Uitspraak Hoge Raad LJN-nummer: AI0344 Zaaknr: C02/173HR
Bron: Hoge Raad der Nederlanden 's-Gravenhage
Datum uitspraak: 7-11-2003
Datum publicatie: 7-11-2003
Soort zaak: civiel - civiel overig
Soort procedure: cassatie
7 november 2003
Eerste Kamer
Nr. C02/173HR
JMH/AT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
, wonende te ,
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. R.F. Thunnissen,
t e g e n
, gevestigd te ,
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Verweerster in cassatie - verder te noemen: - heeft bij
exploit van 24 juli 2000 eiser tot cassatie - verder te noemen:
- gedagvaard voor de kantonrechter te Beetsterzwaag en
gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen
om aan te betalen een bedrag van f 10.000,--,
vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot
aan die der algehele voldoening.
heeft de vordering bestreden.
De kantonrechter heeft bij tussenvonnis van 19 december 2000
bewijslevering opgedragen en bij eindvonnis van 5 juni
2001 veroordeeld om aan te betalen een bedrag
van f 10.000,--, vermeerderd met de wettelijke rente over f 9.400,--
vanaf 24 juli 2000 tot aan de dag der algehele voldoening.
Tegen dit eindvonnis heeft hoger beroep ingesteld bij de
rechtbank te Leeuwarden.
Bij vonnis van 13 februari 2002 heeft de rechtbank
niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen voormeld
tussenvonnis en eindvonnis waarvan beroep.
Het vonnis van de rechtbank is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het vonnis van de rechtbank heeft beroep in cassatie
ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt
daarvan deel uit.
Tegen de niet verschenen is verstek verleend.
heeft de zaak doen toelichten door zijn advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot
vernietiging van het bestreden vonnis en tot verwijzing van de zaak
naar het gerechtshof te Leeuwarden ter verdere behandeling en
beslissing.
3. Beoordeling van het middel
3.1Het gaat in deze zaak, voor zover in cassatie van belang, om het
volgende.
(i) Tussen als opdrachtgever en als makelaar is
op 25 augustus 1999 een bemiddelingsovereenkomst tot stand gekomen ter
zake van de verkoop van een aan de dochter van in eigendom
toebehorende woning te . De looptijd van de opdracht eindigde
op 11 oktober 1999.
(ii) Op de bemiddelingsovereenkomst zijn de voorwaarden van de
Landelijke Makelaarsvereniging (LMV) van toepassing. Ingevolge art. 19
van deze voorwaarden is de opdrachtgever courtage aan de makelaar
verschuldigd indien tijdens de looptijd van de opdracht een
overeenkomst tot stand komt, ook indien deze overeenkomst niet het
gevolg is van de door de LMV-makelaar verleende diensten.
(iii) Op 10 oktober 1999 heeft de bemiddelingsovereenkomst met
onmiddellijke ingang beëindigd.
(iv) Aan haar onder 1 vermelde vordering tot betaling van courtage
heeft ten grondslag gelegd dat de woning voor
het einde van de looptijd van de overeenkomst heeft verkocht aan
---
(v) heeft als verweer aangevoerd - kort gezegd - a) dat hij
geen volmacht had van zijn dochter om de woning te verkopen en dat de
bemiddelingsovereenkomst is aangegaan onder de voorwaarde dat zijn
dochter deze overeenkomst mede zou ondertekenen, welke voorwaarde niet
is vervuld, alsmede b) dat de woning niet op 10 oktober 1999 is
verkocht, doch eerst op 11 januari 2000, derhalve in ieder geval na de
looptijd van de aan verstrekte opdracht.
(vi) Bij tussenvonnis heeft de kantonrechter het onder a) bedoelde
verweer verworpen en in verband met het onder b) bedoelde verweer aan
te bewijzen opgedragen dat de woning vóór 11 oktober
1999 is verkocht aan .
(vii) Bij eindvonnis heeft de kantonrechter geslaagd
geoordeeld in het haar opgedragen bewijs en haar vordering toegewezen.
