---

Brieven aan de Kamer
---

Toets Internationale militaire samenwerking

30-12-2004 13:02:00

Inleiding Hierbij bied ik u de Toets Internationale militaire samenwerking (Toets IMS) aan. Defensie neemt zich voor deze toets voortaan te hanteren bij de beoordeling van initiatieven op het gebied van internationale militaire samenwerking (IMS). IMS omvat in beginsel alle samenwerkingsactiviteiten die Defensie in internationaal verband uitvoert. Het betreft onder meer militairoperationele samenwerking, defensiematerieelsamenwerking, militaire inlichtingensamenwerking, juridische samenwerking, steun bij de oprichting en versterking van veiligheidsstructuren en wapenbeheersing. De Toets IMS is niet van toepassing op de uitzending van militaire eenheden; voor uitzendingen op grond van artikel 100 van de Grondwet bestaan aparte procedures in het kader van het Toetsingskader 2001.

De Toets IMS is in de eerste plaats bedoeld om binnen Defensie een zorgvuldige afweging te bevorderen van internationale militaire samenwerkingsinitiatieven (van planning tot uitvoering) en om daarbij prioriteiten te helpen bepalen. Ook moet de toepassing van de Toets IMS de kwaliteit en de afrekenbaarheid van de samenwerking helpen waarborgen. De Toets IMS is niet bedoeld als zelfstandig beleidsdocument. De beleidsmatige uitgangspunten op het gebied van internationale militaire samenwerking, treft u jaarlijks aan in de defensiebegroting (onder andere in de beleidsagenda en het beleidsartikel internationale samenwerking) en in aparte beleidsbrieven.

De Toets IMS is tot stand gekomen in overleg met mijn collegas van Buitenlandse Zaken, van Economische Zaken en voor Ontwikkelingssamenwerking, en gaat u dan ook mede namens hen toe. Hij vloeit voort uit een toezegging van de regering in de Prinsjesdagbrief van 16 september 2003 naar aanleiding van het advies van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) over militaire samenwerking in Europa (No.31, april 2003). De AIV stelde in zijn advies namelijk de ontwikkeling van een dergelijke toets voor.

Ik sta vanzelfsprekend open voor opvattingen die in de Tweede Kamer bestaan ten aanzien van internationale militaire samenwerking en de Toets IMS. In deze brief zal ik, ter aanvulling op de Toets IMS, het huidige beleid ten aanzien van internationale militaire samenwerking uiteenzetten. Ook zullen de doelstellingen van internationale militaire samenwerking en de beschikbare uitvoeringsinstrumenten worden beschreven.

1. Algemeen beleidskader De Nederlandse defensie-inspanning is gestoeld op het geheel van veiligheidsbelangen, de bescherming van waarden en de verwezenlijking van de buitenlandpolitieke doelstellingen van ons land. Nederland heeft groot belang bij een stabiele en vreedzame wereld. Het is in hoge mate afhankelijk van goede internationale betrekkingen en functionerende veiligheidsinstellingen (in het bijzonder de Verenigde Naties, de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie, de Europese Unie en de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa). Nederland heeft de bevordering van de internationale rechtsorde hoog in het vaandel staan en toont van oudsher een grote betrokkenheid bij humanitair leed en het tegengaan van schendingen van de rechten van de mens. Onze economie is voorts gebaat bij het onbelemmerd vervoer van goederen, de vrije toegang tot handelsgebieden en grondstoffen en de ontwikkeling van nieuwe technologieën.

Tegen deze achtergrond voert Nederland een actief vredes- en veiligheidsbeleid, gericht op zowel de veiligheid van het eigen en bondgenootschappelijk grondgebied als op conflictpreventie, crisisbeheersing en vredesopbouw. Ons land wil een concrete bijdrage leveren aan de oplossing van veiligheidsproblemen, zowel in Europa als daarbuiten. Het is daarbij van belang de verschillende beleidsinstrumenten waarover Nederland beschikt diplomatieke, economische, financiële, juridische, humanitaire en militaire op een samenhangende manier toe te passen. Een actief veiligheidsbeleid behelst voorts het vermogen om omstandigheden in vroegtijdig stadium te beïnvloeden en te verbeteren.

