Raad van State


Uitspraak Bezwaar "Nederland Transparant" tegen subsidie voor andere politieke partijen

Zaaknummer: 200603253/1
Publicatie datum: woensdag 15 november 2006
Tegen: de Referendum Commissie
Proceduresoort: Hoger beroep
Rechtsgebied: Kamer 3 - Hoger Beroep - Geldzaken

200603253/1.
Datum uitspraak: 15 november 2006

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de vereniging "Politieke Vereniging Nederland Transparant", gevestigd te Rotterdam, appellante,

tegen de uitspraak in zaak no. BELEI 05/3065 van de rechtbank Rotterdam van 20 maart 2006 in het geding tussen:

appellante

en

de Referendum Commissie.


1. Procesverloop

Bij besluiten van 12 april 2005 heeft de Referendum Commissie (hierna: de commissie) ingevolge de Subsidieregeling raadplegend referendum Europese Grondwet (hierna: de Regeling), subsidie toegekend aan het Christen Democratisch Appèl, de Partij van de Arbeid, de Prof. mr. B.M. Teldersstichting, de Socialistische Partij en de Christenunie.

Bij besluit van 30 juni 2005 heeft de commissie het tegen de toekenning van subsidie aan genoemde politieke partijen door appellante gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 20 maart 2006, verzonden op 21 maart 2006, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 1 mei 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 12 mei 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 14 juni 2006 heeft de commissie van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 september 2006, waar appellante, vertegenwoordigd door van de vereniging, en de commissie, vertegenwoordigd door mr. M. van der Leur, secretaris van de commissie, zijn verschenen.


2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Ingevolge artikel 1:2, derde lid, van de Awb worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

Ingevolge artikel 26, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet raadplegend referendum Europese Grondwet heeft de referendumcommissie tot taak het verstrekken van subsidies ten behoeve van maatschappelijke initiatieven die zich ten doel stellen het publieke debat in Nederland over het verdrag dan wel het referendum te bevorderen.

Ingevolge artikel 26, tweede lid, van deze wet stelt de referendumcommissie een regeling vast met betrekking tot onder meer het bedrag van de subsidie dan wel de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald.

Op grond van deze bepaling heeft de commissie de Regeling vastgesteld, welke op 28 februari 2005 is gepubliceerd in de Staatscourant.

2.2. Ingevolge artikel 3 van de statuten van appellante heeft de vereniging ten doel:

a. Door politieke deelname maximale bestuurlijke transparantie te verkrijgen, binnen deze context met als doelen het verkrijgen van maximaal inzicht in de politieke-, ambtelijke- en bestuurlijke processen, het publiekelijk melden van onregelmatigheden en vermoedens van strafbare feiten en het creëren van bewustwording dat fraude en corruptie en andere onregelmatigheden zoals ongeoorloofde belangentegenstellingen en niet-democratisch controleerbare processen, in alle gevallen en onder alle omstandigheden dient te worden bestreden met alle ter beschikking staande wettelijke middelen.

b. De bevordering van vernieuwing van de democratische processen in de samenleving en deze na analyse en diagnose in overeenstemming te brengen met de bestuurlijke beginselen van de rechtstaat, mede te bereiken door bestuurlijke vernieuwing binnen het Nederlandse staatsbestel om op deze wijze zowel de burger meer stemrecht en invloed te geven alsmede om meer controle door de burgers op de bestuurders en het ambtelijk apparaat te verkrijgen.

c. Verbetering van het gebruik van de ter beschikking staande (financiële) middelen en naar de ingebruikneming van betere middelen alsmede het bewerkstelligen van transparantie in alle inkomsten en uitgaven van de Staat der Nederlanden en haar overige bestuursorganen.

d. Het bevorderen van integriteit, openheid, verantwoording en transparantie.

e. Dat publieke bestuurders actief verantwoordelijkheid nemen en te allen tijde verantwoording afleggen aan de burgers.

f. Het uitbannen van zogenaamd "politiek correct" handelen, waardoor een op de feiten gebaseerd debat mogelijk wordt en beleidsvorming en beslissingen op juiste grondslagen en feiten mogelijk wordt.

g. Het (juridisch) ondersteunen van "klokkenluiders" en het onderzoeken van misstanden, fraude- en corruptie.

h. De burgers van Nederland optimaal de kans te bieden een bijdrage te leveren aan de politiek-maatschappelijke besluitvorming en haar zo goed mogelijk te informeren door o.a. het inrichten van een website.

i. Het bevorderen van het algemene welzijn van de inwoners van Nederland.

j. Het stimuleren van de economische groei en het verbeteren van de algemene woon- en leefomstandigheden.

