Ingezonden persbericht


Belemmeringen voor niet-westerse allochtonen doen zich vooral voor bij het vinden van werk

Rotterdam, 15 november 2007

'Discriminatie van niet-westerse allochtonen op de arbeidsmarkt 2007'


* Bij het vinden van betaald werk en het verwerven van een vaste baan ondervinden niet-westerse allochtonen belemmeringen die niet alleen zijn terug te voeren op een lager opleidingsniveau, minder werkervaring en een geringere beheersing van de Nederlandse taal. Dit wijst op discriminatie.
* Allochtone sollicitanten en werkenden hebben sterk de indruk dat ze zich meer dan autochtonen moeten bewijzen.
* Bij het zoeken naar werk houden allochtonen soms rekening met mogelijke discriminatie, bijvoorbeeld door het bewust niet vermelden van het geboorteland in het cv of het niet meesturen van een pasfoto met de sollicitatiebrief.
* In de periode 2004-2006 werden bij de antidiscriminatiebureaus per jaar gemiddeld 400 klachten en meldingen ingediend. Klachten worden het vaakst ingediend door Marokkanen (31%). Turken (14%) en Surinamers (19%) dienen minder vaak een klacht in.
* De Commissie Gelijke Behandeling (CGB) sprak in de periode 2004-2006 93 oordelen uit over ervaren discriminatie van niet-westerse allochtonen op de arbeidsmarkt. In meer dan de helft van de gevallen werd de klacht door de CGB gegrond verklaard. Dit zijn enkele conclusies uit de Discriminatiemonitor niet-westerse allochtonen op de arbeidsmarkt 2007, die op 15 november jl. in Den Haag is aangeboden aan minister mr. J.P.H.Donner van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW). In het rapport geven de onderzoekers dr. Iris Andriessen (SCP), dr. Jaco Dagevos (SCP), dr. Eline Nievers (SCP) en drs. Igor Boog (Art.1) een beeld van de discriminatie die niet-westerse allochtonen op de arbeidsmarkt ondervinden. Het rapport, dat dit jaar voor het eerst verschijnt, is op verzoek van het ministerie van SZW opgesteld door het SCP en Art.1, de landelijke vereniging ter voorkoming en bestrijding van discriminatie.

Belemmeringen doen zich vooral voor bij het vinden en nauwelijks bij het hebben van werk Bij het vinden van betaald werk en het verwerven van een vaste baan ondervinden niet-westerse allochtonen belemmeringen die niet alleen zijn terug te voeren op een lager opleidingsniveau, minder werkervaring en een geringere beheersing van de Nederlandse taal. Dit wijst op discriminatie. Rond 60% van de Marokkanen die in het afgelopen jaar te maken heeft gehad met een afwijzing, vermoedt of weet zeker dat er sprake is geweest van discriminatie. Bij de Turken ligt dit percentage op 49% en bij de Surinamers en Antillianen op 17%. Allochtonen hebben verder de indruk dat ze vaak voor functies met klantencontacten worden afgewezen. Dit geldt in het bijzonder voor vrouwen die een hoofddoek dragen.

Tussen vergelijkbare groepen autochtone en niet-westerse allochtone werkenden bestaan vrijwel geen verschillen. De positie van niet-westerse allochtonen in de beroepenhiërarchie en op de inkomensladder kan voor een belangrijk deel worden toegeschreven aan kenmerken als een lager opleidingsniveau, minder werkervaring en een geringe beheersing van de Nederlandse taal.

Allochtone werkenden moeten zich dubbel bewijzen
Veel allochtonen zijn van mening dat ze zich in hun werk extra moeten bewijzen. De doorgaans negatieve beeldvorming over allochtone groepen wordt geprojecteerd op de individuele sollicitant of werknemer, die op zijn beurt het gevoel heeft altijd te moeten laten zien dat hij niet aan dit ongunstige groepsbeeld beantwoordt. Allochtone sollicitanten en werkenden hebben sterk de indruk dat ze meer dan autochtonen dagelijks examen af moeten leggen: ze moeten tonen dat ze te vertrouwen zijn, op tijd komen, geen taalfouten maken, niet stelen, de gestelde taak aankunnen, enzovoort.

