Uitspraak Hoge Raad LJN-nummer: AI0355 Zaaknr: R02/037HR
Bron: Hoge Raad der Nederlanden 's-Gravenhage
Datum uitspraak: 7-11-2003
Datum publicatie: 7-11-2003
Soort zaak: civiel - civiel overig
Soort procedure: cassatie
7 november 2003
Eerste Kamer
Nr. R02/037HR
JMH/AT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. ,
2. ,
beiden wonende op Aruba,
EISERS tot cassatie,
advocaat: aanvankelijk mr. E. Grabandt, thans mr. J.P. Heering,
t e g e n
HET LAND ARUBA, gevestigd op Aruba,
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. G. Snijders.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 1 april 1998 ter griffie van het Gerecht in Eerste Aanleg
van Aruba, hierna: het gerecht, ingekomen verzoekschrift hebben eisers
tot cassatie - verder te noemen: c.s. - zich gewend tot dat
gerecht. Na wijziging van eis hebben zij verzocht bij vonnis, voor
zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
A. voor recht te verklaren dat het advies van het Gemeenschappelijk
Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba d.d. 30/31
januari 1998 (AR no. 149/97) en/of de beslissingen van de Gouverneur
van Aruba d.d. 30 maart 1998 en d.d. 31 maart 1998 strekkende tot
uitlevering van hen, alsmede de feitelijke uitlevering van hen door
verweerder tot cassatie - verder te noemen: het Land Aruba - aan de
Verenigde Staten van Amerika onrechtmatig is/zijn, en
B. het Land Aruba te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van
kwijting te betalen een schadevergoeding op te maken bij staat en te
vereffenen volgens de wet, rente en kosten rechtens.
Het Land Aruba heeft primair geconcludeerd tot
niet-ontvankelijkverklaring van c.s. in hun vorderingen, en
subsidiair de vorderingen bestreden.
Het gerecht heeft bij vonnis van 6 december 2000 de vorderingen
afgewezen.
Tegen dit vonnis hebben c.s. hoger beroep ingesteld bij het
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en
Aruba, hierna: het hof.
Bij vonnis van 19 februari 2002 heeft het hof het bestreden vonnis
bevestigd.
Het vonnis van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het vonnis van het hof hebben c.s. beroep in cassatie
ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt
daarvan deel uit.
Het Land Aruba heeft verzocht het beroep te ver-werpen.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor
c.s. mede door mr. J.P. Heering, advocaat bij de Hoge Raad.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot
verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
3.1 In cassatie kan worden uitgegaan van hetgeen is vermeld in de
conclusie van de Advocaat-Generaal onder 1.1.1 - 1.1.8.
3.2 In het onderhavige geding hebben c.s., na wijziging van
eis en voor zover in cassatie nog van belang, gevorderd te verklaren
voor recht dat het advies van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie
van de Nederlandse Antillen en Aruba van 30/31 januari 1998 en/of de
beslissingen van de Gouverneur van Aruba van 30 maart 1998 en 31 maart
1998 strekkende tot uitlevering van c.s., alsmede de
feitelijke uitlevering van hen door het Land Aruba aan de Verenigde
Staten van Amerika onrechtmatig is/zijn, en het Land Aruba te
veroordelen tot schadevergoeding op te maken bij staat. Het gerecht in
eerste aanleg heeft deze vorderingen afgewezen. Het hof heeft het
vonnis van het gerecht bevestigd.
3.3.1 c.s hebben aan hun vordering in de eerste plaats ten
grondslag gelegd dat het in Aruba toepasselijke
Nederlands-Antilliaanse Uitleveringsbesluit onverbindend is, omdat de
met uitlevering noodzakelijkerwijs gepaard gaande vrijheidsbeneming
het bestaan van een wet in formele zin terzake verlangt. Het gerecht
heeft deze stelling verworpen. In hun daartegen gerichte appel-grieven
I en II hebben c.s. deze stelling herhaald en zich in dit
verband onder meer beroepen op de Staatsregeling van Aruba en de
Grondwet.
3.3.2 Onderdeel 1 keert zich tegen het oordeel van het hof dat de
grieven I en II van c.s. falen, en herhaalt het in eerste
aanleg en in hoger beroep verdedigde standpunt dat aan uitlevering
respectievelijk de daadwerkelijke overlevering vrijheidsontneming
inherent is en dat zulks met toepassing van het in art. I.5 lid 1,
onder f, van de Staatsregeling van Aruba, art. 2 lid 3 en art. 15 lid
1 Grw. en art. 5 lid 1 EVRM tot uitdrukking komende beginsel bij of
krachtens een met inachtneming van art. 5 lid 1 EVRM totstandgekomen
wet uitdrukkelijk moet zijn toegestaan om toelaatbaar te zijn, van
welke situatie hier geen sprake is.
3.3.3 Deze klacht moet worden bezien tegen de achtergrond van het
volgende. Ten tijde van de totstandkoming van het Statuut was voor de
toenmalige Nederlandse Antillen de uitlevering geregeld in het
Curaçaosche Uitleveringsbesluit 1926. Ingevolge de overgangsbepaling
van art. 57 Statuut kreeg dit besluit - waarvan de naam later is
gewijzigd in Nederlands-Antilliaans Uitleveringsbesluit - de staat van
algemene maatregel van rijksbestuur. Dit besluit is bij het verkrijgen
van de status aparte door Aruba van toepassing gebleven op
uitleveringen uit Aruba. Blijkens art. 3 lid 1, aanhef en onder h,
Statuut is uitlevering een aangelegenheid van het Koninkrijk. Volgens
art. 14 Statuut worden aangelegenheden van het Koninkrijk geregeld bij
rijkswet of algemene maatregel van rijksbestuur; indien de regeling
niet aan de rijkswet is voorbehouden, kan zij geschieden bij algemene
maatregel van rijksbestuur. Het Statuut bevat niet een regel waaruit
volgt dat regeling van de uitlevering bij rijkswet moet geschieden.
Uit dit een en ander volgt dat regeling van de uitlevering bij het
Nederlands-Antilliaans Uitleveringsbesluit niet in strijd is met enige
bepaling van het Statuut. Het middel bestrijdt dit niet, maar betoogt
dat dit niet eraan afdoet dat op grond van andere bepalingen voor
uitlevering een wet in formele zin als grondslag vereist is.
3.3.4 Het beroep dat het onderdeel hiertoe doet op art. 15 lid 1 Grw.,
welke bepaling inhoudt dat buiten de gevallen bij of krachtens de wet
bepaald niemand zijn vrijheid mag worden ontnomen, gaat niet op,
aangezien, daargelaten of deze bepaling hier toepasselijk is, het
Nederlands-Antilliaans Uitleveringsbesluit kan worden aangemerkt als
een regeling krachtens een wet in formele zin, te weten het Statuut.
Ook uit art. I.5 lid 1, aanhef en onder f, Staatsregeling van Aruba -
welke bepaling voor zover hier van belang inhoudt: "Niemand mag zijn
vrijheid worden ontnomen, dan volgens bij of krachtens
landsverordening te stellen regels (...) f. (...) indien tegen hem een
uitwijzings- of uitleveringsprocedure hangende is." - volgt niet dat
het Nederlands-Antilliaans Uitleveringsbesluit een ontoereikende
grondslag is voor een uitlevering als de onderhavige. Zoals hiervoor
is overwogen, volgt uit het Statuut, dat een regeling van hogere orde
is dan de Staatsregeling van Aruba, dat voor de Nederlandse Antillen
en Aruba de uitlevering kan worden geregeld bij algemene maatregel van
rijksbestuur. Naar hieruit volgt, geldt voorts ook hier dat het
Nederlands-Antilliaans Uitleveringsbesluit tenminste kan worden gezien
als een regeling krachtens een wet in formele zin.
3.3.5 Art. 2 lid 3 Grw., dat voor zover thans van belang inhoudt dat
(verdere) voorschriften omtrent uitlevering bij de wet worden gegeven,
biedt evenmin steun aan de door het onderdeel verdedigde opvatting.
Uit art. 5 lid 2 Statuut, dat bepaalt dat de Grondwet de bepalingen
van het Statuut in acht neemt, volgt dat het Statuut een regeling van
hogere orde is dan de Grondwet. Dit brengt mee dat de in art. 14 lid 2
Statuut neergelegde bevoegdheid ten aanzien van aangelegenheden van
het Koninkrijk te kiezen tussen regeling bij rijkswet en regeling bij
algemene maatregel van rijksbestuur niet door de Grondwet kan worden
tenietgedaan door regeling bij de wet voor te schrijven. Daaraan doet
niet af dat de Grondwet voor de uitsluitend in Nederland geldende
regeling op de voet van art. 14 lid 3 Statuut in die zin van de
keuzebevoegdheid gebruik heeft gemaakt dat regeling bij de wet is
voorgeschreven. Dat art. 2 lid 3 Grw. een aangelegenheid van het
Koninkrijk regelt en derhalve zelf ingevolge art. 5 lid 3 Statuut bij
rijkswet is vastgesteld, neemt niet weg dat deze bepaling een regeling
uitsluitend voor de Nederlandse staatsinrichting bevat, op gelijke
wijze als het hiervoor besproken art. I.5 lid 1, aanhef en onder f,
Staatsregeling van Aruba een regel voor uitsluitend de Arubaanse
staatsinrichting geeft.
3.3.6 Het onderdeel betoogt dat ook uit art. 5 lid 1 EVRM volgt dat de
met uitlevering noodzakelijk gepaard gaande vrijheidsbeneming bij een
wet in formele zin moet zijn geregeld om toelaatbaar te zijn. Dit
betoog faalt omdat het hof met juistheid heeft geoordeeld dat de term
"law" in art. 5 lid 1, aanhef, EVRM niet noodzakelijkerwijs wetgeving
in formele zin impliceert. Dit volgt, ook met betrekking tot
vrijheidsbeneming, uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de
rechten van de mens (vgl. EHRM 26 april 1979, series A, 30, NJ 1980,
46, en EHRM 23 september 1998, ECHR Reports 1998-VII, blz. 2719, NJ
2000, 29).
3.3.7 Voor zover het onderdeel zich richt tegen de overweging van het
hof in rov. 4.4 van zijn vonnis dat het Uitleveringsverdrag tussen het
Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten ook tot de
onderhavige uitlevering zou verplichten, indien aan het
Uitleveringsbesluit gebreken zouden kleven, kan het bij gebrek aan
belang niet tot cassatie leiden, aangezien het hier gaat om een
overweging ten overvloede die de beslissing van het hof niet draagt.
3.3.8 Het onderdeel is derhalve tevergeefs voorgesteld.
3.4.1 Onderdeel 2 bestrijdt rov. 4.10 - 4.15 van het vonnis van het
hof, waarin het hof de stelling heeft verworpen dat, nu het
Nederlands-Antilliaans Uitleveringsbesluit anders dan de Nederlandse
Uitleveringswet niet voorziet in de mogelijkheid van cassatie tegen de
rechterlijke beslissing terzake (het "advies"), sprake is van
ongeoorloofde ongelijke behandeling zodat het Uitleveringsbesluit
onverbindend is. Het onderdeel betoogt dat door het verschil in
rechtsmiddelen de onderdanen van verschillende delen van het
Koninkrijk verschillend worden behandeld zonder dat daarvoor een
objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat, en dat derhalve
sprake is van schending van art. 14 EVRM en art. 26 IVBPR.