2.3. De eerste grief van appellante is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat zij niet op grond van artikel 1:2, derde lid, van de Awb als belanghebbende bij de toekenningsbesluiten van 12 april 2005 kan worden aangemerkt en dat de commissie haar ook in zoverre terecht niet in haar bezwaar heeft ontvangen. Daartoe beroept appellante zich op de in artikel 3, aanhef en onder a, c en d van haar statuten genoemde doelstellingen, ten betoge dat bestrijden van fraude en corruptie en het bevorderen van transparantie, integriteit, openheid en verantwoording als doel voldoende specifiek is om te voldoen aan de voorwaarden in artikel 1:2, derde lid, van de Awb.

2.4. Het betoog slaagt niet.

Uit de statuten en hetgeen daaromtrent door appellante in rechte is aangevoerd, maakt de Afdeling op dat de doelstelling van appellante en haar daarop gerichte functioneren tweeërlei zijn. Het in artikel 3, aanhef en onder a, gestelde statutaire doel beoogt appellante door politieke deelname te bereiken. Daarin presenteert zij zichzelf derhalve als politieke partij. In zoverre appellante evenwel optreedt als politieke partij kan zij niet met vrucht met inroepen van artikel 1:2, derde lid, van de Awb de ontvankelijkheid van het door haar ingediende bezwaar bepleiten. Zoals de rechtbank in dit verband terecht - onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling van 25 november 1997, in zaak no. E03.96.0894, AB 1998/2 en 16 oktober 2002, in zaak no. 200103329/1, JB 2003/4 - heeft overwogen is naar vaste jurisprudentie een politieke partij, ook al bezit zij rechtspersoonlijkheid, in een geval waarin beroep en daaraan voorafgaand bezwaar openstaat voor belanghebbenden, niet kan opkomen ter bescherming van algemene en collectieve belangen, omdat zich daartegen de woorden "in het bijzonder" in artikel 1:2, derde lid, van de Awb verzetten. Anders dan appellante betoogt doet de omstandigheid dat appellante niet een lokale politieke partij, maar een landelijke politieke partij is, die niet in het parlement is vertegenwoordigd, aan het vorenoverwogene niet af.

De in artikel 3, aanhef en onder c en d, genoemde statutaire doelen wenst appellante op andere wijze dan door middel van politieke deelname na te streven. In zoverre presenteert zij zich derhalve op andere wijze dan als politieke partij. Daarvan uitgaande overweegt de Afdeling dat met het vereiste 'in het bijzonder' als bedoeld in artikel 1:2, derde lid, van de Awb, is bedoeld dat de zorg van een organisatie moet zijn toegespitst op een voldoende specifiek algemeen of collectief belang, welke gespecificeerde zorg de status van belanghebbende en daarmede beroepsrecht rechtvaardigt. De verbetering van het gebruik van de publieke middelen en het streven naar transparantie in alle inkomsten en uitgaven van de Staat alsmede het bevorderen heel in het algemeen van integriteit, openheid, verantwoording en transparantie zijn als doelstellingen onvoldoende specifiek om appellante op grond daarvan als belanghebbende te kunnen aanmerken.

Niet in geschil is dat appellante aan de overige statutaire doelstellingen evenmin de status van belanghebbende kan ontlenen.

2.5. Gelet op het hiervoor overwogene heeft de rechtbank dan ook terecht geoordeeld dat appelante niet kan worden aangemerkt als belanghebbende bij de toekenningsbesluiten van 12 april 2005.

2.6. Hetgeen appellante overigens heeft betoogd betreft haar bezwaren tegen de toekenningsbesluiten. Die staan hier evenwel niet ter beoordeling zodat de Afdeling aan dat betoog voorbijgaat.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.


3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. W.D.M. van Diepenbeek, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom w.g. Wilbers-Taselaar
Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 november 2006

71-515.