Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Ministerie van Sociale Zaken
en WerkgelegenheidDirectie
Communicatie

21 december 2004

Nr. 04/269

Eerste Kamer neemt wet voor nieuwe kunstenaarsuitkering aan

Aan de uitkering voor kunstenaars worden voorwaarden verbonden, die meer dan voorheen gericht zijn op het mogelijk maken van de opbouw van een renderende beroepspraktijk door de kunstenaar. Dit staat in het Wet werk en inkomen kunstenaars die de Eerste Kamer heeft aangenomen.

Doel van de wet is dat de kunstenaar op termijn in de eigen kosten voor levensonderhoud kan voorzien. Zo wordt het minimumbedrag dat een kunstenaar moet verdienen om voor de uitkering in aanmerking te komen, jaarlijks verhoogd. Het kan gaan om inkomen uit kunst, maar ook om andere verdiensten. Gemeenten krijgen meer mogelijkheden om kunstenaars te helpen bij het zoeken naar bijverdiensten naast die uit hun praktijk.

De wet vervangt de Wet inkomensvoorziening kunstenaars en wordt naar verwachting op 1 januari 2005 van kracht. Doel van de wet blijft kunstenaars met een laag inkomen voor maximaal vier jaar inkomenssteun te geven op 70 procent van het bijstandsniveau, en hen zo in staat te stellen een renderende beroepspraktijk op te bouwen. De kunstenaars mogen tot een maximum van 125 procent van het bijstandsniveau bijverdienen en hoeven niet te solliciteren naar ander werk.

Aanleiding voor aanpassing van de wet is een evaluatie, waaruit blijkt dat de wet lastig uitvoerbaar is en kunstenaars te weinig aanzet tot het opbouwen van een zelfstandige beroepspraktijk. Daarom moeten kunstenaars in de nieuwe situatie voldoen aan een minimum inkomenseis, waarvoor het totale inkomen van de kunstenaar en zijn of haar partner in aanmerking wordt genomen. Daarbij wordt niet alleen gekeken naar het inkomen uit kunst, maar naar het totale inkomen. De minimum inkomenseis ligt hoger naarmate een kunstenaar langer van de uitkering gebruik maakt.

Van kunstenaars die onvoldoende inkomen uit hun kunst hebben wordt verwacht dat zij andere inkomstenbronnen gaan aanboren, zonder dat zij het beroep van kunstenaar hoeven op te geven. Gemeenten krijgen de mogelijkheid om kunstenaars te begeleiden bij het zoeken naar andere bronnen van inkomsten. Ook gaat een erkende instantie ieder jaar adviseren of de uitkering moet worden beëindigd omdat de kunstenaar niet meer beroepsmatig actief is.