Erasmus Universiteit Rotterdam

Genetische aanleg van invloed op werking bloedverdunners

Personen met een bepaalde genetische aanleg hebben een hogere kans op bloedingen wanneer zij behandeld worden met bloedverdunners. Dit blijkt uit het onderzoek Genetische en omgevingsfactoren die de intensiteit van de antistollingsbehandeling met cumarine anticoagulantia beïnvloeden van de ziekenhuisapotheker Loes Visser, die hierop op woensdag 15 december 2004 promoveert aan de Erasmus Universiteit te Rotterdam.

Het onderzoek van Loes Visser werd uitgevoerd in de Rotterdamse wijk Ommoord waar sedert 1991 een bevolkingsonderzoek plaatsvindt bij bijna achtduizend personen van 55 jaar en ouder (het 'ERGO' onderzoek). Bij een groep van ruim duizend personen die met bloedverdunners werden behandeld, werd geanalyseerd of de mate van antistolling werd beïnvloed door een bepaalde genetische factor (het zogenoemde CYP2C9 polymorfisme). Dit polymorfisme is er verantwoordelijk voor dat deze bloedverdunners minder snel in het lichaam worden afgebroken door het enzym cytochroom P450 2C9. Uit het onderzoek kwam naar voren dat personen met deze genetische factor een verhoogde kans hebben op een te sterke antistolling en dus een verhoogde kans hebben op bloedingen. Uit het onderzoek van Loes Visser bleek tevens dat deze genetische factor niet alleen de antistolling beïnvloedt, maar bij vrouwen tevens de kans op een hartinfarct. Het relatieve risico op een hartinfarct was vijf maal zo hoog bij vrouwelijke dragers van het CYP2C9 polymorfisme wanneer ze tevens geneesmiddelen gebruikten die het enzym 2C9 remmen. Bij mannen werd dit verhoogde risico niet teruggevonden.

Promotoren: prof.dr. B.H. Ch. Stricker, Farmaco-epidemiologie en postmarketing surveillance, prof.dr. A. Hofman, Epidemiologie, en prof.dr. A.G. Vulto, Farmacie