Tweede Kamer der Staten Generaal

Den Haag, vrijdag 21 maart 2008

Tweede kamer stemt in met presidiumvoorstel inzake de rea

De Tweede Kamer heeft in haar vergadering van donderdag 20 maart 2008 ingestemd met het voorstel van het Presidium inzake de Raad van Economisch Adviseurs (REA).

De betreffende stukken treft u bijgaand aan.

Tweede Kamer der Staten-Generaal 2

Vergaderjaar 2007­2008

29 654 Onafhankelijke advisering aan het parlement over financieel/economische aangelegenheden

Nr. 10 BRIEF VAN HET PRESIDIUM Aan de leden
Den Haag, 5 maart 2008
Op 15 december 2005 heeft de Kamer ingestemd (Handelingen der Kamer II, vergaderjaar 2005­2006, nr. 35, blz. 2440) met het voorstel van het Presidium om de instellingstermijn van de Raad van Economisch Advi- seurs (REA) te verlengen tot 1 januari 2008. Destijds is ook afgesproken dat in het najaar van 2007 de Kamer zou besluiten over het voortbestaan van de REA na die datum. Met het oog op die besluitvorming heeft de vaste commissie voor Financiën een evaluatie van de REA uitgevoerd. Deze evaluatie treft u hierbij aan1. In deze evaluatie is tevens opgenomen een door de REA opgesteld evaluatierapport.
Mede als gevolg van deze evaluatie heeft de Kamer op 18 december 2007 een brief ontvangen van de voorzitter van de REA, prof.dr. C.G. Koedijk, en de secretaris van de REA, dr. H.P. van Dalen (Kamerstuk 29 654, nr. 9) waarin staat dat de REA tot de conclusie is gekomen dat een verdere voortzetting van de werkzaamheden na 1 januari 2008 weinig vruchtbaar zal zijn en dat de achterblijvende leden hebben besloten om een eventuele herbenoeming als lid van de REA voor 2008 niet te aanvaarden. Het Presidium heeft in zijn vergadering van 5 maart 2008 gelet op deze brief en gelet op het feit dat de vaste commissie voor Financiën heeft laten weten dat zij geen voorstel meer zal doen om de instellingstermijn van de REA nog met één jaar te verlengen, besloten het hierboven genoemde besluit van de REA, onder dankzegging voor de door de REA verrichte werkzaamheden, te respecteren.
De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, G. A. Verbeet
De Griffier van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, J. E. Biesheuvel-Vermeijden.

1 Ter inzage gelegd bij het Centraal Informa-
tiepunt Tweede Kamer.
KST116040

0708tkkst29654-10
ISSN 0921 - 7371
Sdu Uitgevers
's-Gravenhage 2008 Tweede Kamer, vergaderjaar 2007­2008, 29 654, nr. 10

---- --
Evaluatie Raad van Economisch Adviseurs


14 november 2007

De vaste commissie voor Financiën

Uitvoering: staf van de commissie en het Bureau Onderzoek en Rijksuitgaven Definitieve versie d.d. 14 november 2007

Datum 14 november 2007

Onderwerp Evaluatie REA

Inhoudsopgave


0. Samenvatting p.3


1. Inleiding p.4 a. Aanleiding
b. Onderzoeksvragen


2. Resultaten
p.6
a. Analyse REA-adviezen
b. Interviewanalyse
c. Zelfevaluatie REA


3. Conclusies en aanbevelingen
p.11
a. Conclusies
b. Aanbevelingen

Bijlagen:

1. Respondentenlijst

2. Vragenlijst interviews

3. Uitgebreide methodologische beoordeling van de verschillende adviezen van de REA

4. Zelfevaluatie REA

Bladzijde 2

Datum 14 november 2007

Onderwerp Evaluatie REA


0. Samenvatting

Advies
De vaste commissie voor Financiën adviseert de Kamer om de instelling van de Raad van Economisch Adviseurs (REA) met een jaar te verlengen tot 1 januari 2009 en dit jaar te gebruiken om de meerwaarde van de REA voor de Kamer duidelijk te versterken. De vaste commissie voor Financiën zal hiertoe in overleg treden met de REA, waarbij afspraken worden gemaakt over de implementatie van de hierna genoemde verbeterpunten. Expliciete aandachtspunten daarbij zijn de aansluiting van de periodieke adviezen bij de budgettaire nota's en de kwaliteitswaarborging van de adviezen. Eind 2008 zal de vaste commissie voor Financiën bezien in hoeverre de aanpassingen hebben geleid tot de gewenste verbeteringen en nadere voorstellen doen omtrent de continuering van de REA.

Conclusies
De commissie voor Financiën velt op basis van de voorliggende evaluatie van de REA een kritisch oordeel over de meerwaarde van de REA voor de Kamer bij het uitvoeren van haar (mede-) wetgevende en controlerende taak; de meerwaarde van de REA voor de Kamer is op dit moment (nog) te klein.

De adviezen van de REA zijn allemaal in meer of mindere mate door de Kamer gebruikt, maar voldoen maar gedeeltelijk aan de behoeften van de Kamer. Uit de voorliggende evaluatie blijkt dat de adviezen van de REA maar gedeeltelijk aansluiten bij de oorspronkelijke opzet en doelstelling voor de REA. De adviezen voorzien bijvoorbeeld (nog) niet in voldoende mate in de duiding van macro-economische gegevens zoals die door de regering, het CPB en internationale organisaties zoals het IMF en de OESO worden aangereikt en bieden de Kamer daarmee nog onvoldoende basis voor stellingname tegenover de regering. De adviezen bij de voorjaarsnota en de miljoenennota gaan ook onvoldoende in op deze nota's zelf.

Uit de evaluatie wordt duidelijk dat het contact tussen REA en Kamer moet worden verbeterd. Meer en beter contact kan een positieve bijdrage leveren aan het gebruik en de impact van de adviezen en kan leiden tot een themakeuze die meer aansluit bij de wensen van de Kamer. Daarnaast zijn alle betrokkenen het erover eens dat een goede en transparante benoemingsmethode een vereiste is om de kwaliteit van de REA op de lange termijn te waarborgen.

Concrete verbeterpunten:


- Zorg dragen voor regelmatiger contact en soepeler communicatie tussen Tweede Kamer en REA
o Actie: technische briefings bij uitbrengen adviezen, o Actie: periodiek overleg met de leden van de vaste commissie voor Financiën.


- Meer vraaggestuurd werken om beter te kunnen voldoen aan de informatiebehoeften van de Tweede Kamer.
o Actie: In stand houden vaste adviseringsmomenten bij de Miljoenennota en de Voorjaarsnota, waarbij de REA wordt verzocht meer dan op dit moment gebeurt in te gaan op de macro-economische thema's in deze nota's, teneinde het debat over die nota's met de regering te ondersteunen. Na afloop van respectievelijk de Algemene Financiële Beschouwingen en het Voorjaarsnotadebat vindt overleg plaats tussen de

Bladzijde 3

Datum 14 november 2007

Onderwerp Evaluatie REA

commissie Financiën en de REA over mogelijke thema's voor het volgende vaste adviesmoment bij de budgettaire nota's.
o Actie: Aan het begin van het kalenderjaar vindt overleg plaats tussen de REA en de Tweede Kamer over de algemene onderzoeksagenda van de REA en de prioriteiten daarbinnen voor het komende jaar. De Kamercommissies kunnen daarbij onderwerpen aandragen die door de REA meegenomen kunnen worden in hun adviezen.


- De REA vragen een voorstel te doen voor een goede en transparante benoemingsmethode die de kwaliteit van de REA op de lange termijn waarborgt.

Bladzijde 4

Datum 14 november 2007

Onderwerp Evaluatie REA


1. Inleiding

In deze evaluatie wordt het functioneren van de Raad van Economisch Adviseurs (REA) tegen het licht gehouden en wordt de Kamer een voorstel gedaan voor een besluit over de continuering van de REA vanaf 1 januari 2008. De Kamer moet voor 1 januari 2008 een besluit nemen over de continuering van de REA.

Het plan van aanpak voor de evaluatie is door de vaste commissie voor Financiën vastgesteld in haar procedurevergadering van 20 juni 2007. De commissie heeft de evaluatie van de REA laten uitvoeren door de ambtelijke staf van de Tweede Kamer. De griffier en de adjunct-griffier van de vaste commissie, een adjunct-griffier Rijksuitgaven en het hoofd en een medewerker van het Onderzoeks- en Verificatiebureau hebben samen de uitvoering ter hand genomen.

a. Aanleiding
De REA is een onafhankelijke raad die ten dienste staat van de Tweede Kamer. De REA geeft de Kamer gevraagd en ongevraagd advies over financieel-economische aangelegenheden die het maatschappelijk belang raken.

Op 3 maart 2005 heeft de Kamer ingestemd met het voorstel van het Presidium om een Raad van Economisch Adviseurs in te stellen . De REA bestaat op dit moment uit de onderstaande personen:

· prof.dr. C.G. Koedijk (voorzitter)

· prof.dr. S.C.W. Eijffinger (lid)

· prof.dr. E.J. Bartelsman (lid)

· prof.dr. A. van Witteloostuijn (lid)

· prof.dr. J. Hartog (lid)

· dr. H.P. van Dalen (secretaris)

In het instellingsbesluit van de REA is bepaald dat door hen gevraagd en ongevraagd advies wordt gegeven. In ieder geval diende de REA te adviseren over de Voorjaarsnota en de Miljoenennota.

Er zijn sinds de oprichting van de REA in totaal tien adviezen verschenen. Zes van de adviezen zijn bij de instelling afgesproken. Dat zijn de adviezen bij de voorjaarsnota en de miljoenennota. De vier andere adviezen zijn ongevraagd. Het gaat hier om de adviezen over de kwaliteit en effectiviteit van de overheid; de woningmarkt; innovatie en economische groei; bureaucratisering en overregulering. Er zijn, behalve de bij de instelling afgesproken adviezen bij de Voorjaars- en Miljoenennota, geen adviezen door de Kamer gevraagd.

b. Onderzoeksvragen
Deze evaluatie richt zich vooral op de oorspronkelijke doelstelling van de REA, dit in relatie tot de verwachtingen van en het gebruik door de betrokken Kamerleden (met name de financieel woordvoerders). De inhoudelijke kwaliteit van de advisering is als zodanig geen onderwerp van onderzoek. De volgende vragen worden in deze evaluatie beantwoord:


1. In hoeverre sluiten de adviezen van de REA aan bij de oorspronkelijke opzet en doelstelling van de REA?

2. Voldoen de adviezen van de REA aan de verwachtingen en behoeften van de Tweede Kamer?

Bladzijde 5

Datum 14 november 2007

Onderwerp Evaluatie REA


3. Welke stappen en verbeteringen zijn nodig om het functioneren van de REA (verder) te verbeteren?

De evaluatie van de REA kent drie onderdelen:

1. Een analyse van de adviezen van de REA,

2. Interviews met sleutelfiguren in de Tweede Kamer, en
3. Een zelfevaluatie door de REA.

Ad 1) Er is een analyse gemaakt van de adviezen van de REA. Er is daarbij gekeken naar de thema's waarover is geadviseerd en de koppeling met de oorspronkelijke opdracht.

Ad 2) Belangrijk onderdeel van het onderzoek vormen de interviews met betrokken Tweede Kamerleden. Alle financieel woordvoerders zijn in dit verband uitgenodigd voor een interview. Naast de financieel woordvoerders is een aantal Kamerleden dat direct te maken heeft gehad met één of meer REA-adviezen ook uitgenodigd voor een interview.

Ad 3) De REA heeft op verzoek van de vaste commissie voor Financiën een zelfevaluatie verzorgd. De REA is gevraagd in deze zelfevaluatie in ieder geval in te gaan op vragen over gebruik en bruikbaarheid van hun advisering in het politieke proces en aanbevelingen te doen voor het verbeteren van de werkwijze en procedures en de samenwerkingsrelatie met de Tweede Kamer.

Bladzijde 6

Datum 14 november 2007

Onderwerp Evaluatie REA


2. Resultaten

In dit hoofdstuk worden de resultaten van de evaluatie beschreven.

a. Analyse REA-adviezen
In bijlage 3 is een analyse opgenomen van de adviezen die de REA tot nu toe heeft uitgebracht. Op basis van deze analyse volgt hier een korte impressie van die adviezen en een algemene methodologische waardering van de adviezen. Het gaat daarbij niet om de economisch-wetenschappelijke kwaliteit van de adviezen, maar om de logisch consistente opbouw van de onderbouwing van de probleemanalyse en de aanbevelingen die de Raad op basis daarvan doet.

Inhoud
In totaal heeft de REA tot nu toe tien adviezen uitgebracht aan de Kamer. Drie van deze adviezen waren gekoppeld aan het verschijnen van een Miljoenennota, drie adviezen aan het verschijnen van een Voorjaarsnota en vier adviezen verschenen los van het verschijnen van een budgettaire nota.

In de adviezen is vrij makkelijk een inhoudelijke lijn/samenhang te ontdekken. Met name in de adviezen die zijn gekoppeld aan budgettaire nota's focust de Raad elke keer, in de context van de wenselijkheid van bestendige economische groei, op:
- de wens tot grotere productiviteitsgroei;

- het gevaar van procyclisch overheidsbeleid;
- de noodzaak tot structurele hervormingen.

In de adviezen ligt het accent als het gaat om de probleemanalyse of de oplossingsrichtingen misschien steeds marginaal anders, maar centraal staan steeds de bovenstaande drie onderwerpen.
Zo ligt de focus bij analyse van de achterblijvende productiviteitsgroei in het ene advies op de wens tot grotere arbeidsparticipatie en de marginale belastingdruk, in andere adviezen op bureaucratisering en overregulering of innovatie en technologische ontwikkelingen. Bij de analyse van de noodzaak tot structurele hervormingen wordt soms ingegaan op de woningmarkt, maar elders vindt juist verdieping plaats naar het Fonds Economische Structuurversterking, de vergrijzing of de pensioenvoorziening.

Dit overziend is er sprake van een vrij consequente en duidelijke redeneerlijn, die vrijwel in elk advies wordt neergezet, maar steeds met een ander `voorbeeld' wordt uitgewerkt of onderbouwd. Dit pakt de ene keer sterker/overtuigender uit dan de andere keer, maar als de adviezen in elkaars verlengde worden beschouwd, ontstaat wel een krachtig beeld dat steeds meer wordt aangevuld.
Soms leidt dit wel tot enige herhaling en kruisverwijzingen tussen adviezen. Met name het advies bij de Voorjaarsnota 2006 wordt voor een groot deel eigenlijk herhaald in het advies bij de Voorjaarsnota 2007. De kracht moet blijkbaar ook in de herhaling zitten.

Kwaliteit
Nogmaals, de kwalitatieve beoordeling richt zich op de methodologische kwaliteit van de onderbouwing van de adviezen. Er heeft geen beoordeling plaatsgevonden van de economisch-wetenschappelijke kwaliteit van de adviezen.

Over het algemeen wordt de probleemanalyse in de adviezen op een adequate manier gepresenteerd (logisch-consistent-aannemelijk) en onderbouwd (bronverwijzingen). Hierbij

Bladzijde 7

Datum 14 november 2007

Onderwerp Evaluatie REA

moet worden bedacht dat de adviezen van de Raad over het algemeen niet meer dan 15 pagina's beslaan, waarvan 1 à 2 pagina's met literatuurverwijzingen. Dit betekent dat een uitgebreide, wetenschappelijke onderbouwing van de adviezen niet aan de orde is.

