Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit

Kamervragen ontheffing drukjacht Limburg

28 november 2007 - kamerstuk

Kamerbrief over de één-op-één methode in Limburg. De ontheffing is legitiem en de één-op-één methode is niet hetzelfde als drijfjacht. Tevens antwoord op vragen over `drukjacht' in het algemeen.

Meer informatie

uw brief van uw kenmerk ons kenmerk datum
onderwerp bijlagen

directie Juridische Zaken

Geachte Voorzitter,

Hierbij doe ik u de antwoorden toekomen op de vragen van het lid Thieme (Partij voor de Dieren) over de ontheffing voor drukjacht in Limburg.
1.
Kent u het bericht "in Limburg mag drukjacht al lang?" 1) Ja.

2.
Is het waar dat in Limburg nog steeds een ontheffing geldt voor de wettelijk verboden drukjacht? Klopt het dat die in de vergunning omschreven wordt als "beperkte drijfjacht"? Zo ja, op welke in de wet genoemde reden tot ontheffing is deze vergunning gebaseerd? Gedeputeerde Staten van de provincie Limburg hebben ten behoeve van het populatiebeheer een ontheffing op grond van artikel 68, eerste lid, van de Flora- en faunawet verleend. Het onderdeel van deze ontheffing dat betrekking heeft op de één-opéén- methode hebben zij verleend ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen en in het belang van de openbare veiligheid. Gedeputeerde staten noemen dit in hun ontheffing "een beperkte vorm van drijfjacht."

3 + 4 + 5.
Kunt u aangeven voor welke periode de ontheffing voor deze "beperkte drijfjacht" is afgegeven en of een tussentijdse evaluatie is opgenomen in de voorwaarden? Hoe beoordeelt u het feit dat van de 27 in aanmerking komende wildbeheereenheden, er slechts twee gebruik hebben gemaakt van de ontheffing en dat de provincie de methode "niet populair" en "zelden effectief" noemt?
Bent u bereid de ontheffing in Limburg in te trekken, gelet op de aangenomen moties 2) en de gesignaleerde ineffectiviteit van de methode? Zo neen, waarom niet?

De ontheffing van gedeputeerde staten van de provincie Limburg is geldig tot en met 5 juli 2010. De provincie Limburg is voornemens de methode te evalueren. Niet 27, maar 28 wildbeheereenheden (WBE), hebben de ontheffing om gebruik te mogen maken van de één op één methode ontvangen. De faunabeheereenheid is van mening dat de één-op-één-methode een goede methode lijkt om toe te passen op relatief kleine percelen en draagt dat ook uit onder haar leden.
Gedeputeerde staten is bevoegd om de ontheffing te verlenen en in te trekken.

6 + 7.
Klopt het dat op de website www.koninklijkhuis.nl in september 2001 is aangegeven dat "de Koninklijke familie vrijwillig afziet van drijf en drukjacht omdat de methode niet effectief is"? Zo neen, hoe luidde dan de formulering? Klopt het ook dat deze passage later verwijderd is? Om welke reden?
Klopt het dat de Jagermeester van H.M. de Koningin een ontheffing heeft aangevraagd om de drukjacht toe te passen op het kroondomein? Van wanneer dateert deze aanvraag en zijn er andere direct belanghebbenden die een aanvraag voor ontheffing ter zake hebben ingediend? Zo ja, wie? Zo neen, hoe valt te verklaren dat juist de Jagermeester die de drukjacht als ineffectieve jachtmethode beschouwt (zie vorige vraag) deze aanvraag indiende?
Hetgeen in 2001 op de website www.koninklijkhuis.nl over drijf- en drukjacht zou zijn gesteld, is niet meer relevant. Drijven van wilde zwijnen is immers bij wet (artikel 74, eerste lid, onderdeel b, van de Flora- en faunawet) verboden sinds 1 april 2002. Aan de Jagermeester is ontheffing verleend voor het toepassen van de één-op-éénmethode. De ontheffing is geldig sinds 18 oktober 2006. De Jagermeester van het kroondomein heeft aangegeven nu geen gebruik te maken van de ontheffing, omdat reeds voldoende afschot is gerealiseerd.
8.
Kunt u aangeven door wie in het Kroondomein toezicht gehouden wordt op de uitoefening van de jacht en handhaving van de regels?
Afschot van wilde hoefdieren vindt op Kroondomein Het Loo plaats door, of onder toezicht van jachtopzieners (bijzondere opsporingsambtenaren). 9 + 10.
Klopt het dat het Faunafonds heeft gesproken over de mogelijkheid van vijf formaties (van één jager en één drijver) per oppervlakte van 100 hectare? 3) Betekent dit advies dat er maximaal vijf jagers en maximaal vijf drijvers tegelijk in een gebied van 100 hectare zouden mogen vertoeven, of zijn er meer dan vijf formaties denkbaar volgens dit advies wanneer sprake is van grotere gebiedsoppervlakten zoals het kroondomein? Kunt u in dit kader zeggen waar de norm van één formatie van één jager en één drijver per 40 hectare op gebaseerd is en of hier sprake kan zijn van een hogere bezettingsgraad op één perceel van 40 hectare?
Wat bedoelt het Faunafonds met de volgende passage in FF/2005.191: "Door het aantal afzonderlijke eenheden te verhogen en af te stemmen op de oppervlakte van het leefgebied kan deze methode wel effectief gemaakt worden. Het doel van de drijver is het aanwezige grofwild in beweging te brengen, maar niet in paniek. Door jagers op strategische plaatsen verspreid door het te bejagen gebied te posteren kunnen zij het langzaam wisselende en af en toe stilstaand grofwild goed aanspreken en selectief doden"? Gaat het advies ervan uit dat er niet door één jager en één drijver gewerkt wordt, maar door groepen jagers en groepen drijvers? Deelt u de mening dat hiermee het verschil met de verboden drijfjacht wel heel erg vervaagt? Zo neen, waarom niet? In de door gedeputeerde staten verleende ontheffingen is voorgeschreven dat slechts één koppel van geweerdrager en drijver per 40 ha is toegestaan. Voor het criterium van 40 ha is gekozen, omdat dat ook de voorgeschreven omvang van een jachtveld is. In de door mij aan Kroondomein Het Loo afgegeven ontheffing is een dergelijke limiet niet opgenomen, omdat de feitelijke situatie daar zodanig is, dat ten hoogste één koppel van geweerdrager en drijver per 1000 ha actief kan zijn.

