Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid


Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer Postbus 90801 2509 LV Den Haag der Staten-Generaal Anna van Hannoverstraat 4 Binnenhof 22 Telefoon (070) 333 44 44 2513 AA `s-GRAVENHAGE Telefax (070) 333 40 33

Uw brief Ons kenmerk
SV/AL/04/79493

Onderwerp Datum
Debat Arbeid en Ziekte 17 december 2004

In uw brief van 11 november jl. heeft u nadere informatie gevraagd met betrekking tot een aantal toezeggingen. Hieronder treft u deze informatie aan.

Tijdens het Algemeen Overleg over de wijziging van het Schattingsbesluit op 6 juli jl. heb ik toegezegd dat ik zou bezien of het mogelijk is om ten aanzien van herbeoordeelde arbeidsongeschikten het spoor van reïntegratie in de tijd congruent te laten lopen met het spoor van inkomensbescherming. De inkomensbescherming duurt minimaal 8 maanden. Voor die herbeoordeelden geldt dat zij er alle belang bij hebben snel te starten met de noodzakelijke reïntegratieactiviteiten na de uitkomsten van de claimbeoordeling. Op het moment dat UWV de cliënt informeert over de uitkomst van claimbeoordeling, gaat de uitlooptermijn van de WAO- uitkering van twee maanden lopen. Binnen deze periode zal, bij toegenomen arbeidsgeschiktheid, de arbeidsdeskundige de cliënt uitnodigen voor een gesprek waarin de mogelijkheden tot werkhervatting centraal staan. In dat gesprek wordt de zogenaamde reïntegratievisie opgesteld. Voor een deel van de cliënten geldt dat zij, zo mag op grond van ervaringen worden geconcludeerd, geheel op eigen kracht een plek op de arbeidsmarkt kunnen verwerven. Voor anderen kan ondersteuning in de vorm van een traject noodzakelijk zijn om de weg naar arbeid (zelfstandige of loondienst) te vinden. Als ondersteuning door een reïntegratiebedrijf noodzakelijk is, vindt ook binnen deze periode de aanmelding bij een gecontracteerd reïntegratiebedrijf plaats. Voor het moment waarop een eventuele herziening van de uitkering ingaat (twee maanden na claimbeoordeling), worden er dus reeds activiteiten gericht op werkhervatting ondernomen. Hierbij dient nog te worden vermeld, dat voor iedere uitkeringsgerechtigde gedurende minimaal acht maanden na de claimbeoordeling het inkomen gelijk blijft; immers, de uitkeringsgerechtigde heeft ofwel recht op aanvullende WW ofwel recht op een uitkering uit hoofde van de tijdelijke regeling inkomensgevolgen herbeoordeelde arbeidsongeschikten (TRI).
Betrokkene stelt zelf of met behulp van een door of voor hem ingeschakeld reïntegratiebedrijf een plaatsingsplan op. Doel van het plaatsingsplan is een nauwkeurige beschrijving van het geheel van activiteiten dat wordt gevolgd om de overstap naar de arbeidsmarkt te maken. De keuze voor een

2

bepaald traject is maatwerk, dat geldt zowel voor de inhoud als de vorm ervan. Te verwachten is dat cliënten bij het opstellen van het arbeidsintegratieplan rekening houden met de resterende duur van de inkomensbescherming. Het traject zelf mag maximaal 2 jaar duren. Indien de inkomensbescherming afloopt, betekent dit niet dat een op dat moment nog niet afgerond traject wordt afgebroken. Betrokkene heeft ook na afloop van de inkomensbescherming uit hoofde van de sociale verzekeringen de gelegenheid het traject af te ronden.

Ten aanzien van de toezegging over de WAZ (toezegging nr. 11) merkt u op dat de gekozen formulering geen recht doet aan hetgeen in de gedachtewisseling met de Kamer is toegezegd. De Vaste Commissie heeft deze toezegging nader vastgesteld en wel als volgt: "De minister zegt toe de problematiek van de afschaffing van de publieke zwangerschapsverzekering voor zelfstandigen in de volle breedte te zullen voorleggen aan de Commissie Gelijke Behandeling en de ILO." Vervolgens wijst de Commissie in dit verband erop dat SZW zich over de exacte formulering van de vraagstelling zal verstaan met de woordvoerder van de PvdA-fractie.