(viii) is van het eindvonnis van de kantonrechter in hoger
beroep gekomen. Hij voerde twee grieven aan, beide gericht tegen de in
het tussenvonnis opgenomen beslissing van de kantonrechter tot
verwerping van het onder a) bedoelde verweer van .
(ix) De rechtbank heeft niet-ontvankelijk verklaard in zijn
hoger beroep tegen het tussenvonnis, alsmede in zijn hoger beroep
tegen het eindvonnis van de kantonrechter. Daartoe heeft de rechtbank
geoordeeld dat tegen het eindvonnis van de kantonrechter geen grieven
zijn gericht, zodat het hoger beroep daartegen niet-ontvankelijk zal
worden verklaard, dat twee grieven tegen het tussenvonnis van
de kantonrechter heeft aangevoerd, dat hij beoogd heeft de
vernietiging van het tussenvonnis te vorderen, maar dat, nu
niet-ontvankelijk is in zijn hoger beroep tegen het eindvonnis van de
kantonrechter, geen belang heeft bij zijn appel tegen het
tussenvonnis, nu hij reeds niet-ontvankelijk is in zijn hoger beroep
tegen het eindvonnis, zodat hij op die grond tevens niet-ontvankelijk
is in zijn appel tegen het tussenvonnis.
Het middel keert zich tegen de beslissing van de rechtbank en de
gronden waarop zij berust.
3.2 Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat de
in één instantie gewezen vonnissen - voor zover geen deelvonnissen -
niet als op zichzelf staand mogen worden beschouwd, doch, tezamen met
het eventuele eindvonnis, één geheel vormen, terwijl de spreiding van
de beslissingen van de rechter over die vonnissen een min of meer
toevallige is, veelal afhankelijk van diens procesbeleid (HR 22
oktober 1993, nr. 15099, NJ 1994, 509).
3.3 In de onderhavige zaak is in hoger beroep gekomen van het
eindvonnis van de kantonrechter en heeft hij zijn grieven gericht
tegen het tussenvonnis van de kantonrechter. In dit tussenvonnis heeft
de kantonrechter niet aan het proces omtrent enig deel van het door
gevorderde door een uitdrukkelijk dictum een einde
gemaakt. Het tussenvonnis is dus geen deelvonnis, en vormt derhalve
met het oog op het door ingestelde hoger beroep met het
eindvonnis één geheel. De enkele omstandigheid dat zijn
grieven slechts heeft gericht tegen het tussenvonnis en niet tegen het
eindvonnis is, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, dan ook geen
grond om in zijn hoger beroep tegen het eindvonnis
niet-ontvankelijk te verklaren. Daarmee ontvalt tevens de grond aan
het oordeel van de rechtbank dat , wegens gebrek aan belang,
evenmin ontvankelijk is in zijn hoger beroep tegen het tussenvonnis.
Het middel is derhalve gegrond.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt het vonnis van de rechtbank te Leeuwarden van 13 februari
2002;
verwijst het geding naar het gerechtshof te Leeuwarden ter verdere
behandeling en beslissing;
veroordeelt in de kosten van het geding in cassatie, tot
op deze uitspraak aan de zijde van begroot op EUR 388,74 aan
verschotten en EUR 1.590,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R. Herrmann als
voorzitter en de raadsheren D.H. Beukenhorst, O. de Savornin Lohman,
A.M.J. van Buchem-Spapens en E.J. Numann, en in het openbaar
uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 7 november 2003.
*** Conclusie ***
Rolnr. C02/173HR
Mr L. Strikwerda
Zt. 27 juni 2003
conclusie inzake
tegen
Edelhoogachtbaar College,
1. Het gaat in dit cassatiegeding om een procesrechtelijke kwestie:
kan een appellant worden ontvangen in zijn hoger beroep van een
eindvonnis, wanneer hij slechts grieven richt tegen een voorafgaand
tussenvonnis en niet tegen het eindvonnis?
2. De feiten waarvan in cassatie uitgegaan dient te worden, liggen als
volgt.
(i) Tussen thans eiser tot cassatie (hierna: ) als
opdrachtgever en thans verweerster in cassatie (hierna: )
als makelaar is op 25 augustus 1999 een bemiddelingsovereenkomst tot
stand gekomen ter zake van de verkoop van een aan de dochter van
in eigendom toebehorende woning te . De looptijd van
de opdracht eindigde op 11 oktober 1999.
