De Nederlandse Bank

Locatie leeg Dag van de Zorgverzekeraars, Amsterdam Spreker leeg Mr. D. Witteveen, directeur van de Nederlandsche Bank

Dames en heren, het komende halfuur ga ik u vertellen dat nieuwe uit de congrestitel voor DNB nog wel meevalt, en grotendeels business as usual is.

I. Laat ik beginnen met een paar cijfers - die eigenlijk iedereen wel kent - om aan te geven waar we het over hebben als we spreken over de zorgmarkt. In feite gaat het om twee grootheden.

Ten eerste de totale zorgkosten. De totale kosten van de zorg bedragen jaarlijks ongeveer 45 miljard EUR, oftewel 10% van het BNP. Een aanzienlijk deel van deze kosten komt voor rekening van de AWBZ en valt niet onder het toezicht van DNB. Deze 45 miljard komt neer op bijna EUR 3000 per persoon per jaar. Als u beseft dat de premie ongeveer EUR 1000 bedraagt, ziet u dat wij slechts op een beperkt gedeelte toezicht houden. Het financiële belang van de zorgsector is uit deze cijfers tegelijk ook duidelijk.

Ten tweede de afnemers van deze zorg: 16 miljoen Nederlanders. Hoewel, als je alle zorgverzekeraars mocht geloven, waren het er een paar weken geleden wel 32 miljoen. Met 16 miljoen Nederlanders komt het neer op zon EUR 2800 aan zorgkosten per Nederlander. In de zorgmarkt worden financiële stromen rondgepompt, vergelijkbaar met zuurstof in de bloedsomloop van een mens. Continuïteit is hierbij essentieel. Een hapering in de zuurstofvoorziening zou immers het hele systeem kunnen benauwen. DNB richt zich op de individuele zorgverzekeraar. Dat betekent niet dat DNB zich inzet om iedere zorgverzekeraar te allen tijde overeind te houden. Er is nu eenmaal marktwerking. Maar het is natuurlijk wel van belang dat het Nederlandse Zorgverzekeringsstelsel blijft draaien.

Er zijn drie hoofdgeldstromen te onderscheiden:
* een geldstroom tussen consument en zorgaanbieder. Denk bijvoorbeeld aan restitutiepolissen, waarbij de consument de rekening rechtstreeks aan de zorgaanbieder betaalt;
* een geldstroom tussen zorgaanbieder en zorgverzekeraar en
* een geldstroom tussen verzekerde en verzekeraar.

Zorgverzekeraars hebben dus te maken met zorgaanbieders en verzekerden.
Verzekerden betalen rechtstreeks een nominale premie voor de basisverzekering aan de zorgverzekeraars. De nominale premies van verzekerden, de eventuele eigen bijdragen en de Rijksbijdrage voor de premie van kinderen zijn goed voor de financiering van de helft van de basisverzekering. De andere helft komt van de inkomensafhankelijke bijdragen die werkgevers storten in het Zorgverzekeringsfonds. Uit dit fonds worden verzekeraars onderling gecompenseerd voor verschillen in risicoprofielen. Deze egalisatie is opgezet vanwege de acceptatieplicht en het verbod op premiedifferentiatie voor de basisverzekering. Hierdoor kan de ene verzekeraar meer slechte risicos, zoals chronisch zieken, in zijn bestand hebben dan de ander. Daarom worden middelen van verzekeraars met een lager dan gemiddeld risicoprofiel herverdeeld over verzekeraars met een hoger dan gemiddeld risicoprofiel. Gereguleerde marktwerking is het hart van het systeem, maar dit heeft de hulp nodig van deze risicoverevening die als het ware de kleine bloedsomloop vormt. En zoals u beter weet dan ik, kan het hart alleen functioneren als het zuurstofrijk bloed het lichaam in kan pompen. Het een kan niet zonder het ander; ze hebben elkaar nodig.