11.
Wordt in FF/2005.191 gesproken over "Op dat moment was het echter, om redenen van dierenwelzijn, niet gewenst de methode één op één drukjacht toe te passen"? Kunt u aangeven welke dierenwelzijnredenen hier bedoeld zijn en in hoeverre die nog steeds van toepassing zijn?
Hier wordt bedoeld dat om redenen van dierenwelzijn de één-op-één-methode een zorgvuldige voorbereiding vergt en dat aan de methode beperkende voorschriften moeten worden verbonden.

12.
Klopt het dat het faunafonds in een brief 4) heeft gesteld dat er "in Nederland nog geen ervaring is opgedaan met de één op één drukjacht"? Hoe valt deze stelling te rijmen met de in Limburg vanaf 2005 geldende ontheffing voor de één op één drukjacht? Het advies heeft betrekking op de ingerasterde leefgebieden op de Veluwe en in de Meinweg en niet op de nulstandgebieden daarbuiten. In het advies van het Faunafonds wordt daarom bedoeld dat er in de leefgebieden op de Veluwe en in de Meinweg nog geen ervaring is opgedaan met de één-op-één-methode.
13.
Klopt het dat er door de Vereniging Wildbeheer Veluwe bij de uitvoerende jagers op is aangedrongen het geplande afschot goeddeels te realiseren middels de aanzitjacht in de maanden juli en augustus? Kunt u verklaren waarom dat bij de terreinbeheerders van Staatsbosbeheer en Natuurmonumenten wel gelukt is en bij (andere) Wildbeheereenheden (WBE'n) op de Veluwe niet? Deelt u de mening dat de WBE'n zichzelf daarmee een (jacht)brevet van onvermogen hebben gegeven? Is er in uw optiek sprake van nalatigheid? Waarom wilt u deze belonen door het toestaan van de één op één drukjacht? Natuurmonumenten en Staatsbosbeheer hebben eerder in het jaar de aanzitmethode op grotere schaal toegepast, omdat het veelal voor publiek gesloten terreinen betreft, waardoor zij groter afschot hebben kunnen realiseren.
14.
Bent u bereid definitief af te zien van uw voornemen tot het toestaan van de één op één drukjacht op basis van de door de kamer aangenomen moties? 5) Zo neen, waarom niet?

Zoals ik u in mijn brief van 23 november 2007 uiteen heb gezet heeft de rechter te Amsterdam mijn besluit, de vaststelling dat het leggen van lokvoer tot 1 april 2008 onvoldoende effectief is om het benodigde afschot anders dan door middel van de 1-op-1 methode te realiseren, in stand gelaten. De rechter heeft echter twijfels over de onderbouwing van beide besluiten. Ik zal - met inachtneming van de overwegingen van de rechter - zorgvuldig maar voortvarend het bezwaarschrift van de Stichting Faunabescherming beoordelen en daarop beslissen.

DE MINISTER VAN LANDBOUW, NATUUR EN
VOEDSELKWALITEIT,

G. Verburg


1) de Volkskrant, 22 oktober 2007.

2) 30 800 XIV, nr. 46 en 31 200 XIV, nr. 7

3) FF/2005.191, 25 mei 2005

4) FF/2007.215, 8 oktober 2007

5) zie noot 2