3.4.2 Het onderdeel stuit hierop af dat, zoals het hof met juistheid
heeft overwogen (rov. 4.11 - 4.12), art. 14 Statuut ruimte laat voor
verschillende regelingen in verschillende landen van het Koninkrijk,
en dat de omstandigheid dat uitlevering een aangelegenheid van het
Koninkrijk is, niet dwingt tot een in de drie landen inhoudelijk
gelijke wetgeving of althans een inhoudelijk gelijk stelsel van
rechtsmacht en rechtsmiddelen. Hieraan doet niet af dat het Koninkrijk
partij is bij genoemde verdragen en niet de afzonderlijke landen. Het
is immers niet ongebruikelijk en deze verdragen staan ook niet eraan
in de weg dat binnen het rechtsgebied van een partij bij het EVRM of
het IVBPR voor bepaalde onderwerpen de rechtsregels in verschillende
delen van dit rechtsgebied verschillend zijn.
3.4.3 Voor zover het onderdeel zich richt tegen hetgeen het hof aan
het slot van zijn rov. 4.15 heeft overwogen, te weten dat het
mogelijke rechtstekort de verplichting tot uitlevering aan de
Verenigde Staten ingevolge het prevalerende uitleveringsverdrag niet
zou aantasten, kan het bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden
nu het hier gaat om een overweging ten overvloede die de beslissing
van het hof niet draagt.
3.5 Onderdeel 3 bestrijdt rov. 4.17 van het vonnis, waarin het hof
heeft geoordeeld dat grief III van c.s. berust op een
verkeerde lezing van het advies van het hof. Het gaat hier om de
passage in het advies "dat de strafrechter die over de in de Criminal
Indictment telastegelegde feiten zal hebben te oordelen tot een
veroordeling van de opgeëiste persoon komt", die volgens het onderdeel
duidelijk maakt dat het hof hier ziet op de Amerikaanse rechter. In de
bestreden overweging heeft het hof geoordeeld dat het hof in het
uitleveringsadvies, in overeenstemming met de toepasselijke bepalingen
en hetgeen is overwogen in HR 1 februari 1994, nr. 96690U, NJ 1994,
266, heeft gedoeld op de Arubaanse rechter. Dit oordeel, dat is
voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt, is niet
onbegrijpelijk. Voor een verdergaande toetsing, zoals het onderdeel
bepleit, in die zin dat uit het advies onmiskenbaar behoort te blijken
dat het juiste criterium is toegepast, is geen plaats. Het onderdeel
faalt derhalve.
3.6 Onderdeel 4 klaagt dat het hof geen aandacht heeft besteed aan het
betoog in het kader van grief III, dat het hof in het advies een
onjuiste maatstaf heeft gehanteerd door te overwegen dat de opgeëiste
persoon niet erin is geslaagd "onverwijld aan te tonen hieraan niet
schuldig te zijn", welke maatstaf niet strookt met art. 9 lid 3, onder
b, van het Uitleveringsverdrag, waarin als criterium is neergelegd dat
volgens het recht van de aangezochte staat door het bewijsmateriaal de
dagvaarding van die persoon zou zijn gerechtvaardigd indien dat feit
in die staat zou zijn gepleegd. Het onderdeel kan niet tot cassatie
leiden, omdat het hof, zoals het in rov. 4.19 ook tot uitdrukking
heeft gebracht, niet gehouden was op iedere stelling van c.s.
met betrekking tot beweerde misslagen in het advies in te gaan.
Kennelijk heeft het hof in de betrokken passage van het advies alleen
een weerlegging van een door c.s. gevoerd verweer gelezen en
niet de formulering van de maatstaf waaraan de toelaatbaarheid van de
uitlevering moet worden getoetst. Dit is niet onbegrijpelijk nu het
hof blijkens het advies heeft geoordeeld dat het bewijsmateriaal
voldeed aan de maatstaf van art. 9 lid 3, onder b, van het Verdrag.
3.7 In rov. 4.18 heeft het hof geoordeeld dat c.s. bij de
klacht met betrekking tot de dubbele strafbaarheid geen belang hebben,
aangezien wat betreft de feiten waarvoor in het besluit van de
Gouverneur uitlevering is toegestaan, in elk geval aan de eis van
dubbele strafbaarheid is voldaan. Onderdeel 5 bestrijdt deze
overweging met het betoog dat namens c.s. is aangevoerd dat
het niet aanmelden van de in- en uitvoer van geldmiddelen en/of
betaalinstrumenten niet strafbaar is naar Arubaans recht en dat de
onderdelen a en b van de indictment wel dit verwijt betreffen. Het
onderdeel faalt. Het hof heeft zich aangesloten bij de overwegingen
van het gerecht in eerste aanleg, dat heeft geoordeeld dat de
materiële feiten waarvoor de uitlevering is verzocht (het witwassen)
zowel in Aruba als in de Verenigde Staten strafbaar zijn. Bij dit
oordeel, dat als zodanig in cassatie niet is bestreden, heeft het
gerecht de juiste maatstaf gehanteerd (HR 28 maart 2000, nr.
00674/99/U, NJ 2000, 367).
3.8 Onderdeel 6 is gericht tegen rov. 4.19 van het vonnis. Voor zover
het betoogt dat het hof het besluit van de Gouverneur van 30 maart
1998, zoals gewijzigd bij besluit van 31 maart 1998, volledig had
moeten toetsen en niet had mogen volstaan met een marginale toetsing
daarvan, kan het bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie
leiden. Uit rov. 4.19 blijkt dat het hof het besluit heeft getoetst
aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en uit de daaraan
voorafgaande overwegingen blijkt dat het hof ook heeft onderzocht of
de uitlevering op grond van de door c.s. aangevoerde regels
van geschreven recht als ontoelaatbaar moet worden aangemerkt. Voor
zover het onderdeel ook bedoelt het oordeel van het hof te bestrijden
dat c.s. niet kunnen verlangen dat het advies ter zake van het
uitleveringsverzoek volledig wordt getoetst, faalt het, omdat het
oordeel van het hof juist is. Het hof heeft onderzocht of het advies
klaarblijkelijk berust op misslagen dan wel fundamentele
rechtsbeginselen zijn geschonden. In aanmerking genomen dat tegen het
advies geen rechtsmiddel openstond, bestond voor een verdergaande
toetsing geen plaats.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot
op deze uitspraak aan de zijde van het Land Aruba begroot op EUR
301,34 aan verschotten en EUR 1.365,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter
en de raadsheren H.A.M. Aaftink, O. de Savornin Lohman, A.M.J. van
Buchem-Spapens en A. Hammerstein, en in het openbaar uitgesproken door
de raadsheer F.B. Bakels op 7 november 2003.
*** Conclusie ***
R02/037HR
Mr. F.F. Langemeijer
Zitting 27 juni 2003
Conclusie inzake:
en
Tegen
het Land Aruba
In deze zaak gaat het om de vraag of de uitlevering van eisers aan de
Verenigde Staten onrechtmatig is. Daartoe wordt onder meer aangevoerd
dat het Nederlands-Antilliaans Uitleveringsbesluit onverbindend is
omdat een wet in formele zin is vereist. Ook wordt aangevoerd dat het
ontbreken van de mogelijkheid cassatieberoep in te stellen tegen het
uitleveringsadvies een ongeoorloofd onderscheid tussen de onderdanen
van de Rijksdelen meebrengt.
1. De feiten en het procesverloop
1.1. In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan(1):
1.1.1. Eisers zijn ingezetenen van Aruba en hebben de Nederlandse
nationaliteit.
1.1.2. Het Amerikaanse Department of Justice heeft op 1 oktober 1997
op grond van art. 11 van het Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk
der Nederlanden en de V.S. (Trb. 1980, 111; hierna:
Uitleveringsverdrag NL-VS) aan de Procureur-Generaal van Aruba
verzocht eisers voorlopig aan te houden in afwachting van een verzoek
tot uitlevering. Ter uitvoering van dat verzoek zijn eisers op bevel
van de Procureur-Generaal op 3 oktober 1997 aangehouden. Het
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en
Aruba (hierna: het hof) heeft op 8 oktober 1997 de voorlopige
aanhouding rechtmatig geoordeeld en die aanhouding voorwaardelijk
geschorst (o.a. op voorwaarde van storting van een borgsom).
1.1.3. Aan het daaropvolgende, op 31 oktober 1997 langs diplomatieke
weg ingediende verzoek van de V.S. tot uitlevering van eisers ligt ten
grondslag een criminal indictment (akte van beschuldiging) van 10
augustus 1994 van een Federal Grand Jury van het U.S. District Court
for the District of Puerto Rico. In deze akte zijn de feiten
omschreven terzake waarvan verdenking jegens eisers bestaat. Het
verzoek is op 14 november 1997 doorgeleid naar genoemde
Procureur-Generaal, die de desbetreffende stukken met zijn requisitoir
op 24 december 1997 aan het hof heeft voorgelegd.
1.1.4. Het hof heeft eisers op 21, 22 en 23 januari 1998 gehoord. Bij
die gelegenheid hebben de Procureur-Generaal en de raadsman van eisers
het woord gevoerd en stukken overgelegd.
1.1.5. Op 30 januari 1998 heeft het hof ten aanzien van elk van eisers
advies uitgebracht aan de Gouverneur van Aruba. Het slot van dit
advies luidt, voor zover van belang:
"1. concludeert op grond van het Uitleveringsverdrag tussen het
Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika, alsmede
op grond van het N.A. Uitleveringsbesluit dat de uitlevering van de
opgeëiste persoon met het oog op zijn vervolging in de Verenigde
Staten van Amerika voor de feiten welke zijn vervat in de op 10
augustus 1994 uitgevaardigde Criminal Indictment toelaatbaar is;
2. geeft in overweging om niet eerder tot uitlevering te beslissen dan
nadat van de Verenigde Staten van Amerika de verzekering is gekregen
dat ermee wordt ingestemd dat, indien de opgeëiste persoon daartoe de
wens te kennen geeft en aan de overige verdragsbepalingen wordt
voldaan, de tenuitvoerlegging van de eventueel aan hem opgelegde
vrijheidsstraf op grond van artikel 11 van het Verdrag overbrenging
gevonniste personen, na conversie in Aruba zal mogen plaatsvinden.
3. wijst op artikel 15 van het Uitleveringsverdrag en artikel 7 van
het Uitleveringsbesluit, waarin wordt bepaald dat uitlevering dient te
geschieden onder de voorwaarde dat de uitgeleverde niet zal mogen
worden vervolgd of gestraft voor enig strafbaar feit voor zijn
uitlevering gepleegd, dan dat hetwelk de reden van uitlevering is
geweest, tenzij hij na zijn uitlevering dertig dagen de tijd heeft
gehad om het land weer te verlaten, dan wel de instemming van de
Gouverneur met zodanige vervolging of bestraffing zal zijn verkregen;
4. (...)"