Dit heeft gevolgen voor de wijze waarop Defensie aan IMS gestalte geeft.

Onze veiligheid is in de eerste plaats in verbondenheid met andere landen georganiseerd. De relevantie en geloofwaardigheid van de Navo en het Europese veiligheids- en defensiebeleid (EVDB) zijn dan ook in hoge mate afhankelijk van de bereidheid van de Europese landen hun defensiemiddelen zo nodig in te zetten, in hun defensie te investeren en hun gezamenlijke militaire vermogen te versterken. De vergroting van de doelmatigheid van de algehele Europese defensiebestedingen door verbetering van de internationale samenwerking is een belangrijke voorwaarde voor de versterking van het Europese militaire vermogen. Ook het evenwicht binnen het bondgenootschap is hiermee gediend.

In de Navo en de EU, de belangrijkste institutionele kaders voor defensiesamenwerking, zijn de afgelopen jaren belangrijke initiatieven genomen die gevolgen hebben voor de krijgsmacht. Ook de bi- en multilaterale samenwerking met bondgenoten en partners is van belang. Bij het helpen opheffen van tekorten in de Navo en de EU zoekt Nederland uit het oogpunt van nationale en internationale doelmatigheid zoveel mogelijk aansluiting bij capaciteiten waarover de krijgsmacht reeds beschikt. Vormen van samenwerking moeten nauw aansluiten op de in Navo- en EU-verband onderkende militaire tekorten en overschotten. Nederland maakt voor planningsdoeleinden geen onderscheid tussen Navo- en EU-capaciteiten (single set of forces).

In de tweede plaats is de Nederlandse krijgsmacht ook in de praktijk vergaand internationaal ingebed. De krijgsmacht treedt bij het bezweren van crises buiten onze landsgrenzen altijd samen met de krijgsmachten van andere landen op. Nederlandse eenheden opereren regelmatig en bij voorkeur zij aan zij met die van grote partners, in het bijzonder de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk en Duitsland. IMS is daarbij een belangrijk middel om de interoperabiliteit met de desbetreffende krijgsmachten te verbeteren en de aansluiting bij de krijgsmachten van de belangrijkste bondgenoten en partners te behouden. Het uitvoeren van crisisbeheersingsoperaties vereist daarnaast samenwerking met landen waar Nederlandse militairen operaties (gaan) uitvoeren en met landen die hierbij van essentieel facilitair belang zijn.

In de derde plaats heeft het kabinet het streven naar een geïntegreerd buitenlands- en veiligheidsbeleid hoog in het vaandel staan. Het handelen van Nederland zal sterker dan voorheen worden bepaald door het besef dat veiligheid en stabiliteit essentiële voorwaarden vormen voor politieke, economische en sociale ontwikkeling. Dit zal niet alleen gevolgen hebben voor het uitzendbeleid, overeenkomstig onze brief aan de Tweede Kamer van 8 april jl. over de politieke uitgangspunten voor Nederlandse deelneming aan internationale crisisbeheersingsoperaties (kamerstuk 29 521, nr. 1). Het beïnvloedt ook de manier waarop Defensie gestalte geeft aan militaire samenwerkingsrelaties met landen in of na een conflict. Zo kunnen militairen adviseren bij de oprichting of hervorming van de veiligheidssector (Security Sector Reform) en bij ontwapening, demobilisatie en herintegratie (Disarment, Demobilisation, Reintegration) van conflictpartijen. Tegen deze achtergrond kan in het bijzonder sprake zijn van een grotere betrokkenheid van de krijgsmacht bij Afrika.

