Partij van de Arbeid


Den Haag, 23 februari 2005


Hoofdpunten bijdrage Martijn van Dam (PvdA) aan het AO persbeleid:


* Door teruglopende markt (minder abonnees en minder advertentie-inkomsten) komen de kwaliteit en pluriformiteit van de pers onder druk te staan
* Concentratieregeling en cross-mediaregeling niet op niveau concerns, maar op niveau afzonderlijke krantentitels
* Eigendomsconcentratieregeling naar Frans model: maximum percentage aan aandeelhouderschap als marktaandeel boven grenswaarde (35%) uitkomt
* Extra financiële ondersteuning (bijv. het BTW-nultarief) koppelen aan versterkte zelfregulering t.b.v. kwaliteitsbewaking (bijv. sterkere rol Raad voor Journalistiek, kwaliteitskeurmerk of onderlinge visitaties)


Spreektekst:


Voorzitter,


Het werd een paar jaar geleden al voorspeld. De bereidheid van mensen om te betalen voor informatie zou gaan afnemen. Of het nu zou gaan om film, muziek of nieuws, de consumenten zouden gaan afhaken en hun toevlucht zoeken tot gratis aanbod. Gratis aanbod dat dankzij het internet in grote hoeveelheden beschikbaar is. Bovendien zouden er grote verschuivingen gaan plaatsvinden in de advertentiemarkt, in zowel vorm als medium. Het waren een paar jaar geleden nog voorspellingen, nu is het realiteit.


Kranten verliezen abonnees én advertentie-inkomsten. Niet omdat mensen niet meer lezen, maar omdat vooral jongeren andere media lezen. De Spits, de Metro en allerlei websites met nieuws. De bereidheid om te betalen voor nieuws neemt af.


De WRR moedigt ons aan het medialandschap als één geheel te beschouwen en ziet de ontwikkeling niet echt als een probleem. Op het internet ontstaan allerlei nieuwe initiatieven die bijdragen aan een groot, pluriform nieuwsaanbod.


In tegenstelling tot de WRR zou ik het medialandschap niet als één geheel willen beschouwen. Er is ten eerste een verschil tussen de impact van geschreven media en audiovisuele media en dat verschil vraagt om een onderscheid in het beleid. Ik ben het dus met de staatssecretaris eens dat een specifiek persbeleid, of liever een beleid voor geschreven media dus inclusief internet, nodig blijft. Ten tweede deel ik de opvatting van de WRR niet dat er dankzij internet zoveel nieuwe initiatieven ontstaan dat we ons geen zorgen hoeven maken. Door de afnemende bereidheid van mensen om te betalen voor nieuws en de teruglopende advertentiemarkt, komt de kwaliteitsjournalistiek onder druk te staan. Grote redacties, ruimte voor onderzoeksjournalistiek, uitgebreide verslaggeving, zaken waar steeds minder geld voor is.


Deze ontwikkelingen in de markt blijven niet zonder consequenties.


Positieve in de vorm van innovaties, zoals tabloid-formaat, extra bijlagen bij kranten of kranten die hun redactionele werk via TV aan een groter publiek willen helpen.


Maar ook negatieve zoals schaalvergroting die ten koste gaat van pluriformiteit en helaas ook inhoudelijke verschraling. Redacties nemen het niet altijd even nauw meer met journalistieke codes. De RMO en de staatssecretaris uiten terecht hun zorgen over mediahypes, over het niet altijd scheiden van feiten en opinies, over het niet altijd toepassen van hoor en wederhoor. Ik vind het moedig dat de staatssecretaris die zaken op de agenda durft te zetten. Het is voor politici niet makkelijk om zich uit te spreken over ontwikkelingen in de media. Van politici wordt terecht een gepaste afstand verwacht. Dan vraagt het moed om als bestuurder toch openlijk je zorgen uit te spreken over bepaalde ontwikkelingen. Dat vind ik een stuk moediger dan een minister-president die achter gesloten deuren de hoofdredacteuren probeert te bewegen tot een ander redactioneel beleid. Dat heeft weinig te maken met de gepaste afstand die politici horen te bewaren tot de dagelijkse afwegingen die media maken en als je je dan al wil uitspreken, doe het dan in het openbaar.


Maar goed, voorzitter, ik kom terug op mijn punt: de combinatie van pluriformiteit en kwaliteit staat onder druk. Wij vinden het belangrijk om je daar als overheid druk om te maken. Een pluriforme kwaliteitsjournalistiek is essentieel voor onze democratie.


