KNMG

Nieuws op Artsennet

KNMG

Opleiden voor kwaliteit: samenhangende beoordeling is nodig

Dames en heren,

"Opleiden voor kwaliteit", het is een open deur. Want je leidt iemand op om een goede dokter te worden. Hij of zij moet later als arts, als specialist, uitstekend presteren. Door het opleiden van artsen en specialisten wordt niet alleen de kwaliteit van die ene dokter, maar ook de kwaliteit van de gehele beroepsgroep op een hoger peil gebracht. Opleiden is daarmee een hoeksteen van de medische professionaliteit. Die professionaliteit maakt dat de patiënten en de samenleving ons hun vertrouwen schenken. Dus als we het niet goed doen, worden we niet meer vertrouwd, en terecht.

Dit KNMG congres is het eerste dat in de nieuwe Domus Medica plaatsvindt, en ik, als voorzitter van de KNMG, ben er trots op u op deze plek te mogen toespreken. Het congres staat mede in het teken van het 75 jarig bestaan van de opleidings- en registratiefunctie van de KNMG.

De specialistenregistratie wordt verzorgd door de Registratiecommissies van de KNMG, volgens de regelgeving van de KNMG Colleges. Deze functie is een onmisbare schakel in de medische kwaliteitsketen, waarvoor de beroepsgroep zelf inhoudelijk verantwoordelijk is. Andere onderdelen van die kwaliteitsketen zijn onder andere: medische standaarden en richtlijnen, gedragsregels, beroepscodes, veiligheidsvoorschriften, visitatie, geaccrediteerde deskundigheidsbevordering, functioneringsgesprekken, en het afleggen van verantwoording aan patiënten, collega's en de buitenwereld.

Van het medische kwaliteitsbeleid is de registratie en herregistratie van specialisten een essentieel onderdeel, maar zeker niet het enige. Niet alle ontwikkelingen op het gebied van kwaliteitsbevordering vinden we immers terug in de toets die leidt tot herregistratie van specialisten. Het kwaliteitsbeleid van verschillende wetenschappelijke verenigingen bevindt zich in verschillende ontwikkelingsstadia. Er zijn uiteenlopende prioriteiten op het gebied van kwaliteit. Patiëntenorganisaties hebben hun eigen opvattingen. Het totale kwaliteitsbeleid voor artsen in Nederland heeft de laatste decennia grote vooruitgang geboekt, maar er is behoefte aan een overkoepelende visie, meer samenhang binnen de gehele beroepsgroep, en een veel nadrukkelijker rol voor de eigen professionele verantwoordelijkheid van de arts voor de kwaliteit die hij of zij biedt.

Kwaliteitsbeleid voor artsen moet vorm kunnen krijgen los van inkomensdiscussies en los van commerciële invloeden. Artsen die alleen aan hun inkomen denken of die voor geld bereid zijn dingen te doen die ethisch niet door de beugel kunnen, zijn niet met kwaliteit bezig maar met iets heel anders. Kwaliteit moet toetsbaar zijn. En als ik zeg: er moet meer samenhang komen in het kwaliteitsbeleid voor de hele beroepsgroep, bedoel ik dat alle erkende elementen daarin een plaats moeten krijgen, die bijdragen aan de borging en bevordering van de kwaliteit en de veiligheid van de medische beroepsuitoefening.

Voorbeeld: deskundigheidsbevordering voor artsen
In Nederland moeten 35.000 specialisten iedere vijf jaar minimaal 200 uren geaccrediteerde deskundigheidsbevordering volgen ten behoeve van hun wettelijk verplichte herregistratie. Dat kan gaan om nascholingen, toetsgroepen, uitvoeren van onderzoek, publiceren in een wetenschappelijk tijdschrift op het eigen vakgebied, visitaties, enz. Die activiteiten moeten door de wetenschappelijke vereniging geaccrediteerd worden.