Samenwerking op materieelgebied levert een belangrijke bijdrage aan de Nederlandse defensie-inspanningen. Defensie heeft als klant belang bij een competitief en hoog kwalitatief aanbod van militaire producten, voor een zo gunstig mogelijke prijs. Een stabiele, innoverende en goed functionerende technologische en industriële basis is een strategisch instrument om militaire capaciteiten te genereren. De Nederlandse defensiemarkt is echter te klein voor een volledige zelfscheppende defensie-industrie. Het Nederlands beleid ten aanzien van de verwerving van defensiematerieel laat een voorkeur zien voor "kopen van de plank, tenzij .". Van geval tot geval wordt dit "tenzij" bekeken. De ontwikkeling en productie van grote systemen vinden echter veelal via internationale samenwerking plaats. Via internationale materieelsamenwerking kan toegang worden verkregen tot nieuwe technologieën en kunnen spreiding van ontwikkelingskosten en schaalvoordelen bij aanschaf worden verkregen. Zowel bij kopen van de plank als bij ontwikkelingsprojecten wordt er naar gestreefd de Nederlandse defensiegerelateerde industrie te betrekken.

De verkoop van overtollig defensiematerieel is een specifiek aspect vanwege de noodzaak tot het genereren van verkoopopbrengsten. Daarnaast is voor Defensie als deel van de overheid ook een rol weggelegd in de ondersteuning van het Nederlandse bedrijfsleven, in het bijzonder wat betreft het vergroten van de exportkansen. Bij exportgerelateerde zaken wordt nauw samengewerkt met de ministeries van Buitenlandse Zaken, van Economische Zaken en van Financiën.

Internationale militaire samenwerking stuit vooralsnog ook op beperkingen. Zolang landen ten aanzien van de inzet van hun krijgsmacht vasthouden aan hun soevereine beslissingsbevoegdheid, zal een zekere mate van autonomie het uitgangspunt blijven voor de omvang en de inrichting van onze krijgsmacht. Ook overwegingen van militaire effectiviteit spelen een rol. Defensie moet zich dan ook steeds afvragen welke taken, nationaal of in het kader van internationale militaire operaties, de krijgsmacht in hoge mate zelfstandig moet kunnen uitvoeren en welke taken aan andere landen of organisaties moeten worden overgelaten. Voorts zal binnen de krijgsmacht een scala van inzetmogelijkheden beschikbaar moeten blijven om te kunnen inspelen op de politieke en de militaire behoefte in een gegeven situatie. Dit vereist dat de krijgsmacht blijft beschikken over een verscheidenheid aan middelen, waarmee Nederland politiek en militair relevante bijdragen kan leveren aan uiteenlopende internationale operaties.

Het gaat er bij de inrichting van de krijgsmacht dan ook om een verantwoorde balans te vinden tussen enerzijds het belang en de mogelijkheden van internationale samenwerking en anderzijds het behoud van een zekere mate van autonomie en van voldoende inzetmogelijkheden. Anders dan de meeste grote landen streeft Nederland niet naar een volledige krijgsmacht, dat wil zeggen een krijgsmacht die grotendeels zelfstandig een militaire operatie van enige omvang kan uitvoeren. Dit laat onverlet dat een zeker scala van inzetmogelijkheden behouden moet blijven om goed te kunnen inspelen op de politieke en de militaire behoefte in een gegeven situatie. Het lidmaatschap van de Navo en de EU vraagt bovendien van Nederland de bereidheid om samen met andere landen risicos te delen. Dit vereist dat de krijgsmacht blijft beschikken over een zekere verscheidenheid aan middelen en legt beperkingen op aan het streven naar taakspecialisatie. De krijgsmacht zal, zoals ik u in de Prinsjesdagbrief van 16 september 2003 heb laten weten, zich moeten toeleggen op een relatief beperkt aantal hoogwaardige capaciteiten zonder dat er sprake is van een vergaande vorm van taakspecialisatie.