1.1.6. Bij besluiten van 30 maart 1998 heeft de Gouverneur van Aruba
de uitlevering van eisers toegestaan voor de feiten genoemd in de
criminal indictment.
1.1.7. Op 31 maart 1998 heeft de Gouverneur van Aruba zijn besluiten
van 30 maart 1998 gewijzigd door alsnog de uitlevering van eisers te
weigeren ter zake van het feit strafbaar gesteld onder U.S. Code 1957
en omschreven in de criminal indictment onder c en voor de overige
feiten genoemd in de criminal indictment de uitlevering toe te staan.
1.1.8. Ingevolge voormelde besluiten van 30 en 31 maart 1998 heeft op
9 mei 1998 de uitlevering van eisers aan de V.S. plaatsgevonden(2).
1.2. In dit geding hebben eisers, na wijziging van eis, gevorderd voor
recht te verklaren dat het advies van het hof d.d. 30/31 januari
1998(3) en/of de beslissingen van de Gouverneur van Aruba d.d. 30 en
31 maart 1998(4) strekkende tot uitlevering van eisers, alsmede de
feitelijke uitlevering van eisers door het Land Aruba(5) aan de V.S.
onrechtmatig zijn. Daarnaast hebben eisers schadevergoeding gevorderd,
op te maken bij staat. Eisers hebben aan hun vorderingen ten grondslag
gelegd dat het Nederlands-Antilliaans Uitleveringsbesluit, waarop het
advies van het hof en de beslissing van de Gouverneur tot uitlevering
zijn gebaseerd, onverbindend is omdat de Grondwet, de Staatsregeling
van Aruba en art. 5 lid 1 EVRM meebrengen dat niemand van zijn
vrijheid kan worden beroofd dan uit kracht van een wet in formele zin.
Voorts hebben eisers aangevoerd dat de gevolgde uitleveringsprocedure
in strijd is met het discriminatieverbod, zoals neergelegd in art. 14
EVRM en art. 26 IVBPR, nu geen cassatieberoep openstaat tegen het
uitleveringsadvies van het hof, terwijl wél cassatieberoep openstaat
voor Nederlanders die op grond van de Nederlandse Uitleveringswet
worden uitgeleverd. Voor dit onderscheid bestaat volgens eisers geen
objectieve rechtvaardigingsgrond. Eisers hebben verder gesteld dat het
uitleveringsadvies van het hof d.d. 30/31 januari 1998 onrechtmatig is
- en dus ook de mede op dat advies berustende uitlevering zelf - omdat
dit advies enkele kennelijke misslagen bevat:
a. het hof heeft destijds bij de beantwoording van de vraag of het
overgelegde bewijsmateriaal een vermoeden van schuld oplevert, ten
onrechte getoetst aan het recht van de V.S. en niet aan Arubaans
recht. Het bewijsmateriaal zou een toetsing aan Arubaans recht op
grond van art. 9, derde lid, Uitleveringsverdrag NL-VS niet hebben
doorstaan.
b. het hof heeft destijds de verweten gedragingen ten onrechte niet
aan het vereiste van dubbele strafbaarheid getoetst overeenkomstig
art. 2 van het Uitleveringsverdrag NL-VS. Naar Arubaans recht is het
in het criminal indictment vervatte verwijt dat eisers met betrekking
tot geldmiddelen resp. betaalinstrumenten bepaalde
aanmeldingsverplichtingen niet zijn nagekomen, niet strafbaar.
c. het hof heeft destijds ten onrechte aangenomen dat het EVRM in de
V.S. van kracht zou zijn, dat het IVBPR daar rechtstreekse werking
heeft en dat in de V.S. voldoende garanties voor een "fair trial"
bestaan(6).
Ten slotte hebben eisers betoogd dat de besluiten tot uitlevering
onrechtmatig zijn, omdat de V.S. onvoldoende garanties hebben
verschaft voor een spoedige terugkeer van eisers naar Aruba teneinde
aldaar een eventueel in de V.S. opgelegde straf te kunnen ondergaan.
1.3. Nadat het Land verweer had gevoerd, heeft het Gerecht in eerste
aanleg (hierna: GEA) bij vonnis van 6 december 2000 de vorderingen van
eisers afgewezen. Met betrekking tot de stelling dat het N.A.
Uitleveringsbesluit onverbindend is, verwees het GEA naar de
motivering van het uitleveringsadvies van het hof d.d. 30/31 januari
1998 waarin dezelfde stelling van eisers was verworpen. Hetzelfde gold
voor het beroep van eisers op het discriminatieverbod m.b.t. de
mogelijkheid van cassatie tegen het uitleveringsadvies (rov. 5.2 GEA).
In dat uitleveringsadvies had het hof overwogen dat het N.A.
Uitleveringsbesluit is gebaseerd op art. 14, eerste lid van het
Statuut; op grond van die bepaling kunnen koninkrijksaangelegenheden
bij algemene maatregel van rijksbestuur worden geregeld. M.b.t. het
ontbreken van een cassatiemogelijkheid tegen het uitleveringsadvies,
had het hof o.m. overwogen dat het opheffen van de gestelde
ongelijkheid de rechtsvormende taak van de rechter te buiten gaat(7).
1.4. Met betrekking tot de bezwaren tegen het uitleveringsadvies van
het hof, overwoog het GEA dat dit advies, zolang het niet negatief is,
niet bindend is voor de Gouverneur die over de uitlevering moet
beslissen. Het onderhavige advies kan naar zijn aard niet onrechtmatig
zijn jegens eisers. Dit neemt volgens het GEA niet weg dat indien
geoordeeld zou moeten worden dat het advies ondeugdelijk is - in die
zin dat het advies berust op misvattingen of misslagen van zodanige
aard dat niet kan worden gezegd dat het advies op een juiste grondslag
stoelt - de formele grondslag aan de uitleveringsbeslissing, te weten
een (deugdelijk) positief advies van het hof, komt te ontvallen,
hetgeen de uitleveringsbeslissing ten aanzien van eisers onrechtmatig
zou maken (rov. 5.3 GEA).
1.5. Vervolgens besprak het GEA de drie bezwaren van eisers tegen het
uitleveringsadvies. Met betrekking tot het bezwaar onder a citeerde
het GEA het uitleveringadvies van het hof en overwoog:
"Hoewel voormelde overweging
een inschatting lijkt in te houden van het (toekomstig) oordeel van de
Amerikaanse strafrechter en niet van (het fictieve oordeel van) de
Arubaanse strafrechter, volgt uit de inhoud van hetgeen is overwogen
en de daarbij gebezigde terminologie, dat de vraag of het niet
hoogstonwaarschijnlijk is dat de strafrechter later oordelende tot een
bewezenverklaring van de telastegelegde feiten zal komen, is getoetst
aan het Arubaanse recht en niet aan het Amerikaanse recht." (rov.
4.5.1)
Ten overvloede voegde het GEA hieraan toe dat eisers niet, in elk
geval niet voldoende gemotiveerd, hebben gesteld dat het overgelegde
bewijsmateriaal de toets aan het Arubaanse recht niet zou kunnen
doorstaan. Met betrekking tot het bezwaar onder b, overwoog het GEA
dat het hof in het uitleveringsadvies wel degelijk aan het vereiste
van dubbele strafbaarheid heeft getoetst. Verder overwoog het GEA dat
de omstandigheid dat de gedragingen zoals in de criminal indictment
onder a en b omschreven in de VS een overtreding inhouden van een
plicht tot aanmelding van bepaalde transacties, dat het Arubaans recht
een dergelijke meldingsplicht weliswaar niet kent, maar dat dit aan
het karakter van de verweten gedragingen als "witwassen" naar Arubaans
recht niet afdoet(8). Met betrekking tot het bezwaar onder c heeft het
GEA overwogen dat dit berust op een onjuiste lezing van het
uitleveringsadvies. Ten overvloede heeft het GEA overwogen dat eisers
onvoldoende feiten en omstandigheden hebben aangevoerd, op grond
waarvan het hof, in weerwil van de voor de V.S. uit het IVBPR en het
vertrouwensbeginsel voortvloeiende verplichtingen, had moeten aannemen
dat een behoorlijk strafproces tegen eisers in de V.S. niet
gewaarborgd was (rov. 5.4.3 GEA).
De stelling van eisers dat de VS onvoldoende garanties hebben
verstrekt om na een eventuele veroordeling een spoedige terugkeer van
eisers naar Aruba te garanderen om daar een straf uit te zitten, werd
door het GEA verworpen. Dit laatste geschilpunt speelt in de
cassatiefase geen rol meer.
1.5. Eisers hebben hoger beroep ingesteld. Bij appelvonnis van 19
februari 2002 heeft het hof het vonnis van het GEA bekrachtigd.
1.6. Eisers hebben van het appelvonnis tijdig(9) cassatieberoep
ingesteld. Het Land heeft verweer gevoerd. Beide partijen hebben hun
standpunt schriftelijk laten toelichten.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
2.1. Onderdeel 1 vormt meteen de pièce de résistance. Het onderdeel
herhaalt het in feitelijke aanleg ingenomen standpunt dat uitlevering
aan de V.S. uitsluitend had mogen geschieden op basis van een wet in
formele zin en dat het N.A. Uitleveringsbesluit, een algemene
maatregel van rijksbestuur, niet een wet in formele zin is.
2.2. In het middelonderdeel wordt art. 5 lid 1 EVRM in één adem
genoemd met andere voorschriften. Het verdient m.i. een afzonderlijke
behandeling. Het hof heeft in rov. 4.7 overwogen dat de term "law" in
(de Engelse tekst van) art. 5 lid 1 EVRM niet noodzakelijkerwijs
meebrengt dat de regeling moet zijn neergelegd in een wet in formele
zin. Dat oordeel is juist. Het karakter van het EVRM, dat rekening
moet houden met zeer uiteenlopende rechtsstelsels waarin niet al het
recht in wetten is neergelegd (denk aan common law-stelsels), brengt
mee dat in de rechtspraak aan "law" een materiële betekenis wordt
toegekend en niet steeds de betekenis van "wet in formele zin" zoals
wij die in ons nationale recht kennen(10). Het EHRM heeft
dienaangaande overwogen:
"The Court recalls that the expressions "lawfull" and "in accordance
with a procedure prescribed by law" in Article 5 par. 1 stipulate not
only full compliance with the procedural and substantive rules of
national law, but also that any deprivation of liberty be consistent
with the purpose of Article 5 and not arbitrary (...). In addition,
given the importance of personal liberty, it is essential that the
applicable national law meet the standard of "lawfullness" set by the
Convention, which requires that all law, whether written or unwritten,
be sufficiently precise to allow the citizen - if need be, with
appropriate advice - to foresee, to a degree that is reasonable in the
circumstances, the consequences which a given action may entail
(...)."(11)
De vrijheidsontneming moet dus voldoen aan de vereisten van het
nationale recht. Het nationale recht moet op zijn beurt voldoen aan de
eis van "lawfullness". In het cassatiemiddel zelf is niet aangevoerd
dat het N.A. Uitleveringsbesluit niet voldoet aan het vereiste van
"lawfullness". Eerst in de s.t. zijdens eisers (onder nr. 24) wordt
aangevoerd dat door het stellen van de eis van voorziening bij wet in
formele zin door de daaraan verbonden democratische controle de
vrijheid van de burger beter wordt beschermd dan bij regelgeving op
lager niveau, waaraan eisers de slotsom verbinden dat t.a.v. het N.A.