Er is wel verschil tussen de adviezen als het gaat om de methodologische kwaliteit. In het algemeen kan gesteld worden dat met name de adviezen die gekoppeld zijn aan de budgettaire nota's (Miljoenennota en Voorjaarsnota) en het advies over innovatie en economische groei het best zijn onderbouwd.
De adviezen die zich specifiek richten op het functioneren van de overheid, bureaucratisering/overregulering (advies 1) en efficiëntere overheid (advies 8) en het advies over de woningmarkt zijn minder goed onderbouwd/zitten minder logisch-consistent in elkaar (zie bijlage 3 voor de specifieke beoordeling van de adviezen). De oorzaak van dit verschil is niet duidelijk. Wat wel opvalt is dat de adviezen die minder sterk zijn onderbouwd, iets verder verwijderd zijn van het epicentrum van de macro- economische wetenschap.

b. Interviewanalyse
Tijdens de interviews met betrokken actoren is gesproken over de ervaringen met de REA, het gebruik van de adviezen, het functioneren van de REA in relatie tot de reden om de REA op te richten en eventuele aanbevelingen voor het functioneren van de REA. In deze paragraaf worden de bevindingen weergegeven.
Een algemene bevinding is het genuanceerde oordeel dat door de respondenten in de interviews over de REA wordt geveld. Voor- en tegenstanders van de REA zien voor- en nadelen, mogelijkheden en beperkingen en vinden de REA nuttig, maar twijfelen tegelijkertijd over de continuering. Geprobeerd is deze nuance tot uiting te brengen in een viertal belangrijke bevindingen:


1. De adviezen worden regelmatig gebruikt, maar de effecten zijn beperkt.
2. De oorspronkelijke opdracht wordt gevolgd, maar niet helemaal.
3. De advisering betreft relevante thema's, maar de themakeuze is willekeurig.
4. De REA is onafhankelijk, maar heeft geen contact met de Kamer. Deze bevindingen worden hieronder toegelicht:

Ad 1. De adviezen worden regelmatig gebruikt, maar de effecten zijn beperkt

Enerzijds
Alle geïnterviewde leden geven aan de REA-adviezen te kennen. De meeste geïnterviewden geven aan de REA-adviezen te gebruiken. Zowel de leden van de vaste commissie voor Financiën als de leden van de vaste commissie op wiens terrein de REA heeft geadviseerd maken gebruik van de REA-adviezen. Opvallend is dat de adviezen vooral worden gebruikt in debatten met de regering ter ondersteuning van de eigen politieke standpunten. Het gebruik van de REA-adviezen binnen fractieverband is slechts beperkt terwijl de REA- adviezen ook zelden gebruikt worden voor het opstellen van schriftelijke vragen of inbreng. De analyse van de handelingen van de Tweede Kamer en de eigen waarnemingen van de REA bevestigen dit beeld over het gebruik van de REA-adviezen. In de media is veelvuldig aandacht voor de adviezen van de REA. De REA scoort daarmee, als klein adviesorgaan, opvallend hoog in media-aandacht.

Bladzijde 8

Datum 14 november 2007

Onderwerp Evaluatie REA

Anderzijds
Veel geïnterviewden hebben aangegeven de REA-adviezen te gebruiken maar dit alleen te doen wanneer het hen politiek goed uitkomt. In dit verband is gesproken over `cherry picking'. In vergelijking met bijvoorbeeld het CPB kennen de REA-adviezen nog te weinig `soortelijk gewicht'. CPB-adviezen hebben een degelijke status en kunnen niet zonder meer genegeerd worden. De REA-adviezen hebben deze positie (nog) niet. Het directe effect en de invloed van de REA-adviezen is beperkt. Er zijn geen aantoonbare wijzigingen van politieke besluitvorming naar aanleiding van REA-adviezen bekend. Door een aantal geïnterviewden, waaronder de REA zelf, is aangegeven dat er wel sprake kan zijn van een lange termijneffect. De REA-adviezen dienen dan als wegbereider voor het in debat brengen van controversiële thema's. Of dit daadwerkelijk zo is, is lastig vast te stellen.

Ad 2. De oorspronkelijke opdracht wordt gevolgd, maar niet helemaal

Enerzijds
In de analyse van de REA-adviezen (zie hierboven) is getoetst of en in welke mate de advisering door de REA aansluit bij oorspronkelijke opdracht zoals deze is verwoord in het instellingsbesluit. Dit is grotendeels het geval. De REA adviseert op de afgesproken adviesmomenten bij de miljoenennota en bij de voorjaarsnota en brengt daarnaast ook met enige regelmaat ongevraagd advies uit aan de Tweede Kamer. De advisering geschiedt onafhankelijk en is niet politiek gekleurd. De adviezen die de REA uitbrengt betreffen altijd (macro-)economische onderwerpen en regelmatig thema's die niet onomstreden zijn en waar politiek onafhankelijke advisering meerwaarde kan bieden.

Anderzijds
Bij de instelling van de REA is aangegeven dat er in de Kamer behoefte bestaat aan duiding van macro-economische gegevens zoals die door de regering, het CPB en internationale organisaties zoals het IMF en de OESO worden gebruikt. In de interviews is aangegeven dat de REA deze rol niet waarmaakt. Dit blijkt ook uit de analyse van de REA-adviezen. Geen van deze adviezen raakt de (cijfermatige) onderbouwing van macro-economische trends en ontwikkelingen. De REA zelf heeft overigens aangegeven dit ook niet te kunnen. De beschikbare hoeveelheid menskracht bij de REA schiet daarvoor tekort. De geïnterviewde leden hebben aangegeven dat bij hen nog steeds behoefte bestaat aan duiding van macro- economische analyses. Niet omdat de cijfers niet worden vertrouwd, maar omdat men behoefte heeft aan een second opinion.

Ad 3. De advisering betreft relevante thema's, maar de themakeuze is willekeurig

Enerzijds
De REA-adviezen behandelen relevante politieke en maatschappelijke thema's, zo bevestigen de respondenten. Alle geïnterviewde leden van de vaste commissie voor Financiën kunnen de pointe van meerdere REA-adviezen benoemen en onderschrijven de onderwerpkeuze. Uiteraard heeft iedereen zijn eigen `favoriete' adviezen maar er lijken geen adviezen te zijn gegeven die volledig irrelevant bleken te zijn.

Anderzijds
Er klinkt binnen de Kamer, maar ook bij de REA, een nadrukkelijke roep om meer overleg en afstemming over de onderwerpkeuze. Voor veel Kamerleden is de onderwerpkeuze willekeurig en bestaat de behoefte te weten op welke thema's de REA studeert. Daarnaast bestaat vanuit de Kamer de behoefte adviesonderwerpen aan te kunnen dragen. Overigens

Bladzijde 9

Datum 14 november 2007

Onderwerp Evaluatie REA

heeft de Kamer, tot teleurstelling van de REA, nog geen gebruik gemaakt van de bevoegdheid de REA gericht om advies te vragen.
Het vaste tijdstip van advisering bij de Miljoenennota en bij de Voorjaarsnota komt op sommigen nogal geforceerd over. Er is vaak slechts een beperkte inhoudelijke verbinding tussen enerzijds de REA-adviezen en anderzijds de Miljoenennota en de Voorjaarsnota.

Ad 4 De REA is onafhankelijk, maar heeft geen contact met de Kamer

Enerzijds
De REA is een onafhankelijk adviesorgaan. De leden worden op persoonlijke titel benoemd en zijn niet verbonden aan politieke partijen. Er is geen sturing op de inhoud van de adviezen door de Kamer of door de regering bekend. De REA voelt zich vrij in haar onderwerpkeuze en bij de invulling van haar advies. Deze onafhankelijkheid wordt breed herkend en erkend in de Kamer. Er zijn ook geen voorbeelden bekend waarin de onafhankelijkheid van de REA ter discussie heeft gestaan.

Anderzijds
Anderzijds blijkt dat onafhankelijkheid lijkt te worden geïnterpreteerd als ongebondenheid. Zowel van de zijde van de Tweede Kamer als van de zijde van de REA wordt geen rechtstreeks inhoudelijk contact gemaakt. Dergelijke contacten bestaan bijna niet. Zowel de geïnterviewde leden als de REA hebben aangeven hier wel behoefte aan te hebben. Het stimuleren van de wederzijdse contacten kan tevens de betrokkenheid van de Tweede Kamer bij de REA bevorderen. Op dit moment wordt de REA door weinigen gezien als het eigen adviesorgaan van de Tweede Kamer en lijkt het draagvlak in de Kamer voor de REA afhankelijk van individuen.

Naast deze algemene bevindingen is er nog een punt van aandacht, namelijk de benoemingsprocedure van de leden van de REA. De regelmatige `doorstroom' van de REA wordt zowel door de REA als door de geïnterviewde Kamerleden als erg belangrijk ervaren. Een beperkte aanstelling als lid van de REA bevordert de scherpe blik en de benadrukt de noodzaak om de eigen visie tijdig om te zetten in adviezen aan de Kamer. Door sommige Kamerleden wordt bovendien voorgesteld bij de instelling van de REA als geheel rekening te houden met een beperkte horizonbepaling ­ van bijvoorbeeld drie jaar. Een suggestie die de REA in haar zelfevaluatie (zie bijlage 4) doet is om de relatie tussen REA en Kamer vorm te geven als een contract dat door iedere nieuwe Tweede Kamer kan worden verlengd, hernieuwd dan wel opgezegd, zodat zowel de Kamer als de Raad kritisch blijven ten aanzien van het functioneren van de REA. De benoemingsprocedure is ook een punt van aandacht van de REA zelf. In de huidige procedure dragen de leden van de REA een nieuw lid voor dat vervolgens door de Kamer wordt benoemd. Deze procedure is kwetsbaar omdat ze kenmerken van nepotisme in zich heeft. De REA-leden kunnen in theorie kritische geluiden weren omdat de Kamer wellicht onvoldoende in staat is een volwaardige afweging te maken bij de benoeming. Kamerleden worden immers gekozen om velerlei redenen, maar niet in het bijzonder vanwege hun kennis van de economische wetenschap.

Bladzijde 10

Datum 14 november 2007

Onderwerp Evaluatie REA

c. Zelfevaluatie REA
Als onderdeel van de evaluatie heeft de vaste commissie Financiën de REA gevraagd om een zelfevaluatie te schrijven, om zodoende inzicht te krijgen in de ervaringen van de adviseurs zelf.

In de zelfevaluatie geeft de REA haar eigen visie weer op het functioneren van de Raad. De REA vindt dat ze zelf in een behoefte voorziet. Dit oordeel is vooral gebaseerd op de publicitaire aandacht die aan de REA-adviezen wordt gegeven. Volgens de REA voldoet de Raad wel aan haar rol als `countervailing power', door de manier waarop de Raad naar eigen zeggen "het parlementaire en maatschappelijke debat heeft gevoed en geprikkeld". Uit de interviews komt naar voren dat de REA met name niet de rol als second-opinion instantie waarmaakt in de richting van het CPB.

De REA is zich bewust van de beperkte interactie tussen de Raad en Tweede Kamer en ziet dit als een van de voornaamste verbeterpunten voor het functioneren van de REA. In de zelfevaluatie doet de REA daarom de volgende aanbevelingen:

"(1) maak de benoemingsprocedure van raadsleden transparant; (2) maak meer gebruik van de Raad, vooral op het terrein van `second opinion'; (3) formaliseer de relatie met het instituut REA als een tijdelijk contract, dat door iedere nieuwe Kamer kan worden verlengd dan wel worden opgezegd zodat (a) zowel de Kamer als de Raad kritisch blijven ten aanzien van het functioneren van de REA, en (b) de Raad kan rekenen op zichtbare steun en aandacht van de Kamer".

Een aantal van de aandachtspunten uit de analyse van de REA-adviezen en de interviewanalyse komt terug in de zelfevaluatie van de REA. Met name het tekort aan interactie tussen Kamer en REA is een belangrijke overeenkomst. Er is echter ook een aantal punten waarop de Raad een andere mening is toegedaan. Het gaat daarbij vooral om de visie op het gebruik van de adviezen en de mate waarin aan de primaire doelstelling van de REA is voldaan. Het beeld van de REA is in beide gevallen positiever dan het beeld dat ontstaat uit de analyses van de adviezen en de interviews.

De volledige zelfevaluatie van de REA is opgenomen in bijlage 4.

Bladzijde 11

Datum 14 november 2007

Onderwerp Evaluatie REA


3. Conclusies, aanbevelingen en advies

a. Conclusies
Beantwoording van de onderzoeksvragen:

1. In hoeverre sluiten de adviezen van de REA aan bij de oorspronkelijke opzet en doelstelling van de REA?
De adviezen sluiten maar gedeeltelijk aan bij de oorspronkelijke opzet en doelstelling. Qua aantal en frequentie is de REA de afspraken nagekomen. Over het realiseren van de oorspronkelijke doelstelling (met name het functioneren als `countervailing power' tegenover de analyses van de regering) lopen de meningen uiteen. Wel wordt geconstateerd dat in de adviezen bij de voorjaars- en miljoenennota meer op deze budgettaire nota's zelf ingegaan zou moeten worden. Het beeld dat ontstaat uit de analyse van de REA-adviezen en de interviews met Kamerleden is kritischer dan het beeld dat de REA in haar zelfevaluatie schetst.


2. Voldoen de adviezen van de REA aan de verwachtingen en behoeften van de Tweede Kamer?
De adviezen van de REA voldoen in te beperkte mate, zij bieden de Kamer nog onvoldoende basis voor stellingname tegenover de regering. De adviezen zijn vrijwel allemaal, in meer of mindere mate gebruikt door de Kamer, maar vooral voor onderbouwing van bestaande standpunten van de Kamerleden (cherry picking). In de behoefte van de Kamer voor wat betreft de duiding van macro-economische gegevens zoals die door de regering, het CPB en internationale organisaties zoals het IMF en de OESO worden gebruikt, kan door de REA nog onvoldoende worden voorzien.


3. Welke stappen en verbeteringen zijn nodig om het functioneren van de REA (verder) te verbeteren?
Uit enerzijds de analyse van de REA-adviezen en de interviews met Tweede Kamerleden en anderzijds de zelfevaluatie van de REA komt een aantal verbeterpunten naar voren. De belangrijkste en meest noodzakelijke verbetering is het verbeteren van het contact tussen REA en Kamer. Een verbeterd contact kan een positieve bijdrage leveren aan het gebruik en de impact van de adviezen en kan leiden tot een themakeuze waar de Kamer meer profijt van heeft. Daarnaast kan een horizonbepaling (beperkte instellingstermijn) bijdragen aan een kritische opstelling van zowel de Raad als de Kamer. Daarnaast zijn alle betrokkenen het er over eens dat een goede en transparante benoemingsmethode de kwaliteit van de REA verder kan helpen waarborgen.

b. Aanbevelingen

- Zorg dragen voor regelmatiger contact en soepeler communicatie tussen Kamer en REA o Actie: periodiek overleg met de leden van de vaste commissie voor Financiën, o Actie: technische briefings bij uitbrengen van adviezen.