2. Doelen Tegen deze achtergrond onderneemt Defensie IMS-activiteiten. Ten eerste wil Nederland door middel van internationale militaire samenwerking de krijgsmacht zelf operationeel effectiever en doelmatiger maken of anderszins de nationale belangen bevorderen. Ten tweede moet de krijgsmacht via internationale militaire samenwerking een bijdrage leveren aan de uitvoering van het geïntegreerde buitenlandse en veiligheidsbeleid van Nederland. Hieruit vloeien voor internationale militaire samenwerking de volgende doelstellingen voort: a. versterking van de inzetbaarheid van de Nederlandse krijgsmacht: De Nederlandse krijgsmacht dient mondiaal operationeel inzetbaar te zijn. Ook wil Nederland een kwalitatief hoogwaardige bijdrage leveren aan de snelle reactiecapaciteiten van de Navo en de EU. b. vergroting van de interoperabiliteit en complementariteit: het bevorderen van effectief en doelmatig operationeel optreden door middel van overleg en samenwerking met daarvoor geschikte partnerstaten, in het bijzonder met lidstaten van de Navo of de Europese Unie. c. vergroting van het politiek-militair strategisch inzicht: Defensie dient zijn militaire netwerken en daarmee zijn strategisch inzicht op peil te houden, dan wel te vergroten om een bijdrage te kunnen leveren aan het Nederlandse buitenlandse en veiligheidsbeleid. d. waarborging van politiek-militaire invloed: voor het doelmatig en effectief inzetten van defensie instrumenten is het van belang dat een vertrouwensrelatie wordt opgebouwd met de politieke en militaire organisatie in de betreffende landen. e. de verbetering van de doelmatigheid en de effectiviteit van Navo- en EU-inspanningen: door versterking van de samenwerking en coördinatie kunnen de tekortkomingen, zoals geïdentificeerd in de Navo en de EU worden gereduceerd. f. waarborging operationele toegang en ondersteuning: het scheppen van de voorwaarden in de betreffende regio om effectief en doelmatig operationeel te kunnen optreden. g. bevordering van goed bestuur (good governance): Defensie wil door middel van internationale militaire samenwerking een bijdrage leveren aan het geïntegreerd buitenlands en veiligheidsbeleid. Het gaat hierbij om onder andere hervorming van de veiligheidssector en om de ontwapening, demobilisatie en reïntegratie van strijdgroepen. Het betreft ook het opbouwen van lokale operationele capaciteit. h. steun aan Nederlandse (defensie-)export: het is voor Nederland van belang dat de commerciële belangen van Nederland ook in het buitenland worden behartigd. De krijgsmacht kan hierin een rol spelen. Dit geldt onder meer voor de verkoop van overtollig materieel.

3. Uitvoeringsinstrumenten Activiteiten Om de hierboven beschreven doelen te verwezenlijken werkt Nederland internationaal militair samen. Nederland onderneemt in de samenwerking met verschillende landen en organisaties met wisselende intensiteit een wisselende combinatie van activiteiten al naar gelang de te behalen doelstelling.

Op verschillende niveaus kan informatie worden uitgewisseld door middel van het voeren van een dialoog. Verder kan Nederland landen materieel, financieel (bijvoorbeeld ten laste van het Stabiliteitsfonds van het ministerie van Buitenlandse Zaken) en met expertise ondersteunen bij de hervorming van de veiligheidssector en bij ontwapening, demobilisatie en reïntegratie van strijdgroepen. Nederland kan assistentie verlenen aan regionale veiligheidsorganisaties en vredesmachten. In overleg met Buitenlandse Zaken zal Defensie tevens projectvoorstellen ontwikkelen en indienen bij de Stuurgroep Stabiliteitsfonds. In dit kader zal Defensie zal tevens militaire expertise bieden voor de toetsing van de operationele haalbaarheid van projecten in instabiele regio's en waar nodig faciliteren bij de voortgangsbewaking van dergelijke projecten.

