Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

logoocw

Aan het bevoegde gezag van elke in Crebo geregistreerde

onderwijsinstelling

Den Haag Ons kenmerk
3 juli 2007 BVE/Stelsel/2007/16635 Onderwerp
Invoeringsplan CGO

Geachte heer, mevrouw,

U en ik staan de komende jaren samen voor een majeure opgave: de invoering van competentiegericht beroepsonderwijs (CGO) op basis van nieuwe kwalificatiedossiers en tegelijkertijd het realiseren van hoge kwaliteit van onderwijs, bijvoorbeeld als het gaat om examens en onderwijstijd. Een opgave die nog het best te typeren is als het verbouwen van een schip op volle zee. Alleen als wij de komende jaren intensief samenwerken blijft dit schip op koers. Dat zijn we verplicht aan de opvarenden, de deelnemers. Die gaan er vanuit dat deze nieuwe koers ook echt een verbetering is! Daarom heb ik u eerder in mijn brief van 11 april 2007 (over: "competentiegericht onderwijs en examens in mbo") aangegeven wat ik van u verwacht en ook wat u de komende tijd van mij kunt verwachten.

Het blijkt immers dat de invoering van CGO niet probleemloos verloopt en het garanderen van de basiskwaliteit ook niet overal lukt. Uit diverse onderzoeken (Keesie, Berenschot, monitor Cinop), uit signalen van studenten en werkgevers en bevindingen van toezichthouders komt naar voren dat het nog schort aan de uitvoering door scholen. Ook de media en de Tweede Kamer besteden veel aandacht aan CGO en de wijze waarop de instellingen de invoering hiervan vormgeven. Zij stellen kritische vragen over het borgen van kwaliteit gedurende de huidige overgangsfase. Ik heb de kamer op dit punt dan ook een aantal toezeggingen gedaan die ook u direct aangaan.

Kortom: het beeld van de samenleving ten aanzien van de vernieuwingen in het mbo is niet onverdeeld positief. Ik wil dit samen met u veranderen en in een positieve richting ombuigen. Het mbo is dat meer dan waard! Dat doen we vooral door de schouders te zetten onder de vernieuwing en alle concentratie te richten op een doelmatige implementatie. Geen luchtkastelen dus, maar bouwen aan praktische zaken zoals goede onderwijs- en examenprogramma's, bijscholing van personeel en een adequate bedrijfsvoering.

Competentiegericht onderwijs is geen blauwdruk en kan zeer gevarieerd vorm krijgen wat betreft de inrichting van het onderwijs (het `hoe'). Binnen instellingen maakt men eigen keuzen voor een Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Rijnstraat 50, Postbus 16375, 2500 BJ Den Haag T +31-70-412 3456 F +31-70-412 3450 W www.minocw.nl

blad 2/4

bepaalde aanpak en merkt men vervolgens in de praktijk in welke mate die aanpak werkt. Een andere manier om er achter te komen wat werkt is er niet. Dit is een proces van uitproberen en daarmee van vallen en opstaan. Maar dit moet wel systematisch worden gevolgd. Dan ontdek je waarom iets wel of niet werkt en komen goede onderwijsvormen sneller bovendrijven.

Planmatige invoering van CGO
Tegen deze achtergrond ben ik op 4 juni j.l. met MBO Raad/AOC Raad, Colo en PAEPON overeengekomen dat de organisatie van de invoering van CGO dient te worden herijkt. In het "bestuurlijk arrangement" heb ik met deze partijen afspraken gemaakt over te bereiken doelen in
2010, de verdeling van de verantwoordelijkheden tijdens de invoering en de specifieke ondersteuning die instellingen daarbij kunnen verwachten.

Dit bestuurlijk arrangement heeft als doel de implementatie van CGO en daarmee de kwaliteit van het onderwijs en examens zodanig te versterken en te borgen dat ik met een gerust hart kan overgaan tot volledige implementatie van CGO in 2010 inclusief verankering in wet- en regelgeving.

Om het proces CGO beheerst en doelgericht in te voeren heb ik onder andere besloten:
1. dat de individuele instelling primair verantwoordelijk is voor een goede implementatie van CGO;
2. ik u expliciet verzoek mij te informeren over het tempo en de fasering van de vernieuwing;
3. dat de Stuurgroep Competentiegericht Beroepsonderwijs uiterlijk 1 januari 2008 ophoudt te bestaan;

4. dat ik een vernieuwd procesmanagement instel dat zich richt op de praktische ondersteuning van instellingen op de volgende drie gebieden:
a. inhoud/curriculum (inclusief beroepspraktijkvorming en examinering); b. scholing van (onderwijs-) personeel; c. bedrijfsvoering (inclusief administratieve processen en kwaliteitszorg).

Ik ben in overleg met de kwartiermaker van het vernieuwde procesmanagement en de MBO Raad om geschikte, aansprekende `trekkers' te vinden voor elk van de bovengenoemde drie aandachts-gebieden.

Op basis van deze besluiten en in het licht van de toezeggingen die ik aan de Tweede Kamer heb gedaan op 7 juni j.l., verzoek ik u mij vóór 1 oktober 2007 door middel van een invoeringsplan1 inzicht te geven in uw invoeringsstrategie en -activiteiten voor de periode 2007-2010. In dit plan geeft u een beeld van: o welke opleidingen u per (studie)jaar fasegewijs wilt omzetten, voor de onderscheiden studiejaren in de periode 2007-2010;
o welke doelen u zichzelf stelt;
o en welke acties u onderneemt ten aanzien van de versterking van: a. inhoud/curriculum (inclusief beroepspraktijkvorming en examinering); b. scholing van (onderwijs-) personeel; c. bedrijfsvoering (inclusief administratieve processen en kwaliteitszorg).