Kernelementen in het stelsel zijn daarmee concurrentie en gereguleerde marktwerking. Concurrentie, omdat verzekeraars en zorgaanbieders onderling concurreren. Gereguleerd, omdat de overheid een belangrijke rol blijft spelen met flankerend beleid. Van volledig vrije marktwerking is dan ook geen sprake. Daarmee is gekozen voor een hybride systeem waarin beperkingen zijn gesteld aan het maken van winst. Het maken van winst in de zorg ligt gevoelig, vanwege de angst dat winststreven leidt tot een fixatie op kosten en zo de kwaliteit van de zorg uitholt. Consequentie van de keuze voor gereguleerde marktwerking is dat dit leidt tot kunstmatige correcties en aanpassingen op diverse punten in het stelsel. Mede hierdoor bevat het systeem een aantal potentiële knelpunten en het risico van perverse prikkels voor het veld.

Waar zitten de potentiële knelpunten in dit systeem? Ik zie vier voorname risicos: bureaucratie, kostenstijging, een kwaliteitsprobleem en - last but not least- een mismatch tussen kosten en premie. Ik verwijs naar wat ik hiervoor zei over de individuele zorgverzekeraars en het zorgverzekeringsstelsel: dat is immers van belang voor de samenleving nu en op termijn. De mismatch tussen kosten en premie is relevant voor onze specifieke taak als prudentieel toezichthouder. Hier kom ik later op terug.

1). Het risico van bureaucratisering doet zich voor op plaatsen waar kunstmatig wordt ingegrepen. Aandachtspunten daarbij zijn bijvoorbeeld de vaststelling en uitkering van de zorgtoeslag en de uitvoering van het zeer complexe risicovereveningssysteem. Als ik zeg: generieke verevening, hkv (hoge kostenverevening), en nacalculatie weet u uiteraard precies waar ik het over heb. In algemene termen: we moeten ervoor waken dat we niet meer reguleringsinstrumenten krijgen dan er op te lossen problemen zijn.

2). Daarnaast is er juist in de gezondheidszorg de dreiging van kostenstijging: de mens zit zo in elkaar dat hij, als hij ziek is, de beste zorg wil hebben en deze dan ook vergoed wil krijgen. Het volume van de zorg stijgt met de demografische en technologische ontwikkelingen, maar gaan de kosten meer of minder dan proportioneel toenemen door de regierol van verzekeraars? Zijn er voldoende prikkels voor kostenbeheersing? Welke mogelijkheden hebben verzekeraars om de kosten te beheersen? Allereerst door scherpe inkoop van zorg. Hier ligt de rol primair bij de verzekeraar. Daar tegenover staan de restitutiepolissen, waarbij de prikkel meer bij de consument ligt. Verzekeraars kunnen consumenten aanzetten tot beperking van hun zorgconsumptie door naast de no-claim het eigen risico te stimuleren. Verzekeraars hebben hiervoor echter onvoldoende prikkels, onder meer door de vereveningssystematiek. De kerngedachte van het eigen risico alleen verzekeren wat je daadwerkelijk nodig hebt wordt daarmee ondermijnd. Op dit punt bevat het systeem dus een perverse prikkel. Ik wil in dit verband ook wijzen op het eigen risico. In beginsel een prima techniek om de eigen verantwoordelijkheid en om kostenreductie te stimuleren. Maar in de thans gekozen opzet een instrument waarvan de toepassing lijkt te worden ontmoedigd.
Daarnaast kunnen verzekeraars via het zorgaanbod de kosten beheersen, bijvoorbeeld door deelname in zorgaanbieders, het in dienst nemen van artsen of door het zelf exploiteren van zorginstellingen. Over het zorgaanbod zullen andere sprekers u vandaag meer vertellen. En uiteraard kunnen de kosten worden beperkt door de efficiencymogelijkheden optimaal te benutten. Zonder te stellen dat DNB op dit punt de eerstaangewezen deskundige is, lijkt het er toch wel op dat het op veel plaatsen best beter en goedkoper kan.

