Gemeente Utrecht


2006 SCHRIFTELIJKE VRAGEN
27 Vragen van mevrouw N.D. van den Broek
(vragen binnengekomen op 24 maart 2006
en antwoorden van het college verzonden op 25 april 2006)

De VVD wil aandacht vragen voor de huisvestingsproblemen van JVKC (Stichting Jeugdzaken, Volksontwikkeling, Kunst- en Cultuuruiting), een zelforganisatie die zich onder andere bezighoudt met het in gang zetten van werkgelegenheidsprojecten voor langdurige werklozen. Daarnaast tracht de organisatie de sociale cohesie tussen allochtonen en autochtonen onderling te bevorderen door educatie op het gebied van kunst en cultuur.

De organisatie mag thans met toestemming van de Nederlandse Spoorwegen een pand betrekken aan de Cartesiusweg 90-D. Daarom wil de organisatie via een artikel-19-procedure de bestemming van dit pand wijzigen. Deze wijziging is noodzakelijk omdat op dit pand op dit moment een bedrijfsbestemming zit en de organisatie het gebouw graag als ontmoetingsplaats wil gebruiken voor bovenstaande activiteiten.

De gemeente wil hier niet aan meewerken en heeft de aanvraag afgewezen. De reden hiervoor is dat zalenverhuur op bedrijfsterreinen niet is toegestaan. Als enige argument wordt gegeven dat een proef hiertoe een slechte evaluatie heeft gehad. Ook wil de gemeente niet meewerken aan een eventuele tijdelijke wijziging van bestemming omdat tijdelijkheid niet kan worden aangetoond.

De VVD vindt het vreemd dat de gemeente JVKC niet wil helpen bij het vinden van huisvesting. Gemeentelijk beleid zou er gericht op moeten zijn om organisaties en bedrijven te ondersteunen op dergelijke vlakken. Ook verbaast het de VVD dat panden in de omgeving van het betreffende pand wel gebruikt mogen worden voor activiteiten zoals zalenverhuur (bijvoorbeeld de Cartesiusweg 90A), iets dat volgens het huidige bestemmingsplan niet passend zou zijn.

JVKC ontvangt geen subsidie van de gemeente en regelt en betaalt haar eigen huisvesting. Andere migrantenzelforganisaties die wel subdies ontvangen kunnen via bijvoorbeel Boeg rekenen op hulp van de gemeente.

Dit leidt voor de VVD-fractie tot de volgende vragen:


1. Geeft bovenstaande de situatie rond de huisvesting van JVKC goed weer?


Nee, bij bovenstaande weergave van de situatie rond de huisvesting van JVKC zijn drie kanttekeningen te plaatsen:
. In de tekst wordt aangegeven dat panden in de omgeving van het betreffende pand wel gebruikt zouden mogen worden voor activiteiten zoals zalenverhuur (bijvoorbeeld de Cartesiusweg 90A). De gemeente heeft geen vrijstelling verleend voor gebruik van Cartesiusweg 90 A voor zalenverhuur. De overige panden op het terrein zijn, m.u.v. van de Wijkwerkplaats en het pand van de Dienst Stadswerken, in gebruik voor bedrijfsmatige activiteiten (zie ook beantwoording van vraag 4). Ook voor deze panden is geen vrijstelling verleend voor zalenverhuur.
. Verder staat in bovenstaande weergave te lezen dat het argument voor afwijzing zou zijn een slechte evaluatie van een proef (casus Tractieweg 30). Deze casus is in de correspondentie niet genoemd als argument maar kwam hooguit aan de orde als voorbeeld in de mondelinge voorlichting over het Utrechtse beleid dan wel de Utrechtse besluitvorming in voorkomende kwesties van afwijkend gebruik van panden op bedrijventerreinen.
. Tenslotte heeft de JVKC in een brief van 24-3-2006 aan de bedrijvenwinkel aangegeven dat men het pand nu in gebruik wil nemen als oefen- en repetitieruimte.

2. Worden de activiteiten van JVKC door het college gewaardeerd?


Indien JVKC gekenmerkt kan worden als zijnde een migrantenzelforganisatie dan kan via het mzo-beleid een aanvraag bij de gemeente ingediend worden. Indien hierop positief geadviseerd wordt door de adviescommisisie van Saluti en dit advies wordt overgenomen door de wethouder dan kan accommodatie een onderdeel zijn van de subisidie. Deze accommodatie voor de activiteit wordt dan geleverd door de stichting BOEG.

3. Wat zijn de overwegingen om geen medewerking te verlenen aan het wijzigen van het bestemmingsplan voor het door JVKC gewenste pand?