Uitleveringsbesluit niet aan de eis van "lawfullness" is voldaan. Deze
klacht is tardief en bovendien ongegrond omdat het EVRM, om de zo-even
genoemde reden, aan de verdragsstaten niet de eis van een wet in
formele zin zal (kunnen) stellen.
2.3. Het hof heeft overwogen dat de regeling van uitleveringen vanuit
Aruba in de vorm van een algemene maatregel van rijksbestuur is
gegrond op art. 3, eerste lid, onder h(12) en art. 14 van het Statuut.
Art. 14 luidt, voor zover van belang:
"1. Regelen omtrent aangelegenheden van het Koninkrijk worden - voor
zover de betrokken materie geen regeling in de Grondwet vindt en
behoudens de internationale regelingen en het bepaalde in het derde
lid - bij rijkswet of in de daarvoor in aanmerking komende gevallen
bij algemene maatregel van rijksbestuur vastgesteld.
De rijkswet of de algemene maatregel van rijksbestuur kan het stellen
van nadere regelen opdragen of overlaten aan andere organen. Het
opdragen of het overlaten aan de landen geschiedt aan de wetgever of
de regering der landen.
2. Indien de regeling niet aan de rijkswet is voorbehouden, kan zij
geschieden bij algemene maatregel van rijksbestuur.
3. Regelen omtrent aangelegenheden van het Koninkrijk, welke noch in
de Nederlandse Antillen, noch in Aruba gelden, worden bij wet of bij
algemene maatregel van rijksbestuur vastgesteld.
4. (...)"
2.4. Het middelonderdeel klaagt dat het hof uit het oog verliest dat
vrijheidsontneming inherent is aan uitlevering. Om die reden is
volgens eisers een regeling bij wet in formele zin vereist. Zij doen
in dit verband beroep op art. I.5, lid 1 onder f, van de
Staatsregeling van Aruba(13), op art. 2 lid 3 van de Grondwet en op
art. 15 lid 1 van de Grondwet(14). De klacht kan moeilijk los worden
gezien van de al lang lopende discussie over het verschijnsel algemene
maatregel van rijksbestuur, zodat ik eerst op die discussie in ga.
2.5. Ten tijde van de totstandkoming van het Statuut was de
uitlevering voor Nederland geregeld in de Uitleveringswet van 1875.
Voor de Nederlandse Antillen, waartoe Aruba toen nog behoorde, was zij
geregeld in het Curaçaosch Uitleveringsbesluit van 1926. Op grond van
art. 57 Statuut verkreeg dit Besluit de status van een algemene
maatregel van rijksbestuur. Het Besluit is enige malen gewijzigd en is
vernoemd tot Nederlands-Antilliaans Uitleveringsbesluit(15). Het
Statuut laat er geen twijfel over bestaan dat de uitlevering een
Koninkrijksaangelegenheid is(16). Het Statuut schrijft voor
uitlevering geen regeling bij rijkswet voor. Voor wat betreft het
Statuut, kan dus worden volstaan met een algemene maatregel van
rijksbestuur (art. 14 lid 2 Statuut). De alleen voor Nederland
geldende Uitleveringswet is een wet als bedoeld in het derde lid van
art. 14 Statuut(17).
2.6. Een algemene maatregel van rijksbestuur (AMvRb) is een
zelfstandige vorm van materiële wetgeving die rechtstreeks voortvloeit
uit het Statuut. Het Statuut eist voor de geldigheid van een algemene
maatregel van rijksbestuur niet het bestaan van een afzonderlijke
rijkswet die bepaalde onderwerpen overlaat aan die algemene maatregel
van rijksbestuur. Een algemene maatregel van rijksbestuur wordt tot
stand gebracht door de Koninkrijksregering zonder (formele)
betrokkenheid van de drie parlementen(18); de AMvRb heeft de
uiterlijke vorm van een Koninklijk Besluit. Deze, in Nederland niet
meer bestaande, vorm van materiële wetgeving is in 1954 gehandhaafd
teneinde de in omvang beperkte legislatieve capaciteit van Suriname en
de toenmalige Nederlandse Antillen niet te overbelasten. Het gebrek
aan parlementaire betrokkenheid is thans de voornaamste reden van de
toegenomen weerstand tegen deze vorm van wetgeving. Deze weerstand is
ontstaan nadat in korte tijd twee ingrijpende algemene maatregelen van
rijksbestuur tot stand kwamen. Eén daarvan was een zodanige wijziging
van het N.A. Uitleveringsbesluit dat Nederlanders ook vanuit de
Nederlandse Antillen en Aruba zouden kunnen worden uitgeleverd(19).
2.7. In zijn advies d.d. 11 september 1995 over het voorstel voor de
zo-even genoemde wijziging van het N.A. Uitleveringsbesluit heeft de
Raad van State van het Koninkrijk krachtig stelling genomen(20). Ik
citeer uit dit advies:
"De Raad van State van het Koninkrijk constateert dat in de rijksdelen
van het Koninkrijk de voorschriften ten aanzien van de uitlevering op
een verschillend niveau van regelgeving worden gesteld. (...) Hoewel
met een beroep op dit artikel verdedigd
kan worden dat het stellen van regels omtrent de uitlevering bij
algemene maatregel van rijksbestuur kan geschieden, kan naar het
oordeel van de Raad in het licht van de huidige opvattingen omtrent
het primaat van de wetgever in formele zin voor dit belangrijke
onderwerp - en in het bijzonder voor de uitlevering van eigen
onderdanen - niet meer met een dergelijk besluit volstaan worden. De
gedachte dat hier een wet in formele zin passend is, spoort ook met
artikel 2, derde lid, van de Grondwet, dat bepaalt dat bij de wet
verdere voorschriften omtrent uitlevering worden gegeven. Het ligt dan
ook niet voor de hand om, zonder nadere motivering, voor de andere
delen van het Koninkrijk een ander niveau van regelgeving te kiezen.
De Raad adviseert de voorbereiding van een rijkswet met voorschriften
omtrent de uitlevering met voortvarendheid te bevorderen en, tot het
moment dat een dergelijke rijkswet in werking treedt, de regels en
waarborgen in het Nederlands-Antilliaans Uitleveringsbesluit geheel
overeen te laten komen met die in de Uitleveringswet."
(...)
"De Raad dringt er voorts op aan de regeling in het
Nederlands-Antilliaans Uitleveringsbesluit ook in procedureel opzicht
meer in overeenstemming te brengen met die van de Uitleveringswet.
Daartoe zou in het bijzonder voorzien moeten worden in het opnemen van
de mogelijkheid van cassatie bij de Hoge Raad en van de verkorte
uitleveringsprocedure."
2.8. In 1995 is voor dit doel een ambtelijke werkgroep ingesteld. Tot
een voorstel voor een rijkswet betreffende de uitlevering is het niet
gekomen; klaarblijkelijk bestaan nog steeds meningsverschillen over de
inhoud die een dergelijke rijkswet zou moeten krijgen(21). Wel is in
breder verband het probleem aangepakt van het "democratisch tekort"
bij de totstandkoming van algemene maatregelen van rijksbestuur(22).
Nadat een werkgroep uit de Staten van de Nederlandse Antillen, de
Staten van Aruba en het Nederlandse parlement zich over dit vraagstuk
had gebogen, heeft het Tweede Kamerlid Van Oven een
initiatief-voorstel van Rijkswet ingediend(23). In dit voorstel wordt
als hoofdregel in art. 14 Statuut opgenomen dat regelen omtrent
aangelegenheden van het Koninkrijk worden vastgesteld bij of krachtens
rijkswet, voor zover de betrokken materie geen regeling in de Grondwet
vindt en behoudens de internationale betrekkingen, behoudens het
bepaalde in het tweede lid [d.w.z. regelen omtrent aangelegenheden van
het Koninkrijk die niet in de Ned. Antillen noch in Aruba gelden] en
behoudens het bepaalde in art. 51 lid 1 Statuut. Alleen voor
spoedeisende gevallen wordt de mogelijkheid van regeling bij AMvRb met
een beperkte geldigheidsduur behouden. Dit voorstel van Rijkswet is
thans in behandeling bij de Tweede Kamer.
2.9. In de vakliteratuur over dit onderwerp wordt niet steeds een
scherp onderscheid gemaakt tussen de vraag of regeling van uitlevering
bij Rijkswet wenselijk is en de - voor dit geding relevante - vraag of
regeling daarvan bij Rijkswet geboden is. Er bestaat enige discussie
over de vraag of uitlevering een "daarvoor in aanmerking komend geval"
is, als bedoeld in art. 14 lid 1 Statuut. Van Helsdingen schrijft
hierover:
"De woorden "in daarvoor in aanmerking komende gevallen" klinken
ietwat vreemd. Het zou toch zonderling zijn een A.M.v.R.B. te
ontwerpen voor een geval dat daarvoor niet in aanmerking komt. Er is
met die woorden dan ook iets anders bedoeld: Wanneer de Grondwet
voorschrijft, dat een aangelegenheid bij de wet moet worden geregeld,
dan bedoelt het Statuut niet een dergelijke bepaling te frustreren
door de gelegenheid tot regeling bij A.M.v.R.B. te scheppen. De meest
voor de hand liggende werkwijze is, dat in een dergelijk geval de
regeling bij Rijkswet wordt getroffen. Doch het is nu weer niet zo,
dat het Statuut in een dergelijk geval voor Suriname en de Nederlandse
Antillen de mogelijkheid van regeling bij A.M.v.R.B. zou willen
ontnemen. Het is zeer wel mogelijk dat voor Nederland de regeling tot
stand komt met medewerking van het vertegenwoordigend lichaam en voor
Suriname en de Nederlandse Antillen bij A.M.v.R.B. Een sprekend
voorbeeld is de uitlevering, waarbij volgens artikel 4 van de
Staatsregelingen bij Rijkswet of A.M.v.R.B. te stellen regelen worden
in acht genomen. In Nederland is de uitlevering geregeld bij de wet.
(...)"(24)
Van Rijn heeft betoogd dat de zinsnede "daarvoor in aanmerking komend
geval" in het eerste lid van art. 14 Statuut, gezien de
ongeclausuleerde formulering van het daarop volgende tweede lid, niets
anders betekent dan dat moet worden nagegaan of er geen verplichting
tot regelgeving bij rijkswet bestaat(25).
