Raad van State



Uitspraak

Zaaknummer: 200705601/2
Publicatie datum: donderdag 11 oktober 2007
Tegen: de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Proceduresoort: Voorlopige voorziening
Rechtsgebied: Kamer 3 - Hoger Beroep - Overige

200705601/2.
Datum uitspraak: 11 oktober 2007

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:

de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
verzoeker,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 06/3969 van de rechtbank 's-Gravenhage van 10 juli 2007 in het geding tussen:


en

verzoeker.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 december 2005 heeft verzoeker (hierna: de Minister) besloten de aanvraag van om kennisneming van eventueel over hem bij de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (hierna: de AIVD) aanwezige gegevens niet verder in behandeling te nemen.

Bij besluit van 20 maart 2006 heeft verzoeker het door daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 juli 2007, verzonden op 17 juli 2007, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het door daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de Minister opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

Tegen deze uitspraak heeft de Minister bij brief van 7 augustus 2007, bij de Raad van State ingekomen op 8 augustus 2007, hoger beroep ingesteld.
Bij deze brief heeft verzoeker tevens de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 september 2007, waar de Minister, vertegenwoordigd door mr. E.C. Pietermaat, advocaat te Den Haag, en , vertegenwoordigd door mr. M.J.G. Uiterwaal, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Ingevolge artikel 47, eerste lid, eerste volzin, van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 (hierna: de WIV) deelt de betrokken Minister een ieder op diens aanvraag zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen drie maanden mede of en, zo ja, welke hem betreffende persoonsgegevens door of ten behoeve van een dienst zijn verwerkt.

Ingevolge artikel 47, derde lid, van de WIV draagt de betrokken Minister zorg voor een deugdelijke vaststelling van de identiteit van de aanvrager.

2.3. De Minister heeft blijkens het in bezwaar gehandhaafde besluit de aanvraag van verder buiten behandeling gelaten omdat niet zou zijn voldaan aan een wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag als bedoeld in artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht.

2.4. Het verzoek strekt ertoe dat bij wijze van voorlopige voorziening wordt bepaald dat de Minister in afwachting van de uitspraak op het door hem ingestelde hoger beroep geen gevolg hoeft te geven aan de in hoger beroep bestreden uitspraak. De Minister stelt belang te hebben bij toewijzing van het verzoek omdat de uitspraak van de rechtbank noopt tot een inhoudelijke beoordeling van de aanvraag om kennisneming, terwijl hij zich ingevolge artikel 47, derde lid, van de WIV gehouden acht de identiteit van vast te stellen aan de hand van een identiteits- of legitimatiebewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht en overlegging van een zodanig bewijs door niet mogelijk is gebleken, zodat de Minister geen uitvoering kan geven aan de uitspraak. Voorts stelt hij dat het nemen van een inhoudelijk besluit op de aanvraag tot onomkeerbare gevolgen kan leiden, te weten dat een derde onbevoegd kennis neemt van gegevens van de AIVD.

2.4.1. De rechtbank heeft overwogen dat een eis strekkende tot het overleggen van een identiteitsbewijs in de hiervoor bedoelde zin niet is neergelegd in enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van een aanvraag als bedoeld in artikel 47, eerste lid, van de WIV en dat meer in het bijzonder artikel 47, derde lid, van de WIV, anders dan de Minister betoogt, niet tot die eis strekt. De Minister had dan ook niet van mogen verlangen een zodanig identiteitsbewijs bij de aanvraag te verstrekken en had daarom de aanvraag niet met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb buiten behandeling mogen laten. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat niet valt in te zien waarom de identiteit van de aanvrager - nu artikel 47, derde lid van de WIV ertoe strekt te voorkomen dat derden onbevoegdelijk kennisnemen van persoonsgegevens - niet op een andere wijze deugdelijk kan worden vastgesteld in geval de aanvrager niet beschikt en, naar hij stelt, niet kan beschikken over een geldig identiteitsbewijs. Naar het oordeel van de rechtbank kan in redelijkheid van de Minister worden verlangd dat hij, nu hij over een individueel ambtsbericht heeft uitgebracht, aan de hand van de wel door overgelegde bescheiden en zonodig aan de hand van door te verstrekken aanvullende inlichtingen, in hun onderlinge samenhang bezien, vaststelt of er redelijkerwijs twijfel over kan bestaan dat de persoon is op wie de gegevens waarop de aanvraag ziet betrekking hebben.

2.4.2. De aangevallen uitspraak strekt er aldus toe dat de Minister alsnog op basis van de door de rechtbank bedoelde gegevens onderzoekt of aanvrager degene is op wie de opgevraagde persoonsgegevens betrekking hebben. De Voorzitter ziet niet in dat de Minister hier in afwachting van de behandeling van de bodemprocedure geen uitvoering aan kan geven. Daarbij neemt de Voorzitter in aanmerking dat de vrees van de Minister voor ongewenste onomkeerbare gevolgen niet kan worden gedeeld. Immers, de aanvraag van kan alsnog worden afgewezen als niet komt vast te staan dat hij degene is op wie de opgevraagde persoonsgegevens betrekking hebben.

2.5. De conclusie is dat de Minister geen spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening. De Voorzitter ziet hierin aanleiding om het verzoek dient af te wijzen.

2.6. De Minister dient op de navolgende wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. wijst het verzoek af;

II. veroordeelt de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties tot vergoeding van bij in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van ¤ 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) aan onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.J.M. Mathot, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom w.g. Mathot
Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 oktober 2007

413.

terug naar overzicht.. | print uitspraak..