De volgende overwegeningen liggen ten grondslag aan het besluit om geen medewerking te verlenen aan het wijzigen van het bestemmingsplan voor het door JVKC gewenste pand:
. De bestemming van het perceel Cartsiusweg 90 is "handel, industrie en spoorwegdoeleinden". Dit geldt ook voor de rest van de Cartesiusdriehoek. Binnen de bestemming zijn o.m. groothandelsbedrijven en bedrijven in de milieucategorie 1 en 2 toegestaan. Voor dit type bedrijvigheid zijn de vestigingsmogelijkheden in Utrecht, zeker nabij het centrum, beperkt. Het verlenen van medewerking aan het vestigen van deze maatschappelijke functie op een terrein dat voor economische activiteiten bestemd is, leidt tot een verdere beperking van de vestigingsmogelijkheden van genoemde bedrijvigheid in Utrechtse Westflank. Mede gezien de werkgelegenheidsproblematiek in dit deel van de stad, is dit ongewenst. Ook in het recentelijk door het College van B&W vastgestelde Ontwikkelingskader Utrechtse Bedrijventerreinen ligt vast dat er in Utrecht een tekort bestaat aan dit type bedrijventerrein (modern gemengd).
. Verder schept meewerking aan het vestigen van deze maatschappelijke functie precedent voor andere aanvragen voor de vestiging van maatschappelijke functies op bedrijventerreinen, zoals de Cartesiusdriehoek, het Cartesiuswegterrein en Lage Weide. Het zal moeilijk worden om anderen aanvragen niet te honoreren op basis van het gelijkheidsbeginsel. Indien aan alle aanvragen voor andersoortig gebruik op bedrijventerreinen wordt meegewerkt, dan betekent dit een forse aanslag op de vestigingsmogelijkheden van bedrijven in Utrecht. Dit zal weer gevolgen hebben voor de werkgelegenheid voor vooral lager opgeleiden.
. In 2003 is de gemeente niet akkoord gegaan met een aanvraag voor vestiging van een cultureel activiteitencentrum voor het adres Cartesiusweg 90. Een positieve beoordeling van de huidige aanvraag wekt de indruk dat de gemeente Utrecht aanvragen met een grote mate van willekeur beoordeelt in plaats van het consistent uitdragen van beleid. Daarnaast kan de andere aanvrager juridische stappen ondernemen jegens de gemeente Utrecht.
. In dit kader dient ook gewezen te worden op de casus Tractieweg 30. Op dit moment is de gemeente Utrecht verwikkeld in een rechtszaak met de eigenaar van het pand aan de Tractieweg 30 op het in de directe nabijeheid gelegen Cartesiuswegterrein. Hier is in 2000, als pilotproject op basis van een art. 17 procedure, tijdelijk een partycentrum voor allochtone feesten gevestigd voor een periode van 5 jaar. Tijdens de duur van het project zijn klachten van overlast door zowel ondernemers als omwonenden gemeld bij wijkbureau, politie en de afdeling Economische Zaken. Het college heeft zich daarom in 2005 uitgesproken tegen voortzetting van de activiteiten van het partycentrum op deze locatie, wat heeft geleid tot een rechtszaak. Om op deze locatie wel medewerking te verlenen is inconsistent.


Overigens onderkennen wij de behoefte aan huisvesting voor maatschappelijke organisaties . In dat kader heeft het college van B&W op 28 maart 2006 opdracht gegeven aan de directeuren van de Dienst Stadsontwikkeling en de Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling om voor 1 januari 2007 een gezamenlijk voorstel te doen dat het Utrechtse locatiebeleid voor maatschappelijke verenigingen en stichtingen vastlegt.
4. Hoe verhoudt zich dat met de activiteiten van andere bedrijven en organisaties die in de directe omgeving gevestigd zijn?


Op de Cartesiusdriehoek zijn de volgende bedrijven en organisaties actief:
. Carflex autoschadeservice
. TPG Post Business Point
. Nedtrain, Ematech
. Citybox opslag
. Oil Service Station
. BP tankstation en autowasstraat
. DBS oefen- en opnamestudio
. Wijkwerkbedrijf
. Gemeente Utrecht, dienst Stadswerken


Dit zijn overwegend bedrijfsmatige activiteiten die vrij grootschalig van aard zijn. Een maatschappelijke organisatie is hier een vreemde eend in de bijt, wat gevolgen heeft voor veiligheid en handhaving.

5. Is het nu gemeentelijk beleid dat als je als organisatie geen subisidie krijgt, ook geen hulp krijgt bij het zoeken naar huisvesting?


De lijn in het kader van het mzo-beleid is dat, wanneer een organisatie een goedgekeurd activiteitenplan heeft (zie beantwoording onder 2), men in aanmerking komt voor accommodatie via BOEG. BOEG heeft een pand ter beschikking voor migrantengroepen.

Op 30 maart jl is er een aanvraag van JVKC bij de DMO binnengekomen. In de aanvraag wordt een bedrag gevraagd van boven de E 2500,-. Deze aanvraag zal na 15 mei 2006 in behandeling worden genomen, omdat aanvragen boven de E 2500,- of op 15 mei of op 15 oktober bij de gemeente ingediend kunnen worden. Aanvragen onder de E 2500,- kunnen het hele jaar ingediend worden.

6. Op welke wijze kan het college wel informatie geven aan JVKC opdat ze wel een locatie kunnen vinden die geschikt is voor hun activiteiten?


JVKC heeft op dit moment een aanvraag lopen bij de DMO voor E 30.000. Tevens wordt er voor 8 uur per week accommodatie gevraagd. Vóór 1 juli zal de stichting over het besluit geïnformeerd worden. Indien de aanvraag wordt gehonoreerd dan zal ook accommodatie via BOEG gegeven worden.


---- --