- Meer vraaggestuurd werken om beter te kunnen voldoen aan de informatiebehoeften van de Tweede Kamer.
o Actie: In stand houden vaste adviseringsmomenten bij de Miljoenennota en de Voorjaarsnota, waarbij de REA meer dan op dit moment gebeurt ingaat op de macro- economische thema's in deze nota's, teneinde het debat over die nota's met de regering te ondersteunen. Na afloop van respectievelijk de Algemene Financiële Beschouwingen en het Voorjaarsnotadebat vindt overleg plaats tussen de commissie Financiën en de REA over mogelijke thema's voor het volgende vaste adviesmoment bij de budgettaire nota's.

Bladzijde 12

Datum 14 november 2007

Onderwerp Evaluatie REA

o Actie: Aan het begin van het kalenderjaar vindt overleg tussen de REA en de Kamer over de algemene onderzoeksagenda van de REA en de prioriteiten daarbinnen voor het komende jaar. De Kamercommissies kunnen daarbij onderwerpen aandragen die door de REA meegenomen kunnen worden in hun adviezen.


- REA vragen een voorstel te doen voor een goede en transparante benoemingsmethode die de kwaliteit van de REA op de lange termijn waarborgt.

c. Advies
De vaste commissie voor Financiën adviseert de Kamer om de instelling van de REA met een jaar te verlengen en dit jaar te gebruiken om de meerwaarde van de REA voor de Kamer duidelijk te versterken. De vaste commissie voor Financiën zal hiertoe in overleg treden met de REA, waarbij afspraken worden gemaakt over de implementatie van de hiervoor genoemde aanbevelingen. Expliciete aandachtspunten daarbij zijn de aansluiting van de periodieke adviezen bij de budgettaire nota's en de kwaliteitswaarborging van de adviezen. Eind 2008 zal de commissie voor Financiën bezien in hoeverre de aanpassingen hebben geleid tot de gewenste verbeteringen en nadere voorstellen doen omtrent de continuering van de REA.

Bladzijde 13

Datum 14 november 2007

Onderwerp Evaluatie REA

Bijlage 1
Respondentenlijst

De volgende respondenten hebben hun medewerking verleend aan de evaluatie van de REA:


- de heer Van Dalen, secretaris REA

- de heer Cramer (CU)

- de heer Crone (PvdA)

- de heer Haverkamp (CDA)

- de heer Ten Hoopen (CDA)

- de heer Irrgang (SP)

- mevrouw Koser Kaya (D66)

- de heer De Nerée tot Babberich (CDA)

- de heer Vendrik (GL)

- de heer Van der Vlies (SGP)

- de heer Weekers (VVD)

Bladzijde 14

Datum 14 november 2007

Onderwerp Evaluatie REA

Bijlage 2

Vragenlijst interviews

Achtergrond
De Raad van Economisch Adviseurs (REA) is een onafhankelijke raad die ten dienste staat van de Tweede Kamer. De REA geeft de Kamer gevraagd en ongevraagd advies over financieel-economische aangelegenheden die het maatschappelijk belang raken. Eind 2007 eindigt de instellingstermijn van de Raad voor Economische Adviseurs (REA). De Kamer moet voor 1 januari 2008 een besluit nemen over de continuering.

De vaste commissie voor Financiën is gevraagd een evaluatie te verrichten naar de REA. De uitvoering van dit onderzoek is in handen van medewerkers van het Onderzoeksbureau van de Kamer en de staf van de commissie. Belangrijk onderdeel van het onderzoek zijn de interviews met sleutelfiguren in de Tweede Kamer. Financieel woordvoerders en een aantal Kamerleden dat anderszins met de adviezen van REA te maken heeft gehad, worden in dit verband geïnterviewd.

Interviewvragen

1. Wat zijn uw eigen ervaringen met de REA?

2. In hoeverre wordt door uw fractie gebruik gemaakt van adviezen van de REA?
3. Is de REA in staat om financieel-economische stukken van het kabinet op waarde te beoordelen? Heeft de REA zijn bestaansrecht inmiddels bewezen? Gaarne toelichten.
4. Wat is er naar uw mening veranderd na de instelling van de REA?
5. Wat zijn volgens u de voor- en nadelen van de REA? Hoe ziet u de meerwaarde van de adviezen boven een advies van bijvoorbeeld twee of drie andere deskundigen?
6. Zijn er neveneffecten van het instrument, zoals het gebruik als politiek instrument (in strategische en/of tactische zin)?

7. In hoeverre heeft de REA voldaan aan de opdracht uit het instellingsbesluit? D.w.z. het duiden van macro-economische ontwikkelingen.

8. Wat zijn de knelpunten en succespunten van de REA?
9. Bent u nog steeds tegenstander / voorstander van de REA?
10. Heeft u aanbevelingen ter verbetering van het functioneren van de REA en, zo ja, welke?

11. Bent u van mening dat de adviezen voldoen aan de taakomschrijving en doelstellingen van de REA (zoals het duiden van informatie van het Kabinet). Zo nee, op welke punten niet?

12. Wat mag de REA volgens u kosten? Hoe groot mag de ondersteuning zijn? De Kamer betaalt de REA nu zelf. Moet dat worden gecontinueerd? Mag de REA groeien?

Bladzijde 15

Datum 14 november 2007

Onderwerp Evaluatie REA

Bijlage 3

Uitgebreide methodologische beoordeling van de verschillende adviezen van de REA

Deze bijlage bevat een chronologisch overzicht van de tien adviezen van de raad, waarbij per advies kort de inhoud is samengevat en enkele specifieke opmerkingen worden gemaakt over de kwaliteit.

Advies 1 ­ 20 mei 2005

30 123 De wetten en regels die droom en daad verstoren: Bureaucratisering overregulering (8 pagina's)

Op zoek naar verklaringen voor de lagere productiviteitsgroei in Nederland in vergelijking met andere landen wijst de Raad als een van de mogelijke oorzaken op bureaucratisering en overregulering die dynamiek, innovatiekracht en ondernemerschap verstoren.

Als enige indicator voor de veronderstelde bureaucratisering en overregulering wordt gewezen op de kwantitatieve stijging van het aantal wetten, algemene maatregelen van bestuur en Koninklijke Besluiten tussen 1980 en 2004.

Voor het ontstaan en de instandhouding van de veronderstelde bureaucratisering en overregulering worden een aantal verklaringen aangereikt:
- regels creëren regels;

- het aantal nieuwe regels stijgt met het aantal regelmakers;
- regelmakers zijn `productiever' naarmate hun affiniteit met het onderwerp;
- partijen benutten bestaande regels om hun belangen te beschermen;

Opvallend is dat een onderbouwing van deze verklaringen goeddeels ontbreekt. Er worden verder drie verklaringen gegeven waarom eenmaal ingestelde regelgeving blijft bestaan:

- een voorkeur voor de zekerheden van de status quo;
- consequenties voor de bestaande inkomensverdeling;
- ontbreken van een noodsituatie;

Deze verklaringen worden onder verwijzing van een beperkt aantal bronnen aangevoerd. Op basis van het voorgaande worden de volgende concrete maatregelen voorgesteld:
- Laat een externe partij een grove taakevaluatie maken van ieder ministerie op basis van een kosten-batenanalyse. Schaf overbodige taken en informatieverplichtingen af, en hef de bijbehorende directies op;

- Bij een aantal ministeries zullen hierdoor grote delen van het takenpakket komen te vervallen, terwijl de resterende taken makkelijk bij andere departementen zijn onder te brengen. De genoemde taakevaluatie van de ministeries leidt logischerwijs tot de opheffing van in ieder geval de Ministeries van LNV en EZ.
- Introduceer een «sunset»-clausule in het ontwerpen van regels en wetten. Zonder een actief, positief besluit door beide kamers om de regel te verlengen, sterft de regel na vijf jaar. Voor elke regel is een aparte beslissing tot verlenging nodig;
- Ieder voorstel voor nieuwe wet- en regelgeving wordt gecompenseerd met een voorstel voor afschaffing van bestaande wet- en regelgeving met meer dan evenredige lastendruk op burgers en bedrijfsleven op hetzelfde beleidsterrein;
- Maak één minister verantwoordelijk voor het dereguleringsprogramma.

Bladzijde 16

Datum 14 november 2007

Onderwerp Evaluatie REA

Beoordeling:
Met name de probleemanalyse is in onvoldoende mate onderbouwd; de kwantitatieve ontwikkeling in aantallen wetten is de enige indicator en de negatieve kwalificatie daarvan wordt niet verder onderbouwd. De verklaringen voor deze kwantitatieve ontwikkeling wordt daarnaast eenzijdig gezocht in het (negatief gekwalificeerde) gedrag van diegenen die zijn betrokken bij de opstelling van wet- en regelgeving en gevestigde belangen. Mogelijke alternatieve verklaringen (bijvoorbeeld de toenemende complexiteit van de samenleving door allerlei ontwikkelingen) worden niet behandeld. De voorgestelde maatregelen, die logisch in lijn liggen met de gepresenteerde, zoals gezegd beperkte, analyse, richten zich ook met name op de kwantitatieve reductie van wet- en regelgeving. Weliswaar wordt voorafgaand gepleit voor een `grove taakanalyse' van ieder ministerie als basis hiervoor, maar er is duidelijk sprake van vooringenomenheid over de uitkomst van deze taakanalyse; er is sprake van veel overbodige wet- en regelgeving. Samenvattend is de conclusie dat het kwalitatieve aspect van wet- en regelgeving, zoals nut en noodzaak, kwaliteit en bestaansrecht, in dit advies zwaar onderbelicht zijn.

Advies 2 ­ 31 mei 2005

30 105 Voorjaarsnota 2005 (10 pagina's)
Het advies van de Raad begint met een analyse van de achtergrond van de (lang aanhoudende) economische recessie van dat moment. Deze analyse mondt uit in de constatering dat de lange duur van de recessie in Nederland, in tegenstelling tot andere landen, voor een belangrijk deel te wijten is aan het gevoerde procyclische overheidsbeleid (lastenverzwaringen, bezuinigingen, stijgende pensioenpremies, stelselherzieningen).

Deze analyse leidt uiteindelijk tot de aanbeveling om een procyclisch begrotingsbeleid te voorkomen. Hierbij wordt aangegeven dat `de terugkeer naar het begrotingsbeleid dat zich richt op het structurele financieringstekort in plaats van het feitelijke financieringstekort, de meest geschikte route lijkt om een stabiliserende rol van het budgettaire beleid in de Nederlandse economie te borgen'. Deze laatste aanbeveling/conclusie komt nogal uit de lucht vallen in het advies; er wordt in de hoofdtekst niet op ingegaan en er wordt niet verwezen naar andere, ondersteunende bronnen. Onduidelijk blijft daarmee waarom dit de meest geschikte route lijkt en welke andere routes er mogelijk zijn. De concretere aanbevelingen voor het herzien van de het Financieel Toetsingskader van de Pensioenregelingen op conjuncturele effecten en het verstandiger invoeren van structurele hervormingen met inkomensgevolgen sluiten wel aan bij de gepresenteerde analyse van de recessie.

Naast de constatering dat het procyclische begrotingsbeleid volgens de Raad in belangrijke mate verantwoordelijk is voor de lengte van de recessie in Nederland, is het tweede onderwerp van het advies de geringe productiviteitsstijging in Nederland. De Raad is van mening aan dit onderwerp in de Voorjaarsnota 2005 te weinig aandacht wordt besteedt, aangezien dit een belangrijke factor is voor verdere economische groei. Op duidelijke en overtuigende wijze wordt aangegeven dat de productiviteit (-stijging) in Nederland bij internationale vergelijking achterblijft en wat daarvan de oorzaken zijn. De Raad pleit op basis van haar analyse voor overheidsinvesteringen in nieuwe technologie. Niet alleen in `harde' technologie, maar vooral ook in institutionele vernieuwing (waaronder ontbureaucratisering en deregulering; zie vorige advies), bevordering van onderwijs en onderzoek en verhoging van de productiviteit van de publieke sector zelf.

Beoordeling:

Bladzijde 17

Datum 14 november 2007

Onderwerp Evaluatie REA

De analyse van de twee onderwerpen die het advies aansnijdt, (1) de recessie en het procyclische overheidsbeleid en (2) productiviteitsstijging en economische groei, worden op een overtuigende wijze gepresenteerd en onderbouwd. De aanbeveling om het begrotingsbeleid te richten op het structurele financieringstekort komt uit de lucht vallen en wordt niet adequaat onderbouwd. De andere aanbevelingen volgen wel logisch uit de gepresenteerde analyses.

Advies 3 ­ 28 september 2005

30 300 nr. 32 Miljoenennota 2006 (13 pagina's) De noodzaak van grondslagverbreding in het Nederlandse belastingstelsel

De probleemanalyse van de Raad steekt opnieuw in op het relatief lage niveau van de Nederlandse arbeidsparticipatie, waarbij `economische groei direct afhankelijk [wordt gesteld] van een hoog niveau van arbeidsparticipatie'. Volgens de Raad wordt in de Miljoenennota 2006 te weinig aandacht besteed aan de hoge marginale belastingdruk op arbeid in Nederland, die er voor zorgt dat er relatief minder uren wordt gewerkt in Nederland in vergelijking met andere landen.

Op adequate wijze wordt de relatie geschetst tussen arbeid, belastingen en economische groei en de ontwikkelingen/situatie dienaangaande in Nederland. De Raad doet vervolgens op basis van deze analyse twee/drie onderbouwde voorstellen:
1. voer één uniform marginaal belastingtarief in;
2. zorg voor een grondslagverbreding, door
o aanpassing van het speciale belastingtarief voor 65-plussers aan; o wijziging van de huidige hypotheekrenteaftrek regeling. (NB: bij deze laatste twee aanbevelingen wordt nog opgemerkt dat bestaande afspraken moeten worden gerespecteerd en hoe eerder deze aanpassingen worden doorgevoerd, hoe beter.)

Beoordeling:
De onderbouwing van dit advies (probleemanalyse en aanbevelingen) lijkt voldoende, en is logisch en consistent.

Advies 4 ­ 25 november 2005

30 385 Innovatie en economische groei (13 pagina's)

In dit advies wijst de Raad opnieuw op de achterblijvende productiviteitsgroei in Nederland. In het licht van de vergrijzing en krimp van de beroepsbevolking leidt een achterblijvende productiviteitsgroei tot negatieve effecten voor de economische groei, aldus de Raad. In dit verband focust de Raad in dit advies op innovatie/technologische ontwikkeling als mogelijke oplossing voor dit probleem.

De Raad geeft aan dat volgens haar innovatie, gegeven de demografische ontwikkelingen in Nederland en verdergaande globalisering, van essentieel belang is om de economische groei op het gewenste niveau te houden. De Raad schets daarbij voor Nederland als het gaat om het niveau van innovatie en innovatiebevorderende economische instituties geen positief beeld. De oorzaken daarvoor zijn volgens de Raad:
te weinig investeren in onderwijs, onderzoek en ontwikkeling; te weinig uitdagende markten en beloningsstructuren, door onvoldoende concurrentie op cruciale deelmarkten, te weten:
o de arbeidsmarkt (insiders boven outsiders);

Bladzijde 18

Datum 14 november 2007

Onderwerp Evaluatie REA

o de kapitaalmarkt (onderinvesteringen in en door kleine(re) innovatieve (startende) ondernemingen;
o onderwijs- en technologiemarkten (monopolieposities van bestaande kennisinstellingen)
te weinig aandacht voor ondernemerschap (mede cultureel bepaald)

De Raad geeft op basis van haar analyse een aantal beleidsaanbevelingen.