Voorts beschikt Defensie over een uitstekende opleidingsinfrastructuur en scoort het internationaal hoog met dit instrument. Hiermee kan buitenlands militair personeel worden opgeleid (bijvoorbeeld op het Instituut Defensie Leergangen) en getraind. Tevens kunnen gezamenlijke oefeningen worden gehouden. Het accent zal hierbij worden gelegd op militair personeel uit regios die in het internationale samenwerkingsbeleid als prioritair zijn aangemerkt.

Defensie kan door middel van juridische en bestuurlijke coördinatie en advisering bijdragen aan de internationale rechtsorde en veiligheid. Een voorbeeld hiervan is de uitwerking van de jaarprogrammas met (kandidaat)lidstaten van de Navo en de EU waarbij defensiegerelateerde juridische expertise wordt uitgewisseld en een concrete bijdrage wordt geleverd aan harmonisatie van nationale wetgevingen op veiligheidsgebied met Navo- en EU-regelgeving. Ook levert Nederland een substantiële bijdrage aan de ontwikkeling van het volkenrecht en het humanitair oorlogsrecht door middel van actieve participatie in en organisatie van seminars en conferenties ten behoeve van juristen uit diverse landen. Een bijzonder aandachtspunt hierbij is de inbedding van de krijgsmacht in een democratische rechtsorde. Een andere soort activiteit vloeit voort uit de implementatie van internationale verdragen, zoals het uitvoeren en begeleiden van wapeninspecties.

Ter ondersteuning van een operatie kan met landen operationeel worden samengewerkt. Het kan hierbij gaan om het afsluiten van een status of forces agreement, afspraken over host nation support, of afspraken over de doorvoer van materieel en personeel. Ten behoeve van de inzet van Nederlandse militairen voor crisisbeheersingsoperaties kan operationeel worden samengewerkt aan de hand van een multilateraal overeengekomen kader of op basis van een bilaterale overeenkomst. Deze vorm van samenwerking is gericht op het bereiken van praktische militaire doelen en dus is interoperabiliteit in zowel materiële, personele als operationele zin een vereiste. Het gaat daarbij om het vermogen om tijdens de uitvoering van operaties geïntegreerd samen te werken of in ieder geval informatie uit te wisselen.

Verder kan worden samengewerkt op materieelgebied, waarbij Nederland een economisch, financieel, materieel en technisch belang heeft. De vormen van materieelsamenwerking zijn divers. Het kan gaan om gemeenschappelijke inspanningen op het gebied van onderzoek en ontwikkeling, gemeenschappelijke aanschaf of gecombineerde exploitatie en instandhouding. Een andere activiteit is de verkoop van overtollig defensiematerieel. De ondersteuning bij het genereren van exportkansen voor de Nederlandse industrie (bijvoorbeeld tijdens vlootbezoeken of deelneming aan tentoonstellingen) is geen activiteit ten behoeve van de hierboven geformuleerde doelstellingen van IMS maar kan uiteraard wel bijdragen aan regeringsbrede doelen.

Een andere vorm van samenwerking is het samenbrengen van gelijksoortige militaire middelen van verschillende landen (pooling). Uitgangspunt is het vergroten van de doelmatigheid en mogelijk ook kostenbesparing door een bundeling van gelijksoortige militaire capaciteiten.

Tot slot is voor een optimale kennis- en informatiepositie van Nederland internationale samenwerking op het gebied van inlichtingen essentieel. Initiatieven op het gebied van de inlichtingensamenwerking moeten stroken met de inlichtingen- en veiligheidsbehoefte die Defensie jaarlijks vaststelt. Naast de eigen middelen van de MIVD om informatie te verzamelen en informatie verkregen van uitgezonden eenheden van de krijgsmachtdelen wordt internationaal samengewerkt in zowel bilaterale als multilaterale verbanden. Deze verbanden betreffen zowel contacten met partnerdiensten van Navo-landen als van niet Navo-landen. Ook vindt informatie-uitwisseling plaats in het verband van de Europese Unie.

