Ministerie van Buitenlandse Zaken

Kamerbrief inzake EU Grondrechtenagentschap

21-11-2006 | Kamerstuk | Nederlands Ministerie van Buitenlandse Zaken

In het licht van de ontwikkelingen rond het EU Grondrechtenagentschap zou ik het volgende onder Uw aandacht willen brengen.

In de afgelopen periode waarin in de Raad van Ministers van de Europese Unie werd gesproken over het Grondrechtenagentschap in oprichting heb ik regelmatig met u van gedachten gewisseld over het mandaat en de organisatie van dit Agentschap. Daarbij was duidelijk dat uw Kamer zich zorgen maakte over mogelijke duplicatie van het Agentschap in oprichting met het nuttige werk dat al binnen de Raad van Europa wordt gedaan op het gebied van mensenrechten. Ik heb aangegeven dat ik deze zorg deel en dat het voorkomen van dergelijke duplicatie met de Raad van Europa dus steeds één van de uitgangspunten van de Nederlandse inzet zou zijn. Er is dan ook voortdurend gestreefd naar adequate institutionele inbedding van de Raad van Europa in het Agentschap, zoals u was toegezegd tijdens ons debat van 7 maart jl.

Ik kan u melden dat de Nederlandse inzet in de onderhandelingen onverminderd gericht is op bovengenoemde punten. Hoewel de onderhandelingen nog in volle gang zijn en een eindresultaat pas op op zijn vroegst op de JBZ-Raad in december verwachtbaar is, heeft deze inzet zijn eerste vruchten reeds afgeworden. De Raad van Europa krijgt zitting in de Raad van Bestuur en het Dagelijks Bestuur van het Agentschap en de oprichtingsverordening vermeldt expliciet de noodzaak tot nauwe samenwerking en het voorkomen van duplicatie met de Raad van Europa. Dankzij regelmatig interveniëren van Nederland is dit belangrijke uitgangspunt in de ontwerp-tekst van de verordening zelf opgenomen in plaats van in de preambule. De samenwerking zal na vaststelling van de verordening tot oprichting van het Agentschap bovendien verder gestalte worden gegeven in een samenwerkingsovereenkomst tussen de Raad van Europa en het Agentschap.

Wat betreft de reikwijdte van het mandaat van het Agentschap bestaat er in de Raad overeenstemming over de beperking daarvan tot het gemeenschapsrecht. Nederland stond evenwel vrijwel geïsoleerd in de wens het mandaat te beperken tot de EU instellingen (inclusief organen, instanties en agentschappen), lidstaten en mogelijk kandidaatlidstaten. Desondanks wordt nu gesproken over een compromistekst waarin de reikwijdte van het mandaat van het Agentschap wordt beperkt tot lidstaten en de Europese instellingen, organen, instanties en agentschappen en deelname aan het Agentschap wordt beperkt tot lidstaten en kandidaatlidstaten als waarnemers. Voor de landen waarmee Stabilisatie en Associatieverdragen zijn gesloten zou dan gelden dat de Raad met unanimiteit zou kunnen beslissen om aan de Associatie Raad voor te leggen dat het Agentschap zich ook zou kunnen uitstrekken over deze landen. Over dit compromis zal in het Coreper van aanstaande donderdag, 23 november, verder worden onderhandeld.

In de discussie over eventuele bevoegdheid van het Agentschap in de zogenaamde derde pijler - waaraan door zowel een aantal lidstaten als de Commissie en het Europees Parlement zeer wordt gehecht - lijkt een compromis vooralsnog moeilijk bereikbaar. Het Fins Voorzitterschap heeft enkele opties voor een compromis gesuggereerd, waaronder een werking van het Agentschap in de derde pijler met betrekking tot Europese instellingen of een werking in de derde pijler op vrijwillige basis, voor lidstaten die daarom vragen. Geen van deze voorstellen kon tot dusver rekenen op de vereiste consensus. Er is een minderheid van lidstaten die ten principale van mening is dat een bevoegdheid in de derde pijler voor het Agentschap onmogelijk is, aangezien daarvoor in het Unie-verdrag geen rechtsbasis bestaat. Het kabinet is van mening dat het opnemen van een zogenaamde rendez-vous clausule - waarmee expliciet in de verordening wordt opgenomen dat de lidstaten voor 31 december 2009 zullen beslissen over eventuele werking in de derde pijler- vooralsnog de beste oplossing zou zijn. Het is immers de bedoeling het Grondrechtenagentschap op 1 januari 2007 operationeel te laten zijn. Het Agentschap zal vervolgens in de eerste periode zijn toegevoegde waarde moeten bewijzen en de samenwerking met de Raad van Europa gestalte moeten geven, zodat over drie jaar een beter gefundeerde beslissing over het eventuele uitbreiden van de bevoegheid naar de derde pijler genomen kan worden. Een dergelijke beslissing zal dan vanzelfsprekend ook met unanimiteit dienen te worden genomen.

Naar mijn oordeel kan Nederland tevreden zijn met deze ontwikkelingen, daar de EU partners in belangrijke mate aan de Nederlandse wensen gehoor hebben gegeven. Ik ga er vanuit dat hiermee ook voldoende tegemoet is gekomen aan de zorgen die U eerder hebt geuit.

De Minister van Buitenlandse Zaken,

Dr. B.R. Bot

* Ministerie van Buitenlandse Zaken

* Bezuidenhoutseweg 67

* Postbus 20061

* 2500 EB Den Haag

* Tel.: 070-3 486 486

* Fax: 070-3 484 848

* Internet: www.minbuza.nl