CIA weerhield regering NL tweemaal van ingrijpen in zaak Khan

Vpro

CIA weerhield Nederlandse regering tweemaal van ingrijpen in zaak-Khan

Ruud Lubbers over rol van de Amerikaanse inlichtingendienst in atoomschandaal

Ex-premier Lubbers geeft in een openhartig interview toe dat de Nederlandse regering in 1975 en 1986 de Pakistaanse atoomgeleerde en spion Abdul Khan heeft laten lopen op instigatie van de CIA. 'De Amerikaanse inlichtingendienst gaf er de voorkeur aan om de man niet vast te zetten maar te volgen.' Lubbers zegt dat vandaag in het VPRO-programma Argos op Radio 1. Khan en de door hem in Nederland gestolen atoomgeheimen hebben aan de wieg gestaan van de Pakistaanse atoombom. Bovendien heeft Khan vorig jaar publiekelijk toegegeven deze informatie te hebben doorverkocht aan Libië, Noord-Korea en Iran.

Ruud Lubbers kreeg in 1975 als minister van Economische Zaken informatie over wat eerst leek op industriële spionage. De Pakistaanse ingenieur Abdul Khan was gedetacheerd bij het Almelose bedrijf Urenco en werd ervan verdacht geheime informatie over uraniumverrijking mee naar huis te nemen en daar te kopiëren. Na overleg met de BVD werd volstaan met de maatregel Khan over te plaatsen en hem de toegang tot het Urenco-complex te ontzeggen. Ook de Amerikaanse inlichtingendienst CIA werd ingelicht. Ondanks dat er serieuze verdenking bestond, werd Khan niet strafrechtelijk vervolgd. De CIA had daarom verzocht, vertelt Lubbers nu: 'De Amerikaanse inlichtingendienst gaf er de voorkeur aan om de man niet vast te zetten maar te volgen. De Amerikaanse inlichtingendienst heeft hier gepraktiseerd: geef ons alle informatie, maar zet die man niet vast. Laat hem maar gaan, wij volgen hem en dan krijgen we meer informatie.' Blijkbaar ontging het Khan zelf niet dat hij door de mand was gevallen, want eind 1975 keerde hij niet meer terug van een vakantie in Pakistan.

In maart 1979 meldde de Duitse televisie dat Pakistan toegang had tot de Urenco-technologie via Abdul Kahn. Nederland sloeg internationaal een modderfiguur. De Nederlandse justitie begon een onderzoek en dat leidde er toe dat Khan, die in Pakistan zat, in 1983 bij verstek werd veroordeeld tot vier jaar gevangenisstraf. Een vonnis dat in 1985 in hoger beroep werd vernietigd wegens een vormfout. Toch waren er nog juridische mogelijkheden om de strafzaak over te doen. Lubbers, die inmiddels premier was, zegt daarover dat hij daar toen voorstander van was. Maar het gebeurde niet, want de inlichtingendiensten waren er niet voor. Lubbers was daar niet blij mee, vertelt hij: 'Ik zeg: wat zijn we nou aan het doen? We volgen die man al tien jaar. Kennelijk is hij serieus bezig. En dan hoor ik weer: nee, laat dat maar aan de diensten over. Die zijn effectiever en dat moeten wij ook niet als Nederland willen.'

In de overwegingen waarom hij als premier van Nederland, ondanks zijn twijfels, toch akkoord ging, speelde volgens Lubbers de Koude Oorlog een grote rol: 'We zaten toen ook nog volop in de Koude Oorlog - midden tachtiger jaren, we zijn bezig met het plaatsen van middellange afstandswapens en zo. Dit was voor mij ook toen: het laatste woord is niet Den Haag, maar Washington. Er is geen twijfel over dat die alles wisten en alles hoorden. De afweging wat de beste koers is, zag ik niet als iets wat de Nederlandse premier moest doen.' In juni 1986 ontving de advocaat van Khan een brief dat het Openbaar Ministerie afzag van verdere vervolging.

Lubbers vindt, terugkijkend, dat het eigenlijk niet kan dat Khan onder de neus van de geheime diensten kon doorwerken aan de Pakistaanse atoombom. Er naar gevraagd sluit hij niet helemaal uit dat er dubbele agenda's waren, met het oog op de kille verhoudingen tussen oost en west. India, dat door de VS werd beschouwd als een bondgenoot van de Sovjet Unie, beschikte immers al langer over een atoombom.