1. geen innovatiebeleid zonder mededingingsbeleid; versterk de positie van outsiders ten opzichte van insiders op de drie hiervoor genoemde markten.
2. Schrap regels en subsidies die technische vooruitgang verhinderen. Gepleit wordt voor een `sneltoets' waarmee de belangrijkste knelpunten in op het gebied van arbeidsmarkt, kapitaalmarkt en onderwijsmarkt in kaart worden gebracht en hoe deze worden opgelost. Deze aanbeveling ligt overigens wel sterk in het verlengde van of is een logisch gevolg van de vorige aanbeveling.

3. Overheid en bedrijfsleven moeten substantieel meer investeren in onderwijs en onderzoek.

Beoordeling:
Het (economisch) belang van het onderwerp innovatie en de analyse van de (potentiële) problemen op dit terrein voor Nederland lijken adequaat onderbouwd. Bij de analyse van de oorzaken wordt voor bijna alle relevante, maar niet zo makkelijk met elkaar vergelijkbare `markten' wel makkelijk gegrepen naar de insider/outsider benadering als verklarende variabele. Dat Nederland laag scoort op investeringen in onderwijs en onderzoek wordt overtuigend aangetoond. De onderbouwing van de derde vermeende oorzaak voor het achterblijven van de Nederlandse innovatiekracht, een algemeen gebrek aan aandacht voor ondernemerschap, komt daarentegen niet echt van de grond. Op dit laatste punt komt de Raad overigens ook niet tot aanbevelingen. De aanbeveling om meer te investeren in onderwijs, onderzoek en ontwikkeling, volgt logisch uit de gepresenteerde analyse. Met de aanbeveling tot een `sneltoets' voor de belangrijkste markten maakt de Raad zich er wel wat makkelijk van af, maar sluit op zichzelf wel aan bij de gepresenteerde analyse.

Advies 5 ­ 28 maart 2006

30 507 De woningmarkt in het slot (15 pagina's)

Gemakshalve wordt voor de probleemanalyse in dit advies geput uit de samenvatting:

"De Nederlandse woningmarkt is vastgelopen. Starters kunnen moeilijk toegang krijgen tot de woningmarkt. Wachttijden voor een huurwoning zijn excessief lang. Woningcorporaties zijn moeilijk te prikkelen om het woningaanbod te vergroten, en begeven zich op markten waar ze ogenschijnlijk niet thuishoren.
De wortels van het probleem van de vastgelopen woningmarkt moeten worden gezocht in zowel de vraag als het aanbod van woningen. Door middel van huurbescherming is schaarste gecreëerd: een groeiend gat ontstaat tussen enerzijds de grote vraag naar goedkope huurwoningen en betaalbare koopwoningen en anderzijds het geringe aanbod van nieuwe woningen. De lage huur ontmoedigt woningaanbieders om te bouwen. Woningcorporaties vormen op de huurmarkt de belangrijkste partij. Behalve door de huurbescherming wordt hun prikkel om efficiënt te functioneren nog verder verzwakt door een zeer omvangrijk eigen vermogen (en daarmee samenhangend risico van verspilling) waarvan bovendien

Bladzijde 19

Datum 14 november 2007

Onderwerp Evaluatie REA

onvoldoende duidelijk is hoe het met de feitelijke eigendomsrechten gesteld is. De regelgeving ten aanzien van ruimtelijke ordening en woningproductie is bovendien onnodig belemmerend. Dat versterkt de bovenstaande problemen."

Volgens de Raad leidt de gepresenteerde analyse tot een simpel driepuntenplan om de Nederlandse woningmarkt vlot te trekken. Deze drie punten worden hieronder kort weergegeven, voorzien van enkele kanttekeningen.

(1) verdere versoepeling van de regelgeving rond bouw en ruimtelijke ordening; De Raad gaat hier wel erg kort door de bocht, in die zin dat er impliciet van uit wordt gegaan dat de huidige regelgeving rond bouw en ruimtelijke ordening niet (voldoende) zijn ingegeven door de borging van, weliswaar andere, publieke belangen. De notie van een belangenafweging, laat staan een aanzet daartoe, ontbreekt en daarmee is sprake van een miskenning van de complexiteit van deze problematiek.

(2) huurliberalisering met een ruime overgangsregeling voor bestaande gevallen, waarbij compensatie geboden wordt door middel van belastingverlaging gericht op de laagste inkomens;
Op zich volgt deze aanbeveling logisch uit de gepresenteerde probleemanalyse. Toch zou het aardig zijn geweest als de Raad de waarschijnlijkheid van de veronderstelde positieve consequenties en negatieve (externe) effecten wat scherper in kaart had gebracht. Met name op het terrein van de effecten op de inkomensontwikkeling/verdeling. Hier wordt wel wat makkelijk overheen gestapt.

(3) een gelijk speelveld voor woningcorporaties en andere marktpartijen. Hiervoor zijn twee opties denkbaar die elkaar aanvullen: (a) ruimere mogelijkheden voor de verkoop van corporatiewoningen, waarbij de verkoopopbrengst wordt afgeroomd door de overheid; en (b) woningcorporaties de keus te geven: ofwel binnen het stelsel blijven met strikte regulering en toezicht op de naleving van de sociale doelstellingen, ofwel uittreding uit het sociale bestel, met afroming van het vermogen door de overheid.
Hiervoor geldt de facto dezelfde kanttekening als geplaatst bij aanbeveling (2); er wordt niet uitgebreid ingegaan op de (waarschijnlijkheid) van de veronderstelde effecten en met name niet op mogelijke negatieve (externe) effecten.

Advies 6 ­ 8 juni 2006

30 560 Voorjaarsnota 2006 (12 pagina's)

Dit advies van de Raad richt zich in algemene zin op de (opgaande) conjunctuur in de Nederland en in het bijzonder op de positie van het Fonds- Economische Structuurversterking.

In algemene zin wijst de Raad op een aantal `verleidingen' die politiek op de loer liggen, nu de economische conjunctuur in Nederland aantrekt:

1. door de opgaande conjunctuur en de makkelijker sluitend te maken overheidsfinanciën, maken het verleidelijk om procyclische maatregelen te nemen;
2. door de afnemende (financiële) noodzaak, neemt ook de bereidheid tot benodigde structurele hervormingen af;

3. een aantal risico's voor de economische conjunctuur wordt door een `the only way is up' idee-fixe onvoldoende onderkent: huizenmarkt (hypotheekrente), energiemarkt (olie), arbeidsmarkt (vergrijzing);

Bladzijde 20

Datum 14 november 2007

Onderwerp Evaluatie REA


4. de neiging tot verspilling: plannen en ideeën die in een neerwaartse conjunctuur niet voldeden aan de eisen (positieve maatschappelijke kostenbaten analyse) komen nu makkelijker in aanmerking voor financiering.

Op basis van deze inventarisatie van verleidingen, beveelt de Raad, in navolging van haar advies bij de Voorjaarsnota 2005, opnieuw aan om zoveel mogelijk procyclische elementen uit het financieel beheer van de Nederlandse overheid te verwijderen.

Voortbordurende op de laatst genoemde verleiding richt de Raad zich in dit advies verder op het Fonds Economische Structuurversterking (FES), mede door de prominente plaats die dit fonds inneemt in de Voorjaarsnota 2006.
De Raad wijst in haar advies op een aantal knelpunten voor het FES:
- de grote bandbreedte voor de inkomsten van het FES door de fluctuerende olieprijs;
- gebrekkige transparantie over de resultaten van het FES door geen integrale verantwoording, maar verantwoording in verschillende jaarverslagen;
- hiaten in de wet- en regelgeving bijvoorbeeld aangaande algemeenheid van de FES- criteria;

- ingediende projecten voldoen niet aan de basiscriteria om tot een gunstig maatschappelijk rendement te komen (o.v.v. CPB resultaten)

De kern van de kritiek van de Raad op het huidige FES is dat op deze manier overheidsinvesteringen gekoppeld worden aan sterk schommelende aardgasbaten. Volgens de Raad kunnen kosten en baten van investeringsprojecten, ook die uit het FES, alleen zinnig worden bepaald en uitgevoerd op een integraal (begrotings-) niveau. De Raad adviseert om het FES op te heffen, of om te vormen tot een spaar- en financieel beleggingsfonds naar `Noors' voorbeeld. Indien niet overduidelijk gemaakt kan worden in publieke investeringsvoorstellen dat de te behalen rendementen de gelden marktrentes overstijgen, dienen begrotingsmeevallers (ook die veroorzaakt door de meevallers bij de aardgasbaten) ten goede te komen aan de verlichting van de staatsschuld en/of direct gespaard te worden door de overheid ten gunste van huidige en toekomstige generaties.

Beoordeling
De Raad wijst op een consistente en duidelijke wijze op een aantal risico's voor de conjuncturele ontwikkelingen op lange termijn. Daarnaast onderkent zij een aantal knelpunten in de huidige FES-systematiek en geeft daarvoor concrete oplossing(- srichtingen). Hierbij baseert zij zich onder andere op het CPB en de Algemene Rekenkamer. Zij onderkent daarbij tevens dat de wijze waarop met de conjuncturele ontwikkelingen en het FES wordt omgegaan een politieke is. Het advies is in voldoende mate onderbouwd en geeft een logisch en afgewogen oordeel op basis van de gepresenteerde analyse.

Advies 7 ­ 22 september 2006

30 560 Miljoenennota 2007 (15 pagina's)

De Raad focust haar advies bij de Miljoenennota 2007 op het thema vergrijzing van de Nederlands samenleving. De centrale stelling van het advies kan als volgt worden samengevat: Er zijn nogal wat doemscenario's in omloop over de negatieve gevolgen van de vergrijzing van de samenleving voor de Nederlandse economie. De Raad verkent de problemen rondom vergrijzing, maar pleit in het licht van haar probleemanalyse en de daaruit naar voren komende op zich gunstige uitgangssituatie, voor een evenwichtig vergrijzingsbeleid.

Bladzijde 21

Datum 14 november 2007

Onderwerp Evaluatie REA

De Raad zet in haar analyse een positiever beeld neer voor de Nederlandse uitgangspositie inzake de vergrijzingsproblematiek dan andere recente studies (CPB, Studiegroep Begrotingsruimte 2006). Het gaat daarbij in eerste instantie om de interpretatie van de bandbreedte in de berekeningswaarden voor de toename in de belasting- en premiedruk en het analysekader dat wordt gebruikt (financiële kader publieke arrangementen sec of ook meenemen van de (semi-) private arrangementen).
Daarnaast wordt gewezen op de, ook internationaal gezien, gunstige macro-economische situatie vergrijzingssituatie (pensioenstructuur, vermogenspositie etc.).

De Raad plaatst de veronderstelde problemen die vaak aan de vergrijzing worden toegeschreven in het volgende perspectief:

"Ook anno 2006 weer wordt miskend dat de vermeende effecten van «vergrijzing» niet zoveel met de wiskunde van demografie te maken hebben, maar veeleer met menselijk handelen. De stijging in sociale zekerheidsuitgaven zijn te danken aan uitbreiding van uitkeringsniveaus, verbreding van toekenningscriteria en oneigenlijk gebruik. De stijging in gezondheidszorgkosten is voor een deel te danken aan dezelfde verschijnselen, maar veel belangrijker is dat de zorg een sector is waarin de hoge kosten van innovatie de boventoon voeren. Kortom: vergrijzing speelt een mineure rol in de verklaring van stijgingen in overheidsuitgaven in de gezondheidszorg (OECD, 2006)."

De Raad pleit op basis van haar analyse wel duidelijk voor maatregelen om de vergrijzing in goede banen te leiden. Zij sluit hierbij voor een deel ook aan bij de structurele maatregelen die in voorgaande adviezen ook naar voren zijn gebracht:
1. flexibiliteit en eenvoud in pensionering (doorwerken na 65 jaar), belastingheffing, en werk/verlof;

2. investeren in menselijk kapitaal van jong en oud en in gezond leven;
3. meer openheid en dynamiek: bevorderen van concurrentie en het stimuleren van ondernemerschap en een selectief immigratiebeleid;

Beoordeling:
Opvallend is dat de Raad in dit advies de negatieve `hype' rond de vergrijzingsproblematiek wat probeert te temperen, terwijl in haar voorgaande adviezen de vergrijzing juist vaak als een reden werd opgevoerd om (structurele) hervormingen in de Nederlandse economie voor te stellen. De Raad stelt echter niet dat er niets aan de hand is en geeft vanuit haar adequaat onderbouwde probleemanalyse van de vergrijzing aan dat er wel degelijk structurele veranderingen gewenst zijn. Het grootste deel van de voorstellen zijn ook al in eerdere adviezen uitgebreider aan de orde geweest, maar passen ook in de probleemanalyse van de vergrijzing.

Advies 8 ­ 24 januari 2007

30 942 Lof der eenvoud (13 pagina's)

De Raad geeft aan dat de centrale vraag in dit advies is, waarom vrijwel alle pogingen om de overheid slagvaardiger en efficiënter te maken stranden. In de probleemanalyse worden vervolgens verschillende problemen genoemd die volgens de Raad onderdeel vormen van het antwoord op deze centrale vraag:
1. geen zicht op de overheid:

- onduidelijke verantwoordelijkheids- en taakverdeling door bijvoorbeeld de vele verzelfstandigingen;

Bladzijde 22

Datum 14 november 2007

Onderwerp Evaluatie REA


- onduidelijke omvang van de (rijks-) overheid;
2. gebrek aan prikkels om goede intenties om te zetten in daden: ontbreken van markttucht.
3. verkeerde diagnoses en bijbehorende medicijnen: marktwerking is in het publieke domein te vaak als wonderolie ingezet. Dat geldt ook voor introductie van principes van de markt (bureaucratisch-bedrijfsmatige logica/New Public Management).
4. public governace en publiek toezicht en controle, als vervanger van het marktmechanisme, werkt onvoldoende: "sluipenderwijs ie een onevenwichtige balans der machten [in het parlementaire stelsel] ontstaan die nooit is gecorrigeerd met alle gevolgen van dien voor de controle- en wetgevingsfunctie van de Tweede Kamer."
5. vormgeving en timing niet juist; met name aan de architectuur van het proces is volgens de Raad essentieel voor succes van initiatieven.

Op basis van deze analyse worden een aantal aanbevelingen gedaan: ad 1. Verbeter het zicht op de overheid; breng de overheid in beeld, taxeer vooraf de kosen en baten van hervormingen en regelgeving
ad 2.,3.,5.:

- zie af van blindelings kopiëren van praktijken uit het bedrijfsleven;
- leer van andere niet-winstorganisaties en andere overheden;
- zorg voor goed opdrachtgeverschap in de uitvoering , waaronder de kunst van het loslaten;

- aandacht voor vormgeving en timing beleid
ad. 4. Versterk de positie van de Tweede Kamer door de deze een zelfstandige begrotingsautoriteit te geven en een Parlementair onderzoeksbureau op te richten.