De KNMG Colleges kunnen vaststellen hoeveel uren per jaar, en welke vormen van deskundigheidsbevordering, maximaal toegestaan zijn en minimaal verplicht zijn in het kader van de wettelijke herregistratie. Dat gebeurt nu nog weinig maar de verwachting is dat de eisen op dit gebied zullen worden aangescherpt.
De programmatische invulling van de uren deskundigheidsbevordering staat vrij. Het is de verantwoordelijkheid van iedere arts om voor zichzelf een zodanig nascholingsprogramma samen te stellen dat hij of zij in het specialisme bekwaam en bevoegd blijft. In theorie is het mogelijk dat artsen steeds dezelfde geaccrediteerde cursussen volgen, en daarmee voldoende punten behalen om hun herregistratie te krijgen. Op een aantal van 35.000 artsen zal dit vast wel eens voorkomen, maar ik heb vertrouwen in het verantwoordelijkheidsgevoel van de meeste artsen, en in hun streven om zich zo breed mogelijk na te scholen. De overheid en anderen stellen echter wel kritische vragen over de nascholing, zoals:

- Volgen artsen wel nascholing op alle relevante onderdelen van hun vakgebied, of slaan zij belangrijke onderdelen over?
- Volgen artsen voldoende "algemene" nascholing, zoals een gesprekstraining of een cursus gezondheidsrecht?
- Kijken artsen wel voldoende over de grenzen van hun eigen vakgebied? Volgen zij wel eens nascholing bij een belendend specialisme, of nascholing over ketenzorg?
- Moet er getoetst worden of artsen zich voldoende breed nascholen?
- Wat draagt nascholing eigenlijk bij aan de kwaliteit van dokters?
- Heeft de farmaceutische industrie niet een te grote invloed?

De toekomstige inrichting van de nascholing voor artsen, en de plaats van nascholing binnen het kwaliteitsbeleid, is momenteel onderwerp van discussie in wetenschappelijke verenigingen, wordt besproken met het Ministerie van VWS. Een goede aanleiding voor de KNMG om in dit congres, zo direct na de plenaire sessie, een workshop aan dit onderwerp te wijden, waar huisartsen, medisch specialisten en sociaal geneeskundigen hun licht over dit thema laten schijnen.

Hoe zou de toekomst er uit kunnen zien?
U ziet, het kwaliteitsbeleid is volop in beweging, zeker in de medische beroepsgroep. Ook de minister van VWS heeft kwaliteit nadrukkelijk op de agenda gezet. Ik ben daar heel blij mee, na een kabinetsperiode waarin de financiering van de zorg het primaat had. Er zijn allerlei grote kwaliteitsprojecten zoals Sneller Beter, Zorg voor Beter, Beter Voorkomen, het Programma Veilige Zorg. Prestatieindicatoren zijn in, controle en toezicht op kwaliteit en veiligheid zijn intensiever dan ooit, het aantal toezichthouders groeit en verdringt zich, de roep om meetbare criteria lijkt soms de menselijke maat te verdringen. En of het allemaal echt zoden aan de dijk zet weten we eigenlijk niet zo goed.

Dames en heren, het zal u niet verbazen dat ik, tijdens dit congres over kwaliteit, de verleiding niet kan weerstaan om een vergezicht te schetsen voor het kwaliteitsbeleid voor artsen. Ik doe dat, in het besef dat de meeste vergezichten nooit helemaal realiteit worden, maar wel dienen als stimulans en als richtsnoer voor discussies en ontwikkelingen.
Eerst wil ik de artsen een hart onder de riem steken. Ik ben ervan overtuigd dat artsen, uitzonderingen daargelaten, de verantwoordelijkheid kunnen en willen dragen om zelf hun kwaliteit op orde te houden en te verbeteren. Artsen hebben passie voor het vak, voor patiënten, voor de zorg, voor preventie. Vanuit die passie zijn ze gemotiveerd om de best mogelijke zorg te bieden. Dat is de sleutel tot een succesvol kwaliteitsbeleid. Een stortvloed van regels, richtlijnen en indicatoren van bovenaf werkt niet, als die niet aansluiten op de intrinsieke motivatie en passie van de arts voor de geneeskunde.