2.10. Wisse is van mening dat "vanwege het ingrijpende karakter van de
uitlevering" de uitlevering in haar algemeenheid niet een "daarvoor in
aanmerking komend geval" als bedoeld in art. 14 lid 1 Statuut zou
moeten zijn. Hij bepleit daarom een regeling bij Rijkswet. Hij wil
echter niet zó ver gaan, dat het geldende N.A. Uitleveringsbesluit
onverbindend is bij gebreke van een rijkswet(26). Munneke is van
mening dat de uitlevering vanuit de Nederlandse Antillen en Aruba ten
onrechte vastligt in een algemene maatregel van rijksbestuur; hij
wijst op art. 2 lid 3 van de Grondwet(27). Strijards heeft zich op het
standpunt gesteld dat het Statuut niet de verplichting meebrengt de
uitlevering te regelen bij rijkswet. Hij acht een regeling bij
rijkswet echter wel wenselijk(28). Borman laat het antwoord op deze
vraag in het midden(29). De laatste auteur, Nap, is van mening dat het
N.A. Uitleveringsbesluit in strijd is met art. 2 lid 3 van de Grondwet
en om die reden onverbindend. Nap gaat ervan uit dat art. 2 lid 3
Grondwet voor het gehele Koninkrijk geldt, nu de territoriale
werkingssfeer daarvan niet tot Nederland beperkt is. Nap wijst op de
memorie van toelichting op art. 2 Grondwet, waar de regering heeft
gesteld dat delegatie op basis van deze bepaling niet is toegestaan.
Het legaliteitsvereiste van art. 2 lid 3 Gw. biedt z.i. de opgeëiste
persoon de garantie dat de regelingen betreffende de uitlevering aan
democratische controle zijn onderworpen(30).
2.11. In het cassatiemiddel wordt niet beweerd dat art. 14 Statuut,
los van het hieronder te bespreken art. 2 lid 3 Grondwet, een regeling
van de uitlevering bij rijkswet voorschrijft. In het middel wordt een
beroep gedaan op de omstandigheid dat aan uitlevering
vrijheidsontneming inherent is en, in verband daarmee, op een in - na
te noemen - artikelen tot uitdrukking komend beginsel dat een wet in
formele zin als basis nodig is. Voor wat betreft het beroep van eisers
op art. 15 lid 1 van de Grondwet, dat voor vrijheidsontneming een
regeling bij of krachtens de wet voorschrijft, heeft het Land m.i.
terecht tegengeworpen dat het N.A. Uitleveringsbesluit ten minste kan
worden aangemerkt als een regeling krachtens een wet in formele zin,
te weten: krachtens het Statuut(31). Art. I.5, lid 1 onder f, van de
Staatsregeling van Aruba - welke bepaling voor vrijheidsontneming een
regeling bij of krachtens landsverordening voorschrijft - staat m.i.
niet in de weg aan een regeling van dit onderwerp op
Koninkrijksniveau. Bovendien geldt ook hier dat het N.A.
Uitleveringsbesluit kan worden gezien als een regeling krachtens een
wet in formele zin. Om dezelfde reden gaat het beroep van eisers op
het legaliteitsbeginsel in het algemeen niet op.
2.12. In het onderdeel wordt tenslotte beroep gedaan op art. 2 lid 3
Grondwet, de bepaling die in het geciteerde advies van de Raad van
State en in de vakliteratuur de meeste aandacht heeft gekregen. De
verhouding tussen Statuut en Grondwet wordt uiteengezet in het
algemene deel van de officiële toelichting op het Statuut:
"Het Statuut geeft voor het Koninkrijk een rechtsregeling van hoogste
orde. Taak en bevoegdheden van de organen van het Koninkrijk vinden in
het Statuut haar grondslag. Bij wetgeving en bestuur, zo in het
Koninkrijk als in de landen, moet het Statuut in acht worden genomen.
Ook de Grondwet neemt het Statuut in acht. De hoofdregels van het
bestel van het Koninkrijk zijn intussen niet alle in het Statuut zelf
neergelegd. Voor een aantal onderwerpen verwijst het Statuut naar de
Grondwet. Zo blijft de regeling van het Koningschap in de Grondwet,
terwijl ook de organen van het Koninkrijk hun uitwerking in de
Grondwet vinden. Statuut en Grondwet geven tezamen de hoofdregels van
het bestel."
2.13. Op dit punt gekomen, staan twee redeneringen tegenover elkaar.
In de ene zienswijze (die het standpunt van eisers steunt) behoort
art. 2 lid 3 Grondwet tot de bepalingen die regels geven voor het
gehele Koninkrijk en is de Grondwet in zoverre een rijksrechtelijke
aanvulling op het Statuut. De consequentie hiervan zou zijn dat voor
het gehele Koninkrijk een regeling van de uitlevering bij wet in
formele zin is voorgeschreven. Het N.A. Uitleveringsbesluit is geen
wet in formele zin en is in deze redenering onverbindend.
2.14. In de andere redenering (die van het hof(32) en in de s.t. van
het Land) is het Statuut de regeling van de hoogste rang. Art. 5,
tweede lid, Statuut schrijft voor dat de Grondwet de bepalingen van
het Statuut in acht neemt. Wanneer art. 14 lid 2 Statuut de
mogelijkheid biedt om te kiezen tussen een regeling bij rijkswet en
een regeling bij algemene maatregel van rijksbestuur, gaat het niet
aan dat een regeling van lagere orde, namelijk de Grondwet, op die
keuzevrijheid inbreuk maakt door alsnog een regeling bij rijkswet voor
te schrijven(33).
2.15. Bij de totstandkoming van het Statuut bestond het Curaçaosch
Uitleveringsbesluit reeds. Uit niets blijkt dat bij de totstandkoming
van het Statuut is beoogd dat dit besluit zijn kracht zou verliezen.
Het valt onder de overgangsbepalingen van het Statuut. Nadien, bij de
herziening van de Grondwet, is in art. 2 lid 3 Grondwet bepaald dat
voorschriften omtrent uitlevering bij de wet (dus niet: krachtens de
wet) worden gegeven. Art. 2 lid 3 Grondwet kan zonder problemen
bepalen dat voor Nederland een wet in formele zin nodig is: een
uitsluitend in Nederland geldende wet, zoals de Uitleveringswet, kan
immers op art. 14 lid 3 Statuut worden gebaseerd. Aan de vraag hoe een
regeling met gelding voor de Nederlandse Antillen eruit zou moeten
zien, is in de parlementaire geschiedenis één alinea gewijd:
"De tweede volzin van het derde lid bepaalt dat voorschriften omtrent
uitlevering bij de wet dienen te worden gegeven. Bij deze formulering
is delegatie van regelgeving uitgesloten, in tegenstelling tot de
redactie die de staatscommissie en wetsontwerp 11 052 voorstelden
(...). Naar onze opvatting behoort ter zake van uitlevering geen
delegatie van regelgeving door de formele wet aan lagere organen
plaats te vinden, hetgeen trouwens de bestaande Uitleveringswet ook
niet doet. Voor de volledigheid merken wij op, dat ingevolge artikel
3, juncto artikel 14 van het Statuut, een uitleveringsregeling die ook
in de Nederlandse Antillen zal gelden, bij Rijkswet dient te worden
vastgesteld."(34)
2.16. Deze passage lijkt op het eerste gezicht een krachtige
ondersteuning op te leveren van het standpunt dat vaststelling bij
rijkswet geboden is en niet kan worden volstaan met een algemene
maatregel van rijksbestuur. Aanvaarding van deze opvatting zou
betekenen dat vanaf de datum van inwerkingtreding van art. 2 lid 3 Gw
(2 maart 1983) regels omtrent uitlevering vanuit Aruba slechts mogen
worden gesteld bij wet in formele zin. De vraag, welke consequenties
deze Grondwetswijziging heeft voor het op die datum reeds bestaande
N.A. Uitleveringsbesluit moet worden beantwoord aan de hand van art.
140 Grondwet. Over artikel 140 is het nodige te doen geweest(35). In
zijn conclusie voor HR 1 december 1993, NJ 1996, 230 m.nt. MS, heeft
de A-G Van Soest een uitgebreid overzicht gegeven waarnaar ik
kortheidshalve moge verwijzen. Hoe dan ook, de wijziging van het N.A.
Uitleveringsbesluit die het mogelijk maakte dat Nederlanders worden
uitgeleverd, dateert van na de Grondwetswijziging(36). Deze
uitbreiding van de uitleveringsmogelijkheden vanuit Aruba wordt dus
niet beschermd door de overgangsbepaling in art. 140 Gw.
2.17. Bij nadere beschouwing kan in de in alinea 2.15 aangehaalde
passage evengoed door de regering bedoeld zijn dat een regeling
omtrent uitlevering die niet alleen voor Nederland geldt maar óók voor
de Nederlandse Antillen en/of Aruba, uitsluitend in de vorm van een
rijkswet kan worden vastgesteld. Dat is juist, maar daarmee is nog
niet gezegd dat art. 2 lid 3 Grondwet de wijze van vaststellen
normeert van uitleveringsregels die uitsluitend voor de Nederlandse
Antillen of uitsluitend voor Aruba gelden. Volgens art. 42 Statuut
wordt de staatsinrichting van Nederland geregeld in de Grondwet, die
van de Nederlandse Antillen en Aruba in de respectievelijke
Staatsregelingen. Elk van de drie landen heeft dan ook een eigen
grondrechtencatalogus opgenomen in zijn Grondwet, respectievelijk in
zijn Staatsregeling (vgl. art. 43-45 Statuut). Zo bepaalt art. 4 van
de Staatsregeling van de Nederlandse Antillen dat uitlevering van
vreemdelingen niet geschiedt dan krachtens verdragen, waarbij de
regelen in acht worden genomen welke bij rijkswet of algemene
maatregel van rijksbestuur worden vastgesteld. De Staatsregeling van
Aruba bevat geen speciale bepaling op dit punt.
2.18. Art. 5 lid 3 Statuut houdt in dat op een voorstel tot
verandering van de Grondwet, houdende bepalingen betreffende
aangelegenheden van het Koninkrijk, de artikelen 15 t/m 20 van het
Statuut van toepassing zijn, d.w.z. dat voor een dergelijke wijziging
van de Grondwet een rijkswet nodig is. De wijziging van art. 2
Grondwet is om die reden niet bij gewone wet geschied, maar bij
rijkswet, dus van Koninkrijkswege(37). Niet alles wat van
Koninkrijkswege is vastgesteld geldt automatisch in het gehele
Koninkrijk: het N.A. Uitleveringsbesluit is daarvan wel het beste
bewijs. De sleutel ligt in het eerste lid van art. 5 Statuut(38). Dit
artikellid bepaalt, onder meer, dat de uitoefening van de wetgevende
macht in aangelegenheden van het Koninkrijk wordt geregeld in de
Grondwet voor zover het Statuut hierin niet voorziet. Als dit
artikellid wordt gelezen in die zin dat het Statuut aan de
Grondwetgever overlaat te bepalen wélke aangelegenheden van het
Koninkrijk bij rijkswet en welke bij algemene maatregel van
rijksbestuur mogen worden geregeld, zou er sprake zijn van een
rijksrechtelijke aanvulling op het Statuut die zich ook uitstrekt over
de Nederlandse Antillen en Aruba. M.i. is dit niet de bedoeling van
dit artikellid. De achtergrond van art. 5 lid 1 Statuut is dat het
Koninkrijksverband een geheel nieuwe rechtsorde schiep, met eigen
wetgevende organen. Dit bracht mee dat alles wat voordien in de
Grondwet was geregeld opnieuw geregeld zou moeten worden in het
Statuut (bijv. de wijze van erfopvolging van de Kroon, de
samenstelling van de Kamers van de Staten-Generaal enz.). Het is in
feite een vorm van legislatieve efficiency, dat het Statuut deze zaken
niet opnieuw regelt maar voor de regeling hiervan in art. 5 lid 1
Statuut naar de Grondwet verwijst. De Grondwet heeft in zoverre een
gemengd karakter. Die ratio gaat voor dit geval niet op: wanneer het
gaat om de vraag wat bij rijkswet en wat bij algemene maatregel van
rijksbestuur geregeld moet worden, is m.i. geen reden te bedenken
waarom het Statuut die vraag niet zélf zou beantwoorden en dit aan de
(lagere) Grondwetgever zou overlaten. Aldus beschouwd geeft art. 2 lid
3 Grondwet een regel, die weliswaar bij rijkswet is vastgesteld en een
aangelegenheid van het Koninkrijk betreft, maar die alleen voor de
Nederlandse staatsinrichting geldt. Mijn slotsom is dat het N.A.