Beoordeling:
In tegenstelling tot de voorgaande adviezen richt dit advies zich niet direct op de ontwikkelingen in de Nederlandse economie. Indirect wel, omdat het bij de effectiviteit en efficiency van de overheid ook gaat om de overheidsfinanciën. Het advies heeft dit keer wel een wat minder strakke opzet van probleemanalyse naar advies. Er worden veel verschillende knelpunten gesignaleerd die volgens de Raad van invloed zijn op de het mislukken van hervormingen om de overheid slagvaardiger en efficiënter te maken (het geïdentificeerde probleem). Een rode draad is in het betoog echter lastig te ontwaren/vast te houden, wat mede veroorzaakt wordt door de ongelijksoortigheid van de knelpunten. Daarbij wordt niet voor alle knelpunten even duidelijk of overtuigend duidelijk gemaakt hoe deze geplaatst moeten worden tegen het geïdentificeerde probleem, mislukken van hervormingen. Dit is bijvoorbeeld het geval met het geconstateerde gebrek aan prikkels en de onevenwichtigheid der machten; deze onderwerpen worden niet logisch gelinkt met het probleem. Dit alles komt de helderheid van het advies duidelijk niet ten goede. Overigens worden enkele knelpunten wel erg marginaal onderbouwd (onevenwichtigheid der machten of het belang van vormgeving en timing). Het advies is dit alles overziend minder geslaagd te noemen. De leidraad Eenvoud en Balans, die de Raad presenteert, had wel wat meer op het eigen product mogen worden toegepast.

Advies 9 ­ 12 juni 2007

31 061 Voorjaarsnota 2007: Oude problemen van een nieuw kabinet (14 pagina's)

Gegeven de (nieuwe) economische omstandigheden, een opgaande conjunctuur en economische groei, wijst de raad op een aantal kansen/risico's:

Bladzijde 23

Datum 14 november 2007

Onderwerp Evaluatie REA


1. een opgaande conjunctuur bij uitstek het moment is om structurele hervormingen aan te pakken,

2. de veronderstelde trendmatige groei toch behoedzaam kan blijken, waardoor de druk op extra uitgaven stijgt, en

3. vooral geen extra stimulansmaatregelen in de vorm van additionele overheidsuitgaven moeten worden gelanceerd om oververhitting te voorkomen.

De Raad focust in dit advies opnieuw op het belang van een anti-cyclisch begrotingsbeleid en op de noodzaak voor structurele hervormingen, met name op de arbeidsmarkt en woningmarkt. Er vindt daarnaast een verdieping plaats op het terrein van de pensioenvoorziening. Daarenboven ontwaart de Raad een hernieuwd overheidspaternalisme in het kabinetsbeleid, die het risico van hogere regeldruk en ineffectief overheidsingrijpen met zich mee brengen.

De Raad adviseert:

1. De regering dient op korte termijn te komen tot regels voor solide overheidsfinanciën omdat anders de controle verloren gaat in tijden van opgaande conjunctuur.
2. Kabinet en Kamer dienen te beseffen dat een opgaande conjunctuur bij uitstek de gelegenheid biedt om structurele hervormingen door te voeren (bijvoorbeeld op de woning en arbeidsmarkt)

3. Met oog op vergrijzing en toenemende Europese concurrentie op de markt voor pensioenen is het van belang dat (a) de AOW bij de (demografische) tijd wordt gebracht en (b) het pensioenfondsbestuur bij de tijd wordt gebracht: indien pensioendeelnemers meer risico dragen, dienen zij ook meer zeggenschap in een pensioenfonds te krijgen.

Beoordeling::
De Raad herhaalt delen van eerdere probleemanalyses en een aantal aanbevelingen uit eerdere adviezen en plaatst deze in de context van de veranderde economie en de nieuwe politieke situatie. Zij doet dit op een logische en consistente wijze. De verdieping in de kansen en bedreigingen voor het Nederlandse pensioenstelsel is een nieuw thema, dat ook op een logisch consistente manier wordt gepresenteerd en in voldoende mate wordt onderbouwd.

Advies 10 ­ 25 september 2007

30 560 Miljoenennota 2008 (15 pagina's)

Het centrale thema van dit advies is opnieuw de door de Raad veronderstelde noodzaak van verhoging van de productiviteit in de Nederlandse economie, teneinde de huidige welvaart te kunnen behouden of te verhogen. Ditmaal wordt deze noodzaak van productiviteitsstijging geplaatst tegen de achtergrond van de voortschrijdende globalisering van de economie.

De Raad wijst er daarbij op dat in het huidige publieke debat `globalisering' de rol van boeman heeft gekregen, vanwege het vermeende negatieve effect daarvan op de inkomensverdeling en de arbeidsmarkt. De raad onderbouwt de stelling dat de algemene inkomensverdeling in Nederland geen probleem vormen, en dat de arbeidsmarkt problemen kent die juist samenhangen met de algehele werking daarvan en door globalisering slechts pregnanter aan het licht komen.

Inkomensverdeling

Bladzijde 24

Datum 14 november 2007

Onderwerp Evaluatie REA

Geconstateerd wordt dat de ongelijkheid in inkomen binnen Nederland de laatste tien jaar licht is toegenomen. Internationaal en historisch gezien is de ongelijkheid echter beperkt te noemen. De algemene perceptie dat de ongelijkheid in Nederland sterk is gestegen, en steeds meer Angelsaksische vormen aanneemt strookt volgens de Raad niet met de feiten.

De Raad constateert wel grote stijgingen aan de top van het inkomensgebouw bij de topmanagers. Deze stijgingen kunnen volgens de Raad niet verklaart worden door de globalisering van de arbeidsmarkt voor topmanagers en is bij dit topsegment de koppeling tussen beloning en prestaties zoek. Dit heeft als gevolg dat de arbeidsverhoudingen als geheel onder druk komen te staan; de logische koppeling tussen productiviteit en beloning geldt blijkbaar niet voor het topsegment.
De oorzaak voor de ongebreidelde topinkomensstijgingen heeft volgens de Raad vooral te maken met de een slecht functionerende beheers- en toezichtstructuur op het topmanagement.

Arbeidsmarkt
De Raad wijst met name op de haar inziens ongewenste ontwikkelingen in de topinkomens, omdat zij de arbeidsverhoudingen op scherp zetten, en daarmee de haar inziens noodzakelijke veranderingen in de arbeidsmarkt kunnen frustreren. Hier wordt ook de connectie gelegd met de wens van de Raad om de arbeidsproductiviteit te verhogen; hiervoor is het nodig om de arbeidsmarkt te flexibiliseren.

De Nederlandse economie presteert, volgens de Raad, op dit moment onder zijn mogelijkheden omdat enerzijds beschermde insiders de benodigde arbeidsbewegingen blokkeren en anderzijds outsiders worden buitengesloten zodat de even nodige creativiteit ongebruikt blijft.

Aanbevelingen
In het licht van de voorgaande analyse beveelt de Raad aan: (1) Scherp het vigerende systeem van corporate governance aan; (2) bestrijd discriminatie op de arbeidsmarkt krachtig; (3) verkort de duur van het recht op een WW-uitkering; en (4) decentraliseer contractvorming inzake ontslagbescherming.

Miljoenennota
In een korte paragraaf, van nog geen een kantje A4, gaat de Raad ook kort in op de Miljoenennota 2008. De Raad onderschrijft voorzichtig het anti-cyclische karakter (in termen van inkomensontwikkeling) van de Rijksbegroting 2008, maar waarschuwt ook: "De voorgestelde investeringen vergen echter wel waakzaamheid omdat «zachte» investeringen gepaard kunnen gaan met «zachte» randvoorwaarden. Anders gezegd: het gevaar van gemiste doelen en overschreden budgetten ligt op de loer. Dat maakt het noodzakelijk de doelen en plannen verder te expliciteren, de uitvoering van beleid nauwgezet te volgen en de resultaten vakkundig te evalueren. Bewaking hiervan is een belangrijke taak van de Tweede Kamer." Voorts wijst de Raad op de risico's rond de economische groeiveronderstellingen, waar ook het CPB op wijst in haar onzekerheidsvarianten.

Beoordeling:
De REA breekt in dit advies opnieuw een lans voor het verhogen van de arbeidsproductiviteit, waarbij nu duidelijker nog dan voorheen wordt gewezen op de wenselijkheid van het doorvoeren van structurele aanpassingen in de arbeidsmarkt (flexibilisering). De Raad onderbouwt op adequate wijze de positieve relatie tussen een flexibele arbeidsmarkt en arbeidsproductiviteit. Hierbij wordt overigens geen aandacht besteedt aan eventuele negatieve neveneffecten van flexibilisering van de arbeidsmarkt.

Bladzijde 25

Datum 14 november 2007

Onderwerp Evaluatie REA

De raad onderbouwt ook op adequate wijze de stelling dat de inkomensverdeling in Nederland als geheel marginaal ongelijker is geworden. De negatieve invloed van de grote stijgingen in het topsegment op arbeidsverhoudingen wordt in minder krachtig onderbouwd; het lijkt een gegeven. De aanbevelingen van de raad volgens wel logisch uit de gepresenteerde analyse.
De zeer korte analyse van de Miljoenennota doet obligaat aan en bevat geen opvallende of nieuwe gezichtspunten.

Bladzijde 26

Datum 14 november 2007

Onderwerp Evaluatie REA

Bijlage 4
ZELFEVALUATIE VAN DE RAAD VAN ECONOMISCH ADVISEURS (REA)

Titel
Datum
Advies

Probleem: De Tweede Kamer verdient in haar controlerende taak een goede en deskundige ondersteuning om tegenwicht te kunnen bieden in het spel tussen kabinet versus parlement, waarbij het kabinet kan rekenen op grootscheepse ondersteuning van departementen terwijl het parlement terug moet vallen op zeer beperkte middelen. Om enig tegenwicht te bieden is o.a. de REA opgericht. Na bijna drie jaar is de vraag of de Raad wel aan de verwachtingen van de Tweede Kamer heeft voldaan. In deze evaluatie geeft de Raad haar eigen ervaringen weer.

Zelfanalyse: De Raad lijkt in een behoefte te voorzien, vooral in het licht van de aandacht bij de pers en het gebruik van REA-adviezen in kamerdebatten, maar vreemd genoeg wordt deze behoefte nooit door de Tweede Kamer uitgesproken in de vorm van een gericht verzoek om advies. Naar de mening van de Raad schuilt de sterkte van de REA vooral in het geven van een korte en bondige economische kijk op belangwekkende kwesties, waardoor de Kamer de gelegenheid heeft om deze analyse in haar beslissingen mee te wegen. Door deze rol heeft de Raad het parlementaire en maatschappelijk debat gevoed en geprikkeld, en heeft zij in bescheiden mate als `countervailing power' gefungeerd. Een zwak punt van het instituut REA is dat van directe interactie tussen Kamer en Raad gedurende drie jaar tijd nauwelijks sprake is geweest, waardoor de mogelijkheden tot het leveren en benutten van advies niet volledig zijn uitgebuit.

Aanbevelingen: De belangrijkste aanbeveling is dat de interactie tussen Kamer en Raad intensiever moet worden omdat anders de potentie van REA deels onbenut blijft. Indien de Kamer echt door wil met de Raad, verdient het aanbeveling om de volgende kwesties te regelen: (1) maak de benoemingsprocedure van raadsleden transparant; (2) maak meer gebruik van de Raad, vooral op het terrein van `second opinion'; (3) formaliseer de relatie met het instituut REA als een tijdelijk contract, dat door iedere nieuwe Kamer kan worden verlengd dan wel worden opgezegd zodat (a) zowel de Kamer als de Raad kritisch blijven ten aanzien van het functioneren van de REA, en (b) de Raad kan rekenen op zichtbare steun en aandacht van de Kamer.

Bladzijde 27

Datum 14 november 2007

Onderwerp Evaluatie REA


1. Inleiding
Op 1 januari 2008 eindigt de instellingstermijn van de Raad van Economisch Adviseurs (REA). De vaste commissie voor Financiën is door het Presidium verzocht op basis van een evaluatie te adviseren over het al dan niet continueren van de REA. Daaruit valt een parlementaire kijk te destilleren op economisch advies. Een onderdeel van deze evaluatie is om de adviseurs zelf aan het woord te laten over hun ervaringen via het schrijven van een zelfevaluatie. De vaste commissie voor Financiën heeft de Raad verzocht bij het schrijven van haar evaluatie in te gaan op "vragen over het gebruik en de bruikbaarheid van de advisering in het politieke proces en aanbevelingen te doen voor het verbeteren van de werkwijze en procedures en voor de samenwerkingsrelatie met de Tweede Kamer." Hieronder complementeert de Raad de evaluatie van de vaste commissie, en geeft zij een economische kijk op parlementair advies.


2. De korte geschiedenis van de REA
De oorsprong van de Raad valt te traceren tot 1 oktober 2003. Op die dag hebben de leden Frans de Nerée tot Babberich (CDA), Bert Bakker (D66) en Ferd Crone (PvdA) tijdens de algemene financiële beschouwingen gezamenlijk een motie ingediend waarin het Presidium van de Tweede Kamer werd verzocht "met een voorstel te komen tot instelling van een Raad van Economische Adviseurs voor het parlement"1. De motie is toen aangenomen. Voor die tijd was er ooit het plan van CDA-zijde om een raad van economische adviseurs op Amerikaanse leest te schoeien en deze ten dienste te laten zijn van de minister-president. Door deze instelling zou de advisering van het CPB van enig tegenwicht kunnen worden voorzien. Gezien de onbalans in adviesdiensten waar het kabinet gebruik van kan maken vis- à-vis het parlement, werd het plan door de PvdA omgebogen in de richting van een adviesraad die ten dienst van de Tweede Kamer zou staan. Het voorstel tot instelling kreeg een vervolg in 2004. Bij de brief van 16 juni 2004 heeft het Presidium de Kamer geïnformeerd over de stand van zaken met betrekking tot de uitvoering van de motie 2. Het Presidium acht het van belang "ervaring te krijgen met onafhankelijke advisering aan het parlement over financieel-economische aangelegenheden". De vaste commissie voor Financiën wordt uitgenodigd "een voorstel te doen voor advisering over de Miljoenennota 2005, de bijbehorende Macro Economische Verkenning en het Centraal Economisch Plan door hoogleraren/deskundigen hiervoor door de commissie te selecteren". Deze brief van het Presidium is in een procedurevergadering van de vaste commissie op 24 juni 2004 behandeld. De commissie heeft in die vergadering besloten het Presidium te antwoorden dat zij, gelet op het tijdstip van ontvangst van het verzoek, tot haar spijt geen mogelijkheid zag om nog vóór het begin van het zomerreces aan het Presidium c.q. de Kamer een voorstel te doen. De commissie achtte in deze zorgvuldigheid belangrijker dan snelheid. De commissie heeft toen besloten in het vroege najaar van 2004 aan het Presidium c.q. de Kamer een uitgewerkt voorstel aan te bieden. Een kleine werkgroep uit de vaste commissie voor Financiën is onmiddellijk na het reces met het voorbereiden van het voorstel aan de slag gegaan. Op 8 december 2004 heeft de vaste commissie voor Financiën in haar procedurevergadering het eindrapport van de werkgroep REA ongewijzigd overgenomen. Daarmee kwam de REA in haar huidige vorm in zicht. Op 8 maart 2005 zijn prof.dr. W.H. Buiter (London School of Economics), prof.dr. S.C.W. Eijffinger (Universiteit van Tilburg), prof.dr. C.G. Koedijk (toen nog Erasmus Universiteit Rotterdam), prof.dr. C.N. Teulings (Universiteit van Amsterdam) en prof.dr. A. van Witteloostuijn (toen nog Rijksuniversiteit Groningen) officieel benoemd tot leden van de Raad van Economisch Adviseurs en op 24 maart 2005 zijn de leden geïnstalleerd. Dr. H.P. van Dalen (toen nog Erasmus Universiteit Rotterdam en NIDI, Den Haag) werd door de


1 Kamerstukken Tweede Kamer, 2003-2004, 29200, nr. 38.
2 Kamerstukken Tweede Kamer, 2003-2004, 29654, nr. 1.

Bladzijde 28

Datum 14 november 2007

Onderwerp Evaluatie REA

Raad zelf gevraagd om dienst te doen als secretaris van de REA. De leden hebben de heer Buiter tot voorzitter gekozen op de dag van de installatie. De leden werden met ingang van 1 maart 2005 benoemd voor een periode van één jaar.
In de loop der tijd is de raad van samenstelling veranderd door externe oorzaken. Zo verliet prof.dr. C.N. Teulings op 1 mei 2006 de Raad om directeur van het CPB te worden en verliet prof.dr. W.H. Buiter de Raad op 1 maart 2007 omdat de combinatie werk in Londen en Den Haag een te zware wissel trok op zijn werk. Hun posities zijn opgevuld door respectievelijk prof.dr. J. Hartog (Universiteit van Amsterdam) per 27 april 2006 en prof.dr. E.J. Bartelsman (Vrije Universiteit Amsterdam) per 17 april 2007. Prof.dr. C.G. Koedijk heeft voorzitterspositie van prof.dr. W.H. Buiter overgenomen en vervult vanaf 1 januari
2007 deze rol. Op het moment van evaluatie bestaat de Raad dus uit de volgende personen:


· Prof. dr. C.G. Koedijk (voorzitter, inmiddels Universiteit van Tilburg)
· Prof. dr. E.J. Bartelsman (Vrije Universiteit van Amsterdam)
· Prof. dr. S.C.W. Eijffinger (Universiteit van Tilburg en Erasmus Universiteit Rotterdam)
· Prof. dr. J. Hartog (Universiteit van Amsterdam)
· Prof. dr. A. van Witteloostuijn (inmiddels Universiteit van Antwerpen en Universiteit Utrecht)

· dr. H.P. van Dalen (secretaris, inmiddels Universiteit van Tilburg en Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut (NIDI), Den Haag).