3). Een ander potentieel risico betreft de kwaliteit van de zorg. We moeten kijken naar prijs èn kwaliteit. Dat vereist transparantie. Als we prijzen en kwaliteit kunnen vergelijken, kunnen we bij een gegeven kwaliteitsniveau zoeken naar de laagste prijs. En bij een gegeven prijs zoeken naar de hoogste kwaliteit. Maar het uiteindelijke doel is om de beste prijs-kwaliteit verhouding te hebben, gegeven onze eisen. Dat kan alleen als verzekeraars de uitdaging aangaan om hun rol als regisseurs van de zorg waar te maken.

Over transparantie van prijzen gesproken: hebt u wel eens een rekening bestudeerd sedert de invoering van de DBC´s. Ik maak me sterk dat de toezichthouderregels transparanter zijn. Aan vereenvoudiging en inzichtelijkheid is dan nog wel wat te doen. En ik denk dat, als we naar meer concurrentie willen, met transparantie en inzichtelijkheid weer wat te winnen valt. Dat geldt ook voor het beperken van de stuurinstrumenten. Als oud-ambtenaar herinner ik me nog de tijd dat we een gescheiden budget hadden voor personele en voor materiële uitgaven. Zonder de mogelijkheid om te swappen maakte dit het sturen op efficiency extra moeilijk. Dat gold ook voor het personeelsbudget, waar de sturing tegelijk ging op het aantal fte´s en de rangen. Teveel instrumenten, kortom, in relatie tot het doel. Ook in de zorg lijkt hier nog wel winst te boeken en zeker niet alleen waar het gaat om het prudentieel toezicht.

4). En dan is er het risico van een mismatch tussen kostprijs en commerciële premie. Verschillende verzekeraars bieden de basisverzekering beneden de kostprijs aan. Hierop kom ik zo terug.

II. Want u wilt natuurlijk graag iets horen over de prudentieel toezichthouder in het nieuwe stelsel. Waar zit de prudentieel toezichthouder in dit stelsel? De toezichthouder concentreert zich op het gedeelte van de geldstromen die via de verzekeraars lopen.

Daarmee is ook duidelijk dat veel risicos buiten het aandachtsveld van de toezichthouder liggen. En dat is ook goed: een belangrijke rol is immers weggelegd voor marktwerking.
Het prudentieel toezicht is er primair op gericht dat verzekeraars te allen tijde aan hun financiële verplichtingen jegens polishouders kunnen voldoen.
We hadden natuurlijk kunnen denken: zorgverzekeraars die in 2004 en 2005 niet zijn omgevallen, zullen in 2006 ook wel overeind blijven. Maar voor ons speelt de ontwikkeling van de solvabiliteit een centrale rol. Het toezicht is zich uiteraard ook bewust van het belang van continuïteit van het stelsel op langere termijn. De markt moet blijven functioneren. En in een dynamische markt lossen spelers elkaar af. DNB is er niet op uit om koste wat het kost een verzekeraar overeind te houden. Dat is immers de verantwoordelijkheid van de verzekeraar zelf. Maar juist vanwege de kwetsbaarheden bij verzekeraars denk aan de krappe kapitaalmarges en niet-kostendekkende premies wil DNB de risicos beheersen. Een heldere formulering van de opdracht van DNB is te lezen in de tekst die nu nog geen wet is, maar in 2007 wèl wet zal zijn. Deze stelt dat de toezichthouder tijdig zal ingrijpen indien hij tekenen ontwaart van een ontwikkeling die het eigen vermogen, de solvabiliteit of de liquiditeit van die financiële onderneming in gevaar kunnen brengen . Dit is dus het kader waar we, in de komende jaren, naartoe zullen werken.