Uitleveringsbesluit niet in strijd is met art. 2 lid 3 Grondwet.
2.19. Het hof heeft in rov. 4.4 ten overvloede toegevoegd dat het
Uitleveringsverdrag NL-VS tot de onderhavige uitlevering verplicht,
ook indien aan (de wijze van vaststellen van) het N.A.
Uitleveringsbesluit gebreken zouden kleven. De laatste alinea van het
middelonderdeel richt zich tegen deze overweging. Eisers missen belang
bij deze klacht, omdat deze overweging ten overvloede de beslissing
niet draagt. Zou de Hoge Raad, anders dan hiervoor betoogd, tot de
slotsom komen dat het N.A. Uitleveringsbesluit onverbindend is, dan is
de klacht m.i. gegrond. Het hof miskent dat art. 1 van het
Uitleveringsverdrag NL-VS weliswaar tot uitlevering verplicht, maar
art. 8 van dat verdrag bijzondere voorschriften geeft voor de
uitlevering van eigen onderdanen. Voor eigen onderdanen bestaat geen
verplichting tot uitlevering (art. 8 lid 2). Als juist zou zijn dat
het Uitleveringsverdrag NL-VS het Land Aruba volkenrechtelijk
verplicht tot uitlevering van eisers, behoeft deze omstandigheid niet
in de weg te staan aan het oordeel dat de uitlevering(sdetentie) naar
nationaal recht toch onrechtmatig is jegens eisers omdat zij op een
onverbindende regeling is gebaseerd. De slotsom van het voorgaande is
evenwel dat onderdeel 1 niet tot cassatie behoeft te leiden.
2.20. In onderdeel 2 klagen eisers over de verwerping (in rov. 4.10 -
4.15) van de stelling dat hun uitlevering aan de V.S. onrechtmatig is
omdat geen cassatieberoep heeft opengestaan tegen het
uitleveringsadvies van het hof, terwijl bij uitlevering vanuit
Nederland op grond van de Uitleveringswet wel cassatieberoep zou
hebben opengestaan tegen het advies van de rechtbank ex art. 28 van
die wet(39). Eisers beschouwen dit als een ontoelaatbare ongelijke
behandeling van de onderdanen van de Rijksdelen waarvoor geen
rechtvaardigingsgrond valt aan te wijzen en doen een beroep op art. 14
EVRM en art. 26 IVBPR. Bij de behandeling van deze klacht moet
onderscheid worden gemaakt tussen (i) het vraagstuk of hier inderdaad
sprake is van ongeoorloofde discriminatie en, indien die vraag
bevestigend is beantwoord, (ii) de vraag of het ontbreken van de
cassatiemogelijkheid meebrengt dat eisers niet uitgeleverd hadden
mogen worden.
2.21. Het hof wijst erop dat art. 14 Statuut uitdrukkelijk ruimte laat
voor regelingen die verschillend zijn voor de diverse delen van het
Koninkrijk. De omstandigheid dat uitlevering een
Koninkrijksaangelegenheid is, dwingt volgens het hof niet tot een voor
alle drie landen inhoudelijk gelijke uitleveringswetgeving, althans
niet tot een gelijk stelsel van rechtsmacht en rechtsmiddelen terzake.
's Hofs oordeel is geheel beredeneerd vanuit art. 14 Statuut. Het
derde lid daarvan laat inderdaad ruimte voor een wettelijke regeling
voor Nederland, die afwijkt van de regeling voor de Nederlandse
Antillen en/of Aruba. Eisers echter hebben in dit geding echter
gesteld dat het Koninkrijk als zodanig norm-adressaat is van art. 14
EVRM en art. 26 IVBPR, aangezien het Koninkrijk - niet de
afzonderlijke landen - de verdragspartij bij die verdragen is. Op deze
grond volharden zij in hun opvatting dat de regeling voor alle
onderdanen van het Koninkrijk (m.b.t. de mogelijkheid van
cassatieberoep) gelijk behoort te zijn, tenzij voor het verschil in
behandeling een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat, welke
ontbreekt indien met het gemaakte onderscheid geen legitiem doel wordt
nagestreefd of indien dit onderscheid niet kan worden aangemerkt als
een passend middel om dat doel te bereiken(40).
2.22. Voor zover het middelonderdeel bedoelt dat direct onderscheid
wordt gemaakt tussen verscheidene categorieën Nederlanders, faalt het
bij gebrek aan feitelijke grondslag. De Uitleveringswet is van
toepassing op de uitlevering van personen vanuit Nederland, ongeacht
hun (Europese, Antilliaanse of Arubaanse) herkomst. Het N.A.
Uitleveringsbesluit is van toepassing op de uitlevering van personen
vanuit de Nederlandse Antillen resp. Aruba, eveneens ongeacht hun
herkomst. Een direct onderscheid naar personen wordt evenmin gemaakt
ten aanzien van het wel of niet openstaan van de mogelijkheid van
cassatie.
2.23. Het vraagstuk zou klemmender zijn geweest indien eisers in
feitelijke aanleg zouden hebben gesteld dat indirect onderscheid
tussen verscheidene categorieën Nederlanders wordt gemaakt, in die zin
dat Arubaanse Nederlanders vaker in een positie verkeren waarin het
N.A. Uitleveringsbesluit van toepassing is dan in een positie waarin
de Uitleveringswet van toepassing is. In het fictieve voorbeeld dat de
wetgever zou bepalen dat tegen echtscheidingsbeschikkingen in het
ressort Arnhem geen hoger beroep openstaat en tegen
echtscheidingsbeschikkingen in het ressort Amsterdam wél (of
omgekeerd), zou het beroep op het gelijkheidsbeginsel waarschijnlijk
luid klinken. In dit geval echter kan, zoals het hof overweegt, een
rechtvaardiging zijn dat het om drie verschillende landen gaat, ieder
met een eigen rechtsstelsel. In art. 23 Statuut ligt besloten dat de
mogelijkheid van cassatieberoep tegen beslissingen van het
Gemeenschappelijk Hof niet vanzelfsprekend openstaat, maar uitsluitend
in die gevallen waarin een rijkswet (de Cassatieregeling N.A.A.) dit
bepaalt(41). Dat binnen het rechtsgebied van een verdragspartij bij
het EVRM of het IVBPR rechtsregels voor een bepaald onderwerp per
regio uiteen kunnen lopen wordt vrij algemeen aanvaard; men denke
slechts aan plaatselijke of provinciale verordeningen en aan
verdragspartijen met een federale staatsinrichting.
2.24. Veronderstellenderwijs aannemend dat sprake is van ongeoorloofde
discriminatie, zou er aanleiding zijn om de cassatiemogelijkheid tegen
uitleveringsadviezen van het Gemeenschappelijke Hof gelijk te trekken
met die in Nederland. Betekent dit nu dat de uitlevering van eisers
onrechtmatig is, louter op grond van het feit dat voor hen geen
cassatieberoep tegen het uitleveringsadvies heeft opengestaan? Het hof
heeft in rov. 4.14 op m.i. goede gronden aangenomen dat dit niet het
geval is. Wanneer hier sprake is van een rechtstekort, ligt het op de
weg van de wetgever hierin te voorzien. Het door het hof genoemde
voorstel van rijkswet (27 797 (R 1686), tot regeling van cassatie in
Antilliaanse en Arubaanse uitleveringszaken) is na wijziging inmiddels
aangenomen. Het voorstel heeft geleid tot de rijkswet van 8 mei 2003,
Stb. 2003, 204 (nog niet in werking getreden). Het verbieden of
onrechtmatig verklaren van een uitlevering, louter op grond van de
omstandigheid dat tegen het uitleveringsadvies niet de mogelijkheid
van cassatie heeft opengestaan, schiet zijn doel (het opheffen van de
ongelijkheid) voorbij. Om deze redenen ben ik van mening dat onderdeel
2 niet tot cassatie leidt. Bij hun klacht over de overweging ten
overvloede in rov. 4.15 ("nog daargelaten" enz.) hebben eisers geen
belang omdat deze overweging de beslissing niet draagt.
2.25. De overige onderdelen van het cassatiemiddel hebben betrekking
op de (hierboven in alinea 1.2 samengevatte) bezwaren tegen het
uitleveringsadvies. Systematisch komt onderdeel 6 als eerste aan de
beurt. Dit is gericht tegen rov. 4.19. In het onderdeel wordt
aangevoerd dat het hof, bij gebreke van een bestuursrechtelijke
rechtsgang tegen het uitleveringsbesluit van de Gouverneur (zie rov.
4.1), niet had mogen volstaan met een marginale toetsing van dat
besluit, maar het besluit volledig had behoren te toesten aan regels
van geschreven en ongeschreven recht.
2.26. M.i. mist deze klacht feitelijke grondslag. Het hof heeft,
blijkens rov. 4.19, het besluit tot uitlevering getoetst aan de
algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder de vraag of de
Gouverneur in redelijkheid tot uitlevering heeft kunnen besluiten. Uit
de daaraan voorafgaande overwegingen blijkt dat het hof het besluit
tot uitlevering tevens heeft getoetst aan alle geschreven rechtsregels
waarop eisers een beroep hadden gedaan. Waarschijnlijk hebben eisers
met deze klacht bedoeld bezwaar te maken tegen de beslissing in rov.
4.19 dat het uitleveringsadvies in deze civiele procedure niet
volledig kan worden getoetst. Het hof heeft zich beperkt tot de
toetsing of het uitleveringsadvies klaarblijkelijk berust op
(juridische of feitelijke) misslagen dan wel fundamentele
rechtsbeginselen zijn veronachtzaamd. Deze maatstaven heeft het hof
kennelijk ontleend aan de rechtspraak over het bevel tot staken van de
tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen(42) en de bekende
rechtspraak over het doorbreken van een rechtsmiddelverbod. In de
redenering van het hof wordt het uitleveringsadvies gezien als een
onherroepelijke rechterlijke beslissing.