De REA is tweemaal geëvalueerd. De eerste keer werd door de vaste commissie voor Financiën een evaluatie uitgebracht over de opgedane ervaringen in het eerste jaar, de bruikbaarheid en het gebruik van de uitgebrachte adviezen. Een tweede keer is de REA als onderdeel van het reglement van orde geëvalueerd (Tweede Kamer, 2007). Het oordeel na de eerste evaluatie was gemengd maar bij meerderheid positief, met de kanttekening dat voor 1 januari 2008 de REA nogmaals moest worden geevalueerd. Dat moment is nu aangebroken.


1. 3. Hoe de REA invulling heeft gegeven aan haar taak De taak van de Raad is om de Tweede Kamer op onafhankelijke en deskundige wijze te adviseren over financieel-economische aangelegenheden. Het Presidium van de Kamer heeft deze algemene taak uiteengesplitst in een aantal eisen in een brief d.d. 23 februari 2005. Omdat sommige eisen voor meer interpretaties vatbaar zijn, zal de Raad op deze plaats aangeven hoe de eisen in de praktijk zijn aangepakt en uitgepakt.

Kwaliteit Raad: "De REA bestaat uit vijf economen met een universitaire achtergrond, wetenschappelijk gerespecteerd, toonaangevend en spraakmakend maar niet omstreden op hun vakgebied. Bovendien dienen meerdere vakgebieden vertegenwoordigd te zijn." Via het opleggen van deze eis heeft de kamer ogenschijnlijk aangegeven dat zij geen behoefte had aan dertien-in-een-dozijneconomen of adviezen die als twee druppels water lijken op de adviezen van één van de planbureaus of de talloze raden die de overheid rijk is. De Raad matigt zich geen oordeel aan of aan al deze vereisten is voldaan; wel heeft zij in haar korte bestaan gemerkt dat de adviezen wel als spraakmakend en toonaangevend worden ervaren. In het wetenschappelijke circuit zijn de adviezen minder spraakmakend, hetgeen niet verwonderlijk is omdat de Raad zich primair richt op het parlement en in tweede instantie een algemeen publiek dat kennis zou moeten kunnen nemen van analyses van problemen die hen aangaan. De Raad heeft niet de pretentie met wetenschappelijke vernieuwingen te komen in haar adviezen, noch om wetenschappelijke hoogstandjes te demonstreren ­ dat kan ook niet met de beperkte capaciteit van zes economen in deeltijd. Wel heeft zij de ambitie om nieuwe wetenschappelijke inzichten door te laten werken in analyse en advisering. Daarbij wordt iedere keer getracht om niet in ambtenaren- of economenjargon te vervallen, hoewel

Bladzijde 29

Datum 14 november 2007

Onderwerp Evaluatie REA

bij sommige problemen (denk aan FES-begroting) er niet aan valt te ontkomen om enig jargon te hanteren.

Onafhankelijkheid: De onafhankelijkheid van de REA wordt geborgd door te eisen dat "de raadsleden op geen enkele wijze zijn gebonden aan de overheid of aan instanties of organisaties die vallen onder de ministeriële verantwoordelijkheid." De onafhankelijkheid is gedurende de werkzaamheden niet in gevaar gekomen, hoewel er van tal van belangengroeperingen of vanuit de ambtenarij druk werd uitgeoefend of gelobbyd voor een standpunt. Wel voegt de Raad hieraan toe dat het voor de onafhankelijkheid van de REA goed zou zijn om de bovenstaande eis te alle tijden vast te houden en deze eis ook te laten gelden voor de secretaris. De onafhankelijkheid van de Raad komt ook naar voren in het bepalen van haar agenda en de timing van adviezen. Een vastomlijnde agenda heeft de REA niet, gegeven het karakter van haar taak om op korte termijn met een duiding van maatschappelijke ontwikkelingen te komen. Bij het opstellen van adviezen kiest de REA zelf het moment van publicatie. De Raad heeft doelbewust ervoor gekozen om haar agenda of de timing van de rapportage niet publiek te maken omdat zij de vrijheid wil hebben om bij onvoldoende kwaliteit van een advies zo'n rapport niet of op een latere datum ­ na verdere bewerking ­ te laten verschijnen.3 Hiermee verschilt de REA bijvoorbeeld van een adviesorgaan als de WRR die onder de verantwoordelijkheid van de minister-president en het ministerie van Algemene Zaken valt en die de regering van advies dient. De WRR overlegt eerst over haar werkprogramma met het kabinet voordat zij aan het werk gaat. Om de onafhankelijkheid te bewaren wordt verder vrij sporadisch en niet-selectief in contact getreden met het parlement4. Ook wordt de afstand bewaard tot pressiegroepen en andere belanghebbenden.

Behoefte Tweede Kamer: "De leden van de REA geven vanuit hun deskundigheid een onafhankelijk oordeel over voorspellingen, analyses en cijfers met betrekking tot het macro- economisch beleid." De verwoording van deze taak geeft aan dat de Kamer behoefte heeft aan het duiden van de macro-economische voorspellingen van verschillende instituties zoals het CPB, IMF en OESO. In de adviezen rond de Voorjaarsnota en de Miljoenennota krijgt dergelijke duiding enige aandacht. Menig econoom zal echter onderkennen dat de kracht van een klein instituut als de REA niet in dit soort exercities schuilt. `Second opinion'-adviezen over voorspellingen en scenario's eindigen vaak in welles-nietesgebakkelij. Een gedegen aanpak van dit soort advisering vergt ook veel meer tijd en geld dan de 100.000 euro die ten behoeve van de REA zijn gereserveerd. Modelvoorspellingen zijn nagenoeg niet repliceerbaar omdat in de praktijk deze voorspellingen niet alleen voortvloeien uit technische exercities, maar ook handmatig worden aangepast aan de hand van extra informatie en het Fingerspitzengefühl van de voorspellers. De Raad beperkt zich daarom in het algemeen tot het kraken van korte noten over de interpretatie van uiteenlopende voorspellingen, alsmede over de daaraan ten grondslag liggende veronderstellingen. Merk verder nog op dat de gang van zaken rond een Miljoenennota of Voorjaarsnota bijzonder weinig tijd biedt om


3 Bij het verschijnen van adviezen heeft de Raad voor de volgende procedure gekozen in overleg met de vaste commissie voor Financiën: de leden van de vaste commissie, en eventueel andere commissies voor wie een advies relevant is, krijgen het rapport als eerste toegestuurd . Twee uur later wordt het advies naar de pers verzonden. Bij de eerste drie adviezen kreeg de Kamer het advies de dag voor verschijnen al toegestuurd, maar bij het lekken van het advies rond de Miljoenennota 2006 (waarin afschaffing hypotheekrenteaftrek werd bepleit als financieringsbron voor vlaktaks) heeft de Raad ervoor gekozen om de tijdsvoorsprong te verkleinen om lekken te voorkomen.
4 Bij de presentatie van Miljoenennota 2006-advies is een technische briefing gehouden; bij de overige adviezen zijn de adviezen slechts naar de kamer gestuurd zonder nadere persoonlijke toelichting.

Bladzijde 30

Datum 14 november 2007

Onderwerp Evaluatie REA

zelfstandig macro-economisch tegenonderzoek uit te voeren. Commentaar op deze nota's is dan vooral een zaak van kundig verwerken van eerste indrukken. De werkelijke kracht van een REA schuilt in het signaleren en duiden van problemen, het constateren van blinde vlekken of denkfouten in het bestaande beleid, het formuleren van alternatieve oplossingen of juist het ondersteunen van gekozen beleidsinitiatieven en dergelijke. Actuele, bondige en creatieve analyses ­ daar gaat het om. De Raad ziet daarom de diagnose van maatschappelijke problemen die een publiek belang raken als een kerntaak; een taak die zij in tien adviezen tot uitdrukking heeft gebracht (zie box 1).5 Vanzelfsprekend zouden andere adviesorganen of economen dat ook kunnen doen, maar (1) planbureaus zoals het SCP en het CPB stellen zich juist zeer terughoudend op wanneer het aankomt op het geven van concrete adviezen en (2) economen kunnen natuurlijk op persoonlijke titel in de krant hun mening ten beste geven, maar de toegevoegde waarde van de REA is dat het de gedeelde mening is van vijf economen en `not just one man's opinion'. De Raad wil zich niet beperken tot zuiver macro-economische aangelegenheden, maar ook vraagstukken van algemeen maatschappelijk belang behandelen. Daarbij houdt de Raad zich niet strikt aan disciplinaire grenzen omdat maatschappelijke vraagstukken vaak de traditionele grenzen overschrijden. Een voorbeeld hiervan was duidelijk terug te vinden in het advies `Oude problemen van een nieuw kabinet', waarin inzichten uit psychologie terzake beleid en wetgeving werden verwerkt.


5 Naast de officiële adviezen zijn er nog drie stukken geschreven die in naam van de REA zijn gepubliceerd, te weten: Buiter en Van Dalen (2005), Van Dalen en Koedijk (2006) en Van Dalen et al. (2007).

Bladzijde 31

Datum 14 november 2007

Onderwerp Evaluatie REA


1. Box 1: Adviezen van de Raad van Economisch Adviseurs (REA)

Tussen de oprichtingsdatum van de REA - 23 maart 2005 - en oktober 2008 zijn de volgende tien adviezen verschenen:


· Van de verdeling komt de winst, Gevraagd REA-advies Miljoennota 2008, d.d. 25 september
2007, Kamerstuk 31200, no. 38. Thema: hoe verdeling en groei samengaan maar hoe excessieve afscherming innovatiekracht en aanpassingsvermogen van de Nederlandse economie aantast.

· Oude problemen van een nieuw kabinet, Gevraagd REA-advies Voorjaarsnota 2007, d.d. 12 juni 2007, Kamerstuk 31061, no 3. Thema: De valkuil van ouderwets paternalisme en hoe deze valkuil middels libertair paternalisme (o.a. toegepast op pensioenbeleid) kan worden ontweken.
· Lof der eenvoud. Ongevraagd REA-advies, d.d. 22 januari 2007. Kamerstuk 30942, no 2. Thema: de beleidsdilemma's rond de verhoging van de kwaliteit en effectiviteit van de overheid.

· Vergrijzing is een verborgen zegen Gevraagd REA-advies Miljoenennota 2007, d.d. 22 september 2006, Kamerstuk 30800, nrs. 4 en 5. Thema: een gebalanceerde visie op de kosten en baten van vergrijzing.

· De verleiding van een opgaande conjunctuur Gevraagd REA-advies Voorjaarsnota 2006, d.d. 8 juni 2006, Kamerstuk 30560, no. 3. Speciale aandacht voor de wijze waarop FES-gelden worden besteed en waarin wordt gepleit voor opheffing FES.
· Over goede intenties en de harde wetten van de woningmarkt Ongevraagd REA-advies, d.d. 28 maart 2006, Kamerstuk 30507, no. 2. Thema: De woningmarkt uit het slot of waarom de woningmarkt geen ware markt is, en welke rol woningcorporaties spelen in het bieden van woningruimte.

· De onbetwistbare noodzaak van meer onderzoek, onderwijs en ondernemerschap Ongevraagd REA-advies Innovatie en economische groei, d.d. 25 november 2005, Kamerstuk 30385, no. 2. Thema: Innovatie en economische groei: of waarom Nederland in de loop der tijd is achterop geraakt en hoe deze achterstand kan worden omgebogen.
· De noodzaak van grondslagverbreding in het Nederlandse belastingstelsel Gevraagd REA- advies Miljoenennota 2006, d.d. 28 september 2005 over de Miljoenennota 2006, Kamerstuk
30300, no. 33. Thema: De wenselijkheid van grondslagverbreding in het belastingstelsel, geformaliseerd als een vlaktaks gefinancierd door o.a. afschaffing hypotheekrenteaftrek.
· Een statisch beeld in dynamische tijden Gevraagd REA-advies Voorjaarsnota 2005, d.d. 31 mei
2005, Kamerstuk 30105, no. 3. Thema: waarom het procyclische regeringsbeleid de economie meer kwaad dan goed doet.

· De wetten en regels die droom en daad verstoren Ongevraagd REA-advies, d.d. 20 mei 2005, Kamerstuk 30123, no. 2. Thema: Bureaucratisering en overregulering of hoe overregulering de economische daadkracht van de Nederlandse economie versmoort.

Bladzijde 32

Datum 14 november 2007

Onderwerp Evaluatie REA

De band met de wetenschap is sterker dan de band met de dagelijkse economische politiek. Het karakter van de adviezen ontleent zijn kracht aan deze academische instelling. Van de REA hoeft bijvoorbeeld geen exegese van ieder regeringsbesluit of ambtelijk handelen te worden verwacht. De kennis en kracht schuilen veeleer in het zien van de grote lijn, gebruikmakend van de analytische kracht van economische theorieën en de kruisbestuiving met aanpalende disciplines.
De REA maakt echter één uitzondering op de puur academische instelling door nadrukkelijk concrete adviezen te geven en niet te blijven steken in vage aanbevelingen. Op het Binnenhof overvleugelt de `hoe'-vraag vaak het `waarom'. De REA gaat welbewust een stap verder dan alleen maar het duiden van economische ontwikkelingen en doet ook in ieder advies concrete beleidsaanbevelingen die door alle leden worden gedragen. Waar planbureaus en ander adviesorganen zich putten in het bieden van een palet aan scenario's, waardoor iedere lezer zijn eigen draai aan het verhaal kan geven, dwingen de adviezen van de REA de lezer om het eens of oneens te zijn met veronderstellingen en aanbevelingen. Tot slot: waar andere adviesorganen zich toeleggen op vuistdikke rapporten waarin beleidsanalyses en ­voorstellen tot in detail zijn uitgewerkt, legt de REA de nadruk op korte en vlot leesbare rapporten die bij voorkeur 10 à 15 pagina's bedragen. Het is een ijzeren wet dat dikke rapporten die in Den Haag met de regelmaat van de klok worden geproduceerd, vaak het pijnlijke lot treffen dat geïnteresseerden alleen de samenvatting of het persbericht lezen, waardoor gebruikers uitsluitend via kranten of columnisten de inhoud van rapporten tot zich nemen. Abstracte rapporten werken slecht door in de politiek (zie ministerie BZK,
2004). Adviezen die zich tot de kern van een probleem beperken, zullen wellicht snel door critici worden neergezet als ongenuanceerd omdat over de meeste onderwerpen boeken vol gescheven kunnen worden. Dat is echter de prijs die aan korte adviezen hangt ­ een prijs die de Raad gaarne bereid is te betalen.