Middelen Internationale militaire samenwerking is volledig verweven met de bedrijfsvoering en de operationele taakuitvoering van het ministerie van Defensie.

De uitgaven voor IMS zijn gedeeltelijk ondergebracht in beleidsartikel 11 Internationale Samenwerking van de Defensiebegroting waarop de posten bijdrage aan de Navo, EVDB, attachés (tevens Homogene groep internationale samenwerking (HGIS)) en overige internationale samenwerking zijn ondergebracht.

Een ander belangrijk middel is het Stabiliteitsfonds (HGIS) van Buitenlandse Zaken. De minister van Defensie participeert in de besluitvorming over de besteding van het Stabiliteitsfonds voor zover de krijgsmacht wordt ingezet of bij de uitvoering van die besluiten is betrokken. Defensie heeft zitting in de ambtelijke Stuurgroep Stabiliteitsfonds en is op die manier zeer nauw betrokken bij de besluitvorming over de aanwending van het Stabiliteitsfonds.

Tenslotte verdienen de HGIS voorziening voor crisisbeheersingsoperaties, middelen ten behoeve van Cimic en de mogelijke inzet van reservisten en oud-militairen vermelding.

DE MINISTER VAN DEFENSIE

Toets Internationale Militaire Samenwerking

Inleiding Defensie zal voortaan de hieronder beschreven Toets Internationale militaire samenwerking (Toets IMS) hanteren bij besluiten over internationale militaire samenwerking (IMS). IMS omvat in beginsel alle samenwerkingsactiviteiten die Defensie in internationaal verband uitvoert. Het betreft onder meer militairoperationele samenwerking, defensiematerieelsamenwerking, militaire inlichtingensamenwerking, juridische samenwerking, steun bij de oprichting en versterking van veiligheidsstructuren en wapenbeheersing. De Toets IMS is niet van toepassing op de uitzending van militaire eenheden; voor uitzendingen op grond van artikel 100 van de Grondwet bestaan aparte procedures in het kader van het Toetsingskader 2001.

De Toets IMS is bedoeld als instrument om zo zorgvuldig mogelijke besluitvorming op het gebied van internationale militaire samenwerking mogelijk te maken. Hij helpt prioriteiten te bepalen ten aanzien van de samenwerkingsactiviteiten van Defensie in internationaal verband. Ook moet de toepassing van de Toets IMS de kwaliteit en de afrekenbaarheid van de samenwerking helpen waarborgen. De Toets IMS is niet bedoeld als beleidsdocument. De beleidsmatige uitgangspunten voor besluitvorming kunnen immers veranderen als gevolg van internationale ontwikkelingen of nieuwe inzichten. Voor beleidsmatige uitgangspunten die de besluitvorming over internationale militaire samenwerking beïnvloeden, wordt verwezen naar de defensiebegroting (in het bijzonder de beleidsagenda en het beleidsartikel internationale samenwerking) en naar aparte beleidsbrieven.

Toets Internationale Militaire Samenwerking

De Toets IMS is getrapt en bestaat uit drie delen. Het eerste deel behelst een toets aan het regeringsbeleid. Als de beoogde samenwerking deze eerste toets doorstaat, wordt in het tweede deel bezien in welke categorie het land valt waarmee zal worden samengewerkt. In dit deel moet worden beoordeeld of de beoogde samenwerking voldoet aan de per categorie beschreven criteria. Als de beoogde samenwerking ook deze tweede toets doorstaat, zullen als derde toets organisatorische, financiële en juridische aandachtspunten in beschouwing moeten worden genomen die van belang zijn voor de kwaliteit en de afrekenbaarheid van de beoogde samenwerking.