2.27. Het advies als bedoeld in art. 8 jo. 15 van het N.A.
Uitleveringsbesluit heeft een gemengd karakter, in die zin dat de
Gouverneur verplicht is de uitlevering te weigeren wanneer het advies
van het hof negatief is. Wanneer het advies van het hof niet strekt
tot afwijzing van het uitleveringsverzoek is de Gouverneur vrij in
zijn beslissing, onverlet hetgeen overigens in het N.A.
Uitleveringsbesluit is bepaald omtrent uitlevering van Nederlanders.
De beslissing van het hof heeft dus het karakter van een rechterlijk
oordeel omtrent de toelaatbaarheid van de uitlevering. Aan het oordeel
dat de uitlevering toelaatbaar is, is de Gouverneur strikt genomen
niet gebonden: indien hij meent dat de uitlevering ontoelaatbaar is,
kan de Gouverneur de uitlevering weigeren. Dat is in dit geval ook
gebeurd ten aanzien van het feit dat in de criminal indictment onder c
werd omschreven. Zou de beslissing van de Gouverneur om voor de
overige feiten de uitlevering wél toe te staan worden getoetst aan
Nederlandse bestuursrechtelijke maatstaven, dan kan worden gewezen op
de art. 3:9, 3:49 en 3:50 Awb. Aan de toetsing van de motivering van
de beslissing van de Gouverneur is het hof in deze civiele procedure
nauwelijks toegekomen: eisers hebben er de voorkeur aan gegeven niet
via de motivering van de beslissing van de Gouverneur, doch
rechtstreeks 's hofs uitleveringsadvies aan te vallen, waarbij zij
hebben gesteld dat dit advies onrechtmatig is en, om de door hen
genoemde redenen, negatief had behoren te luiden. Aldus vallen eisers
in feite de rechterlijke beslissing aan. Om die reden acht ik de in
rov. 4.19 aangelegde toetsingsmaatstaf de juiste en faalt onderdeel 6.
2.28. Onderdeel 3 richt een motiveringsklacht tegen rov. 4.17 van het
appelvonnis. Aanleiding was de navolgende passage uit het
uitleveringsadvies van het hof:
"Het Hof heeft naar aanleiding van het hiervoor gestelde het
overgelegde bewijsmateriaal onderzocht en is tot de conclusie gekomen
dat daarin voldoende aanwijzingen van schuld zijn te vinden die het
niet hoogst onwaarschijnlijk maken dat de strafrechter die over de in
de Criminal Indictment telastegelegde feiten zal hebben te oordelen
tot een veroordeling van de opgeëiste persoon komt. (...)"
(uitleveringsadvies blz. 10-11)
Het hier relevante art. 9, derde lid onder b, van het
Uitleveringsverdrag NL-VS bepaalt dat bij een verzoek tot uitlevering
met betrekking tot een persoon die wordt gezocht met het oog op
vervolging(43) dient te worden gevoegd: "het bewijsmateriaal dat,
volgens het recht van de aangezochte Staat, de aanhouding en
dagvaarding van die persoon zou rechtvaardigen indien het feit in die
Staat zou zijn gepleegd (...)". In alle instanties hebben eisers
aangevoerd dat het hof in het uitleveringsadvies deze vraag ten
onrechte heeft getoetst aan het te verwachten oordeel van de
Amerikaanse rechter (naar Amerikaans recht), in plaats van dit te
beoordelen naar het te verwachten oordeel van de Arubaanse rechter
(naar Arubaans recht). In rov. 4.17 overweegt het hof dat deze
stelling berust op een onjuiste lezing van het uitleveringsadvies.
Volgens het hof is in dat advies met "strafrechter" de Arubaanse
strafrechter bedoeld. Dit is volgens het hof ook in overeenstemming
met art. 2 en 9, derde lid onder b, van het Uitleveringsverdrag NL-VS,
met art. 2, eerste lid onder a, en art. 3 van het N.A.
Uitleveringsbesluit en met hetgeen in HR 1 februari 1994, NJ 1994,
266, is overwogen omtrent de toepasselijke maatstaf. Deze maatstaf
houdt in: of, indien de opgeëiste persoon voor een Nederlandse
strafrechter zou zijn vervolgd, het niet hoogst onwaarschijnlijk zou
zijn dat deze, later oordelend, door de voor hem geleverde
bewijsvoering de ten laste gelegde feiten geheel of gedeeltelijk
bewezen zou achten.
2.29. Over de lezing die het hof, als feitenrechter, heeft gegeven aan
het uitleveringsadvies kan in een cassatieprocedure niet met vrucht
worden geklaagd. Het middelonderdeel beperkt zich dan ook tot een
motiveringsklacht. M.i. is de aangevallen appelbeslissing niet
onbegrijpelijk. De rechter die in de strafzaak te oordelen heeft over
de in de criminal indictment aan betrokkene verweten gedragingen is
inderdaad de rechter van de verzoekende Staat, in dit geval de
Amerikaanse strafrechter. Het hof heeft in het uitleveringsadvies
kennelijk niet het oog op die rechter, maar slechts op de fictieve
situatie dat de opgeëiste persoon voor de Arubaanse strafrechter
terzake van de onderliggende materiële feiten zou zijn vervolgd. Dat
stemt overeen met de wettelijke en de verdragsrechtelijke norm. Eerder
in het uitleveringsadvies had het hof reeds vastgesteld dat de feiten
(ook) naar het recht van Aruba strafbaar zijn gesteld. Om deze reden
faalt de motiveringsklacht.
2.30. In onderdeel 4 wordt geklaagd dat het hof ten onrechte geen
aandacht heeft besteed aan één van de stellingen van eisers. Eisers
hadden in hoger beroep aangevoerd dat het hof, door op blz. 11 van het
uitleveringsadvies te overwegen dat de opgeëiste persoon er niet in is
geslaagd "onverwijld aan te tonen hieraan niet schuldig te zijn" een
onjuiste maatstaf had aangelegd. Volgens het middelonderdeel had de
maatstaf van art. 9, derde lid onder b, van het Uitleveringsverdrag
NL-VS moeten worden toegepast.
2.31. Het hof heeft in rov. 4.19 van het appelvonnis aangegeven,
waarom het niet op iedere afzonderlijke stelling van eisers is
ingegaan. Dat oordeel is in het kader van onderdeel 6 besproken. Reeds
om die reden faalt de klacht. Ten overvloede merk ik op dat het hof
deze grief slechts had kunnen verwerpen. Uit het uitleveringsadvies
(blz. 10-11, onder het kopje "Vermoeden van schuld") blijkt dat het
hof van oordeel was dat het door de V.S. overgelegde bewijsmateriaal,
waaruit het hof met name de verklaringen van de geldkoeriers noemt,
voldeed aan het criterium van art. 9, derde lid onder b, van het
Uitleveringsverdrag NL-VS. Daarmee had het hof kunnen volstaan. Als
een bijkomend argument, kennelijk in reactie op hetgeen de opgeëiste
persoon in het kader van de uitleveringsprocedure had aangevoerd,
heeft het hof in het uitleveringsadvies toegevoegd:
"De opgeëiste persoon is er niet in geslaagd om onverwijld aan te
tonen hieraan niet schuldig te zijn. Een verder dan de hiervoor
aangegeven marginale toetsing van het bewijsmateriaal gaat de
beoordeling van een verzoek tot uitlevering te buiten".
In hoger beroep hebben eisers aangevoerd dat deze formulering
kennelijk is ontleend aan art. 28 lid 3 van de Nederlandse
Uitleveringswet en dat het hof daarmee een onjuiste maatstaf heeft
aangelegd: in de toelichtende Nota bij de aanbieding van het
Uitleveringsverdrag NL-VS(44) is opgemerkt dat het onderzoek naar de
schuld van de opgeëiste persoon aan de feiten waarvoor zijn
uitlevering wordt gevraagd verder gaat dan het onderzoek bedoeld in
het derde lid van art. 28 Uitleveringswet, welke laatste bepaling dan
ook buiten toepassing blijft. Dit laatste hangt samen met een
eigenaardigheid van het Amerikaanse recht, nl. dat verzoeken om
uitlevering ter fine van vervolging onderbouwd dienen te zijn met het
bewijsmateriaal dat nodig is om te spreken van een probable cause. De
Nota maakt t.a.p. een vergelijking met het criterium dat de
Nederlandse rechter hanteert bij de beoordeling van een bezwaarschrift
tegen de dagvaarding of kennisgeving van verdere vervolging (art. 250
Sv). In het onderhavige uitleveringsadvies heeft het hof de
toelaatbaarheid van de verzochte uitlevering niet getoetst aan de
vraag of eisers hun onschuld konden bewijzen, noch aan de hand van
art. 28 lid 3 Uitleveringswet, maar aan de hand van het criterium in
art. 9, derde lid onder b, van het Uitleveringsverdrag NL-VS, hetgeen
weer strookt met de hiervoor besproken maatstaf van de Hoge Raad. De
aangehaalde passage bevat slechts de weerlegging van het gevoerde
verweer.
2.32. In onderdeel 5 klagen eisers tenslotte dat het oordeel in rov.
4.18 onjuist is, althans onvoldoende gemotiveerd, omdat het hof niet
is ingegaan op hun betoog dat het niet aanmelden van de in- en uitvoer
van geldmiddelen en/of betaalinstrumenten naar Arubaans recht niet
strafbaar is en dat de criminal indictment (onder a en b) juist dit
verwijt bevatte. Om deze reden zijn eisers van mening dat het hof in
het uitleveringsadvies niet, althans niet zonder nadere motivering, de
gevolgtrekking kon maken dat aan de eis van dubbele strafbaarheid is
voldaan.
2.33. Het hof heeft zich aangesloten bij de overwegingen van het GEA
en daaruit geconcludeerd dat eisers in de V.S. zullen worden vervolgd
terzake van feiten die naar Arubaans recht "witwassen" opleveren(45).
Het GEA heeft erop gewezen dat de in de criminal indictment bedoelde
feiten weliswaar op onderdelen meerduidig kunnen worden gekwalificeerd
(het enkele niet melden van de in- en uitvoer van deviezen is in de
V.S. wél, maar in Aruba niet strafbaar), maar dat de materiële feiten
waarvoor de uitlevering is verzocht zowel in Aruba als in de V.S.
strafbaar zijn (nl. het witwassen). Dit oordeel als zodanig hebben
eisers in cassatie niet bestreden. In art. 2, eerste lid, van het
Uitleveringsverdrag NL-VS is bepaald dat in dit verband niet van
belang is of de wetten van de Verdragsluitende Partijen het feit onder
dezelfde categorie strafbare feiten rangschikken dan wel een feit met
dezelfde termen aanduiden. Dienovereenkomstig is in HR 28 maart 2000,
NJ 2000, 367, overwogen dat het gaat om de beoordeling van de dubbele
strafbaarheid van het materiële feit. Niet van belang is of de volgens
de verzoekende Staat toepasselijke strafbepaling als zodanig een
equivalent heeft in het Nederlandse recht. Om deze reden faalt dit
onderdeel.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
1 Zie het bestreden appelvonnis onder 3, in verbinding met het vonnis
van het GEA van 6 December 2000 onder 2.