4. Lessen trekken uit eigen ervaringen
De Raad heeft het zonder uitzondering als een eer en een genoegen ervaren om het parlement met gevraagd en ongevraagd advies te dienen. In de korte tijd van haar bestaan zijn sommige ambities volledig in vervulling gegaan, terewijl andere minder tot hun recht zijn gekomen. De Raad heeft bij oprichting een aantal grote maatschappelijke onderwerpen op haar eigen agenda gezet; praktisch alle geagendeerde onderwerpen zijn inmiddels aan bod gekomen. Voor wat het waard is, geeft de Raad hier haar eigen ervaringen weer over hoe er met de adviezen is omgesprongen door het parlement en het publiek. Twee zaken domineren het beeld: de grote publieke aandacht voor de adviezen en de geringe vraag van het parlement.


1.1.1.1.1 Aandacht
Niet alle adviezen hadden dezelfde kwaliteit of invloed in het debat, maar dat is onontkoombaar. Naar de eigen mening van de Raad springen de adviezen over bureaucratisering, woningmarkt en vergrijzing er zonder twijfel uit. Gemeten naar daadwerkelijke invloed heeft de Raad het idee dat het advies over de Voorjaarsnota 2005, waarin het procyclische beleid van het kabinet werd bekritiseerd, wellicht nog het meeste heeft doorgewerkt in de hoofden van beleidsmakers en politici omdat het als een `wake-up call' lijkt te hebben gefungeerd. De boodschap was destijds dat het opeenstapelen van grootscheepse beleidshervormingen ook wel eens een prijs zou kunnen hebben in de vorm van een negatieve invloed op de conjunctuur. Pas veel later heeft onderzoek van DNB ook uitgewezen dat de REA het op dit punt bij het rechte eind had. Het is de Raad echter niet om te doen om te achterhalen of zij gelijk heeft gehad of niet. Belangrijker is om een indruk te geven omtrent welke karakteristieken van een advies eruit springen die ervoor lijken zorg te dragen dat de REA enige weerklank heeft gevonden bij de Kamer en in de media.

Bladzijde 33

Datum 14 november 2007

Onderwerp Evaluatie REA

In weerwil van de aandrang van sommige kamerleden om als Raad vooral met concrete beleidsaanbevelingen te komen, zijn de zogenaamde concretiseringen weliswaar van tijd tot tijd gebruikt in kamerdebatten, maar moet de echte kracht van de REA toch elders worden gezocht. Ongetwijfeld zal dit te maken kunnen hebben met het feit dat kamerleden een andere vorm van concretisering voorstaan dan de REA, maar het lijkt de Raad ook niet verwonderlijk dat concretisering op weinig instemming kan rekenen omdat de Raad hierdoor bij wijze van spreken op de stoel van de wetgever gaat zitten en onbedoeld fungeert als het
151ste kamerlid. De echte toegevoegde waarde van de Raad komt, naar haar eigen oordeel, vooral tot stand via de analyse van problemen en het aangeven wat de kern van een maatschappelijk probleem is.
Dat deze aanpak heeft gewerkt moge blijken uit de mate waarin de adviezen hebben doorgewerkt in het publieke debat en in de pers. De weerklank van de REA-adviezen in de media is groot geweest (zie tabel 1). De adviezen waren vaak onderwerp van de voorpagina's van kranten, redactionele hoofdcommentaren of opiniestukken in kranten. Deze aandacht is omvangrijk, zeker in verhouding tot de aandacht die academische economen meestal ten deel valt. De internationale pers heeft weinig belangstelling, hetgeen ongetwijfeld veroorzaakt wordt door het feit dat adviezen in het Nederlands gesteld zijn en dat de afdeling voorlichting van de Kamer niet gericht is op de internationale pers. In dat opzicht is het nog wel aardig dat de Wall Street Journal (3 oktober 2005 over de `flat tax') een advies van de REA heeft opgepikt. Het is verleidelijk om besprekingen in kranten tot graadmeter van kwaliteit te maken, maar het enige dat dit soort cijfers aangeeft is dat de adviezen het nodige hebben losgemaakt. Daarbij moet worden bedacht dat de REA nog veel terughoudendheid heeft betracht in accepteren van uitnodigingen voor tv- en radioprogramma's rond het uitbrengen van adviezen.


2. Tabel 1: Aandacht voor REA in de landelijke pers
2005 2006 2007a
Aantal rapporten 4 3 3 Artikelen in landelijke dagbladen die refereren aan REA 80 86 70 (a) Geregisteerd t/m 1 oktober 2007.
Bron: Lexis Nexis.

De adviezen hebben minder los gemaakt in de wetenschappelijke literatuur, hetgeen niet verwonderlijk is. De doelgroep van de Raad is immers in eerste instantie de Kamer, en daarna een algemener publiek. In het blad Economisch Statistische Berichten is de REA onderwerp van discussies geweest. Zij werd in het eerste jaar van haar bestaan fel bekritiseerd door een enkele econoom. Later is er meer waardering gekomen, hetgeen o.a. blijkt uit verzoeken om adviezen integraal over te nemen in tijdschriften of bundels. Het woningbouwadvies is integraal overgenomen in Tijdschrift voor Politieke Ekonomie, het advies over de Voorjaarsnota 2006 is overgenomen door het Tijdschrift voor Openbare Financiën, en het vergrijzingsadvies is overgenomen in het Jaarboek van de Koninklijke Vereniging der Staathuishoudkunde 2007 en het Kwartaalschrift Economie.


2.1.1.1.1 Geen vraag, geen interactie
Een opvallend feit blijft dat de toenadering van de Tweede Kamer tot de REA zeer beperkt is geweest. Er was meer concrete belangstelling vanuit de ambtenarij (ministeries, maar ook IMF, OESO en EC) en het bedrijfsleven voor REA dan vanuit de Kamer zelf. Men kan dit opvatten als een teken dat het parlement voldoende heeft aan de verplichte nummers in het Raadswerk, de Voorjaarsnota en de Miljoenennota, maar het kan ook een dieperliggend probleem verhullen. Het kan niet aan de te volgen procedure voor adviesaanvragen liggen. Er worden genoeg buitenstaanders gevraagd om onderzoek voor de Kamer te verrichten en op

Bladzijde 34

Datum 14 november 2007

Onderwerp Evaluatie REA

gezette tijden komen experts hun mening verkondigen in hoorzittingen. Koudwatervrees voor advies bestaat dus niet; en de procedure ligt vast en is beschreven in het draaiboek onderzoek van de Tweede Kamer6. Dit draaiboek geldt ook voor de REA. Dat betekent bijvoorbeeld dat alleen de Kamer, en niet de vaste commissie, adviesaanvragen kan doen uitgaan. De vaste commissie voor Financiën is het aanspreekpunt voor de REA in de Kamer. In de begintijd had de Raad de hoop dat het gebrek aan vraag te maken zouden kunnen hebben met de onbekendheid met de Raad, maar dat lijkt niet langer een valide veronderstelling.7 Wat het achterliggende probleem is van de geringe interactie, zou uit de evaluatie van de vraagkant ­ de Tweede Kamer - moeten blijken. Voor de Raad heeft het geen zin om te speculeren waarom de vraag naar advies niet tot stand komt. De Raad spreekt alleen de hoop uit dat de Tweede Kamer in de toekomst de mogelijkheden gaat benutten die de REA biedt.


5. Reactie op bestaande oordelen en vooroordelen Naast de eigen ervaringen wil de Raad op deze plaats ook gebruik maken van een eerder gemaakte terugkoppeling van de Kamer op het functioneren van de REA die plaatsvond aan het einde van het eerste jaar van de REA. Bij die gelegenheid is een aantal opmerkingen gemaakt die soms lovend, soms kritisch waren. De Raad heeft nooit echt de gelegenheid gehad om de geuite kritiek van commentaar te voorzien. Daarom grijpt zij deze zelfevaluatie aan om het oordeel van de Kamer van reliëf te voorzien. Bij de voorgaande evaluatie kwam het volgende positieve oordeel naar voren:

"de meerderheid van de vaste commissie voor Financiën, bestaande uit de leden van de fracties van het CDA, de PvdA, de LPF en D66, van oordeel is dat de REA in het eerste driekwart jaar van haar bestaan naar verwachting en tevredenheid heeft gefunctioneerd. De uitgebrachte adviezen waren beknopt, helder en "to the point". Ze hebben naar het oordeel van deze leden een belangrijke bijdrage geleverd aan de discussie over de in de adviezen aan de orde gestelde onderwerpen. De adviezen hadden voor deze leden meerwaarde in het politieke debat en hebben naar hun oordeel bijgedragen aan het versterken van de controlerende taak van de Tweede Kamer. De commissie verwacht dat de adviezen ook bij nog te voeren Kamer- of commissiedebatten een rol zullen spelen."

Zonder twijfel hebben de initiatiefnemers van de Raad ­ CDA, PvdA en D66 ­ zich altijd positief opgesteld, ook al waren zij het oneens met de inhoud van de bepaalde adviezen. Op dit punt verdienen de partijen lof omdat in minder tolerante samenlevingen de Raad reeds lang zou zijn bijgezet in een stoffig archief.
De individuele doch kritische oordelen van de partijen zijn echter ook leerzaam omdat zij aan kunnen geven welke elementen van de REA voor verbetering vatbaar zijn. Volgens de LPF heeft de REA haar toegevoegde waarde aangetoond. "Zeker omdat de REA - naast de goede adviezen - een toegevoegde waarde heeft voor Kamerleden voor wat betreft de informatievoorziening, tegenover de bewindslieden en hun duizenden ambtenaren. In die zin is de staatsrechtelijke checks-and-balances meer in evenwicht gekomen." De LPF merkte wel op dat een raad waaraan geen advies daadwerkelijk gevraagd wordt, eigenlijk overbodig is. De instemmende leden van de fractie van de ChristenUnie (CU) merkten op dat "politieke economie per definitie een normatieve wetenschap is. Derhalve zijn REA-adviezen politiek gevoelig." Deze kamerleden twijfelen of de adviezen werkelijk toegevoegde waarde bieden


6 Kamerstukken II, vergaderjaar 2001-2002, 28336, nr. 8.
7 Zie bijvoorbeeld Tweede Kamer (2007), waaruit blijkt dat iedereen in de kamer bekend is met het werk van de REA.

Bladzijde 35

Datum 14 november 2007

Onderwerp Evaluatie REA

ten opzichte van reeds bestaande adviezen. Meerwaarde zat vooral in "het feit dat de uitgebrachte adviezen beknopt en helder waren." Een minderheid van de commissie (leden van de fracties van de VVD, de SP en GroenLinks) was niet overtuigd van de toegevoegde waarde van de REA. De uitgebrachte adviezen waren aldus deze leden "onvoldoende gebaseerd op onderzoek dat specifiek was toegesneden op de voorliggende politieke vragen. Daardoor is er geen sprake van werkelijk additionele informatie ten opzichte van de rapporten die de Tweede Kamer toch al ontvangt van onderzoeksinstellingen als het CPB, de OESO en het IMF. Deze laatste adviezen hebben als bijkomend voordeel dat zij niet tot extra kosten voor de Tweede Kamer leiden." Een recente evaluatie van de REA (Tweede Kamer,
2007) herhaalt in grote lijnen de bovenstaande lof- en kritiekpunten, maar voegt daar ook nog een paar aan toe. Zo wordt bijvoorbeeld gesteld door sommige kamerleden dat "de REA bestaat uit vijf economen die allen een andere mening hebben, waardoor het advies uiteindelijk helaas een compromis is."
Op deze plek wil de Raad ingaan op de punten van kritiek om zodoende de Kamer de gelegenheid te geven een hernieuwd oordeel te vellen.


1. Geen vraag vanuit de Kamer. Dit is een terecht punt en juist een econoom zou in dat geval de conclusie trekken dat een product waar geen vraag naar is, geen overlevingskans heeft in een markt. Hierboven zijn reeds veel woorden aan dit fundamentele manco gewijd. Dit punt verdient verbetering, maar de verbetering zal in dit geval toch veeleer van de Tweede Kamer moeten komen dan van de Raad. De Tweede Kamer had onlangs bij de begroting van de Kamer een uitgebreide beschouwing gewijd aan het doorlichten van het functioneren van de Kamer.8 Op dit punt zou het aanbeveling verdienen om te achterhalen hoe het komt dat de Kamer geen of onvoldoende gebruik maakt van de adviesmogelijkheden die zij zelf heeft.
2. Politieke economie is normatief. Dit punt reflecteer veelgehoord kritiek van buitenstaanders op de economische wetenschappen, maar deze kritiek verdient toch enige nuancering. Waar de CU wellicht op doelt is, dat economie geen waardenvrije wetenschap is en dat de Raad daarom per definitie ook niet waardenvrij is. Dat is een kritiek die voor alle sociale wetenschappen geldt. Als dat een zwaarwegend bezwaar is, dan zal de Kamer überhaupt veel moeite hebben om wetenschappelijke kennis uit de sociale wetenschappen tot zich te nemen. Toch denkt de Raad dat op evenwichtige wijze met dit probleem wordt omgesprongen. Allereerst probeert de Raad bij alle vraagstukken die zij behandelt eerst een beeld te schetsen van hoe zaken in de praktijk werken, ook als dit politiek-economische mechanismen betreffen. Vervolgens geeft de Raad een aanbeveling op grond van een analyse van een probleem. Daarmee lijkt de Raad zich te onderscheiden van bijvoorbeeld het CPB of SCP, maar in wezen is de Raad expliciet waar deze planbureaus impliciet advies geven. Wie maatschappelijke problemen aansnijdt en analyseert, ontkomt er niet aan om de logische lijn door te trekken van analyse naar beleid. Ten tweede: zelfs als een analyse normatief is, dan kan nog veel van zo'n analyse worden geleerd, zolang de criteria van functioneren of de weging van belangen maar duidelijk wordt gemaakt. Om een voorbeeld te geven: de Raad hecht meer gewicht aan outsiders dan aan insiders op de arbeidsmarkt, hetgeen voor een (belangrijk) deel de beleidsaanbevelingen verklaart in zaken als ontslagrecht of innovatiebeleid.
3. Onvoldoende toegesneden op politieke vragen. Indien met deze kritiek wordt bedoeld dat de Raad zich niet heeft bemoeid met de vragen die kamerleden bezighouden, dan roept dit bevreemding op: het parlement heeft immers geen uiting gegeven aan wat zij zelf belangrijke vragen vindt. Op die manier is het moeilijk om aan de wensen van het parlement tegemoet te komen. Indien deze kritiek doelt op een gering politiek besef van


8 Kamerstukken Tweede Kamer, 2006-2007, 30996, no. 24

Bladzijde 36

Datum 14 november 2007

Onderwerp Evaluatie REA

de Raad, dan lijkt ook deze kritiek niet correct. De Raad heeft met haar adviezen immers keer op keer de vinger op een zere plek gelegd. Het enige dat de Raad zich kan voorstellen, is dat wordt bedoeld dat de REA geen bouwstenen aanlevert om op detailniveau een begroting of beleidsnota's zoals de Voorjaarsnota van het kabinet te ontleden. Indien de Raad zich overgeeft aan dergelijk werk, dan heeft zij echter het sterke vermoeden dat haar comparatieve voordelen niet worden benut. Daarover is hiervoor het nodige gezegd.