Deel I Het regeringsbeleid De beoogde samenwerking moet stroken met de prioriteiten die de regering legt in haar buitenlands- en veiligheidsbeleid. De beoogde samenwerking is voorts bij voorkeur complementair aan de activiteiten van gelijkgezinde landen of van internationale instellingen als de Navo, de EU, de VN en de OVSE.

Deel II Landencategorieën Het doel van internationale militaire samenwerking en de wijze waarop deze wordt uitgevoerd, hangt in hoge mate af van de eigenschappen van de partner waarmee wordt samengewerkt. Daarbij worden de onderstaande categorieën onderscheiden. Het land waarmee samenwerking wordt beoogd, zal in de regel in een of meer van deze categorieën vallen. Per categorie worden de criteria beschreven waaraan de samenwerking moet voldoen. Behalve met landen is ook samenwerking denkbaar met internationale instellingen waarvan Nederland geen lid is (zoals de Afrikaanse Unie). I. Lidstaten van de Navo en de EU II. Militaire samenwerking met lidstaten van de Navo en de EU moet leiden tot verbetering van de inzetbaarheid van de krijgsmacht, vergroting van de interoperabiliteit tussen krijgsmachten en vergroting van de doelmatigheid van de eigen en de internationale defensieinspanningen. Zij moet aansluiten op de capaciteitsinitiatieven van de Navo en de EU. Ook kan zij in Navo- of EU-verband gestalte worden gegeven. Nederland maakt voor planningsdoeleinden echter geen onderscheid tussen Navo- en EU-capaciteiten ("single set of forces"). De samenwerking mag voorts geen afbreuk doen aan de uitvoering van nationale kerntaken. In verband hiermee gaat aan besluiten over nieuwe vormen van samenwerking (zoals taakspecialisatie en pooling) de vraag vooraf welke taken, nationaal of in het kader van internationale operaties, de Nederlandse krijgsmacht in hoge mate zelfstandig moet kunnen uitvoeren en welke taken aan andere landen of organisaties worden overgelaten. Voorts zal binnen de krijgsmacht een scala van inzetmogelijkheden beschikbaar moeten blijven om te kunnen inspelen op de politieke en de militaire behoefte in een gegeven situatie. Dit vereist dat de krijgsmacht blijft beschikken over een verscheidenheid aan middelen. Alle activiteiten kunnen in principe de samenwerking gestalte geven. III. Kandidaat-lidstaten van de Navo of de EU en partnerschaplanden IV. De samenwerking moet de desbetreffende landen helpen volwaardig lid te worden van de Navo of de EU of om de doelstellingen van het Partnership for Peace-programma of de Mediterrane Dialoog van de Navo te behalen. De samenwerking moet passen binnen afspraken die de Navo en de EU met de kandidaat-lidstaten en partnerlanden hebben gemaakt. Geschikte activiteiten zijn de dialoog, materiële, financiële, juridische en kennisondersteuning, en opleiding en training van militair personeel. Ook gezamenlijk optreden bij crisisbeheersingsoperaties kan worden overwogen. V. Zwakke en post conflictstaten VI. Internationale militaire samenwerking kan een belangrijke bijdrage leveren aan de opbouw van veiligheidsstructuren in landen waar de overheidsinstellingen nog niet of onvoldoende functioneren (al dan niet als gevolg van een conflict). De nadruk dient te liggen op de regios en landen die prioriteit hebben in het geïntegreerde buitenlands en veiligheidsbeleid. De samenwerking moet bijdragen aan (weder)opbouw, stabiliteit in de regio en bij voorkeur complementair zijn aan inspanningen op het gebied van ontwikkelingssamenwerking of daar deel van uitmaken. De samenwerking kan ook gepaard gaan met gelijktijdige inzet van Nederlandse militairen in het kader van een crisisbeheersingsoperatie; de samenwerking vormt dan tevens een belangrijk onderdeel van de exit-strategie. Activiteiten zullen veelal gericht zijn op hervorming van de veiligheidssector (Security Sector Reform) en op ontwapening, demobilisatie en reïntegratie (Disarmament, Demobilisation and Re-integration). Geschikte activiteiten zijn de dialoog, inlichtingensamenwerking, materiële-, financiële, juridische en kennisondersteuning, opleiding en training van militair personeel. VII. Landen van belang voor de ondersteuning van militaire operaties VIII. Internationale militaire samenwerking kan zich ook richten op landen die van belang zijn voor de ondersteuning van crisisbeheersingsoperaties waaraan Nederlandse militairen (gaan) deelnemen. De samenwerkingsactiviteiten moeten dan in beginsel in het teken staan van de uit te voeren operatie(s). Geschikte activiteiten zijn de dialoog, inlichtingensamenwerking, alsmede operationele, logistieke en juridische samenwerking ter ondersteuning van een operatie. IX. Landen van politiek en militair strategisch belang (buiten de Navo en de EU) X. Internationale militaire samenwerking zal zich tevens uitstrekken tot landen die van politiek en militair strategisch belang moeten worden geacht. De samenwerking heeft onder meer tot doel de ontwikkeling van deze landen te beïnvloeden en de verbetering van het strategisch inzicht in de desbetreffende landen. In sommige gevallen kan de samenwerking ook de uitwisseling van operationele ervaringen betreffen. Geschikte activiteiten zijn de dialoog, opleidingen en inlichtingensamenwerking. Het ligt in de rede de militaire samenwerking met landen in deze categorie zoveel mogelijk te laten aansluiten bij internationale en multilaterale inspanningen. XI. Overige landen