1 De invoeringsplannen voor de AOC's zal ik doorsturen aan de minister van LNV

blad 3/4

Het invoeringsplan kan beperkt van omvang zijn en u bent vrij in de uitwerking ervan. Ik ga er vanuit dat u zelf zorgt voor een professionele invulling. Ik nodig alle instellingen uit om in oktober/november samen met mij te reflecteren op de invoering van het CGO. Ik zal het (vernieuwde) proces-management uitnodigen daar te presenteren hoe zij de instellingen zullen ondersteunen op de drie eerder genoemde aandachtsgebieden. Op deze manier kunnen we samen ontdekken en van elkaar leren wat werkt.

Ik zal uw invoeringsplan ook doorsturen naar het procesmanagement, dat vervolgens op basis hiervan met u nadere afspraken zal maken over hoe het u goed kan ondersteunen. Ik zal het procesmanagement ook vragen mij over de voortgang van de invoering jaarlijks te informeren. Om dat mogelijk te maken, zal ik u verzoeken mij jaarlijks (tot eind 2010) een bijgestelde planning te verstrekken op basis van het door u opgestelde invoeringsplan. Ook verzoek ik u in algemene zin over de voortgang van de invoering te rapporteren in uw jaarverslag.

Laat ik duidelijk zijn: ik wil met dit verzoek geen nieuwe toezicht- en verantwoordingsrelatie met u aangaan. In tegendeel, op basis van uw invoeringsplan en uw jaarverslag zal ik de toezichthouders vragen om na te gaan op welke wijze het proportionele toezicht verder vormgegeven kan worden en hoe zij instellingen kunnen adviseren om CGO tot een succes te maken. Een kwalitatief goed invoeringsplan is ook om die reden dus zinvol. Dit is overigens ook een van de aanbevelingen uit het onderzoek van Berenschot over CGO.

Facilitering door OCW
Ik ga er vanuit dat u alle ruimte benut om binnen de rijksbijdrage de benodigde middelen te bestemmen voor de invoering van CGO. Daarnaast zijn er ook additionele middelen beschikbaar via de innovatiebox en stagebox, die deels hiervoor ingezet kunnen worden. Bovendien zal ik in de begroting voor 2008 duidelijkheid verschaffen over middelen die ik hiervoor beschikbaar stel.

Binnen de innovatiebox betreft het voor 2007 onder andere een (aanzienlijk) incidenteel bedrag aan zogenaamde FES-middelen, te weten 71 miljoen. Binnenkort wordt de wijziging van de regeling Innovatiebox beroepsonderwijs 2006 t/m 2009, op grond waarvan deze middelen beschikbaar worden gesteld, gepubliceerd. Deze middelen zijn bestemd voor de ontwikkeling van les- en examenmateriaal, docentstages en maatwerktrajecten voor jongeren tot 23 jaar. Met name de eerste twee doelen hebben betrekking op het CGO. Een belangrijke aanvullende eis die is gesteld voor het beschikbaar komen van tweede tranche FES-middelen (2008) is dat er door de instellingen cofinanciering heeft plaatsgevonden bij de eerste tranche (2007). Dat betekent dat in aanvulling op de eerste tranche FES- middelen (2007) minimaal 35% extra middelen worden gerealiseerd door onderwijsinstellingen zelf of bedrijven.
Het is voor de mbo-sector in zijn geheel van groot belang dat uw instelling de inzet van deze middelen straks kan legitimeren via een heldere verantwoording. Een verantwoording waaruit blijkt dat u deze middelen doelmatig heeft ingezet, welke resultaten u heeft behaald en dat de vereiste co-financiering is gerealiseerd. Omdat de eerste resultaten en de realisatie van de cofinanciering van de FES-middelen reeds begin 2008 beschikbaar moeten zijn, ben ik voornemens een aanvullend onderzoek te laten

blad 4/4

doen. De beschikbaarheid van de volgende tranche van FES-middelen voor de volgende periode is hiervan namelijk direct afhankelijk. Deze tranche moet extra mogelijkheden bieden voor een stevige inzet op de invoering van CGO de komende jaren.

Oplossing voor een specifiek probleem
Het is mij bekend dat onderwijsinstellingen gedurende de experimenteerperiode, en tot de reguliere invoering van CGO per 1 augustus 2010, meerdere typen opleidingen operationeel hebben, gebaseerd op eindtermdocumenten en verschillende generaties kwalificatiedossiers. Diverse instellingen hebben mij gemeld dat de interne bedrijfsvoering hierdoor ernstig onder druk is komen te staan. Dat geldt zeker voor die instellingen die vanaf het begin van de experimenteerperiode aan de slag zijn gegaan met nieuwe, zogenoemde eerste generatie kwalificatiedossiers. Aan deze problematiek wil ik uitsluitend voor het schooljaar 2007-2008 tegemoet komen en uitsluitend voor die instellingen die als een van de eersten aan de slag zijn gegaan met het vormgeven van CGO. Dit betekent concreet dat ik op korte termijn een beperkt aantal instellingen zal informeren en hen de mogelijkheid bieden om nieuwe deelnemers in te schrijven in het eerste jaar van een - reeds in het studiejaar 2006-2007 actieve - opleiding die is gericht op een eerste generatie kwalificatiedossier.

Examens
In een aparte brief zal ik u in algemene zin informeren over het al dan niet definitief intrekken van examenlicenties en de toekomstige inrichting van het proportionele toezicht op de examens. Ik betrek daarbij ook de inrichting van het toezicht van KCE op basis van het door mij integraal vastgestelde kwalificatiedossier.

De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, mede namens de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit

Marja van Bijsterveldt-Vliegenthart