Ik heb in de Kamer toegezegd mij over eventuele discriminatie bij zwangerschap te richten tot de Commissie Gelijke Behandeling (CGB) en de ILO. In reactie op de woordvoerder van de PvdA, die heeft verzocht om de vraagstelling te verbreden naar de eventuele toelaatbaarheid van de beëindiging van de publieke verzekering, heb ik laten weten dat de regering geenszins twijfelt aan de overtuiging dat het beëindigen van de toegang tot de publieke verzekering internationaal- rechtelijk is toegestaan. Voordat het wetsvoorstel bij het parlement aanhangig is gemaakt, is nagegaan of het een internationaal-rechtelijke toets zou doorstaan, wat in de ogen van de regering het geval is. Ten slotte heb ik meegedeeld dat in de vraagstelling richting CGB en ILO de twijfel over de overtuiging van de regering niet zal doorklinken.
Het feit dat ik de vraag over eventuele discriminatie in particuliere
arbeidsongeschiktheidsverzekeringen met een open vizier aan de CGB en de ILO zal voorleggen, ziet daarop dat de regering in de vraagstelling niet zal aansturen op het antwoord dat van eventuele discriminatie geen sprake is. De vraagstelling vergt een gedegen analyse. Inmiddels heeft over de formulering al informeel contact plaatsgevonden met de vaste commissie. Ik verwacht de adviesaanvraag met betrekking tot internationale toets medio januari 2005 te kunnen voorleggen.

Ten slotte meld ik u dat ik op 7 september jl. de CGB schriftelijk heb verzocht te reageren op het mogelijk discriminatoire effect in particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekeringen door zwangerschap die intreedt binnen een bepaalde periode (doorgaans twee jaar) na het sluiten van de verzekering, uit te sluiten van de dekking. In reactie heeft de CGB laten weten hierover in overleg te zijn met het Verbond van Verzekeraars en mij over de uitkomsten van dat overleg te zullen informeren. Uiteraard zal ik u deze informatie te zijner tijd doen toekomen.

Ten aanzien van de toezegging over de flexibele keuring (toezegging nr. 57) merkt de Commissie op dat de toezegging om de mogelijkheid voor een flexibele keuring voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten te regelen in het wetsvoorstel Werk en inkomen naar arbeidsvermogen, geen recht zou doen aan de wens om deze mogelijkheid geregeld te hebben voordat de verlengde loondoorbetaling op grond van de WVLBZ effectief zal zijn.
Ik kan hierover het volgende opmerken. Met de zinsnede "voordat de verlengde loondoorbetaling effectief zal zijn" wordt gedoeld op het moment waarop het tweede ziektejaar, gerekend vanaf 1

3

januari 2004, in zal treden, te weten 1 januari 2005. Het kan dan voorkomen dat zieke werknemers van mening zijn dat zij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn. Het probleem doet zich dan echter voor dat er nog geen wettelijk kader in werking is getreden op grond waarvan beoordeeld kan worden of er sprake is van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid. Immers, het begrip duurzame arbeidsongeschiktheid bestaat niet in de huidige WAO. Dit begrip zal gedefinieerd worden in het wetsvoorstel Werk en inkomen naar arbeidsvermogen. Tijdens het debat heb ik ook aangegeven dat de theoretische mogelijkheid om na inwerkingtreding van de WIA met terugwerkende kracht een uitkering voor volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid toe te kennen, moet worden afgewezen. Het is namelijk niet mogelijk om de gezondheidstoestand van iemand één of twee jaar voor de beoordeling (en daarmee het bestaan van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid op dat moment) te beoordelen.
Ik heb tijdens het debat gesteld dat de flexibele keuring nog niet kan worden ingezet zolang de wetgeving op dat punt nog niet is afgerond.

De Minister van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid,

(mr. A.J. de Geus)