De concentratieregeling die de staatssecretaris voorstelt is weliswaar een stap in de goede richting, maar hij biedt nauwelijks een garantie voor pluriformiteit. In het meest extreme geval zou heel Nederland in totaal drie kranten kunnen overhouden. De concentratieregeling houdt het niet tegen. Het opheffen van regionale kranten wordt niet tegengegaan door de regeling. Het enige dat de regeling voorkomt is opiniemacht in handen van enkele commerciële partijen. Dat is belangrijk, maar het is onvoldoende. De PvdA wil dan ook een regeling die gaat over titelconcentraties.


Ook de regeling voor cross-mediale activiteiten zou op titelniveau moeten worden uitgevoerd. Het voorstel maakt geen onderscheid tussen een kleine krant en een grote krant. Het gaat slechts om de grootte van het concern. Terwijl de pluriformiteit door kranten wordt gevormd, niet door concerns.


Ik ben het niet met de staatssecretaris eens dat zo n regeling niet binnen de grondwet past. Zolang de toezichthouder zich maar onthoudt van een inhoudelijke beoordeling. We hebben genoeg ervaring met toezichthouders om daar passende modellen bij te bedenken. Ik denk aan een concurrentiebevorderend ex-ante toezicht. Ik weet dat de staatssecretaris niet de kabinetsspecialist op het gebied van toezicht is, maar ik hoop toch dat ze op die suggestie kan ingaan.


Als het gaat om een eigendomsconcentratieregeling voel ik meer voor het Franse model waarbij grenzen worden gesteld aan de eigendomsverhoudingen van een concern met een marktaandeel boven een grenswaarde. Zo n regeling kan immers ook voor autonome groei worden gehanteerd. Als je boven de 35% uitkomt, zijn er maximumgrenzen aan de omvang van het aandeelhouderschap.


Overigens zijn de percentages helaas slechts onderbouwd door te verwijzen naar de huidige marktsituatie. Ik zou graag een meer inhoudelijke onderbouwing horen waarom de wet van drie voor de staatssecretaris een acceptabele situatie oplevert. Het heeft er alle schijn van dat de staatssecretaris vooral rekening heeft gehouden met de bestaande situatie en de gevestigde belangen.


Tot slot wil ik over dit punt zeggen dat de concentratieregeling en de cross-mediaregeling voor alle typen media hetzelfde moet gelden. Dus ook voor TV en radio.


Dan kom ik bij het kwaliteitsvraagstuk. De overheid gaat niet over de kwaliteit van de media of de berichtgeving. Maar de overheid mag wel stimuleren dat de journalistiek zelf de kwaliteit bewaakt. De staatssecretaris doet enkele voorstellen voor een sterkere zelfregulering. Die hebben onze steun, maar we zouden er graag een schepje bovenop doen. Uitgevers en journalisten vragen al lange tijd naar een zogenaamd BTW-nultarief voor kranten, zoals dat ook in andere landen bestaat. Dat zou immers de financiële druk kunnen verlichten en dus meer ruimte kunnen bieden voor kwaliteitsjournalistiek. Het waarborgen van kwaliteitsjournalistiek vraagt volgens mij meer dan slechts een financiële prikkel. Tegenover die financiële stimulans zou een versterkte zelfregulering moeten staan. Op voorstel van de staatssecretaris krijgt de sector straks inzicht in de werking van mediahypes en kan ze erover discussiëren. Het zou nog mooier zijn als de sector zelf strenger haar journalistieke codes bewaakt. Dat kan door de pro-actieve rol van de Raad voor Journalistiek te versterken, maar ook door een kwaliteitskeurmerk (wat interessant kan zijn in het internettijdperk om kwaliteitsjournalistiek te onderscheiden van hobbyisme) of door onderlinge visitaties. Ik wil de staatssecretaris oproepen om met de sector in overleg te gaan over initiatieven voor een sterkere kwaliteitsbewaking door de sector zelf, waarbij ze voor deelnemende redacties een premie in haar tas kan meenemen, zoals bijvoorbeeld het BTW-nultarief of een andere financiële prikkel. Als de RMO, het kabinet en ook journalisten zelf concluderen dat de kwaliteit onder druk staat, moet de staatssecretaris de sector prikkelen om daar wat aan te doen. En dat kan door een financiële premie te zetten op sterke kwaliteitsborging. Ik ben benieuwd naar de reactie van de staatssecretaris.