4. Geen additionele informatie boven bestaande economische bureaus. Dit is een wezenlijk punt en ook zeer nadrukkelijk aan de orde gesteld door o.a. Vendrik (Groen Links) in
2005: "Naar onze mening worden wij meer dan voldoende, gevraagd en ongevraagd, nationaal en internationaal geadviseerd door talloze economen over de toestand van de economie. Wie dan nog extra advies wil, wende tot hen. Wij hebben dus geen behoefte aan de REA." Bij het vormgeven van de adviezen heeft de Raad zelf ook nagedacht over hoe zij haar meerwaarde kan bewijzen. Het copiëren van bestaande adviesraden of planbureaus was uitdrukkelijk niet de bedoeling, noch een wens van de Kamer of de Raad. Allereerst heeft de Raad gekozen voor korte, bondige en leesbare kamerstukken. Wellicht dat dit onderdeel onderschat wordt door alleen maar bladzijden te tellen. Zoals Hemingway ooit eens stelde: "Easy reading is hard writing." Ten tweede wilde de Raad niet verzanden in het zoeken van spijkers op laagwater of cijferfetisjisme: het gaat veeleer om de analyse van majeure thema's. Ten derde moet voor ieder onderwerp ook de politiek zelf als onderdeel van het probleem worden beschouwd. Het feit dat de Raad wel degelijk additionele informatie bood, ervoer de Raad toen instanties als IMF, OESO en EC graag bij bezoeken aan Nederland de mening van de REA wilde horen. Vooral het feit dat de Raad geen belangen of banden had met overheidsoperaties of staand regeringsbeleid, en ook in korte tijd een reputatie had opgebouwd om geen blad voor de mond te nemen, werd hogelijk gewaardeerd. Overheidsorganisaties zijn vaak de gevangenen van hun doelstellingen, waardoor enige reflectie over doelen of effectiviteit vaak niet naar buiten wordt gebracht. Blijkbaar vervult de Raad hier een nuttige functie door op onafhankelijke wijze naar het functioneren van de overheid te kijken.
5. De Raad kost teveel geld. Dit is een stelling die nadrukkelijk nuancering behoeft. Het totale budget voor de REA bedraagt 100.000 op jaarbasis.9 Als men bedenkt dat de Raad slechts 1,4 fte vertegenwoordigt, dan zijn de jaarkosten gelijk aan die van een gemiddelde medewerker van één van de planbureaus. Indien de Kamer de REA als een volwaardige raadgever wil gebruiken, dan daalt uiteraard de prijs per advies nog meer, maar dat zou in de praktijk een onhoudbare situatie zijn omdat momenteel al de dagelijkse werkzaamheden bij de hoofdwerkgevers van secretaris en voorzitter in het gedrang komen ­ werkzaamheden die alleen met kunst- en vliegwerk vervuld konden worden.

6. De adviezen zijn compromissen. Voor een deel hebben critici gelijk omdat iedere adviseur per definitie unieke karaktertrekken heeft. Bij meer club waar twee of meer leden bijeenkomen, vindt een samensmelting van interpretaties en adviezen plaats. Het populaire beeld van wetenschappers in het algemeen en economen in het bijzonder is dat zij allemaal een andere mening zijn toegedaan en nooit tot één conclusie komen. Daar komt nog bij dat bij de buitenwacht het beeld bestaat dat een econoom die lid van het CDA is totaal anders denkt dan een PvdA-econoom: gebondenheid aan zogenaamde partijlijnen zou domineren. Los van het feit dat sommige raadsleden partijloos zijn, is het traditionele politieke spectrum geen belangrijk onderscheidend criterium onder economen voor hun meningsvorming. Bij kamerleden die zich van dit soort stereotype


9 In debatten in de Kamer worden wel eens andere, hogere bedragen genoemd. Een deel van de verwarring kan veroorzaakt zijn door het feit dat de REA in eerste instantie was gebudgetteerd op
150.000 euro.

Bladzijde 37

Datum 14 november 2007

Onderwerp Evaluatie REA

beelden bedienen, kan gemakkelijk de verwachting ontstaan dat a priori de adviezen vlees-noch-vis zullen zijn. Maar dit bezwaar doet zich in de praktijk van de REA niet voor. De critici hebben de neiging om een compromis met consensus te verwarren. De REA heeft in haar bestaan in ieder advies naar consensus gestreefd, en zeker niet naar een compromis. De Raad heeft de afgelopen drie jaar bij ieder advies getracht om via overtuiging in woord en geschrift een consensus te verkrijgen zonder de analyse of aanbeveling te verlagen tot een heilloos compromis. Naar de mening van de Raad is dat gelukt: ieder advies bevat een duidelijk verhaal met een logische (beleids)conclusie. Overigens wekt deze kritiek enige bevreemding omdat mag worden verwacht dat de Tweede Kamer als opdrachtgever juist overeenstemming van opvattingen in REA- adviezen wil. Het benoemen van vijf in plaats van één of twee economen is daar een uitwerking van: vijf economen verkleint het risico dat de Kamer een idiosyncratisch advies krijgt dat geen recht doet aan wat de economische wetenschap te bieden heeft. Wellicht bestaat de verwachting dat er één alwetende en volstrekt waardenvrije econoom bestaat, maar bij deze wil de Raad het bestaan van deze man of vrouw naar het rijk der fabelen verwijzen.


3. 6. Conclusies
In het verleden is er van verschillende kanten op gewezen dat de Kamer substantiële ondersteuning zou moeten krijgen. De balans kabinet-parlement slaat uit het lood omdat het kabinet kan beschikken over duizenden ambtenaren die meer vragen kunnen beantwoorden dan een volksvertegenwoordiger ooit kan stellen. Met de instelling van de REA wordt de balans enigszins geredresseerd10, hoewel van een raad met geringe middelen ook geen wonderen moet worden verwacht. Of de adviezen ook opgevolgd zijn, valt moeilijk te achterhalen. Een veelgehoorde dooddoener over economisch advies is: het parlement volgt een advies niet op ­ ergo: het bewuste advies is waardeloos. Dit is een te enge en onrealistische opvatting over het nut van adviseren. De functie van advisering is tweeledig: informeren en overtuigen (Van Dalen et al. 1998). Informeren gaat aan overtuigen vooraf. Het eerste doel dat de REA zich stelt is dat er geluisterd wordt naar haar adviezen en dat het debat over naar haar mening urgente problemen wordt gevoerd. In haar driejarige bestaan zal
- gezien de grote belangstelling voor de adviezen vanuit de beleidswereld - het duidelijk zijn dat aan die voorwaarde is voldaan.
Het overtuigen zal echter meer tijd in beslag nemen. Adviezen die direct worden overgenomen, behoren tot de uitzonderingen in de economische politiek. De REA ziet de kamerleden als kundige volksvertegenwoordigers die ieder economisch verhaal moeten kunnen doorgronden. Met die intentie worden de adviezen opgesteld en geschreven. Dat het parlement niet direct onze adviezen omarmt, getuigt alleen maar van die kunde. Wij stellen ons op het standpunt op dat iemand die in een half uur 180 graden van gedachten verandert, in feite niet de moeite van het overtuigen waard is. Toch lijkt het parlement de andere zijde van het adviseren ­ de vraagzijde ­ te hebben verwaarloosd.Zij zal in haar functioneren hieraan meer aandacht moeten besteden, wil zij haar controle- en wetgevende functie ten volle kunnen uitoefenen. Er wordt te makkelijk uitgegaan van de veronderstelling dat informatie vanzelf optimaal wordt benut en op de goede plaats terechtkomt. Dit is een fictie. Niet alleen advies geven is een kunst, ook het ontvangen en gebruiken van advies vereist kennis en kunde. Bij de vraag of het


10 Het opzetten van een variant op het Amerikaanse `Congressional Budget Office' zou bijvoorbeeld al het nodige tegenwicht kunnen zorgen, maar dit zou ook aanzienlijk prijziger zijn dan de REA-optie. Het huidige verificatiebureau vervult, tot op zekere hoogte, die functie, maar net als met andere instituten moeten dergelijke initiatieven een zekere kritieke massa bezitten om tegenwicht te kunnen bieden.

Bladzijde 38

Datum 14 november 2007

Onderwerp Evaluatie REA

experiment REA een verlenging verdient, moet de Kamer daarom niet alleen te kijken naar hoe het instituut REA in elkaar steekt, maar zeker ook naar de eigen kennis en behoefte naar advies. Als die bestaan, moet daarnaar worden gehandeld. Vooralsnog is de interactie van de Kamer met de REA beperkt. En als een recente evaluatie van de Raad door de Kamer richtinggevend is, dan lijkt `onverschilligheid' de houding van de Kamer nog het beste te typeren.11 Indien de onverschilligheid breed gedeeld wordt, dan is de logische stap om de Raad op te heffen. Indien de Kamer echter door wil gaan met de REA en deze ook van belang acht voor de meningsvorming binnen de Tweede Kamer, dan acht de Raad de volgende punten van belang om het instituut REA te verbeteren.

(1) Maak de benoemingsprocedure van raadsleden transparant. Momenteel is de ad hoc procedure dat de Raad een lijst van namen opstelt en deze als suggestie naar de vaste commissie voor Financiën stuurt, waaruit de commissie of de Kamer eventueel kandidaten kan kiezen. Het verdient aanbeveling dat de Kamer zelf met suggesties komt omdat de relatie tussen Kamer en adviseur in hoge mate gebouwd moet zijn op vertrouwen. Een mogelijk extra gevaar van het onbenoemd laten van een benoemingsprocedure is dat de Kamer of de Raad de schijn opwekken dat er sprake is van `vriendjespolitiek'. Op den duur zal dit de geloofwaardigheid van de Raad ondergraven.

(2) Maak meer gebruik van de Raad, soms voor een `second opinion', soms voor een `white paper' (waarin een fenomeen/probleem wordt uitgelegd), en soms voor een echt onderzoeksrapport (maar dan moet hier ook veel tijd voor worden ingeruimd). Wellicht dat door de experimenteerfase de Kamer onbekend was met het bestaan en functioneren van de Raad. In dat geval dient de vaste commissie meer bekendheid te genereren over de mogelijkheid om advies in te winnen. Indien de Kamer daadwerkelijk van plan is om meer en veel gebruik te maken van de REA, dan dient de onderzoekscapaciteit van de REA te worden versterkt. Een mogelijkheid is om de onderzoekscapaciteit van OVB de REA te laten ondersteunen of, een meer fundamentele benadering, door serieus werk te maken van een Parlementair Onderzoeksbureau, zoals bepleit in De lof der eenvoud (REA, 2007). Indien de Kamer niet van plan is om meer gebruik te maken van de REA, dan moet serieus worden overwogen wat de werkelijke bestaansgrond van de REA is.

(3) De relatie met het instituut REA is gebaat bij een contract dat door iedere nieuwe Tweede Kamer kan worden verlengd, hernieuwd dan wel opgezegd, zodat zowel de Kamer als de Raad kritisch blijven ten aanzien van het functioneren van de REA. Op deze manier wordt aan het begin van het bestaan van een nieuwe Tweede Kamer duidelijk dat zij behoefte heeft aan advies en dat zij ook bereid is zich te binden aan de rol van opdrachtgever. In één van de adviezen van de REA (2007) is aan bod gekomen hoeveel moeite het de overheid kost om te bepalen of een onderdeel van de overheid het waard is om te behouden of niet. Dit komt voornamelijk door het ontbreken van een harde markttoets, zoals het maken van winst of verlies. Dit stelt extra eisen aan bestuurders en politici om publiek gefinancierde projecten en experimenten te beoordelen. De winst en verlies van publieke organisaties zijn moeilijk in harde cijfers te vangen. Daarom is het belang van het oordeel van vakgenoten en belanghebbenden zo cruciaal om tot een afweging te komen. De Raad hecht dan ook veel waarde aan regelmatige evaluaties of visitatiecommissies, juist om de valkuil van routine of traditie te ontwijken.

Tot slot: de Tweede Kamer heeft aangetoond dat zij de durf heeft gehad om een experiment aan te gaan en de Raad te benoemen. Dit valt de Kamer zeer te prijzen. Bij een experiment


11 Volgens de evaluatie Reglement van orde 2007 (Tweede Kamer, 2007, blz. 50) is er een houding "die zich het beste laat typeren als `baat het niet dan schaadt het niet'."

Bladzijde 39

Datum 14 november 2007

Onderwerp Evaluatie REA

hoort echter ook een evaluatie waarin kritisch wordt gekeken of gestelde doelen ook behaald zijn: dat is immers de essentie van een experiment. Of de REA een succesvol experiment is, ligt voor een groot deel besloten in het oordeel van de opdrachtgever zelf. De klant is immers koning. Vanuit het perspectief van de Raad vormen de afgelopen drie jaar een geslaagd experiment in het prikkelen van het ultieme publieke debat: het debat in de Tweede Kamer.


4. Raad van Economisch Adviseurs
Prof. dr. C.G. Koedijk (voorzitter)
Prof. dr. E.J. Bartelsman
Prof. dr. S.C.W. Eijffinger
Prof. dr. J. Hartog
Prof. dr. A. van Witteloostuijn
Secretaris: dr. H.P. van Dalen

Referenties
Buiter, W.H., en H.P. van Dalen, 2005, Het Binnenhof en de Raad van Economisch Adviseurs, Economisch-Statistische Berichten 90: 533-535. Dalen, H.P., van, en K. Koedijk, 2006, Regeer begrijpelijk en stop de controledrift ­ Vertrouwen in overheidsbeleid ontstaat alleen door eenvoud, NRC Handelsblad, 15 november 2006.
Dalen, H.P., S. Eijffinger, J. Hartog, K. Koedijk en A. van Witteloostuijn, 2007, Geef Kamer eigen onderzoeksbureau, NRC Handelsblad, 28 maart 2007, blz. 7. Dalen, H.P. van, W.A. Letterie, en O.H. Swank, 1998, Economisch advies op het Binnenhof: een ragfijn spel?, Tijdschrift voor Politieke Ekonomie, 21: 58-75. Ministerie van Binnenlandse Zaken, 2004, Spelen met doorwerking, eindrapport over de werking van doorwerking van de adviezen van adviescolleges in het Nederlands openbaar bestuur, Universiteit van Tilburg/Berenschot, Den Haag. REA, 2007, Lof der eenvoud, Tweede Kamer der Staten Generaal, vergaderjaar 2006-2007, Kamerstuk 30942, no.2 , SDU, Den Haag.
Tweede Kamer der Staten Generaal, 2007, De evaluatie `Reglement van orde 2007', 31217, no.1, Vergaderjaar 2007-2008, SDU, Den Haag.

Bladzijde 40

---- --