(ii) Op de bemiddelingsovereenkomst zijn de voorwaarden van de
Landelijke Makelaars Vereniging (LMV) van toepassing. Ingevolge art.
19 van deze voorwaarden is de opdrachtgever courtage aan de makelaar
verschuldigd indien tijdens de looptijd van de opdracht een
overeenkomst tot stand komt, ook indien deze overeenkomst niet het
gevolg is van de door de LMV-makelaar verleende diensten.
3. Partijen houdt onder meer verdeeld de vraag of - buiten
om - op 10 oktober 1999, derhalve vóór het einde van de
looptijd van de opdracht, de woning heeft verkocht aan ene [betrokkene
1].
4. stelt zich op het standpunt dat - buiten haar
om - de woning op 10 oktober 1999 aan heeft verkocht en
heeft bij dagvaarding van 24 juli 2000 voor de Kantonrechter
te Beetsterzwaag deswege aangesproken tot betaling van de ingevolge
art. 19 van de LMV-voorwaarden verschuldigde courtage, begroot op f
10.000,- met rente en kosten.
5. heeft de vordering van bestreden. Als verweer
voerde hij aan - kort gezegd - (a) dat hij geen volmacht had van zijn
dochter om de woning te verkopen en dat de bemiddelingsovereenkomst is
aangegaan onder de voorwaarde dat zijn dochter deze overeenkomst mede
zou ondertekenen, welke voorwaarde niet is vervuld, alsmede (b) dat de
woning niet op 10 oktober 1999 is verkocht, doch eerst op 11 januari
2000, derhalve in ieder geval na de looptijd van de aan
verstrekte opdracht.
6. Bij tussenvonnis van 19 december 2000 heeft de Kantonrechter het
onder (a) bedoelde verweer van verworpen en in verband met het
onder (b) bedoelde verweer van opgedragen te
bewijzen dat de woning vóór 11 oktober 1999 is verkocht aan
. Iedere verdere beslissing hield de Kantonrechter aan.
7. Nadat getuigenverhoren hadden plaatsgevonden heeft de Kantonrechter
bij eindvonnis van 5 juni 2001 geslaagd geoordeeld in
het haar opgedragen bewijs en de vordering van
toegewezen.
8. is van het eindvonnis van de Kantonrechter in hoger beroep
gekomen bij de Rechtbank te Leeuwarden. Hij voerde twee grieven aan,
beide gericht tegen de in het tussenvonnis opgenomen beslissing van de
Kantonrechter tot verwerping van het onder (a) bedoelde verweer van
---
9. Bij vonnis van 13 februari 2002 heeft de Rechtbank
niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep. Daartoe overwoog de
Rechtbank:
"2. Tegen het eindvonnis van 5 juni 2001 zijn geen grieven gericht,
zodat het hoger beroep daartegen niet-ontvankelijk zal worden
verklaard.
3. heeft twee grieven tegen het tussenvonnis van de
kantonrechter van 19 december 2000 aangevoerd.
4. Hoewel niet uitdrukkelijk vernietiging van het tussenvonnis
van de kantonrechter heeft gevorderd, begrijpt de rechtbank uit de
formulering van de grieven en de toelichting daarop dat dit
wel heeft beoogd. Nu echter, zoals de rechtbank hiervoor heeft
overwogen, niet ontvankelijk is in zijn hoger beroep tegen het
eindvonnis van de kantonrechter, heeft geen belang bij zijn
appel tegen het tussenvonnis nu hij reeds niet ontvankelijk is tegen
het eindvonnis. Op die grond is hij tevens niet ontvankelijk in zijn
appel tegen het tussenvonnis."
10. is tegen het vonnis van de Rechtbank (tijdig) in cassatie
gekomen met één middel. is in cassatie niet verschenen.
11. Het middel keert zich tegen de zojuist aangehaalde overwegingen
van de Rechtbank en acht het daarin neergelegde oordeel van de
Rechtbank onjuist, althans onbegrijpelijk in het licht van de in de
jurisprudentie ontwikkelde regels inzake hoger beroep tegen
(tussen)vonnissen.