Met landen die niet vallen in bovengenoemde categorieën werkt Nederland in beginsel niet samen op militair gebied. Een uitzondering kan worden gemaakt in het geval van commercieel belang en de verkoop van militair materieel van de Nederlandse krijgsmacht. Ook kunnen politieke overwegingen, de historische achtergrond of de bestaande uitgangssituatie aanleiding geven tot samenwerking.

Deel III Kwaliteit van de samenwerking Wanneer aan de hand van de hierboven beschreven delen militaire samenwerking met een bepaald land aan de orde is, worden de volgende aandachtspunten nagelopen: A. De gevolgen van samenwerking voor nationale beslissingsbevoegdheden moeten bij besluitvorming over het aangaan van militaire samenwerkingsverbanden in de overweging worden betrokken en daarna zowel nationaal als internationaal duidelijk zijn. Er moet voldoende effectieve invloed op de samenwerkingsrelatie kunnen worden uitgeoefend. B. Er moet duidelijkheid bestaan over de financiële consequenties van de samenwerking en rekening te worden gehouden met kostenefficiency. In een vroegtijdig stadium moeten de financiële consequenties van de betreffende samenwerking worden opgenomen in de begrotingscyclus. Daarnaast dient de gebruikelijke procedure inzake het voorafgaande (financiële) toezicht te worden gevolgd. C. Indien nodig moet een met alle partijen overeengekomen juridisch kader worden gecreëerd (in de vorm van verdragen (zoals een Status of Forces Agreement) of Memorandum of Understanding) D. Er moet rekening worden gehouden met de specifieke kenmerken van het land waarmee wordt samengewerkt (zoals staatsinrichting, politieke situatie, economische situatie, geschiedenis, taal, cultuur en geografische ligging). Ook moet rekening worden gehouden met de specifieke kenmerken van de krijgsmacht van het desbetreffende land (zoals organisatiestructuur, budgettaire mogelijkheden, en kwaliteit van personeel en materieel). E. Voor initiatieven op het gebied van de inlichtingensamenwerking geldt dat zij moeten stroken met de inlichtingen- en veiligheidsbehoefte die Defensie jaarlijks vaststelt.