die klacht niet noopt tot
beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of
de rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten
B en W zullen worden veroordeeld in de kosten van het geding in
cassatie.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep ongegrond, en
veroordeelt B en W in de kosten van het geding in cassatie aan de
zijde van belanghebbende, vastgesteld op EUR 644 voor beroepsmatig
verleende rechtsbijstand, en wijst de gemeente Hilversum aan als de
rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.G. Pos als voorzitter,
en de raadsheren L. Monné, P.J. van Amersfoort, J.C. van Oven en
C.J.J. van Maanen, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I.
Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 7 november 2003.
Van de gemeente Hilversum wordt ter zake van het door B en W
ingestelde beroep in cassatie een griffierecht geheven van EUR 348.
Hoge Raad der Nederlanden