12. Bij de beoordeling van het middel dient vooropgesteld te worden
dat een appellant die enkel vernietiging van het eindvonnis vordert en
niet tevens van de aan het beroepen vonnis voorafgaande
tussenvonnissen, in het algemeen de vrijheid heeft om niettemin bij de
nadere omlijning van zijn hoger beroep in zijn memorie van grieven ook
grieven te richten tegen beslissingen in die tussenvonnissen, indien
deze nog niet in een eerder appel door hem zijn bestreden en voor
zover zij niet tevens een eindvonnis zijn. Zie HR 14 oktober 1983, NJ
1984, 47 nt. WHH; HR 22 oktober 1993, NJ 1994, 509 nt. HJS; HR 26
oktober 2001, NJ 2001. 665. Zie over deze rechtspraak H.E. Ras en A.
Hammerstein, De grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep in
burgerlijke zaken, 2001, nr. 3; H.J. Snijders en A. Wendels, Civiel
appel, 2003, nr. 53; Kluwers Burgerlijke Rechtsvordering, losbl., art.
337 aant. 4 en art. 343 aant. 3 (K.E. Mollema).
13. Geldt de regel ook, indien - zoals in het onderhavige geval - de
appellant die in zijn appeldagvaarding niet tevens de vernietiging
heeft gevorderd van het aan het beroepen eindvonnis voorafgaande
tussenvonnis, slechts grieven richt tegen beslissingen in het
tussenvonnis, doch geen grieven richt tegen beslissingen in het
beroepen eindvonnis? In de genoemde uitspraken overwoog de Hoge Raad
dat de appellant de vrijheid heeft om bij de nadere omlijning van zijn
hoger beroep ook grieven te richten tegen de beslissingen in de
voorafgaande tussenvonnissen. Ligt in het woordje "ook" besloten dat
de regel beperkt is tot het geval waarin tevens grieven zijn gericht
tegen het eindvonnis?
14. Een dergelijke beperking van de regel ligt, gelet op de grondslag
van de regel, niet voor de hand. De regel berust immers op de gedachte
dat "het karakter van de in één instantie gewezen vonnissen, die -
voor zover geen deelvonnissen - niet als op zichzelf staand mogen
worden beschouwd doch, te zamen met het eventuele eindvonnis, één
geheel vormen, terwijl de spreiding van de beslissingen van de rechter
over die vonnissen een min of meer toevallige is, veelal afhankelijk
van diens procesbeleid" (HR 22 oktober 1993, r.o. 3.2). De
omstandigheid dat - in verband met hoger beroep - tussenvonnis, voor
zover geen deelvonnis, en eindvonnis als één geheel moeten worden
beschouwd, brengt mee dat het beroepen eindvonnis ook kan worden
bestreden met enkel tegen het tussenvonnis gerichte grieven.
15. In de onderhavige zaak is in hoger beroep gekomen van het
eindvonnis van de Kantonrechter en heeft hij zijn grieven gericht
tegen het tussenvonnis van de Kantonrechter. In dit tussenvonnis heeft
de Kantonrechter niet aan het proces omtrent enig deel van het door
gevorderde door een uitdrukkelijk dictum een einde
gemaakt. Het tussenvonnis is dus geen deelvonnis en dient met het oog
op het door ingestelde hoger beroep dan ook aangemerkt te
worden als één geheel met het beroepen eindvonnis. De enkele
omstandigheid dat zijn grieven slechts heeft gericht tegen het
tussenvonnis en niet tegen het beroepen eindvonnis, is, anders dan de
Rechtbank heeft geoordeeld, dan ook geen grond om in zijn
hoger beroep tegen het eindvonnis niet-ontvankelijk te verklaren.
Daarmee ontvalt tevens de grond aan het oordeel van de Rechtbank dat
, wegens gebrek aan belang, evenmin ontvankelijk is in zijn
hoger beroep tegen het tussenvonnis. Het middel treft in zijn
rechtsklacht derhalve doel.
De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis van de
Rechtbank en tot verwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te
Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
Hoge Raad der Nederlanden