Voor de prudentieel toezichthouder is de winstgevendheid - en dus ook de mismatch tussen kosten en premie - relevant. Diverse verzekeraars bieden de basisverzekering momenteel rond, en soms onder de kostprijs aan.
Dan is er zeker werk aan de winkel voor de toezichthouder. Van verlies kan de schoorsteen niet roken. Een verlieslatende business kan uiteindelijk niet overleven, en er zullen toch zwarte cijfers tevoorschijn moeten komen. Dat is ook van belang voor de toekomst, zonder structureel winstpotentieel kan een zorgverzekeringsmarkt immers niet in stand blijven. Overigens is de kostendekkende premie nog lastig te calculeren. Er is veel in beweging en ook nog veel onzeker over de schade, de bedrijfskosten, en te verwachten marktaandelen. Ook dat onderstreept dat er voor de prudentiële toezichthouder nog veel werk aan de winkel is. Voor alle duidelijkheid: DNB gaat niet over de prijzen. Niet over hoge en niet over lage. Wij kijken of er adequate bedrijfsplannen zijn, en daar is de prijsstelling een elementair onderdeel van. De kost gaat voor de baat uit, dus met scherpe prijzen klanten binnen zien te krijgen is niet bij voorbaat verkeerd. Structureel verlieslatende productie erodeert evenwel, en is op termijn onhoudbaar. Maar ook wie te hoge prijzen berekent, zal de concurrentie niet het hoofd kunnen bieden. De Nederlandse consument heeft laten zien te willen en te kunnen kiezen; die geest gaat vast niet meer in de fles. Sinds 1 maart komen de verzekeraars met cijfers over de mutaties in hun verzekerdenbestand. Vanzelfsprekend mag ik geen gegevens over individuele zorgverzekeraars verstrekken, maar uit de publicaties in de pers blijkt toch wel dat de mobiliteit groot is. Volgens het Financieele Dagblad van 3 maart zijn er bij sommige zorgverzekeraars niet enkele tienduizenden, maar zelfs honderdduizend of meer verzekerden bij gekomen. Dat zijn dan steeds de saldi van opzeggers en nieuwkomers, de aantallen overstappers zijn dan groter. En natuurlijk zijn er ook verliezers

De winstgevendheid op termijn zal dus moeten komen van efficiënte bedrijfsvoering en kostenbeheersing. Uiteraard, als de zorg zelf echt duurder wordt, dan zullen de premies meestijgen. Voor het overige lijkt het erop dat de markt voor zorgverzekeringen tamelijk concurrerend is geworden. Ik verwacht dat degenen die nu het bal hebben geopend met scherpe prijzen dat hebben gedaan in het besef dat wie nu A zegt, volgend jaar ook B zal moeten zeggen.

Door scherp te calculeren hebben de zorgverzekeraars de concurrentie zeker een positieve impuls gegeven. De consumenten hebben laten zien daar ook gretig gebruik van te maken; de mobiliteit in de markt heeft menigeen verrast. Voor het zorgstelsel en de consument is dit een goede zaak. Verzekeraars hebben zichzelf gedwongen om de kostprijs ook daadwerkelijk naar beneden te brengen. Bijvoorbeeld door efficiënter te gaan werken of door scherpe zorginkoop. Het is denkbaar dat een verzekeraar om tot een scherpe prijs te komen, al een voorschot heeft genomen op die efficiencyvoordelen en de premie verlaagt, terwijl de kostenreductie nog moet komen. DNB zal ook de komende jaren nauwgezet monitoren of instellingen niet te scherp aan de wind zeilen en zal bedrijfsplannen kritisch bekijken. Structureel verliesgevende premies tasten de vrije reserves aan en zijn op termijn niet houdbaar. Wij zullen er dan ook attent op zijn dat de premies structureel voldoende kostendekkend zijn om bedrijfplannen met zwarte cijfers te schrijven. Waar de premie tekort schiet vragen wij verzekeraars een voorziening te vormen ter grootte van het verschil tussen het kostendekkende tarief en de verlieslatende, commerciële premie. Laat ik er in dit verband toch maar eens op wijzen dat, ook in de huidige prijzenslag, van te voren bepaald geen miljárden zijn ingezet. En gegeven de omvang van de markt lijkt een prijsprikkel van 100 tot 200 miljoen, als het daarbij zou blijven, niet bijzonder groot te zijn. Als de cijfers wat meer op een rij staan, zullen we daarover ook nader rapporteren.
Misschien dreigt hier nog wel een probleem van geheel andere orde. Namelijk het risico dat er niet genoeg verzekeraars op een markt willen opereren waar ook op termijn niets te verdienen zou zijn. Of waar ze het risico te groot achten omdat het door de onzekerheden in de mutaties (denk aan de collectiviteiten) niet meer redelijkerwijs calculeerbaar is. Daar komt bij dat er hoge drempels zijn voor nieuwe toetreders.