We moeten toe naar een kwaliteitsbeleid dat begint en eindigt bij de eigen verantwoordelijkheid van elke arts voor kwaliteit. Artsen moeten uitgenodigd, gemotiveerd en gestimuleerd worden om daar zelf achterheen te zitten en datgene te doen wat het beste is voor een optimale beroepsuitoefening. Wil dat werken, dan moeten we artsen een kader aanreiken van de professionale normen en waarden waaraan ze geacht worden te voldoen. Let wel: een kader, geen keurslijf. Dat kader vullen ze zelf in met de meest geeigende en effectieve activiteiten om hun kennis en vaardigheden te behouden en verbeteren. Dat kan nascholing zijn, toetsing, dat kunnen visitaties zijn, functioneringsgesprekken, praktijkaccreditering, gestructureerd overleg met patienten, een up to date praktijkvoering, EPD training, een stage, en natuurlijk voldoende ervaring met handelingen waarin men bekwaam heet te zijn. Liefst is het een zinvolle mix van meerdere onderdelen. Cruciaal vind ik dat dat we artsen moeten uitnodi
gen en faciliteren om dat zo breed mogelijk te doen, in plaats van een aantal van bovenaf opgelegde verplichtingen opeen te stapelen, en daarmee het effect te bereiken dat artsen, zoals nu al regelmatig gebeurt, zich overvraagd, overspoeld en betutteld voelen. Laten we artsen aanspreken op hun verantwoordelijkheidsgevoel en hun zelfstandigheid, en ze de mogelijkheden bieden om zich breed en zinvol op hun vakgebied te bekwamen, zonder al teveel in de keuze voor die of die methode te sturen.

Vrijblijvend kan dit alles natuurlijk nooit zijn, want artsen hebben een dure verplichting aan patienten en aan de maatschappij. Er zal dus van tijd tot tijd moeten worden nagegaan of artsen aan de professionele normen en waarden blijven voldoen. Dat mag van ons verwacht worden. Immers, een medisch student wordt bij afstuderen tot de beroepsgroep toegelaten op grond van gebleken voldoende kennis en vaardigheden. Datzelfde geldt voor de arts die een specialistenopleiding heeft voltooid en die toetreedt tot het betreffende specialisme. Dus ook tijdens de verdere loopbaan mag, moet, van tijd tot tijd worden bekeken of de arts nog aan de "state of the art" voldoet. Daar zullen we geschikte methoden voor moeten ontwikkelen. Geen batterij afzonderlijke toetsen om te zien of de arts wel op alle onderdeeltjes aan de eisen voldoet, maar een samenhangende beoordeling (of zelfbeoordeling!) waarbij het functioneren van de arts in relatie tot de professionele normen en waarden onder de loep wo
rdt genomen. Dat is een grote uitdaging, en we moeten ons terdege realiseren dat het waarschijnlijk nooit mogelijk zal zijn om een vaide beoordelingsmethode te vinden die alle relevante competenties omvat. Daar moeten we dus ook niet naar streven. Gelukkig hebben we al een paar hele goede aanzetten: de visitatie, het functioneringsgesprek en de praktijkaccreditering van het NHG. Alle drie zijn het methoden om het volledige functioneren van de individuele arts te bekijken en beoordelen. Laten we met zijn allen de schouders eronder zetten om deze drie instrumenten zo te ontwikkelen, op elkaar af te stemmen of liever nog te integreren, dat we beschikken over een solide "tool" waarmee elke arts op zinvolle wijze beoordeld kan worden en zijn functioneren zinvol wordt ondersteund. Daardoor kan de keus voor de manieren om zijn of haar kennis en vaardigheden op peil te houden, aan de arts zelf voorbehouden blijven.

N.B. Alleen gesproken tekst geldt.

Laatst gewijzigd: 11-10-2007

KNMG