Reacties van allochtonen op arbeidsmarktdiscriminatie Bij het zoeken naar werk houden allochtonen soms rekening met mogelijke discriminatie. Bedrijven en sectoren waarvan men weet dat allochtonen er moeilijker binnen komen en/of waarvan men verwacht dat er op een of andere wijze discriminatie plaatsvindt, worden gemeden. Een andere reactie is het starten van een eigen onderneming omdat men geen toegang krijgt tot een baan in loondienst. Verder passen allochtonen zich aan om niet gediscrimineerd te worden. Het duidelijkst is dit bij vrouwen die thuis een hoofddoek dragen, maar deze tijdens sollicitaties of op het werk afdoen. Overigens doet niet iedereen dit. Er zijn ook vrouwen die een hoofddoek dragen in het besef dat ze daardoor in sommige sectoren en beroepen weinig kans maken. Een andere vorm van anticiperen op discriminatie, is het bewust niet vermelden van het geboorteland in het cv of het niet meesturen van een pasfoto met de sollicitatiebrief.

Jaarlijks gemiddeld 400 klachten bij antidiscriminatiebureaus over arbeidsmarkt In de periode 2004-2006 werden bij de antidiscriminatiebureaus per jaar gemiddeld 400 klachten en meldingen over arbeidsmarktdiscriminatie van niet-westerse allochtonen ingediend. Het beeld door de jaren heen is redelijk stabiel. De meeste klachten (81%) handelen over discriminatie op grond van ras, 17% gaat over discriminatie vanwege godsdienst. In de meeste gevallen betreft het discriminatie op de werkvloer (43%), gevolgd door werving en selectie (24%) en (dreigende) beëindiging van het dienstverband (12%). Klachten met betrekking tot werving en selectie zijn bijna altijd klachten over omstreden behandeling, waarbij de klachtindiener van mening is dat er op onterechte gronden onderscheid is gemaakt. Klachten met betrekking tot de werkvloer zijn in meerderheid klachten over vijandige bejegening (60%); een klein deel gaat over geweld op het werk (3%), de rest zijn klachten over omstreden behandeling. Het gevoel ongelijk behandeld te zijn wegens het dragen van een hoofddoek is vaak reden om een klacht in te dienen. Vaak gaat het om sollicitaties op functies of stageplaatsen met een publieksfunctie of klantencontact. Klachten worden het vaakst ingediend door Marokkanen (31%). Turken (14%) en Surinamers (19%) dienen minder vaak een klacht in, terwijl de drie bevolkingsgroepen qua omvang nauwelijks verschillen.

Meer dan helft van de klachten gegrond verklaard
De Commissie Gelijke Behandeling (CGB) sprak in de periode 2004-2006 93 oordelen uit over ervaren discriminatie van niet-westerse allochtonen op de arbeidsmarkt. In meer dan de helft van de gevallen werd de klacht door de CGB gegrond verklaard. De meeste oordelen (40%) betreffen werving, selectie en arbeidsbemiddeling. In 30% van de oordelen spelen verhoudingen op de werkvloer - discriminerende bejegening waaronder pesterijen en belediging - een rol. Bijna alle godsdienstoordelen gaan over het dragen van een hoofddoek, en in bijna al deze zaken werd de klacht gegrond verklaard. De in deze zaken betrokken werkgevers wezen het dragen van een hoofddoek af op basis van eisen met betrekking tot representativiteit of neutraliteit, maar waren vaak niet in staat om aan te tonen dat die eisen noodzakelijk, geschikt en legitiem zijn. Bij oordelen over ras werd de klacht in meer dan de helft van de gevallen niet gegrond verklaard. Vooral bij klachten over vijandige bejegening (zoals pesterijen over afkomst of etniciteit) blijkt dat de bewijslast problemen oplevert.

Bestellen:

Discriminatiemonitor niet-westerse allochtonen op de arbeidsmarkt 2007
Discriminatiemonitor niet-westerse allochtonen op de arbeidsmarkt 2007
J.M. Dagevos