Voorts is het voor de toezichthouder maar natuurlijk nog meer voor de verzekeraars zelf noodzakelijk om een actueel beeld van de financiële positie te hebben. Daarom vragen we periodiek informatie op. Dit doen we zo efficiënt mogelijk, door zo goed mogelijk aan te sluiten bij de interne systemen van de instellingen en zoveel mogelijk gegevens in één keer op te vragen. En door onze databehoefte zoveel mogelijk te combineren met die van andere autoriteiten. Want belangrijk is, dat we proberen de administratieve lasten voor de zorgverzekeraars te beperken. Dat gaat langs drie wegen. In de eerste plaats, door actief bij te dragen aan het opzetten van een enkele informatiestroom, die door alle toezichthouders en statistische autoriteiten gebruikt wordt. Wij overleggen hierover met andere organisaties (CVZ, NZa-in-oprichting, maar ook met de ministeries en ZN). Die gegevens komen dan dus door de voordeur binnen en achter de voordeur gaan alle partijen daar correct mee om. Ik heb met instemming kennis genomen van de uitspraken van de Ministers Donner en Zalm, maar ook zonder die aansporing zouden we met dezelfde inzet aan het werk zijn. We zijn hier op de goede weg, maar er is nog winst te boeken.

De tweede weg is dat wij met het prudentiële toezicht zoveel mogelijk willen aansluiten bij de interne bedrijfsvoering. Als het goed is, dan heeft een zorgverzekeraar zelf een goed inzicht in zijn eigen bedrijfsvoering, de cijfers, en de risico´s. De toezichthouder kan daar ook gebruik van maken. Dan is er weinig aanvullende administratieve belasting door het toezicht. Wij willen flexibele kaders, die zich aanpassen bij de bedrijfsvoering, en soms zitten ook ons daarbij de regels in de weg. Maar opnieuw, ook zonder aansporingen valt op ons te rekenen. En de derde weg hier is de kwaliteit van de bedrijfsvoering, de financiële soliditeit van de zorgverzekeraars. Hoe beter die in elkaar zit, hoe afstandelijker onzer rol. Onze toezichtinzet is risicogebaseerd. Dus naarmate het bij de zorgverzekeraar steviger in elkaar zit, doen wij minder. Toezicht is immers geen doel, maar een middel.

Zoals ik zojuist al kort noemde, is het prudentieel toezicht op alle verzekeraars risicogebaseerd. Als verzekeringstoezichthouder kijkt DNB continu naar de ontwikkeling van het risicoprofiel van de gehele instelling. Dus zowel naar de basisverzekering als naar de aanvullende ziektekostenverzekeringen. Met een analysemodel (FIRM) brengen we de risicos en de beheersing hiervan in kaart. Op die manier krijgen we een beeld van het risicoprofiel en de ontwikkeling hiervan in de tijd. En kunnen we toezichtmiddelen gericht inzetten op die gebieden waar de risicos het grootst zijn en de beheersing het minst aanwezig lijkt. Mochten we toch zorgwekkende tekenen ontwaren, dan kunnen we maatregelen treffen zoals een productiestop of het aanstellen van een stille curator.

Voor de basisverzekering zijn de risicos overigens beperkt door het risicovereveningssysteem. Speciaal voor zorgverzekeraars beschikken we over een hulpmiddel om te beoordelen of de financiële positie in overeenstemming is met de risicos die zij lopen, het zogenaamde Maatwerk Tool Zorgverzekering, kortweg MTZ. Alle verzekeraars blijken deze MTZ-analyse te gebruiken; ik ben daar blij mee. Het MTZ is risicogeoriënteerd, gebaseerd op actuele waarden en daarmee toekomstgericht. Net als een arts, beschikt het toezicht daarmee over mooie diagnostische apparatuur. Voor alle duidelijkheid, de toezichthouder is gebonden aan de solvabiliteitseisen uit Solvency I. Zij zal deze apparatuur dus niet gebruiken voor harde solvabiliteitseisen. Dit neemt niet weg dat we doorgaan met de ontwikkeling van ons toezichtinstrumentarium. In het verleden keken we vooral naar het verleden. Nu kijken we wat minder naar het verleden en meer naar de toekomst. Zorgverzekeraars hebben het voordeel dat hun toezichtregime daarmee voorop loopt.

