Raad van State


Uitspraak Bestuurlijke boete vanwege arbeidsongeval bij Wagenvoort Vuurwerk in Heinenoord

Zaaknummer: 200602632/1
Publicatie datum: woensdag 15 november 2006
Tegen: de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Proceduresoort: Hoger beroep
Rechtsgebied: Kamer 3 - Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom

200602632/1.
Datum uitspraak: 15 november 2006

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. 05/1217 van de rechtbank Zutphen van 21 februari 2006 in het geding tussen:

, gevestigd te

en

appellant.


1. Procesverloop

Bij besluit van 19 augustus 2004 heeft appellant (hierna: de Staatssecretaris) aan een bestuurlijke boete opgelegd in verband met een arbeidsongeval op de locatie Tienvoet te Heinenoord, gemeente Beneden Maas.

Bij besluit van 14 juli 2005 heeft de Staatssecretaris het daartegen door gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 februari 2006, verzonden op 24 februari 2006, heeft de rechtbank Zutphen (hierna: de rechtbank) het daartegen door ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de Staatssecretaris bij brief, bij de Raad van State per fax ingekomen op 7 april 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 september 2006, waar de Staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. R.W.J. Crommeling en ing. M. Korteweg Maris, beiden werkzaam bij het ministerie, en , vertegenwoordigd door van , zijn verschenen.


2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 (hierna: de Arbowet) worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gesteld in verband met arbeidsomstandigheden van de werknemers.

Ingevolge het tiende lid van die bepaling is de werkgever verplicht tot naleving van de voorschriften en verboden als bedoeld in de op grond van dit artikel vastgestelde algemene maatregel van bestuur voor zover en op de wijze als bij deze maatregel is bepaald.

Ingevolge artikel 33, tweede lid, van de Arbowet, voor zover hier van belang, wordt als beboetbaar feit tevens aangemerkt de handeling of het nalaten in strijd met artikel 16, tiende lid, voor zover het niet naleven van de in dat artikellid bedoelde voorschriften en verboden bij algemene maatregel van bestuur is aangemerkt als beboetbaar feit.

In artikel 4.4, tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit (hierna: Arbobesluit) is bepaald dat bij het verrichten van arbeid met of in aanwezigheid van stoffen als bedoeld in het eerste lid, zodanige voorzieningen zijn getroffen, dat het gevaar dat zich bij die arbeid een ongewilde gebeurtenis voordoet, zoveel mogelijk is vermeden.

Ingevolge artikel 9.9c, eerste lid, aanhef en onder d, van het Arbobesluit wordt als beboetbaar feit ter zake waarvan een boete kan worden opgelegd van de tweede categorie aangemerkt de handeling of het nalaten in strijd met de voorschriften welke zijn opgenomen in onder andere artikel 4.4, tweede lid.

In beleidsregel 33, achtste lid, onder a, van de Beleidsregels arbeidsomstandighedenwetgeving (hierna: de Beleidsregels) is een schema opgenomen waarin afhankelijk van het letsel, de boetecategorie en de omvang van het betrokken bedrijf een boetebedrag is vastgesteld.

2.2. De beslissing op bezwaar strekt tot handhaving van het besluit van 19 augustus 2004 tot het opleggen van een bestuurlijke boete ten bedrage van ¤ 2700,00 vanwege een overtreding van artikel 16, tiende lid, van de Arbowet, in samenhang met artikel 4.4, tweede lid, en artikel 9.9c, eerste lid, aanhef en onder d, van het Arbobesluit. De Staatssecretaris heeft ook een overtreding geconstateerd van artikel 8.3, tweede lid, in samenhang met artikel 9.9b, van het Arbobesluit, voor welke overtreding de Staatssecretaris geen boete heeft opgelegd. Het gaat in deze om een arbeidsongeval, waarbij één van de bij werkzame vrijwilligers tijdens het verrichten van werkzaamheden, bestaande uit het afsteken van een bepaald type vuurwerk, een zogenaamde cakebox, bij het voortijdig afgaan van dit vuurwerk ernstig lichamelijk letsel heeft opgelopen.

2.3. De rechtbank heeft de beslissing op bezwaar wegens een motiveringsgebrek vernietigd. Daartoe heeft de rechtbank onder meer overwogen dat er geen voorschrift is dat het nemen van maatregelen voor het ontsteken van een cakebox, zoals het gebruik van een extra veiligheidslont of het gebruik van een elektrische ontsteking, voorschrijft. Hieruit leidt de rechtbank af dat de Staatssecretaris de vraag of een verwijt treft beantwoord aan de hand van een voor haar niet kenbare norm.

2.4. De Staatssecretaris kan zich met dit oordeel niet verenigen. Daarbij stelt hij zich op het standpunt dat anders dan de rechtbank heeft geoordeeld het in artikel 4.4 van het Arbobesluit omschreven doelvoorschrift heeft overtreden. Er waren immers maatregelen voorhanden, zoals het elektrisch afsteken of gebruik maken van een extra vertragingslont, waardoor het gevaar dat zich bij het afsteken van het vuurwerk een ongewilde gebeurtenis voordeed, zoveel mogelijk zou worden vermeden. Volgens de Staatssecretaris is vastgesteld dat dergelijke voorzorgsmaatregelen niet zijn genomen, zodat sprake is van een overtreding van artikel 4.4, tweede lid, van het Arbobesluit.

2.5. Hoewel de Afdeling met de Staatssecretaris van oordeel is dat artikel 4.4, tweede lid, van het Arbobesluit als doelvoorschrift dient te worden aangemerkt, faalt het betoog van de Staatssecretaris. Vast is komen te staan dat er geen voorschrift is dat bij het ontsteken van een cakebox een elektrische ontsteking of een tweede vertragingslont als best beschikbare technieken moeten worden beschouwd om het gevaar dat een ongewilde gebeurtenis zich voordoet, zoveel mogelijk te vermijden. Het is derhalve aan de werkgever te beoordelen op welke wijze aan het doelvoorschrift in voorkomende gevallen moet worden voldaan. Deze zal daarbij acht moeten slaan op hetgeen in de betrokken branche als best beschikbare technieken wordt beschouwd en moeten bezien welke van die technieken in welk geval aangewezen is. Ter zitting heeft gesteld dat in de opleiding ter verkrijging van het certificaat voor het ontsteken van professioneel vuurwerk, waarover zij beschikt, aandacht wordt besteed aan maatregelen ter bevordering van het veilig afsteken van professioneel vuurwerk, zoals een elektrische ontsteking en een vertragingslont. Ten aanzien van het gebruik van een elektrische ontsteking voert aan dat deze techniek in geval van een kleinschalig vuurwerkevenement als het onderhavige praktisch moeilijk uit te voeren is en bovendien financieel niet haalbaar. Niet in geschil is dat bij het afsteken van het betreffende vuurwerk een vertragingslont heeft gebruikt. De Staatssecretaris betoogt echter dat dit niet voldoende is, omdat een extra vertragingslont gebruikt had moeten worden, hetgeen door gemotiveerd wordt bestreden. De Staatssecretaris heeft naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het gebruik van een tweede vertragingslont in de branche als best beschikbare techniek wordt beschouwd en dat door niet een tweede vertragingslont te gebruiken derhalve gehandeld heeft in strijd met het doelvoorschrift. Op grond hiervan kan de beslissing op bezwaar niet worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering en dient deze te worden vernietigd. De rechtbank is tot dezelfde conclusie gekomen.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.


3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak;

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, Voorzitter, en mr. F.P. Zwart en mr. M. Vlasblom, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L.F. Egmond, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren w.g. Egmond
Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 november 2006

426