2 Een vordering in kort geding tot het verbieden van de uitlevering
werd door het GEA bij vonnis van 7 mei 1998 afgewezen.
3 Het advies is op blz. 1 gedateerd 31 januari 1998 en op blz. 13
gedateerd 30 januari 1998 (zie prod. 1 bij het inleidend
verzoekschrift).
4 Producties 3 en 4 bij het inleidend verzoekschrift.
5 Aanvankelijk hadden eisers ook vorderingen ingesteld tegen de
Gouverneur van Aruba, het Koninkrijk der Nederlanden, de
Procureur-Generaal van Aruba en de Staat der Nederlanden. Eisers heeft
zijn vordering tegen deze gedaagden echter ingetrokken. Het GEA (rov.
5.1) heeft beslist dat de onderhavige uitlevering (mede) moet worden
beschouwd als een gezagsuitoefening van het Land Aruba t.a.v. eisers
en om die reden eisers ontvankelijk geacht in hun vordering tegen het
Land. Die beslissing is in hoger beroep en cassatie niet ter discussie
gesteld.
6 Deze laatste kwestie is in cassatie niet langer aan de orde. Zie
over deze problematiek recent: M. Teurlings, Uitleveren aan VS staat
gelijk aan veroordelen, NJB 2003 blz. 371-376.
7 Vgl. HR 30 mei 1995, NJ 1995, 634.
8 Het GEA doelt op de Landsverordening strafbaarstelling witwassen.
Ook het feit, in de criminal indictment onder c omschreven
(overtreding van de deviezenbepalingen) kan volgens het GEA naar
Arubaans recht gebracht worden onder art. 1 van de Landsverordening
strafbaarstelling witwassen. Ter zake van het feit onder c heeft de
Gouverneur de uitlevering alsnog geweigerd.
9 Art. 4 van de Cassatieregeling voor de Nederlandse Antillen en
Aruba: de termijn is drie maanden.
10 EHRM 26 april 1979, NJ 1980, 146 m.nt. EAA.
11 EHRM 23 september 1998, NJ 2000, 29 m.nt. EAA, rov. 54, met
verwijzingen naar eerdere uitspraken.
12 Art. 3 lid 1: "Onverminderd hetgeen elders in het Statuut is
bepaald, zijn aangelegenheden van het Koninkrijk: (...) h. de
uitlevering."
13 De tekst van deze bepaling is geciteerd in rov. 4.3 van het
bestreden appelvonnis.
14 Art. 2 lid 3 Gw: "Uitlevering kan slechts geschieden krachtens
verdrag. Verdere voorschriften omtrent uitlevering worden bij de wet
gegeven."
Art. 15 lid 1 Gw: "Buiten de gevallen bij of krachtens de wet bepaald
mag niemand zijn vrijheid worden ontnomen."
15 Pb 1981 nr. 293; Pb 1983 nr. 84. Bij het verwerven van de status
aparte door Aruba is het N.A. Uitleveringsbesluit voortgezet van
toepassing verklaard op uitleveringen vanuit Aruba: zie G.A.M.
Strijards, Arubaanse uitleveringen, Aruba Iuridica nr. 4 (1998), blz.
139-140.
16 Dit hangt ermee samen dat de buitenlandse betrekkingen een
Koninkrijksaangelegenheid zijn. Het Koninkrijk sluit
uitleveringsverdragen, niet de afzonderlijke Rijksdelen. Zie: C.
Borman, Het statuut voor het koninkrijk (1998), blz. 77. De officiële
toelichting op het Statuut (afgedrukt in de Cremers-editie Grondwet)
bestaat, t.a.v. dit punt, uit één zin: "Uitlevering raakt direct de
internationale positie van het Koninkrijk."
17 Wet van 9 maart 1967, Stb. 139. Zie: MvT, Kamerstukken II 1964/65,
8054, nr. 3, blz. 1.
18 De raad van ministers van het Koninkrijk wordt gevormd door de
Nederlandse ministers, aangevuld met de gevolmachtigde ministers van
de Nederlandse Antillen en van Aruba (art. 7 Statuut).
19 Aan deze wijziging van het N.A. Uitleveringsbesluit (KB van 28
december 1995, Stb. 1995, 706) was een wijziging van de Nederlandse
Uitleveringswet vooraf gegaan: sedert de wet van 10 september 1986,
Stb. 464, i.w. 1 januari 1988, bepaalt art. 4 Uw dat Nederlanders
onder bepaalde voorwaarden kunnen worden uitgeleverd ten behoeve van
een strafrechtelijk onderzoek in het buitenland. (De andere omstreden
AMvRb was de Voorlopige regeling Kustwacht voor de Nederlandse
Antillen en Aruba, die in dit geding geen rol speelt).
20 Enkele weken vóór dat advies was een bijdrage van A.M.M. Orie,
getiteld "Het Koninkrijk doet zijn onderdanen in de uitverkoop",
gepubliceerd: zie NJB 1995 blz. 898-899.
21 In de nota van toelichting op het KB van 21 augustus 1981, Pb 1981,
93, houdende wijziging van het Curaçaosch Uitleveringsbesluit, werd
reeds opgemerkt dat regeling bij Rijkswet wenselijk was, waaraan de
regering toevoegde: "Het behoeft geen betoog dat met het ontwerpen en
vaststellen van een dergelijke Rijkswet de nodige tijd zal zijn
gemoeid."
22 M. de Werd, Parlementaire zeggenschap bij rijksregelgeving, NJB
1996, blz. 1452-1458 (met reactie van H. Munneke in NJB 1997 blz.
254-255); M. de Werd, Meerenberg in het Caraïbisch gebied; het
democratisch deficit bij rijksregelgeving, TAR Justicia 1996 blz.
162-178.
23 Voorstel van rijkswet tot wijziging van de artikelen 14 en 38 van
het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden (vervallen van de
mogelijkheid een algemene maatregel van rijksbestuur uit te vaardigen
zonder wettelijke grondslag daartoe). De tekst met toelichting, zoals
gewijzigd na advies van de Raad van State van het Koninkrijk, is te
vinden in Kamerstukken II 2001/02, 27 570 (R 1672) nrs. 4 en 5. Het
wetsvoorstel wordt kritisch besproken door M. Nap, Wetgeving van het
Koninkrijk der Nederlanden (2003), blz. 127-135; S. Hillebrink en M.
Nap in Regelmaat 2002, blz. 99-112 en M.F.J.M. de Werd, NTB 2001 blz.
66-69; zie ook: C.R. Niessen, kroniek staatsrecht, NJB 2001, blz. 484.
24 W.H. van Helsdingen, Het Statuut voor het Koninkrijk der
Nederlanden, wordingsgeschiedenis, commentaar en praktijk (1957) blz.
337-338.
25 A.B. van Rijn, Staatsrecht van de Nederlandse Antillen (1999), blz.
86-87; vgl. J.H.A. Logemann, De hiërarchie der wettelijke regelingen
in het statuut, NJB 1955, blz. 433-440.
26 C. Wisse, Staatsrechtelijke beschouwingen over het rechtskarakter
van het N.A. Uitleveringsbesluit, TAR Justicia 1999, blz. 54-65; C.
Wisse, Enige aspecten van algemene regelgeving op Aruba, Aruba
Iuridica 2 (1997), blz. 85-109.
27 H.F. Munneke, Het Statuut en de internationale drugsbestrijding,
NJB 1995 blz. 1332-1333.
28 G.A.M. Strijards, Arubaanse uitleveringen, Aruba Iuridica 4 (1998),
blz. 131-152, i.h.b. blz. 137.
29 C. Borman, Het statuut voor het koninkrijk (1998), blz. 32, 77 en
83. Op blz. 32 gaat hij, zonder toelichting, ervan uit dat art. 2 lid
3 Grondwet een bepaling van Koninksrijksrecht is.
30 M. Nap, Wetgeving van het Koninkrijk der Nederlanden (2003), blz.
118-120.
31 Dit nog los van de vraag of art. 15 Gw hier toepasselijk is. Het
Statuut, hoewel blijkens de toelichting een rechtsregeling van geheel
eigen aard, is in zekere zin zélf als wet in formele zin te
beschouwen: het is ingevoerd bij wet van 28 oktober 1954, Stb. 503, en
wijzigingen van het Statuut geschieden door middel van een rijkswet
(art. 55 Statuut).
32 Niet alleen in het thans bestreden appelvonnis, maar ook in het
uitleveringsadvies en in een appelvonnis van 21 oktober 1997
(Taylor/Land Aruba, overgelegd als prod. bij CvA).
33 Een bijkomend probleem is, dat de rechter niet kan treden in de
vraag of de Grondwet in overeenstemming is met het Statuut: HR 14
april 1989, NJ 1989, 469 m.nt. MS. De oplossing moet in deze
redenering worden gevonden door uitleg van Grondwet en Statuut. Zij
kan niet worden gevonden door de Grondwet als strijdig met het Statuut
buiten toepassing te laten.
34 MvT 1976/77, 14 200 (R 1048), nr. 3, blz. 8 (in de reeks Naar een
nieuwe grondwet, deel 18, blz. 185). De opvatting van de regering
heeft tijdens de verdere parlementaire behandeling weerwoord noch
bijval gekregen, ook niet in de tweede lezing (wetsvoorstel 16 906 (R
1169).
35 Zie o.m.: A.K. Koekkoek (red.), De Grondwet (2000), blz. 609-611
(B.M.J. van der Meulen); C.A.J.M. Kortmann, De Grondwetswijzigingen
1983 en 1987 (1987), blz. 378-380; H.R.B.M. Kummeling, Het
grondwettelijk overgangsrecht en de rechtstreekse werking van
grondrechten, NJB 1987, blz. 349-352.
36 K.B. van 28 december 1995, Stb. 706.
37 MvT, Kamerstukken II 1976/77, 14 200, nr. 3, blz. 4 (in de reeks
Naar een nieuwe grondwet, deel 18, blz. 181).
38 Vgl. M. Nap, De wetgeving van het Koninkrijk der Nederlanden (2003)
blz. 118-119.
39 Het toeval wil dat recent een wetsvoorstel Overleveringswet is
gepubliceerd, in art. 29 waarvan bij overleveringen binnen
E.U.-verband het cassatieberoep wordt uitgesloten, met uitzondering
van cassatie in het belang der wet.
40 S.t. eisers, punt 26.
41 Vgl. HR 30 mei 1995, NJ 1995, 634; HR 6 juli 1999, NJ 1999, 702.
42 HR 22 april 1983, NJ 1984, 145 m.nt. WHH.
43 Uitleveringsverdragen maken steeds onderscheid tussen de
vervolgingsuitlevering en de executieuitlevering.
44 Kamerstukken II 1981/82, 17 122 (R 1193), nr. 1, blz. 7.
45 Zie de Landsverordening strafbaarstelling witwassen d.d. 22
december 1993, AB 1993 nr. 70.
Hoge Raad der Nederlanden