DNB is ambitieus met het nieuwe zorgstelsel. We hebben er zelf intensief aan meegewerkt. Toen duidelijk werd dat de uitvoering van de Zorgverzekeringswet door private zorgverzekeraars zou gaan plaatsvinden, heeft de Minister ons benaderd voor het toezicht. Wij hebben daarop geantwoord: uiteraard doen wij mee, wij zijn immers de prudentiële toezichthouder. Op dat terrein zijn wij gespecialiseerd, adequaat, effectief en efficiënt. Daarop mogen verzekeraars ons aanspreken. Ons toezicht kost lang geen twee eurokwartjes per verzekerde. En per polis nog minder, want op het merendeel van de polissen staan twee of meer verzekerden. Die halve Euro is minder, in reële termen, dan wat vroeger een kwitantiezegel kostte. Onze inzet is overigens die kosten nog een stukje naar beneden te brengen, zonder afbreuk te doen aan de kwaliteit.

Samengevat zien we dat er onomkeerbare ontwikkelingen in de zorgsector gaande zijn. Het is duidelijk dat de Nederlandse consument zich gedraagt als volwassen klant. Het domein waar de prudentieel toezichthouder naar kijkt is slechts een beperkt deel van de totale zorgkosten. Gegeven alle ontwikkelingen in de markt zal de toezichthouder hier tamelijk kort op moeten zitten.

Dames en heren, ik besef dat ik u een wat droog, technocratisch verhaal heb verteld.
We hebben te maken met een grote operatie die alle Nederlanders raakt. Dat blijkt ook uit de commotie die het bij vele verzekerden heeft opgeroepen. Het nieuwe stelsel is het gesprek van de dag. Ook in de medische wereld, de wereld van de zorgaanbieders, heeft de stelselwijziging een grote invloed gehad, en nog steeds. Uit de droge cijfers, en ook niet uit mijn verhaal, is af te leiden hoe de mensen die hiermee te maken kregen en hebben, het soms voor hun kiezen hebben gehad. Of het nu helpdeskmedewerkers, artsen en apothekers, ziektekostenverzekeraars of ziekenhuisadministrateurs zijn. U valt niet te benijden, zou Ruud Gullit zeggen. Het valt te prijzen dat u dat niet zegt.

Laat ik mijn verhaal afronden. Ik hoop dat duidelijk is dat toezicht geen doel op zich is, maar een middel om de continuïteit van het stelsel te bevorderen. Dààrom vraagt de toezichthouder informatie op, en wel zo efficiënt en transparant mogelijk, door zoveel mogelijk aan te sluiten bij de economische bedrijfsvoering van instellingen. Het streven van de toezichthouder is erop gericht om een nog efficiënter toezicht te bereiken.
DNB geeft ruimte aan marktwerking. Dus DNB geeft ook ruimte aan zorgverzekeraars die willen ondernemen. De keerzijde daarvan is dat, gezien de specifieke situatie op de zorgverzekeringsmarkt die ik hiervoor heb omschreven, DNB òok snel op de stoep zal staan als zij tekenen ontwaart van zorgwekkende ontwikkelingen. Eerst door een goed gesprek, maar als dat niet genoeg is zal DNB niet aarzelen om in te grijpen. Misschien denkt u: wat heft hij toch vaak dat waarschuwende vingertje. Dan zeg ik: wij houden die vinger aan de pols. Want ook voor het prudentiële toezicht geldt: voorkomen is beter dan genezen.

[s?root.de_kennisBank.Nieuws_en_pers.DNB.Speeches_2006.Speech_directeu r_Witteveen_over_'De_prudentieel_toezichthouder_in_het_nieuwe_zorgstel sel'] leeg